Guiglielmo Borstere straft met een grappig woord de gierigheid van
monseigneur Ermino de’ Grimaldi.
Naast Filostrato zat Lauretta, die, nadat zij de handigheid van
Bergamino had hooren prijzen en merkend, dat aan haar de beurt van
vertellen was, zonder eenig bevel af te wachten, aldus op bekoorlijke
wijze begon te spreken:
Waarde metgezellen. De vorige vertelling drijft mij er toe U er mee te
willen bekend maken hoe een waardig hoveling eveneens niet zonder
vrucht de hebzucht van een zeer rijk koopman strafte. Mijn vertelling
lijkt, wat de strekking betreft, op de voorgaande historie. Zij moet U
er echter niet minder om wezen, als gij bedenkt, dat er ten slotte
goeds uit voortkomt.
Er leefde dan in Genua lang geleden een ridder, Ermino de’Grimaldi
genaamd, welke (naar hetgeen door allen geloofd werd) door zeer groote
rijkdommen en gelden ver de rijkdom van alle andere zeer welgestelde
burgers overtrof, die men toen in Italië kende. Gelijk hij elk overtrof
met schatten, die Italiaan was, zoo was hij ook in gierigheid en
karigheid iederen anderen schraper en vrek, die er op de wereld
bestond, de baas. Niet alleen voor het onthalen van anderen hield hij
de beurs gesloten maar bij zaken voordeelig voor hem zelf, stelde hij
zich, om niets te verteren, aan groote ontberingen bloot tegen de
gewoonte der Genueezen, die zich voornaam kleedden. Evenzoo deed hij
met eten en drinken. Hierdoor en terecht was de eigennaam der
Grimaldi’s vervallen en werd hij door ieder monseigneur Ermino Avarizia
(Gierigheid) genoemd.
Terwijl hij door niets te verteren, het zijne vermenigvuldigde, kwam er
eens te Genua een waardig, welgemanierd en welsprekend hoveling,
Guiglielmo Borsiere genaamd, in niets gelijk aan de tegenwoordige
ridders, die edellieden genoemd willen worden en als zoodanig bekend
willen zijn zonder groote schaamte over hun verdorven en schandelijk
leven.
Ze moesten liever ezels genoemd worden, omdat ze veeleer in de laagheid
en slechtheid der gemeenste lui zijn opgevoed dan aan hoven. Het was in
die tijden hun streven moeite te doen tot het sluiten van vrede, waar
strijd of twisten tusschen edellieden waren ontstaan, huwelijken,
familieverbindingen en vriendschap te doen sluiten, met schoone en
aardige woorden de zielen der bedroefden te troosten, de hofkringen te
amuseeren en met ernstige vermaningen vaderlijk de slechte lieden te
onderhouden en dit belangeloos. Thans leggen zij er zich op toe hun
tijd zoek te brengen met kwaad van elkaar te spreken, twist te zaaien,
slechte en treurige dingen te vertellen en wat nog erger is ze openlijk
te bedrijven en hun booze daden, schandalen en laagheden, waar of niet,
elkaar voor de voeten te gooien en met drogredenen de goede menschen
tot gemeene en schelmsche dingen te verleiden. En hij wordt het meest
gewaardeerd en het meest door die ellendige en ontaarde heeren geëerd
en met de grootste belooningen begiftigd, die de laagste woorden zegt
of de gemeenste daden doet, tot groote schande en blaam voor de
tegenwoordige wereld en als duidelijk bewijs, dat de deugden al op dit
ondermaansche verdwenen zijn en de schelmsche en ellendelige
stervelingen in een poel hebben achtergelaten.
Maar opdat ik den draad weer opvat, van welke ik door rechtmatige
verontwaardiging verder ben afgeweken dan ik wilde, vertel ik U thans,
dat voornoemde Guiglielmo door alle edellieden in Genua geëerd werd en
zeer gezien was. Hij was daar eenigen tijd en hoorde veel van de
schraperigheid en gierigheid van Ermino en was nieuwsgierig om hem te
ontmoeten. Monseigneur Ermino had al gehoord, dat de heer Borsiere een
voortreffelijk man was en daar hij bij al zijn gierigheid toch een
vonkje wellevendheid bezat, ontving hij hem met zeer vriendelijke
woorden en met een opgeruimd gezicht, liet zich over verschillende
dingen met hem in en leidde gedurende het gesprek hem en eenige
Genueezen, die mede waren gekomen, in een fraai, nieuw huis, dat hij
had laten bouwen en toen hij hem dit alles vertoond had, sprak hij tot
hem: Monseigneur Guiglielmo, U hebt toch veel gezien en gehoord, kunt U
mij één ding toonen, dat men nog nooit zag om het in mijn huis te laten
schilderen?
Guiglielmo antwoordde hem op zijn wonderlijke vraag: Mijnheer, ik
geloof niet U iets te kunnen noemen, wat men nog nooit heeft gezien
behalve het niesen of zoo iets; maar ik zou U wat willen noemen, dat U
zelf (naar ik geloof) nog nooit hebt gezien.
En wat zou dat dan zijn? vroeg Ermino.
Laat de Hoffelijkheid uitschilderen, antwoordde Guiglielmo.
Bij die woorden voelde de heer Ermino zich plotseling bevangen door
zulk een schaamte, dat die hem bewoog zijn geheele gezindheid te
veranderen en hij antwoordde: Mijnheer Guiglielmo, ik zal die zoo laten
schilderen, dat noch U, noch wie ook mij ooit weer zal kunnen
verwijten, dat ik haar noch gezien, noch gekend heb. En van dien dag af
werkten de woorden van Guiglielmo zoo sterk op hem, dat hij de
vrijgevigste en joviaalste edelman werd van de wereld en vreemden en
medeburgers met meer gastvrijheid ontving dan ieder ander Genuees.