Bergamino straft op een bedekte manier met een verhaal van
Primasseau en den abt de Cligny een plotse aanval van gierigheid
van monseigneur Cane della Scala. [18]
De bekoorlijkheid van Emilia en haar vertelling bewoog de koningin en
alle anderen om over het nieuwe bijbelsche inzicht van den man met een
kruis gebrandmerkt, te lachen en het te prijzen. Maar toen de lachbui
eindelijk bedaard was, begon Filostrato, aan wien de beurt tot verhalen
kwam, aldus te spreken: Het is een verdienstelijke zaak, waarde dames,
met een teeken dat te brandmerken, wat nooit verandert, maar ook is het
wonderlijk, wanneer iets ongewoons opeens zich voordoet en dan dadelijk
door een boogschutter wordt geraakt. Het verdorven en liederlijke leven
van de geestelijken, vaak een vast bewijs van voortdurende slechtheid,
geeft gemakkelijk genoeg stof tot spreken. Die brave man deed goed,
omdat hij den Inquisiteur en de huichelachtige weldadigheid der
broeders geeselde, wien het goed dunkte die gift aan de armen te
schenken, welke zij net zoo goed aan een zwijn hadden kunnen geven of
weg smijten. Maar ik acht den man nog meer te prijzen, van welke ik
moet spreken, wanneer ik hierbij aan de voorgaande vertelling denk.
Deze heer, Cane della Scala, een best man, werd voor een plotseling
opwellende gierigheid gestraft met een verhaal, dat zoowel op hem als
op anderen sloeg, namelijk dit:
Gelijk de faam door de heele wereld het doet hooren, was die heer Cane
della Scala, die in vele dingen zeer fortuinlijk was, een der meest
geziene en vrijgevigste lieden, die men sinds Keizer Frederik de Tweede
in Italië kende. Hij had het plan opgevat voor een merkwaardig en
wonderbaar feest in Verona. Toen er vele lieden uit alle streken waren
bijeengekomen en zeer velen van het hof van allerlei rang, zag hij (wat
de reden er ook van zij) ineens van het feest af; ten deele onthaalde
hij nog, die gekomen waren en liet ze weer heengaan. Slechts een,
Bergamino genaamd, een man van wiens sierlijkheid en vaardigheid in het
spreken men zich geen denkbeeld kon vormen zonder hem te hooren, bleef
achter zonder iets te krijgen of verlof tot heengaan te ontvangen, en
hoopte dat het feest nog zou plaats hebben en dat hij er nog bij zou
noodig zijn. Maar monseigneur Cane wist, dat al wat men Bergamino gaf,
net zoo goed in het vuur kon worden gegooid. Toch liet hij hem er niets
van blijken door woord of daad. Bergamino, die na eenige dagen
bemerkte, dat hij noch genoodigd noch gevraagd werd voor de zaak,
waartoe hij gekomen was en die bovendien in het logement met zijn
paarden en zijn knechts zijn geld verteerde, begon misnoegd te worden.
Maar toch wachtte hij af, daar het hem nog niet goed scheen te
vertrekken. Hij had drie kostbare kleedingstukken meegebracht, die hem
door andere heeren gegeven waren om met eere op dat feest te
verschijnen. Toen zijn waard betaling vroeg, gaf hij hem eerst één
kleedingstuk, en toen besloot hij, indien hij nog langer bij zijn waard
zou logeeren, hem het tweede te geven. Daarna begon hij op kosten van
het derde geld te verteren, bereid nòg zoo lang te blijven als dat
toereikend was.
Terwijl hij ten koste van het derde kleedingstuk bleef, stond
Bergamino, terwijl monseigneur Cane middagmaalde, met een vrij misnoegd
gezicht voor hem. Toen Cane dit zag, zei hij meer uit spotzucht dan om
het genoegen een geestig woord van hem te hooren: “Wat heb je
Bergamino? Je ziet er zoo kwaad uit; zeg mij het eens?” Daarop vertelde
Bergamino zonder een oogenblik zich te bedenken, alsof hij echter lang
had gepeinsd, naar aanleiding van zijn eigen geval, deze historie: “Gij
moet weten, mijnheer, dat Primasseau een man was zeer bedreven in het
Latijn en bovendien een zeer groot en vaardig dichter, wat hem zoo
geëerd en beroemd maakte, dat, waar nog niet iedereen hem op het
gezicht kende, door naam en faam elkeen toch wist wie Primasseau was.
