Dokter Alberto van Bologna maakt op bedekte wijze een dame
beschaamd, die hem voor den gek wil houden, omdat hij verliefd op
haar is.
Nu Elisa zweeg, moest alleen de koningin nog vertellen, die met
vrouwelijke gratie zeide:
Waarde jongelui: Gelijk in de lichtende avonden de sterren het sieraad
des hemels zijn en in de lente de bloemen dit in de groene velden, zoo
zijn de geestige woorden het bij lofwaardige manieren en in aangename
gesprekken. Dezen passen, zoo zij kort zijn, beter aan de vrouwen dan
aan de mannen, daar veel en lang spreken, indien dit niet noodig is,
aan de dames meer dan aan de heeren misstaat, ofschoon er thans haast
geen donna voorkomt, die een aardig woord kent of op een gezegde,
indien ze het althans begrepen heeft, weet te antwoorden: Het is een
algemeen gebrek van ons en van alle vrouwen, die thans leven. Die
deugd, welke vroeger aanwezig was in den geest der voorvaderen hebben
de nakomelingen op uiterlijken tooi overgebracht; zoo ook gelooft zij,
die op haar lichaam meer gekleurd en geschakeerd laken en met veel
strepen heeft, daardoor meer in aanzien en meer geëerd te zijn dan
andere vrouwen. En zij denkt niet, dat een ezel nog veel meer strepen
zou dragen, indien er maar iemand was, die ze hem van voren en van
achteren aan deed, noch dat zij daarom ook niet meer dan een ezel
geëerd behoeft te worden.
Ik schaam mij dat te zeggen, daar ik niet aan anderen beken, wat ik mij
zelf verzwijg; die vrouwen zoo bont gekleed, zoo geschakeerd, zoo
gestreept, staan of als marmeren beelden stom en ongevoelig of
antwoorden niettemin, indien ze iets gevraagd wordt, zóó, dat het beter
zou geweest zijn, dat ze hadden gezwegen. Zij maken zich wijs, dat het
uit de reinheid der ziel voortkomt, wanneer dames en waardige mannen
niet met elkaar weten te praten, en aan hun stompheid hebben zij den
naam fatsoen gegeven, alsof slechts een dame fatsoenlijk zou zijn, die
alleen met haar knecht of werkvrouw of bakkersvrouw praat. Maar indien
de natuur dat gewild had, gelijk zij zich wijs maken, zou deze dit
geestig praten wel op andere wijze beletten. Het is waar, dat hierbij
als bij andere zaken in aanmerking genomen moet worden de tijd en de
plaats en de persoon met wien men spreekt. Want het gebeurt menigmaal,
dat een dame of heer gelooft met een geestig woord een ander te doen
blozen, maar zijn of haar krachten tegenover die van een ander heeft
overschat en de blos, welken hij bij anderen meende op te wekken, bij
zich zelf voelde opkomen. Opdat gij u daarvoor weet te behoeden en
bovendien, opdat men op u niet de volgende zegswijze kan toepassen, die
men gewoonlijk overal gebruikt, namelijk dat de vrouwen in alles altijd
het slechtst wegkomen, wil ik, dat gij deze laatste vertelling van
dezen dag, welke ik moet verhalen, onthoudt, en opdat gij, die door
zielenadel boven anderen uitmunt, ook door de voortreffelijkheid van
uwe manieren boven anderen toont uit te steken.
Nog niet vele jaren geleden leefde er in Bologna een zeer groot
medicus, door een schitterenden naam bekend over de heele wereld en die
er misschien nog leeft. Hij heette Maëstro Alberto [20], was bijna
zestig jaar oud en was zoo nobel van geest, dat zoo uit het lichaam
elke natuurlijke passie al verdwenen was, hij het niet ontweek verliefd
te worden bij een feest op een zeer schoone weduwe, volgens het zeggen
van enkelen, mevrouw Malgherida de’ Ghisolieri genaamd. Zij behaagde
hem zeer, alsof hij een jongeling was, welke de liefdevlammen in zich
opneemt en die ’s nachts niet goed scheen te slapen, als hij den
vorigen dag niet het schoone en teedere gelaat van zijn donna had
gezien. Dit hield hij vol soms te voet en dan weer te paard, alnaar het
hem het best leek langs het huis der dame. Tengevolge daarvan bemerkten
zij en vele andere donna’s de reden waarom hij telkens voorbij kwam.
