DERDE VERTELLING.

Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist,

geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar huis

terugkeert, ontmoet een abt, die de dochter blijkt te zijn van den

koning van Engeland. Na hem te hebben getrouwd, herstelt zij voor

haar ooms alle schade en brengt ze weer in goeden doen. [25]

De lotgevallen van Rinaldo d’Asti werden met bewondering door de dames

aangehoord en zijn vroomheid geprezen en God en San Giuliano door hen

gedankt, dat zij bij zijn hoogsten nood hem hulp hadden verleend. Maar

de donna (wat men ook zei van dat middel om het te verbergen) werd niet

dwaas genoemd, die de goede gelegenheid had weten te gebruiken, welke

God haar had gegeven. Terwijl men glimlachend sprak over den goeden

nacht, dien zij had doorgebracht, begon Pampinea, die naast Filostrato

zat en bedacht, dat aan haar de beurt kwam, te peinzen, wat zij zou

vertellen. Na het bevel van de koningin ving zij niet minder flink dan

blijmoedig, spoedig aldus aan te spreken:

Waardige donna’s. Hoe meer men spreekt van de lotswisselingen der

fortuin, des te meer blijft er voor wie de zaken wel wil beschouwen,

over om te bespreken en dit is niet te verwonderen, indien men

bescheiden bedenkt, dat alle dingen, die wij hoovaardig de onzen

noemen, in haar handen zijn en bijgevolg door haar naar haar verborgen

oordeel van het eene in het andere en van het andere in het een [26]

achtereenvolgens, zonder eenigen bij ons bekenden stelregel door haar

kunnen veranderd worden. Wanneer men het te goeder trouw in alle en

dezen ganschen dag aantoont en het bovendien nog in eenige vertellingen

is uiteengezet, zal het toch aan onze koningin behagen, dat men

hierover spreekt. En het zal misschien niet zonder nut zijn voor de

toehoorders, waarvoor ik een vertelling van mij aan de reeds verhaalden

zal toevoegen, welks strekking u wel zal behagen.

Er was vroeger in onze stad een ridder, Tedaldo genaamd, die, naar

enkelen beweren, uit het geslacht der Lamberti’s stamde. Anderen houden

vol, dat hij aan de Agolanti’s ontsproot, daar zij misschien hun

meening meer dan op iets anders grondden op het vak, dat zijn zonen

later uitoefenden en dat de Agolanti’s steeds hadden uitgeoefend en nog

uitoefenen. Maar daar latend wat hiervan waar zij, vertel ik u, dat hij

destijds een zeer rijk ridder was en dat hij drie zoons had, van welke

de eerste Lamberti, de tweede Tedaldo en de derde Agolante heette, alle

drie knappe en beminnelijke jongelieden. De oudste was nog geen

achttien jaar, toen de rijke messire Tedaldo kwam te sterven en hun,

zijn wettigen erven, al zijn roerend en onroerend goed naliet.

