TIENDE VERTELLING.

Dokter Alberto van Bologna maakt op bedekte wijze een dame

beschaamd, die hem voor den gek wil houden, omdat hij verliefd op

haar is.

Nu Elisa zweeg, moest alleen de koningin nog vertellen, die met

vrouwelijke gratie zeide:

Waarde jongelui: Gelijk in de lichtende avonden de sterren het sieraad

des hemels zijn en in de lente de bloemen dit in de groene velden, zoo

zijn de geestige woorden het bij lofwaardige manieren en in aangename

gesprekken. Dezen passen, zoo zij kort zijn, beter aan de vrouwen dan

aan de mannen, daar veel en lang spreken, indien dit niet noodig is,

aan de dames meer dan aan de heeren misstaat, ofschoon er thans haast

geen donna voorkomt, die een aardig woord kent of op een gezegde,

indien ze het althans begrepen heeft, weet te antwoorden: Het is een

algemeen gebrek van ons en van alle vrouwen, die thans leven. Die

deugd, welke vroeger aanwezig was in den geest der voorvaderen hebben

de nakomelingen op uiterlijken tooi overgebracht; zoo ook gelooft zij,

die op haar lichaam meer gekleurd en geschakeerd laken en met veel

strepen heeft, daardoor meer in aanzien en meer geëerd te zijn dan

andere vrouwen. En zij denkt niet, dat een ezel nog veel meer strepen

zou dragen, indien er maar iemand was, die ze hem van voren en van

achteren aan deed, noch dat zij daarom ook niet meer dan een ezel

geëerd behoeft te worden.

Ik schaam mij dat te zeggen, daar ik niet aan anderen beken, wat ik mij

zelf verzwijg; die vrouwen zoo bont gekleed, zoo geschakeerd, zoo

gestreept, staan of als marmeren beelden stom en ongevoelig of

antwoorden niettemin, indien ze iets gevraagd wordt, zóó, dat het beter

zou geweest zijn, dat ze hadden gezwegen. Zij maken zich wijs, dat het

uit de reinheid der ziel voortkomt, wanneer dames en waardige mannen

niet met elkaar weten te praten, en aan hun stompheid hebben zij den

naam fatsoen gegeven, alsof slechts een dame fatsoenlijk zou zijn, die

alleen met haar knecht of werkvrouw of bakkersvrouw praat. Maar indien

de natuur dat gewild had, gelijk zij zich wijs maken, zou deze dit

geestig praten wel op andere wijze beletten. Het is waar, dat hierbij

als bij andere zaken in aanmerking genomen moet worden de tijd en de

plaats en de persoon met wien men spreekt. Want het gebeurt menigmaal,

dat een dame of heer gelooft met een geestig woord een ander te doen

blozen, maar zijn of haar krachten tegenover die van een ander heeft

overschat en de blos, welken hij bij anderen meende op te wekken, bij

zich zelf voelde opkomen. Opdat gij u daarvoor weet te behoeden en

bovendien, opdat men op u niet de volgende zegswijze kan toepassen, die

men gewoonlijk overal gebruikt, namelijk dat de vrouwen in alles altijd

het slechtst wegkomen, wil ik, dat gij deze laatste vertelling van

dezen dag, welke ik moet verhalen, onthoudt, en opdat gij, die door

zielenadel boven anderen uitmunt, ook door de voortreffelijkheid van

uwe manieren boven anderen toont uit te steken.

Nog niet vele jaren geleden leefde er in Bologna een zeer groot

medicus, door een schitterenden naam bekend over de heele wereld en die

er misschien nog leeft. Hij heette Maëstro Alberto [20], was bijna

zestig jaar oud en was zoo nobel van geest, dat zoo uit het lichaam

elke natuurlijke passie al verdwenen was, hij het niet ontweek verliefd

te worden bij een feest op een zeer schoone weduwe, volgens het zeggen

van enkelen, mevrouw Malgherida de’ Ghisolieri genaamd. Zij behaagde

hem zeer, alsof hij een jongeling was, welke de liefdevlammen in zich

opneemt en die ’s nachts niet goed scheen te slapen, als hij den

vorigen dag niet het schoone en teedere gelaat van zijn donna had

gezien. Dit hield hij vol soms te voet en dan weer te paard, alnaar het

hem het best leek langs het huis der dame. Tengevolge daarvan bemerkten

zij en vele andere donna’s de reden waarom hij telkens voorbij kwam.