Meermalen spotten zij er samen over, dat ze een man zoo oud en wijs
verliefd zagen en dachten, dat die hartstochtelijke liefde alleen in de
dwaze zielen van jongelieden kon post vatten en standvastig kon
blijven. Daarom, toen maëstro Alberto steeds voorbij bleef komen,
spraken zij op een zekeren feestdag met elkaar, toen die dame met vele
andere voor de deur van haar huis zat en zij hem van verre zagen
naderen af, hem te zamen te ontvangen, hem beleefd te behandelen en hem
daarna om zijn verliefdheid voor den mal te houden. Zoo deden zij; zij
stonden allen op en na hem te hebben uitgenoodigd, leidden zij hem op
een koele binnenplaats, waar zij de fijnste wijnen en confituren lieten
komen. Eindelijk vroegen zij hem met vele schoone en lieve woorden, of
hij op die schoone dame verliefd was, terwijl hij toch wist, dat vele
knappe, aardige en geestige jongelui ook op haar verliefd waren. De
dokter, die zich op bedekte manier zag bespotten, trok een vriendelijk
gezicht en antwoordde: Dat ik verliefd ben, mevrouw, zal geen
verstandig man verwonderen en vooral niet, dat ik u bemin, die dit
waard zijt. Wanneer aan oude heeren door de Natuur de krachten ontnomen
zijn, welke men voor de liefde noodig heeft, ontbreekt hun daarom toch
niet de goede wil, noch het besef van wat het zeggen wil verliefd te
zijn, maar zij zijn zooveel beter kenners, omdat ze zooveel meer
ondervinding hebben dan jongelui. Nu wil ik u zeggen, waarom ik, oude
man, nog hoop heb, ofschoon gij door vele jongelieden bemind wordt.
Ik ben dikwijls bij het avondmaal geweest, waar ik de vrouwen
wolfsboonen en prei zag eten. Hoewel de prei geen goed eten is, maar
alleen de kop goed en lekker in den mond, houdt gij in het algemeen
door een verkeerden smaak geleid den kop in de hand en eet gij het
loof, dat niet alleen niet deugt, maar ook slecht smaakt. Zoo ik me
niet vergis, doet gij bij het kiezen van Uw minnaars hetzelfde. Indien
gij het niet doet, zal ik gekozen worden en de anderen zullen worden
weggeworpen. De edelvrouw schaamde zich en ook de andere dames; zij
zeide: Maëstro, gij hekelt onze bevooroordeelde denkwijze goed en
hoffelijk; Uwe liefde is mij zeer dierbaar gelijk die van een
verstandig en waardig man dit behoort te zijn en daarom kunt gij met
inachtneming van mijn eer, U elk genoegen gunnen, dat u behaagt. De
dokter stond met zijn geleide op, bedankte de dames, vertrok lachend en
nam vergenoegd afscheid. Zoo werd de vrouw, die niet vermeed iemand te
bespotten en geloofde te overwinnen, overwonnen. Gij, indien gij wijs
wilt zijn, moet daarvoor waken, dames!
Reeds was de zon ter kim gedaald en werd het zoeler, toen de
vertellingen van de jonge dames en de drie jonge heeren ten einde
waren. Daarom zeide de koningin op innemend wijze:
Thans, waarde gezellinnen, is er voor mij niets anders te doen op dezen
dag dan u een nieuwe koningin te geven, die wat er gebeuren moet
volgens uw oordeel, haar leven en het onze tot eerbaar vermaak regelt,
zoolang de dag nog duurt. Want wie niet te voren overlegt, kan niet
goed voor de toekomst zorgen. Opdat de nieuwe koningin kan bedenken wat
voor morgen goed is, meen ik, dat op dit uur de volgende
regeeringsdagen telkens moeten beginnen. En ter eere van Hem, waardoor
alles leeft en tot ons vermaak zal den volgenden dag de zeer bescheiden
jonge dame Filomena als koningin het bewind voeren. Na dit gezegd te
hebben, stond zij op, zette den lauwerkrans af en overhandigde dien
eerbiedig aan Filomena; zij eerst en daarna al de anderen begroetten
deze als koningin en onderwierpen zich welwillend aan haar
heerschappij. Filomena een weinig blozend van verlegenheid, toen ze
zich gekroond zag voor het bestier en zich de woorden herinnerend kort
te voren door Pampinea gesproken, vatte moed, opdat zij niet dom zou
schijnen en nam het gansche bestuur over, haar zooeven door Pampinea
geschonken. Zij stelde vast welk maal voor den volgenden morgen en
daarna moest worden gereed gemaakt en waar zij den volgenden dag zouden
verblijven en begon aldus te spreken:
Zeer waarde gezellinnen, hoewel Pampinea meer door haar hoffelijkheid
dan door mijn verdienste mij tot uw aller koningin heeft benoemd, ben
ik daarom toch niet geneigd in de manier van ons leven u mijn oordeel
op te dringen, maar samen te rade te gaan, en opdat gij weet wat mij
goed dunkt, en gij bijgevolg naar uw welgevallen er kunt bijvoegen of
afnemen, zal ik u mijn voornemen met weinig woorden uiteenzetten.
Indien ik nu wel heb acht gegeven op de regels, waar Pampinea zich aan
hield, schijnt het mij, dat gij die even lofwaardig als aangenaam
beschouwt. Voor zoover die regels door den langen duur of om een andere
reden niet vervelend worden, wil ik ze in stand houden.
