TWEEDE VERTELLING.

Rinaldo d’Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo, wordt daar

opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos te zijn gesteld,

gezond en wel weer terug naar huis. [22]

Over de lotgevallen van Martellino verteld door Neifile lachtten de

donna’s uitermate en het meest onder de jongelui Filostrato, aan wien,

omdat hij bij Neifile zat, de koningin beval, dat hij het vertellen zou

vervolgen. Deze begon zonder verwijl: Schoone dames, ik heb lust u een

verhaal te doen van kerkschelmerij en liefde door elkaar. Het kan niets

anders dan nut stichten, als gij dit hebt gehoord, in het bijzonder

onder degenen, die door de onveilige landen der liefde zwerven, bij

hen, die het paternoster van San Giuliano [23] niet vele malen hebben

opgezegd, en die een goed bed, maar een slechte herberg vinden.

Er was dan in den tijd van den markies Azzo van Ferrara, een koopman,

Rinaldo d’Asti genaamd, die voor zijn zaken naar Bologna was gegaan.

Toen hij klaar was, naar huis ging, Ferrara verliet en te paard naar

Verona reed, ontmoette hij eenige lieden, welke kooplieden schenen,

maar straatroovers waren, gemeene kerels, die een slecht leven leidden,

met welke hij zich onvoorzichtig inliet. Zij, die zagen dat hij koopman

was en meenden, dat hij geld bij zich droeg, spraken onder elkaar af,

dat zij hem bij de eerste gelegenheid de beste zouden berooven. Opdat

hij geen argwaan zou krijgen, liepen zij als bescheiden en welopgevoede

menschen en spraken met hem over eerlijke en loyale zaken en gedroegen

zich, zooveel ze maar konden en wisten, aardig en welwillend jegens

hem. Zoo rekende hij het zich tot een groot geluk ze te hebben

getroffen, daar hij slechts met een van zijn bedienden te paard zat.

Aldus pratend over het eene na het ander, gelijk dat bij het spreken

gebeurt, kwamen ze ook onder meer op de gebeden, die de menschen tot

God richten en een van de drie bandieten zei tot Rinaldo: En gij,

edelheer, wat zijt gij gewoon te bidden op reis?

Rinaldo antwoordde hierop: Werkelijk, ik ben in die dingen een

practisch gewoon mensch, en heb weinig gebeden bij de hand; ik die op

ouderwetsche wijze zoo leef, ik laat Gods water over Gods akker loopen,

maar niettemin heb ik altijd de gewoonte gehad op reis en ’s ochtends,

wanneer ik de herberg verlaat een paternoster op te zeggen en een ave

maria voor de ziel van de vader en moeder van San Giuliano en dan bid

ik God en hem, dat zij mij den volgenden dag een goede herberg geven.

Ik ben dikwijls genoeg in groote gevaren geweest, waaraan ik alle

ontkomen ben en toch ’s nachts op een goede plaats en goed beherbergd

geweest; daarom geloof ik vast, dat San Giuliano, tot wiens eere ik

bid, voor mij die genade heeft afgebeden van God. Het komt mij voor,

dat ik overdag niet goed zou kunnen voortgaan, noch bij den komenden

nacht goed aankomen, als ik ’s ochtends het paternoster niet had

opgezegd. Hierop zeide degene, die hem dit had gevraagd: En hebt gij

het ook vanmorgen opgezegd? Rinaldo antwoordde: Welzeker. Daarna zeide

de bandiet tot zich zelf, die al wist wat er gebeuren zou: Het komt je

te pas, want indien er niets in den weg komt, zal je naar mijn plan

toch leelijk gelogeerd zijn en toen hernam hij: Ook ik heb insgelijks

veel gereisd en heb het toch nooit opgezegd, hoewel ik het van velen al

meermalen heb hooren aanprijzen. Toch is het mij nog nooit gebeurd, dat

ik slecht gehuisvest was en hedenavond zult gij toevallig kunnen zien,

wie een betere herberg zal hebben, gij, die het hebt opgezegd, of ik,

die het niet deed. Het is echter goed, dat ik in plaats daarvan het

“Dirupisti” of de “intemerata” of het “Deprofundis” toepas, welke, naar

een mijner grootmoeders placht te zeggen, van zeer groote kracht zijn.

En zoo over velerlei zaken sprekende en op hun reis voortgaande,

wachtten zij plaats en tijd voor hun boos plan af. De drie bandieten

vielen hem aan, bij Castel Guiglielmo bij de doorwaadbare, eenzame en

afgesloten plek van een stroom, toen het donker was en beroofden hem.

Zij lieten hem te voet en in zijn hemd staan en zeiden, toen ze

heengingen: Ga en zie, dat San Giuliano je vannacht een goede herberg

geeft gelijk onze heilige aan ons zal geven. Zij gingen van die plaats

weg den stroom over.