Meermalen spotten zij er samen over, dat ze een man zoo oud en wijs

verliefd zagen en dachten, dat die hartstochtelijke liefde alleen in de

dwaze zielen van jongelieden kon post vatten en standvastig kon

blijven. Daarom, toen maëstro Alberto steeds voorbij bleef komen,

spraken zij op een zekeren feestdag met elkaar, toen die dame met vele

andere voor de deur van haar huis zat en zij hem van verre zagen

naderen af, hem te zamen te ontvangen, hem beleefd te behandelen en hem

daarna om zijn verliefdheid voor den mal te houden. Zoo deden zij; zij

stonden allen op en na hem te hebben uitgenoodigd, leidden zij hem op

een koele binnenplaats, waar zij de fijnste wijnen en confituren lieten

komen. Eindelijk vroegen zij hem met vele schoone en lieve woorden, of

hij op die schoone dame verliefd was, terwijl hij toch wist, dat vele

knappe, aardige en geestige jongelui ook op haar verliefd waren. De

dokter, die zich op bedekte manier zag bespotten, trok een vriendelijk

gezicht en antwoordde: Dat ik verliefd ben, mevrouw, zal geen

verstandig man verwonderen en vooral niet, dat ik u bemin, die dit

waard zijt. Wanneer aan oude heeren door de Natuur de krachten ontnomen

zijn, welke men voor de liefde noodig heeft, ontbreekt hun daarom toch

niet de goede wil, noch het besef van wat het zeggen wil verliefd te

zijn, maar zij zijn zooveel beter kenners, omdat ze zooveel meer

ondervinding hebben dan jongelui. Nu wil ik u zeggen, waarom ik, oude

man, nog hoop heb, ofschoon gij door vele jongelieden bemind wordt.

Ik ben dikwijls bij het avondmaal geweest, waar ik de vrouwen

wolfsboonen en prei zag eten. Hoewel de prei geen goed eten is, maar

alleen de kop goed en lekker in den mond, houdt gij in het algemeen

door een verkeerden smaak geleid den kop in de hand en eet gij het

loof, dat niet alleen niet deugt, maar ook slecht smaakt. Zoo ik me

niet vergis, doet gij bij het kiezen van Uw minnaars hetzelfde. Indien

gij het niet doet, zal ik gekozen worden en de anderen zullen worden

weggeworpen. De edelvrouw schaamde zich en ook de andere dames; zij

zeide: Maëstro, gij hekelt onze bevooroordeelde denkwijze goed en

hoffelijk; Uwe liefde is mij zeer dierbaar gelijk die van een

verstandig en waardig man dit behoort te zijn en daarom kunt gij met

inachtneming van mijn eer, U elk genoegen gunnen, dat u behaagt. De

dokter stond met zijn geleide op, bedankte de dames, vertrok lachend en

nam vergenoegd afscheid. Zoo werd de vrouw, die niet vermeed iemand te

bespotten en geloofde te overwinnen, overwonnen. Gij, indien gij wijs

wilt zijn, moet daarvoor waken, dames!

Reeds was de zon ter kim gedaald en werd het zoeler, toen de

vertellingen van de jonge dames en de drie jonge heeren ten einde

waren. Daarom zeide de koningin op innemend wijze:

Thans, waarde gezellinnen, is er voor mij niets anders te doen op dezen

dag dan u een nieuwe koningin te geven, die wat er gebeuren moet

volgens uw oordeel, haar leven en het onze tot eerbaar vermaak regelt,

zoolang de dag nog duurt. Want wie niet te voren overlegt, kan niet

goed voor de toekomst zorgen. Opdat de nieuwe koningin kan bedenken wat

voor morgen goed is, meen ik, dat op dit uur de volgende

regeeringsdagen telkens moeten beginnen. En ter eere van Hem, waardoor

alles leeft en tot ons vermaak zal den volgenden dag de zeer bescheiden

jonge dame Filomena als koningin het bewind voeren. Na dit gezegd te

hebben, stond zij op, zette den lauwerkrans af en overhandigde dien

eerbiedig aan Filomena; zij eerst en daarna al de anderen begroetten

deze als koningin en onderwierpen zich welwillend aan haar

heerschappij. Filomena een weinig blozend van verlegenheid, toen ze

zich gekroond zag voor het bestier en zich de woorden herinnerend kort

te voren door Pampinea gesproken, vatte moed, opdat zij niet dom zou

schijnen en nam het gansche bestuur over, haar zooeven door Pampinea

geschonken. Zij stelde vast welk maal voor den volgenden morgen en

daarna moest worden gereed gemaakt en waar zij den volgenden dag zouden

verblijven en begon aldus te spreken:

Zeer waarde gezellinnen, hoewel Pampinea meer door haar hoffelijkheid

dan door mijn verdienste mij tot uw aller koningin heeft benoemd, ben

ik daarom toch niet geneigd in de manier van ons leven u mijn oordeel

op te dringen, maar samen te rade te gaan, en opdat gij weet wat mij

goed dunkt, en gij bijgevolg naar uw welgevallen er kunt bijvoegen of

afnemen, zal ik u mijn voornemen met weinig woorden uiteenzetten.

Indien ik nu wel heb acht gegeven op de regels, waar Pampinea zich aan

hield, schijnt het mij, dat gij die even lofwaardig als aangenaam

beschouwt. Voor zoover die regels door den langen duur of om een andere

reden niet vervelend worden, wil ik ze in stand houden.

