Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den
heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt hij
geslagen en gevangen genomen. Hij loopt zelfs gevaar te worden
opgehangen, maar ontkomt dit. [21]
Liefste dames, het gebeurt menigmaal, dat wie er zich op toe heeft
gelegd anderen voor den mal te houden en het meest die zaken te
bespotten, die heilig zijn, zich zelf hiermee bespot ziet en dan met
schade terugkomt. Hiertoe wil ik, opdat ik aan het bevel der koningin
gehoorzaam en een begin maak met een vertelling, die van pas is, u die
verhalen van hetgeen eerst bij ongeluk en daarna boven al zijn
verwachting toch nog gelukkig, een onzer medeburgers overkwam.
Niet lang geleden was er te Treviso een Duitscher Erich genaamd, die
arm was en lastdrager van beroep. Men dacht algemeen, dat hij een zeer
heilig en goed leven leidde. Of dit nu waar was of niet, toen hij
stierf, beweerden de Trevisanen, begonnen op het uur van zijn dood van
de hoofdkerk van Treviso, hoewel door niemand geluid, de klokken te
bommen. Dit leek ieder een wonder en zij hielden allen daarom Erich
voor een heilige. De gansche bevolking van de stad liep naar het huis,
waar zijn stoffelijk overschot lag. Ze droegen het als het lijk van een
heilige naar de hoofdkerk en namen kreupelen, lammen en blinden en
anderen, door welk soort ziekte of gebrek ook getroffen mede, alsof die
alle door het aanraken van zijn lichaam gezond konden worden. Gedurende
dit tumult en dien toeloop, kwamen er in Treviso drie van onze
medeburgers, van welke de een Stecchi, de ander Martellino en de derde
Marchese heetten, mannen, die de hoven der groote heeren bezochten en
die met het nadoen van alle andere menschen met gelijksoortige gebaren
de toeschouwers vermaakten en daarvan leefden. Zij waren daar nog nooit
geweest en toen zij alle menschen zagen toeloopen, verwonderden zij
zich er over en de reden vernemend waarom dit gebeurde, wenschten zij
dit ook te zien. Nadat zij hun bagage in een herberg hadden neergezet,
zei Marchese: Wij zullen dien heilige gaan kijken, maar ik begrijp nog
niet, hoe wij er komen kunnen, want ik heb gehoord, dat het plein vol
Duitschers en andere soldaten is, welke de heer van dit gebied er
opstelde, opdat er geen woeling plaats heeft en bovendien is de kerk,
waarvan hier sprake is, zoo vol menschen, dat om zoo te zeggen niemand
er binnen kan komen. Daarop zeide Martellino, die verlangend was dit te
zien: Daarvoor blijf ik niet; ik zal toch wel een middel vinden om tot
het heilige lichaam door te dringen. Marchese vroeg: Hoe? Martellino
antwoordde: Dat zal ik je vertellen. Ik zal mij voordoen als een lamme
en gij zult mij aan den eenen en Stecchi aan den anderen kant
ondersteunen, alsof ik niet loopen kan en jullie zult doen of je me
daarheen wilt voeren, opdat die heilige mij geneest; er is dan niemand,
die dit ziende geen plaats maakt en ons doorlaat. Dit beviel aan
Marchese en Stecchi en zonder verwijl werd uit de herberg gegaan en op
een eenzame plaats gekomen, verwrong Martellino zoo de handen, de
vingers, de armen, de beenen en ook het geheele gelaat, dat het
vreeselijk was om te zien en ieder, die het zou aanschouwd hebben, zou
gezegd hebben, dat hij werkelijk een geheel en al verloren man en
verlamd was. Nadat Marchese en Stecchi den zoo misvormden man hadden
vastgegrepen, begaven zij zich naar de kerk, met een heel vroom en
ootmoedig gezicht en vroegen om Gods wil aan ieder, die voor hen stond,
dat hij voor hen plaats zou maken, wat ze ook licht gedaan kregen. Om
kort te gaan, iedereen was welwillend, en terwijl ze overal riepen:
maak plaats! maak plaats! kwamen zij daar, waar het lichaam van den
heiligen Erich neergezet was. Door eenige edellieden die er omheen
stonden, werd Martellino vlug opgeheven en boven het het lichaam
gehouden, opdat hij aldus de zegen van de gezondheid verwierf.
Daar ieder nieuwsgierig was om te zien wat hem zou gebeuren, begon
Martellino na eenigen tijd in die houding gebleven te zijn, te doen of
hij een van de vingers uitstrekte en toen de hand en daarna den arm en
eindelijk rekte hij zich zoo geheel uit. Toen de menschen dit zagen,
ontstond er zoo’n tumult ter eere van den heiligen Erich, dat men er
den donder niet had kunnen hooren. Toevallig was er een Florentijner in
de buurt, die Martellino zeer goed kende, maar die hem, daar hij zoo
veranderd was, niet had herkend, en die, toen hij hem weer normaal zag
en ontdekte, begon te lachen en opeens zeide: Heere, wat een treurig
geval; wie zou niet geloofd hebben, die hem zag komen, dat hij
werkelijk verlamd was! Deze woorden hoorden eenige Trevisanen, die
terstond vroegen: Wat! Is die kerel niet lam? Waarop de Florentijn
antwoordde: Neen, God beware hem; hij is altijd recht van lijf en leden
geweest net als wij, maar hij weet beter dan wie ook, zooals jullie
hebt kunnen zien, de aardigheid te verkoopen om zich in iedere gedaante
voor te doen waarin hij dit wil.
