ACHTSTE VERTELLING.

Guiglielmo Borstere straft met een grappig woord de gierigheid van

monseigneur Ermino de’ Grimaldi.

Naast Filostrato zat Lauretta, die, nadat zij de handigheid van

Bergamino had hooren prijzen en merkend, dat aan haar de beurt van

vertellen was, zonder eenig bevel af te wachten, aldus op bekoorlijke

wijze begon te spreken:

Waarde metgezellen. De vorige vertelling drijft mij er toe U er mee te

willen bekend maken hoe een waardig hoveling eveneens niet zonder

vrucht de hebzucht van een zeer rijk koopman strafte. Mijn vertelling

lijkt, wat de strekking betreft, op de voorgaande historie. Zij moet U

er echter niet minder om wezen, als gij bedenkt, dat er ten slotte

goeds uit voortkomt.

Er leefde dan in Genua lang geleden een ridder, Ermino de’Grimaldi

genaamd, welke (naar hetgeen door allen geloofd werd) door zeer groote

rijkdommen en gelden ver de rijkdom van alle andere zeer welgestelde

burgers overtrof, die men toen in Italië kende. Gelijk hij elk overtrof

met schatten, die Italiaan was, zoo was hij ook in gierigheid en

karigheid iederen anderen schraper en vrek, die er op de wereld

bestond, de baas. Niet alleen voor het onthalen van anderen hield hij

de beurs gesloten maar bij zaken voordeelig voor hem zelf, stelde hij

zich, om niets te verteren, aan groote ontberingen bloot tegen de

gewoonte der Genueezen, die zich voornaam kleedden. Evenzoo deed hij

met eten en drinken. Hierdoor en terecht was de eigennaam der

Grimaldi’s vervallen en werd hij door ieder monseigneur Ermino Avarizia

(Gierigheid) genoemd.

Terwijl hij door niets te verteren, het zijne vermenigvuldigde, kwam er

eens te Genua een waardig, welgemanierd en welsprekend hoveling,

Guiglielmo Borsiere genaamd, in niets gelijk aan de tegenwoordige

ridders, die edellieden genoemd willen worden en als zoodanig bekend

willen zijn zonder groote schaamte over hun verdorven en schandelijk

leven.

Ze moesten liever ezels genoemd worden, omdat ze veeleer in de laagheid

en slechtheid der gemeenste lui zijn opgevoed dan aan hoven. Het was in

die tijden hun streven moeite te doen tot het sluiten van vrede, waar

strijd of twisten tusschen edellieden waren ontstaan, huwelijken,

familieverbindingen en vriendschap te doen sluiten, met schoone en

aardige woorden de zielen der bedroefden te troosten, de hofkringen te

amuseeren en met ernstige vermaningen vaderlijk de slechte lieden te

onderhouden en dit belangeloos. Thans leggen zij er zich op toe hun

tijd zoek te brengen met kwaad van elkaar te spreken, twist te zaaien,

slechte en treurige dingen te vertellen en wat nog erger is ze openlijk

te bedrijven en hun booze daden, schandalen en laagheden, waar of niet,

elkaar voor de voeten te gooien en met drogredenen de goede menschen

tot gemeene en schelmsche dingen te verleiden. En hij wordt het meest

gewaardeerd en het meest door die ellendige en ontaarde heeren geëerd

en met de grootste belooningen begiftigd, die de laagste woorden zegt

of de gemeenste daden doet, tot groote schande en blaam voor de

tegenwoordige wereld en als duidelijk bewijs, dat de deugden al op dit

ondermaansche verdwenen zijn en de schelmsche en ellendelige

stervelingen in een poel hebben achtergelaten.

Maar opdat ik den draad weer opvat, van welke ik door rechtmatige

verontwaardiging verder ben afgeweken dan ik wilde, vertel ik U thans,

dat voornoemde Guiglielmo door alle edellieden in Genua geëerd werd en

zeer gezien was. Hij was daar eenigen tijd en hoorde veel van de

schraperigheid en gierigheid van Ermino en was nieuwsgierig om hem te

ontmoeten. Monseigneur Ermino had al gehoord, dat de heer Borsiere een

voortreffelijk man was en daar hij bij al zijn gierigheid toch een

vonkje wellevendheid bezat, ontving hij hem met zeer vriendelijke

woorden en met een opgeruimd gezicht, liet zich over verschillende

dingen met hem in en leidde gedurende het gesprek hem en eenige

Genueezen, die mede waren gekomen, in een fraai, nieuw huis, dat hij

had laten bouwen en toen hij hem dit alles vertoond had, sprak hij tot

hem: Monseigneur Guiglielmo, U hebt toch veel gezien en gehoord, kunt U

mij één ding toonen, dat men nog nooit zag om het in mijn huis te laten

schilderen?

Guiglielmo antwoordde hem op zijn wonderlijke vraag: Mijnheer, ik

geloof niet U iets te kunnen noemen, wat men nog nooit heeft gezien

behalve het niesen of zoo iets; maar ik zou U wat willen noemen, dat U

zelf (naar ik geloof) nog nooit hebt gezien.

En wat zou dat dan zijn? vroeg Ermino.

Laat de Hoffelijkheid uitschilderen, antwoordde Guiglielmo.

Bij die woorden voelde de heer Ermino zich plotseling bevangen door

zulk een schaamte, dat die hem bewoog zijn geheele gezindheid te

veranderen en hij antwoordde: Mijnheer Guiglielmo, ik zal die zoo laten

schilderen, dat noch U, noch wie ook mij ooit weer zal kunnen

verwijten, dat ik haar noch gezien, noch gekend heb. En van dien dag af

werkten de woorden van Guiglielmo zoo sterk op hem, dat hij de

vrijgevigste en joviaalste edelman werd van de wereld en vreemden en

medeburgers met meer gastvrijheid ontving dan ieder ander Genuees.

De Decamerone van Boccaccio · 第 11 / 116 题