De knecht van Rinaldo, toen hij hem zag aanvallen, deed als een lafbek

niets om hem te helpen, maar het paard gekeerd hebbende, waarop hij

zat, ging die zoo hard hij kon naar het dorp Guiglielmo [24] en daar

overnachtte hij, toen het al laat was, zonder zich over iets te

bekommeren. Rinaldo bleef in zijn hemd en barrevoets staan, terwijl het

zeer koud was en sterk sneeuwde niet wetende wat te doen. Hij zag, dat

het al nacht was. Bevend en klappertandend begon hij rond te kijken of

er ergens in de buurt een schuilplaats was, waar hij gedurende den

nacht kon blijven, opdat hij niet zou sterven van koude. Maar hij zag

niets, omdat er kort te voren oorlog was gevoerd in de streek, waar

alles was platgebrand, en voortgedreven door de koude, richtte hij zich

haastig naar Castel Guiglielmo, hoewel hij niet wist of zijn knecht

daar of elders heen gevlucht was en dacht, als hij er maar binnen kon

komen, dat God hem wel eenige hulp zou verschaffen. Maar de donkere

nacht verrastte hem op bijna een mijl afstand van de vesting, waardoor

hij er zoo laat aankwam, dat de poorten al gesloten en de bruggen al

opgehaald waren en hij er niet binnen kon komen. Daarom dwalend en

troosteloos keek hij klagend rond, waar hij binnen kon gaan, zoodat het

tenminste niet op hem sneeuwde en gelukkig zag hij een huis op de

wallen van het kasteel, dat ietwat naar voren sprong, waaronder hij

besloot tot den dageraad te blijven. Toen hij daarheen was gegaan, vond

hij onder dien voorsprong een deur, die gesloten was, aan welker voet

hij wat stroo ontdekte. Treurig en klagend legde hij zich er op neer,

keerde zich herhaaldelijk bedroefd tot San Giuliano en zeide, dat dit

niet overeenkwam met het geloof, dat hij in hem had. Maar San Giuliano,

die op hem lette, bereidde hem zonder dralen een goede schuilplaats.

Er was in dat slot een zeer jonge weduwe, schooner dan eenige andere

vrouw, die de markies Azzo lief had als zijn leven en die haar op dat

oogenblik onderhield. Gezegde donna woonde in dat huis onder welks

voorsprong zich Rinaldo had begeven om te overnachten. Den vorigen dag

was juist de markies daar gekomen om den nacht bij haar door te brengen

en had in haar huis stil een bed laten gereed maken en een heerlijk

avondmaal. Maar toen alles klaar was en zij niets anders wachtte dan de

komst van den markies aan het avondmaal, kwam er een knecht aan de

deur, die berichten bracht aan hem, welke hem dadelijk dwongen te paard

te stijgen. Hierdoor na te laten zeggen aan de donna, dat zij niet zou

wachten, ging hij haastig weg. Daardoor was de donna een weinig

mistroostig en niet wetende wat te doen, nam zij zich voor in het bad

te gaan gemaakt voor den markies, en dan te avondmalen en naar bed te

gaan. Ze ging dan ook in het bad.

Nu was dit bad dicht bij den uitgang, waar de armzalige Rinaldo buiten

was, zoodat zij daarin staande het klagen en het klappertanden hoorde

van Rinaldo, dat het geklepper van een ooievaar scheen. Daarom zeide

zij na haar meid te hebben geroepen: Ga naar boven en zie over den rand

van den muur, wie er aan de voet van de deur ligt, en wat hij er doet.

De meid ging heen en daar de klaarheid van de lucht haar te hulp kwam,

zag zij hem in zijn hemd en blootsvoets daar zitten, gelijk verteld is,

en vreeselijk beven. Toen vroeg zij hem, wie hij was. Rinaldo was zoo

koud, dat hij ternauwernood kon spreken, zeide haar hoe en waarom hij

daar kwam, zoo kort hij kon en begon haar nederig te smeeken, om indien

het kon, hem daar niet van koude te laten sterven. De meid, die

medelijden met hem had, ging naar de donna en vertelde haar alles. Ook

die was barmhartig en na zich te hebben herinnerd, waar de sleutel was

van de deur, die telkens dienst deed bij de geheime binnenkomst van den

markies, zeide zij: Ga en doe hem zachtjes open; hier is het avondmaal.

Er is niemand om het op te eten en er is plaats genoeg om hem te

logeeren. De meid prees de dame zeer om haar menschlievendheid, ging

heen en opende de deur en nadat zij hem binnen had gelaten, zei de

donna hem haast bevroren ziende: Ga bijtijds, goede man, in het bad,

dat nog warm is. Hij, zonder verdere uitnoodiging af te wachten, deed

het van zelf. Toen hij door die warmte hersteld was, scheen het hem,

dat hij van den dood tot het leven was teruggekeerd. De donna leende

hem daarna kleeren van haar echtgenoot, die kort te voren was overleden

en die, toen hij ze had aangetrokken, hem naar het lijf gemaakt

schenen. Terwijl hij de verdere bevelen der dame afwachtte, begon hij

God en San Giuliano te danken, die uit zulk een boozen nacht, gelijk

hij verwachtte, hem hadden verlost en naar het hem voorkwam, naar die

goede herberg geleid. Toen de donna na haar bad een weinig gerust had

en een groot vuur had laten aanleggen in de kamer, waarin zij kwam,

vroeg zij hoe het met den goeden man was.