Zij voelden zich zeer rijk en aan gelden en aan goederen; zij kenden

geen perken voor hun eigen welbehagen en begonnen zonder eenigen teugel

of tucht hun bezittingen te verkwisten, hielden een groot personeel,

vele en goede paarden, honden, pluimvee, ontvingen voortdurend gasten,

gaven geschenken, hielden steekspelen en leefden niet slechts gelijk

het aan edellieden betaamt, maar bovendien al naar het in hun jeugdig

brein opkwam. Het duurde dan ook niet lang of op die wijze werd de

schat hun door hun vader nagelaten minder en toen voor hun reeds

begonnen uitgaven hun inkomsten niet voldoende meer waren, verkochten

en verpandden ze hun bezittingen. Zij verkochten den eenen dag dit, den

volgenden wat anders en de armoede opende hun de oogen, welke de

rijkdom hun gesloten had gehouden. Lamberti, riep daarom de andere twee

tot zich en zeide hen hoe groot de naam van hun vader was geweest, hoe

groot de hunne en hoe groot hun rijkdom was en tot welk een armoede zij

door hun wanordelijke verkwisting gekomen waren. Hij gaf hun den raad,

voor hun ellende nog meer aan den dag kwam, met hem te samen het

weinige wat hun nog gebleven was te verkoopen, en weg te gaan en zoo

deden ze. Zonder afscheid te nemen en zonder opzien te baren, trokken

zij uit Florence en hielden zich nergens op, totdat zij in Engeland

waren. Toen huurden zij in Londen een huisje, maakten zeer weinig

vertering en leenden op woeker zonder genade. Hierbij was de fortuin

hun zoo gunstig, dat zij binnen enkele jaren een groote som gelds

overhielden. Aldus keerde de een na den ander naar Florence terug, ze

kochten hun bezittingen weer op, wisten bovendien nog meer te koopen en

kozen zich vrouwen. Daar zij nog altijd in Engeland op woeker leenden,

zonden zij tot het waarnemen van hun zaken een jonkman, een neef van

hen daarheen, die Alexander heette. Ze hadden alle drie te Florence

vergeten in welk een toestand de dwaasheid der verkwisting hen had

gebracht en begonnen, hoewel zij een familie hadden gevormd, meer dan

ooit overmatig geld te verteren. Zij hadden het grootste crediet bij

ieder koopman en van elk een groote som gelds in handen. Het geld door

Alexander gezonden hielp hen eenige jaren lang om hun verkwistingen vol

te houden. Alexander leende aan baronnen op hun kasteel en op andere

inkomsten, die er met groote winst hem goed borg voor stonden. Terwijl

de drie gebroeders rijkelijk verteerden en het geld hun ontbrak en zij

leenden, daar zij altijd vaste hoop op Engeland hadden, brak er daar

toevallig tegen de verwachting van iedereen een oorlog uit tusschen den

koning en een van zijn zoons. Het geheele eiland raakte verdeeld,

zoodat deze met den een en eene het met den ander streed. Hierdoor

waren al de kasteelen der baronnen van Alexander verpand en alle andere

inkomsten geheel onzeker. Daar men van dag tot dag nog hoopte op vrede

tusschen vader en zoon en dat bijgevolg alles aan Alexander zou worden

teruggegeven zoowel de rente als het kapitaal en Alexander niet van het

eiland vertrok, beperkten de drie broeders, die te Florence waren hun

zeer groote verteringen in niets en borgden elken dag meer. Maar toen

men na enkele jaren niets van de gekoesterde hoop zag komen, verloren

de drie gebroeders niet alleen hun crediet, maar hun schuldeischers

drongen op betaling aan en zij werden gevangen genomen. Daar hun

bezittingen niet toereikend waren om te betalen, bleven zij voor goed

in de gevangenis en hun vrouwen en kleine kinderen zwierven van dorp

tot dorp rond in schamele kleeren en zij wisten niet beter dan dat zij

eeuwige armoede te wachten hadden.

Alexander, die in Engeland verscheidene jaren vergeefs op den vrede

gewacht had, zag dat hij niet kwam. Het scheen hem daar twijfelachtig

voor zijn levensbehoud en voor verdiensten te blijven. Hij nam zich

voor naar Italië terug te keeren en ging geheel alleen op weg. Toen hij

Brugge verliet, zag hij, dat toevallig eveneens een witte

benedictijner-abt de stad uitreed door vele monniken vergezeld en met

veel dienstpersoneel en bagage vooruit. Daarop volgden een paar oude

ridders, verwant met den koning, met welke Alexander als met bekenden

een gesprek begon en in hun gezelschap werd hij goed ontvangen. Terwijl

hij aldus met hen voorttoog, vroeg hij hun stilletjes wie de monniken

waren, die met zooveel bedienden te paard reisden en waar zij

heengingen. Hierop antwoordde een der ridders: Die daar vooruit rijdt,

is een ons verwant jonkman, die onlangs tot abt is gekozen van een der

rijkste abdijen van Engeland. En omdat hij volgens de wetten te jong is

om zulk een waardigheid te erlangen, gaan wij met hem naar Rome om van

den Heiligen Vader gedaan te krijgen, dat hij hem wegens den jeugdigen

leeftijd dispensatie verleent en hem dan in die waardigheid bevestigt.

Maar u moet daarover niet met anderen spreken.