Aangenomen dus de orde, waarmee we reeds zijn begonnen, zullen wij,

nadat we hier opstaan, ons een weinig gaan vermaken. Daar de zon zal

ondergaan, zullen wij, terwijl het frisch is, avondmalen en na eenige

gezangen en andere genoegens, zal het goed zijn om te gaan slapen.

Morgen, als we gedurende de koelte ontwaken, zullen wij ons elders gaan

vermaken. Naar elk dit verkiest en gelijk wij heden hebben gedaan,

zullen wij op het afgesproken uur gaan eten en dansen. Als we weer

opstaan, zullen we weer gaan vertellen. Het komt mij voor, dat het

grootste deel van het genoegen daarin bestaat en dat het ook van nut

is. Wat Pampinea niet kon doen, omdat zij te laat voor de regeering was

verkozen, wil ik vast stellen, namelijk binnen zekeren duur elk verhaal

te beperken en u dien aan te geven, opdat ieder tijd hebbe om over een

mooie vertelling naar een gegeven te denken, namelijk, als ’t U bevalt,

dat het ook hierin gaat als bij het begin der wereld, toen de menschen

door verschillende lotgevallen bewogen werden en het ook zullen zijn

tot het einde toe en dat ook hier: Wat door verschillende oorzaken zich

ook zal voordoen, boven alle verwachting tot een goed einde zal voeren.

De dames en heeren prezen allen gelijkelijk dien regel en zeiden dien

te zullen volgen. Alleen Dioneo zeide, terwijl al de anderen zwegen:

Mevrouw, gelijk al die anderen hebben gezegd, vind ook ik, dat de regel

door u gesteld ten hoogste aangenaam en lofwaardig is, maar ik vraag u

als bijzondere genade een gunst, die mij moet worden toegestaan,

zoolang ons gezelschap bijeen zal wezen, en dat is deze: dat ik niet

aan die wet onderworpen word om een verhaal te doen op aangegeven tijd,

indien ik het niet wil, maar alleen wanneer het mij aanstaat er een te

vertellen. En opdat niemand geloove, dat ik die gunst wil, als iemand,

die geen verhalen kent, verzoek ik tot nader order steeds de laatste te

zijn. De koningin, die hem een aardig en prettig man vond en die maar

al te wel wist, dat hij dit niet vroeg dan alleen om het gezelschap,

wanneer het moe was van het spreken, met een grappige vertelling op te

vroolijken, schonk hem vriendelijk met de toestemming der anderen dien

gunst. Na te zijn opgestaan, begaven zij zich met langzamen tred naar

een beek, met rein helder water, die van een bergje daalde in een

vallei beschaduwd door vele boomen tusschen bonte steenen en groene

grassprieten. Daarna met de schoenen uit en de bloote beenen door het

water gaande begonnen zij onder elkaar verschillende grappen te maken.

Toen het uur van het avondmaal naderde, keerden zij naar het paleis

terug en aten genoegelijk. Nadat zij de instrumenten hadden laten

komen, beval de koningin, dat een dans werd uitgevoerd en terwijl

Lauretta leidde, zong Emilia een lied met de mandoline. Lauretta vormde

een dans en regelde die, terwijl Emilia op verliefde wijze dit lied

zong:

Ik ben zoo verlangend naar mijn schoonen man,

Dat ik nooit aan andere liefde

Denken zal, noch ooit er hartstocht voor zal gevoelen.

Ik zie in deze, elk uur, dat ik mij spiegel,

Het goede, dat mijn ziel bevredigt,

En dat noch een nieuwe gebeurtenis, noch een oude gedachte

Mij zoo dierbaar genoegen kan ontrooven.

Welk ander voorwerp van bekoring

Zou ik dan ook ooit kunnen zien,

Dat mij nieuw verlangen stortte in het hart?

Dit heil, telkens als ik verlang

Het weer te zien tot mijn bevrediging,

Vlucht niet, maar zweeft mij dan voor

Zoo zoet om te gevoelen, dat het met geen woorden

Te zeggen is, noch ooit

Voor een sterveling te begrijpen,

Die niet van zulk een verlangen brandde.

En ik, die van uur tot uur meer ontvlam,

Hoe meer ik de oogen op hem houd gevestigd,

Des te meer geef ik mij over, gansch lever ik mij hem over,

Reeds proevend van wat hij mij heeft beloofd;

En hooger vreugd voel ik al naderen

Bij een hartstocht zooals men

Nog nooit hier gevoelde.

Toen dit danslied uit was, waarop alle vroolijk hadden geantwoord,

hoewel de woorden ieder toch te denken gaven, behaagde het de koningin,

nadat eenige andere rondedansen waren gedaan en reeds een deel van den

korten nacht voorbij was, den eersten dag te eindigen. Zij beval, nadat

ze toortsen had laten aansteken, dat iedereen ging slapen. Toen begaf

zich elk naar zijn kamer en deed aldus.

De Decamerone van Boccaccio · 第 13 / 116 题