Aangenomen dus de orde, waarmee we reeds zijn begonnen, zullen wij,
nadat we hier opstaan, ons een weinig gaan vermaken. Daar de zon zal
ondergaan, zullen wij, terwijl het frisch is, avondmalen en na eenige
gezangen en andere genoegens, zal het goed zijn om te gaan slapen.
Morgen, als we gedurende de koelte ontwaken, zullen wij ons elders gaan
vermaken. Naar elk dit verkiest en gelijk wij heden hebben gedaan,
zullen wij op het afgesproken uur gaan eten en dansen. Als we weer
opstaan, zullen we weer gaan vertellen. Het komt mij voor, dat het
grootste deel van het genoegen daarin bestaat en dat het ook van nut
is. Wat Pampinea niet kon doen, omdat zij te laat voor de regeering was
verkozen, wil ik vast stellen, namelijk binnen zekeren duur elk verhaal
te beperken en u dien aan te geven, opdat ieder tijd hebbe om over een
mooie vertelling naar een gegeven te denken, namelijk, als ’t U bevalt,
dat het ook hierin gaat als bij het begin der wereld, toen de menschen
door verschillende lotgevallen bewogen werden en het ook zullen zijn
tot het einde toe en dat ook hier: Wat door verschillende oorzaken zich
ook zal voordoen, boven alle verwachting tot een goed einde zal voeren.
De dames en heeren prezen allen gelijkelijk dien regel en zeiden dien
te zullen volgen. Alleen Dioneo zeide, terwijl al de anderen zwegen:
Mevrouw, gelijk al die anderen hebben gezegd, vind ook ik, dat de regel
door u gesteld ten hoogste aangenaam en lofwaardig is, maar ik vraag u
als bijzondere genade een gunst, die mij moet worden toegestaan,
zoolang ons gezelschap bijeen zal wezen, en dat is deze: dat ik niet
aan die wet onderworpen word om een verhaal te doen op aangegeven tijd,
indien ik het niet wil, maar alleen wanneer het mij aanstaat er een te
vertellen. En opdat niemand geloove, dat ik die gunst wil, als iemand,
die geen verhalen kent, verzoek ik tot nader order steeds de laatste te
zijn. De koningin, die hem een aardig en prettig man vond en die maar
al te wel wist, dat hij dit niet vroeg dan alleen om het gezelschap,
wanneer het moe was van het spreken, met een grappige vertelling op te
vroolijken, schonk hem vriendelijk met de toestemming der anderen dien
gunst. Na te zijn opgestaan, begaven zij zich met langzamen tred naar
een beek, met rein helder water, die van een bergje daalde in een
vallei beschaduwd door vele boomen tusschen bonte steenen en groene
grassprieten. Daarna met de schoenen uit en de bloote beenen door het
water gaande begonnen zij onder elkaar verschillende grappen te maken.
Toen het uur van het avondmaal naderde, keerden zij naar het paleis
terug en aten genoegelijk. Nadat zij de instrumenten hadden laten
komen, beval de koningin, dat een dans werd uitgevoerd en terwijl
Lauretta leidde, zong Emilia een lied met de mandoline. Lauretta vormde
een dans en regelde die, terwijl Emilia op verliefde wijze dit lied
zong:
Ik ben zoo verlangend naar mijn schoonen man,
Dat ik nooit aan andere liefde
Denken zal, noch ooit er hartstocht voor zal gevoelen.
Ik zie in deze, elk uur, dat ik mij spiegel,
Het goede, dat mijn ziel bevredigt,
En dat noch een nieuwe gebeurtenis, noch een oude gedachte
Mij zoo dierbaar genoegen kan ontrooven.
Welk ander voorwerp van bekoring
Zou ik dan ook ooit kunnen zien,
Dat mij nieuw verlangen stortte in het hart?
Dit heil, telkens als ik verlang
Het weer te zien tot mijn bevrediging,
Vlucht niet, maar zweeft mij dan voor
Zoo zoet om te gevoelen, dat het met geen woorden
Te zeggen is, noch ooit
Voor een sterveling te begrijpen,
Die niet van zulk een verlangen brandde.
En ik, die van uur tot uur meer ontvlam,
Hoe meer ik de oogen op hem houd gevestigd,
Des te meer geef ik mij over, gansch lever ik mij hem over,
Reeds proevend van wat hij mij heeft beloofd;
En hooger vreugd voel ik al naderen
Bij een hartstocht zooals men
Nog nooit hier gevoelde.
Toen dit danslied uit was, waarop alle vroolijk hadden geantwoord,
hoewel de woorden ieder toch te denken gaven, behaagde het de koningin,
nadat eenige andere rondedansen waren gedaan en reeds een deel van den
korten nacht voorbij was, den eersten dag te eindigen. Zij beval, nadat
ze toortsen had laten aansteken, dat iedereen ging slapen. Toen begaf
zich elk naar zijn kamer en deed aldus.