Daar nu de jonge abt dan eens voorop, dan weer achteraan in den stoet

reed, gelijk wij allen dit van voorname heeren elken dag zien, kwam hij

op dien tocht dicht bij Alexander, die een zeer knap man was van figuur

en gelaat en die meer dan iemand het wezen kon, welopgevoed en

aangenaam en van goede manieren was. Deze beviel hem op het eerste

gezicht buitengewoon, zooveel als ooit iemand hem behaagd had en hem

tot zich roepende, begon hij heel gezellig met hem te praten en te

vragen wie hij was, vanwaar hij kwam en waar hij heenging. Aan hem

legde Alexander vrijelijk zijn geheelen toestand bloot, voldeed aan

zijn vragen en bood zich tot elken dienst, hoe weinig het ook zijn

mocht, aan. De abt hoorde naar zijn aangenaam en geregeld gesprek en

toen hij aandachtiger zijn manieren beschouwde en er van overtuigd

werd, dat hij ondanks zijn nederig beroep, edelman moest zijn, werd hij

met hem nog meer ingenomen. Hij was vol medelijden over zijn

ongelukken, troostte hem vriendelijk en zeide hem, dat hij goeden moed

moest houden, omdat, als hij een flink man was, God hem opnieuw zou

plaatsen, vanwaar hij hem verworpen had en hooger zelfs. Hij verzocht

hem, omdat hij ook naar Toscane ging, hem gezelschap te houden, daar de

ander er insgelijks heentoog. Alexander bedankte hem voor dien troost

en zeide, dat hij gereed was tot elk verzoek van hem.

Terwijl de abt aldus voortging en bij hem nieuwe gedachten opkwamen

door den geest van Alexander, bereikten zij na eenigen tijd een dorp,

dat niet al te rijk van herbergen was voorzien. Daar de abt er wilde

logeeren, liet Alexander hem bij een waard afstijgen, die hem nogal

toegedaan was, en liet voor hem een kamer in orde maken in het

geriefelijkste vertrek van het huis. Nu hij als het ware de hofmeester

van den abt was geworden en hij zeer practisch was, had hij het

personeel van den abt, deze hier en gene daar, onder dak gebracht. Toen

de abt het avondmaal had genuttigd en al een goed deel van den nacht

voorbij was en iedereen was gaan slapen, vroeg Alexander, waar hij kon

ter ruste gaan. Hierop antwoordde de waard: ik weet het werkelijk niet;