Toen zij dit gehoord hadden, was er niets meer noodig om hen met kracht
naar voren te doen dringen. Zij begonnen te schreeuwen: Die verrader en
bespotter van God en de heiligen moet gevat worden, die niet lam is,
maar die zich zoo voordoet en hier kwam om met onzen heilige en ons den
draak te steken! Bij deze woorden grepen zij hem, trokken hem van de
plaats waar hij was, namen hem bij de haren, scheurden hem al de
kleeren stuk en begonnen hem vuistslagen en stompen te geven; er scheen
niemand te zijn, die daar niet aan meedeed. Martellino schreeuwde: Om
Godswil genade! en verweerde zich zoo goed hij kon. Maar dit beteekende
niets, de menigte werd steeds grooter. Stecchi en Marchese zagen dit,
zeiden elkaar, dat de zaak mis liep en twijfelend aan hun eigen kracht,
beijverden zij zich niet om hem te helpen; liever schreeuwden zij met
de anderen mede, dat hij dood was, maar hadden toch plan hem in ieder
geval uit de handen van het gepeupel te halen, dat hem zeker zou hebben
gedood, indien er geen middel was geweest, dat Marchese dadelijk
aangreep. Daar de geheele gewapende macht van het gebied buiten stond,
ging Marchese zoo snel hij kon naar hem toe, die er het bevel voerde,
en zeide: Help om Gods wil! Hier is een gemeene kerel, die mijn beurs
heeft gerold met wel honderd florijnen; ik bid u, dat u hem gevangen
neemt, opdat ik het mijne terug krijg. Onmiddellijk liepen, toen zij
dit hoorden, twaalf manschappen daarheen, waar den armen Martellino
zonder kam toilet werd gemaakt en toen zij met de grootste moeite de
menigte hadden uiteengedrongen, trokken zij hem lam gebeukt en
heelemaal plat getrapt uit haar handen en voerden hem naar het
stadhuis, waarheen velen hem volgden, die zich door hem voor den mal
gehouden achtten, en dien het dus scheen, toen zij gehoord hadden, dat
hij gearresteerd was als zakkenroller, dat zij geen beter middel hadden
hem een ongeluk aan te doen en daarom allen tegelijk begonnen te
vertellen, dat hij hen allen de beurs had ontroofd. De rechter hoorde
dit. Hij was een zeer streng man en nam hen snel in afzonderlijk
verhoor. Maar Martellino antwoordde schertsend, alsof hij niets om de
arrestatie gaf. De rechter werd hierover boos, liet hem op de pijnbank
leggen en verscheidene flinke slagen geven om hem te doen bekennen, wat
die lieden beweerden en hem dan te laten ophangen. Maar toen hij weer
opstond, vroeg de rechter hem of het waar was, wat zij tegen hem
inbrachten en dat het ontkennen niets hielp. Hij zeide: Neen, ik ben
bereid de waarheid te bekennen, maar laat ieder, die mij beschuldigt
zeggen, wanneer en waar ik hem de beurs stal en ik zal u zeggen, wat ik
gedaan heb en wat niet. De rechter sprak: Mij goed, en nadat hij er
enkelen had laten roepen, zeide de een, dat het acht dagen geleden was,
dat hij hem dien had ontstolen, de ander zes, de ander vier en enkelen
zeiden op dien dag zelf. Toen Martellino dat hoorde, hernam hij: Neen,
zij liegen, dat ze zwart zien en dat ik de waarheid spreek, daarvan kan
ik u het bewijs geven, omdat ik voor het eerst hier ben gekomen. Toen
ik hier pas aankwam, ging ik tot mijn ongeluk dit heilige lichaam
bezoeken, waar ik zoo afgeranseld vandaan ben gekomen, als gij nu ziet.
En dat—wat ik zeg—waar is, kan bewezen worden door den beambte, die de
paspoorten nakijkt, door zijn boek en door mijn waard. Daarom, indien
gij bevindt, dat wat ik beweer, zoo is, zult gij mij niet dadelijk door
die schelmen laten martelen en dooden.
Terwijl de zaken zoo stonden, zeiden Marchese en Stecchi tegen elkaar,
die gehoord hadden, dat de rechter tegen hem streng te werk ging en hem
al gepijnigd had, zeer bevreesd: Wij hebben heel verkeerd gehandeld en
hebben hem van den wal in de sloot geholpen. Derhalve gingen zij in
allerijl naar huis en toen zij hun waard gevonden hadden, vertelden zij
hem het gebeurde. Hij lachte over die geschiedenis en bracht hen bij
een zekeren Sandro Agolante, die in Treviso woonde en die zeer in den
gunst van den landsheer stond. Toen hem alles naar behooren verteld
was, verzochten de waard en zij, dat hij zich met het geval van
Martellino zou bemoeien. Sandro, na erg te hebben gelachen, ging naar
den landsheer en kreeg gedaan, dat Martellino werd ontboden; dit
gebeurde. De lieden, die naar hem toe gingen, vonden hem nog in zijn
hemd als voor den rechter en heel bang, omdat de rechter niets tot zijn
verontschuldiging wilde hooren. Daar die bovendien nogal haat tegen de
Florentijnen had, was hij geneigd om hem te laten opknoopen en wilde
hem volstrekt niet loslaten, voor hij zijns ondanks er toe gedwongen
werd.
Toen hij voor den heer stond en alles geregeld verteld had, verzocht
hij hem als hoogste genade hem te laten weggaan, omdat, zoolang hij
niet in Florence was, het hem zou schijnen, dat hij het touw van de
galg om zijn hals had. De landsheer barstte het uit van het lachen over
het gebeurde en na aan elk der drie een kleed te hebben gegeven,
keerden zij boven hun verwachting en aan een groot gevaar ontsnapt,
gezond en wel terug naar huis.