Hierop antwoordde de meid: Mevrouw, hij heeft zich opnieuw gekleed, is

een knap man en schijnt zeer welgemanierd. Ga dan heen, zei de donna,

roep hem en zeg hem, dat hij hier bij het vuur komt en het avondmaal

gebruikt, want ik weet, dat hij dit nog niet heeft gedaan. Rinaldo kwam

binnen, zag de donna en daar zij hem van hoogen stand scheen, groette

hij haar eerbiedig en dankte haar voor de gunsten, die zij hem bewees,

zoo goed hij kon. Toen de donna hem goed had aangekeken en aangehoord,

scheen hij haar, wat de meid van hem gezegd had. Ze ontving hem

vriendelijk, liet hem familiaar naast haar bij het vuur zitten en vroeg

hem welk ongeluk hem daarheen had gevoerd. Rinaldo vertelde alles

geregeld achter elkaar. Zij had bij de komst van Rinaldo’s knecht in

het kasteel al iets er van gehoord, zoodat zij, wat hij vertelde,

volkomen geloofde. Zij zeide hem ook, wat zij van zijn knecht al wist

en hoe hij dien allicht den volgenden morgen kon aantreffen. Toen de

tafel gedekt was begon, gelijk de donna het wilde, Rinaldo na met haar

te samen de handen te hebben gewasschen, te eten. Hij was groot van

figuur, schoon en aangenaam van gelaat, van zeer lofwaardige en

sierlijke manieren en een jonge man van middelbaren leeftijd. De dame

had er meermalen op gelet en hem zeer geprezen en reeds, omdat de

markies die daar moest komen om te slapen, de begeerte tot bijslaap in

haar had opgewekt, had zij daar zin in. Nadat zij van tafel was

opgestaan, vroeg ze haar meid, of het die goed scheen nu de markies

haar voor den mal had gehouden, dat zij gebruik zou maken van de goede

gelegenheid, haar door de fortuin aangeboden. Daar de meid de begeerte

van haar donna kende, raadde zij haar ten sterkste aan om dit te doen.

Hierop keerde zij naar het vuur terug, waar zij Rinaldo alleen had

achtergelaten, begon hem verliefd aan te zien en zei: Zeg Rinaldo,

waarom zit je zoo in gedachten! Geloof je niet je te kunnen schadeloos

stellen voor een paard en een paar kleeren, die je hebt verloren?

Troost je en wees op je gemak, alsof je thuis waart; ik had je al

eerder willen zeggen, dat ik je al honderd maal had willen omhelzen en

kussen, toen ik je in de kleeren van mijn overleden man zag en het mij

scheen, of hij het was. Als ik niet bang was geweest, dat het je

onaangenaam zou zijn, had ik het zeker gedaan. Rinaldo, die deze

woorden hoorde en den gloed in de oogen van de donna zag, daar hij niet

gek was, zeide met geopende armen tegenover haar: Mevrouw, wanneer ik

er aan denk, dat ik altijd zal moeten zeggen, dat ik aan u het leven

dank, als ik er acht op geef, hoe gij mij hebt geholpen, zou het van

mij een schelmenstreek zijn, als ik niet geneigd was alles te doen, wat

u aangenaam is. Voldoe dus aan uw begeerte door mij te omhelzen en te

kussen, want ik zal het u meer dan gaarne doen. Meer woorden waren

hierbij niet noodig. De donna, die van liefdeverlangen brandde, wierp

zich spoedig in zijn armen en nadat zij hem wel duizend malen

verlangend had omhelsd en gekust en van hem gekust was, stonden zij op,

gingen in de slaapkamer en begaven zich dadelijk ter ruste en ten volle

en meermalen, tot het dag werd, bevredigden zij hun begeerten.

Toen de dageraad aanbrak en zij opstonden, gaf de donna, opdat niemand

er erg in zou hebben, hem eenige vrij armelijke kleeren en vulde zijn

beurs met geld. Zij verzocht hem stilzwijgendheid en na hem eerst den

weg te hebben gewezen om in het kasteel zijn knecht te vinden, liet zij

hem door het deurtje, waar hij binnen kwam, weer uit. Hij deed, toen

het helder dag werd, of hij van verre aankwam, ging, toen de poorten

geopend waren, in het slot en vond zijn knecht. Daar, toen hij zijn

eigen kleeren uit het valies had aangedaan en op het paard van zijn

knecht wilde stijgen, werden als door een hemelsch wonder de drie

bandieten, die hem den vorigen avond beroofd hadden, wegens een ander

misdrijf, waarvoor zij kort daarop gevat waren, in het kasteel gebracht

en hij kreeg na hun bekentenis, het paard, de kleeren en het geld

terug, zoodat hij er niets bij verloor dan een paar kousebanden,

waarvan de roovers zelf niets meer wisten. Rinaldo steeg te paard,

dankte God en San Giuliano, keerde gezond en wel naar huis terug en den

volgenden dag spartelden de drie bandieten aan de galg.

De Decamerone van Boccaccio · 第 16 / 116 题