gij ziet, dat alles vol is en gij kunt mij en mijn huishouden zien

slapen op banken; evenwel zijn er in de kamer van den abt een soort

graankisten, waar ik u heen kan brengen en u wat beddegoed kan geven en

waarop gij op de beste manier als het u belieft, dezen nacht kunt

liggen. Hierop sprak Alexander: Hoe zal ik in de kamer van den abt

kunnen komen; gij weet, dat die zoo klein is, dat er door haar nauwheid

zelfs niet een van zijn monniken kon liggen? Had ik dat geweten, toen

de gordijnen er opgehangen werden, dan had ik op de graankisten zijn

monniken laten slapen en mij bevonden, waar de monniken nu liggen. De

waard hernam: Het is nu eenmaal zoo en gij kunt als gij wilt, daar het

best logeeren. De abt slaapt, de voorhangen zijn dicht, ik zal u er

zacht een matras toeschuiven en gij legt u er dan ter ruste. Alexander,

die zag, dat dit kon gebeuren zonder den abt te storen, stemde er in

toe en zoo stil hij kon, ging hij er liggen. De abt, die niet sliep,

maar daarentegen hartstochtelijk aan zijn jeugdige begeerten dacht,

hoorde, dat de waard en Alexander spraken en had ook gemerkt, waar

Alexander zich had neergelegd. Hierdoor zeide hij in zichzelf zeer

welgemoed: God heeft mij het geschikte oogenblik voor mijn wenschen

gezonden; indien ik het niet aangrijp, zal het zoo per toeval in langen

tijd niet terugkeeren. Nadat de abt over alles had nagedacht om hem bij

zich te hebben en alles stil scheen in de herberg, riep hij met een

zeer zachte stem Alexander en verzocht hem zich naast hem te leggen,

die na vele weigeringen zich ontkleedde en dit deed. De abt, die hem de

hand op de borst legde, begon die niet anders te beroeren dan de mooie

meisjes het hun minnaars doen, waarover Alexander zich zeer verwonderde

en er zeer aan twijfelde of de abt niet bewogen werd door

ongeoorloofden hartstocht. De abt begreep dadelijk die twijfel òf door

argwaan, òf door een beweging, die Alexander maakte en glimlachte en

nadat hij haastig van zijn lichaam het hemd, dat hij aanhad, had

neergetrokken, nam hij de hand van Alexander die hij op zijn borst

legde en zei: Alexander, verban die dwaze gedachte en eer zoekend

kennen, wat ik je hier verberg. Toen Alexander de hand op het lichaam

van den abt had gelegd, vond hij twee gladde, stevige en zachte borsten

als van ivoor. Toen hij die gevonden had en begrepen, dat dit een vrouw

moest wezen, wilde hij zonder een verdere uitnoodiging af te wachten en

haar snel te hebben omarmd, haar kussen en zij zeide: Hoor, voor dat

gij mij nadert, wat ik je zeggen wil. Gelijk je kunt weten ben ik een

vrouw en geen man. Ik heb als jonkvrouw mijn huis verlaten en ging naar

den Paus, opdat die mij zou uithuwelijken. Het is uw geluk of mijn

ongeluk, dat, toen ik u gisteren zag, mij de liefde ontbrandde als

nooit een man een vrouw deed. Hierom had ik besloten u boven allen tot

echtgenoot te verlangen. Zoo gij mij niet tot vrouw wilt, ga dan

dadelijk hier uit en keer op uw plaats terug. Alexander, hoewel die

haar nog niet kende, maar op het gezelschap lette, dat zij had, meende,

dat zij edel en rijk moest zijn, en zag, dat zij zeer schoon was;

daarom zonder al te lang na te denken antwoordde hij, dat, als het haar

beviel, het hem zeer aangenaam zou zijn. Zij ging daarop in het bed

rechtop zitten voor een plaat, waarop God was afgebeeld, gaf hem een

ring in de hand en huwde hem en na elkaar te hebben omhelsd met groot

genoegen van weerskanten, waren zij gelukkig zoolang de nacht duurde.

Nadat zij maatregelen hadden beraamd en orde op hun zaken hadden

gesteld, stond Alexander bij het krieken van den dag op en ging

vervolgens de kamer uit, waar hij binnen was gekomen zonder dat iemand

wist, waar hij had geslapen. Hij was bovenmatig verheugd, ging met den

abt en diens gezelschap op reis en na vele dagen kwamen zij te Rome.

Daarna, sinds zij er eenigen tijd hadden vertoefd, kwamen de abt met de

twee ridders en Alexander bij den Paus en nadat zij hem den

verschuldigden eerbied hadden betuigd, begon, de abt aldus te spreken:

Heilige Vader, gelijk gij het beter dan iemand kunt weten, moet ieder,

die goed en fatsoenlijk wil leven zooveel mogelijk alles vermijden, wat

hem tot iets slechts zou kunnen leiden. Opdat ik, die fatsoenlijk wil

blijven, dit naar welgevallen kan doen, ben ik in het kleed, waarin gij

mij ziet, heimelijk gevlucht met het grootste deel der schatten van den

koning van Engeland, mijn vader (die mij met een oud man, den koning

van Schotland, wilde laten trouwen, terwijl ik nog een jong meisje ben

gelijk gij ziet.) Ik kwam hier, opdat Uw Heiligheid mij zou

uithuwelijken en mij daarbij hielp. Nu deed mij niet zoozeer de

leeftijd van den koning van Schotland vluchten als de vrees door de

zwakheid van mijn jeugd iets te doen, wanneer ik eenmaal met hem

getrouwd zou zijn, wat tegen de goddelijke wetten was en tegen de eer

van het koninklijk bloed van mijn vader. En terwijl ik met dit geloof

hier kwam, heeft God, die alleen het best weet, wat ieder behoeft,—ik

geloof door zijn barmhartigheid—mij dezen toegevoerd, die het Hem

behaagde, dat mijn echtgenoot zou worden. Dat is deze jonge man, die

Alexander heet en dien gij thans voor u ziet en wiens zeden en moed een

of andere groote dame waardig zijn, hoewel misschien de adel van zijn

bloed niet zoo doorluchtig is als het koninklijke van mij. Hem heb ik

genomen en hem wil ik dan ook hebben. Nooit wil ik een ander bezitten,

wat ook mijn vader of anderen er van zeggen. Nu is de voornaamste

reden, waarom ik op reis ging, vervallen, maar het behaagt mij mijn

tocht voort te zetten, zoowel om de heilige en eerbiedwaardige plaatsen

op te zoeken, van welken deze stad vol is als om Uwe Heiligheid in

persoon te aanschouwen en ook opdat het huwelijk door Alexander en mij

alleen gesloten voor God, openlijk zal worden voltrokken in Uw

tegenwoordigheid en zoodoende van alle andere menschen. Daarom bid ik U

nederig, dat, wat aan God en mij behaagde, ook U welgevallig zal zijn

en gij Uw zegen geeft, opdat wij hiermee als met meer zekerheid omtrent

de goedkeuring van hem, wiens Stedehouder gij zijt, ter eere van God en

van u kunnen leven en eindelijk sterven. Alexander verwonderde zich er

over, dat zijn vrouw de dochter was van den koning van Engeland en was

vervuld van wonderbaarlijke, geheime vreugde maar de twee ridders

verbaasden zich nog meer en waren zoo verstoord, dat zij, als ze elders

dan bij den Paus waren geweest, Alexander en misschien ook de donna een

leelijke poets hadden gebakken.

Anderzijds verwonderde de Paus zich zeer, zoowel over de vermomming van

de dame als over haar verkiezing tot abt, maar daar hij zag, dat men er

niets aan kon veranderen, voldeed hij aan haar bede. Eerst bracht hij

de ridders, die hij verstoord zag, tot kalmte, verzoende hen weer met

de donna en Alexander en gaf order tot wat er te doen bleef. Toen de

dag, door hem bepaald, gekomen was, liet hij in tegenwoordigheid van

alle kardinalen en van een groot aantal hooggeplaatste personen, die

waren uitgenoodigd en die waren verschenen om aanwezig te zijn bij het

prachtige feest, dat hij had laten voorbereiden, de donna komen

koninklijk getooid, die zoo schoon en bekoorlijk leek, dat zij naar

waarheid door allen werd geprezen en evenzoo Alexander prachtig

uitgedost, in uiterlijk en manieren heelemaal niet een jongeling, die

op woeker had geleend, maar veeleer een prins van koninklijken bloede

en door de twee ridders zeer geëerd. Daarop liet de Paus opnieuw

plechtig het huwelijk vieren en na een schoone en weelderige bruiloft,

liet hij ze gaan met zijn zegen.

Het stond Alexander en ook de donna aan van Rome vertrekkend naar

Florence te reizen, waar reeds de faam het nieuws had verbreid. Daar

liet de donna, door de burgers met de hoogste eer ontvangen, de drie

gebroeders bevrijden, nadat ze eerst iedereen had laten betalen en aan

hen en hunne vrouwen hun bezittingen teruggaf. Alexander en zijn vrouw

vertrokken onder de toejuichingen van allen en voerden Agolante met

zich mede en te Parijs gekomen, werden zij met eerbewijzen door den

koning verwelkomd. Vervolgens gingen de twee ridders naar Engeland en

onderhandelden zoo met den koning, dat hij hun genade schonk en met een

zeer groot feest haar en zijn schoonzoon ontving, dien hij met de

grootste plechtigheid tot ridder sloeg en wien hij het graafschap

Cornwales schonk. Alexander was zoo bekwaam en wist zoo te handelen,

dat hij den zoon met den vader verzoende, waaruit veel goeds voor het

eiland volgde en waardoor hij de liefde verwierf en de gunst van alle

bewoners. En Agolante moet ook weer alles ontvangen hebben, wat men hem

schuldig was en kwam weer buitengewoon rijk te Florence, nadat graaf

Alexander hem eerst tot ridder had verheven.

De graaf leefde sinds dien tijd roemrijk met zijn vrouw en volgens het

zeggen van enkelen veroverde hij door zijn verstand en moed en met de

hulp van zijn schoonvader daarna Schotland en werd daar tot koning

gekroond.

De Decamerone van Boccaccio · 第 17 / 116 题