Eens bevond hij zich te Parijs in armelijken toestand, waarin hij
meestentijds verkeerde, omdat zijn talent weinig gewaardeerd werd door
lieden, die het wel konden doen. Hij hoorde daar van den abt van Cligny
en men vertelde, dat hij meende na den Paus de rijkste prelaat aan
inkomsten te zijn, die Gods Kerk had. Hij hoorde van hem wonderbare en
zeer goede dingen vertellen, dat hij een hofhouding had en dat hij
nooit had geweigerd te laten eten en drinken wie er ook om vroeg, mits
het op zijn etensuur was. Toen Primasseau dat vernam, maakte hij plan,
daar hij een man was, die gaarne menschen en edellieden van beteekenis
zag, om de weelde van dien abt in oogenschouw te nemen en vroeg hoe ver
hij van Parijs woonde. Men antwoordde hem hierop een mijl of zes
vandaar op zijn landgoed. Primasseau meende er te kunnen zijn op het
etensuur, als hij ’s ochtends vroeg wegging. Nadat hij zich dus den weg
had laten wijzen, en niemand vond, die hem vergezelde, vreesde hij, te
verdwalen en op een plaats te komen, waar hij niet zoo makkelijk te
eten zou krijgen. Daartoe nam hij, om van den honger geen last te
hebben, drie brooden mee en dacht, dat hij water, hoewel hij er niet
van hield, wel overal zou vinden. Toen hij de brooden in den zak had
gestopt, begaf hij zich op weg en de reis ging zoo goed, dat hij voor
het etensuur kwam dáár, waar de abt woonde. Hij ging binnen en zag
overal rond. Toen hij de groote menigte gedekte tafels had gezien en de
kolossale toebereiding in de keuken en de andere dingen gereed voor het
middagmaal, zei hij tot zichzelf: Dat is werkelijk prachtig, zooals
beweerd wordt. Terwijl hij op dat alles lette, beval de hofmeester van
den abt water aan te reiken voor de handen, omdat het etenstijd was.
Hierna ging iedereen aan tafel. Toevallig werd Primasseau juist
tegenover de deur geplaatst, waar de abt moest doorgaan om in de
eetzaal te komen. Het was in dat huis gewoonte, dat men nooit aan tafel
wijn of brood of iets anders te eten of te drinken opdroeg, voor de abt
zich aan den disch had neergezet. Toen de hofmeester de tafel gedekt
had, liet hij den abt zeggen, dat, wanneer het hem behaagde, het
middagmaal gereed stond. De abt liet zijn kamer openen om in de zaal te
gaan en zag toevallig onder het binnentreden als de eerste, die hem in
het oog viel, Primasseau, die er tamelijk armelijk uitzag en dien hij
van aanzien niet kende Toen de abt hem had opgemerkt, kwam hem
onverwachts een slechte gedachte in den geest, die daarin nog nooit was
opgerezen. Hij zei bij zich zelf: Kijk, wat voor lui, wien ik geef van
het mijne! Hij keerde weer terug, beval, dat de kamer gesloten zou
worden en vroeg aan hen, die bij hem waren of iemand dien vagebond
kende, welke tegenover den uitgang van de kamer aan tafel zat. Iedereen
antwoordde van neen. Primasseau had eetlust als iemand, die geloopen
heeft en die niet gewoon was te vasten. Hij had al eenigen tijd gewacht
en zag, dat de abt niet terug kwam. Toen haalde hij een der drie
brooden uit zijn zak, die hij meegenomen had en begon te eten. Nadat de
abt eenigen tijd weg was geweest, beval hij een van zijn lieden te zien
of Primasseau was vertrokken. De bediende antwoordde: Neen,
monseigneur, en hij eet brood, dat hij zeker mee heeft gebracht. De abt
hernam: Als hij zijn brood nu eet, zal hij van het onze niets krijgen.
De abt had gewild, dat Primasseau van zelf zou zijn weggegaan, maar
wilde hem er niet uit laten gooien, Primasseau had al één brood
gegeten, maar de abt kwam nog niet. Daarop begon hij het tweede te
eten; dat werd ook aan den abt verteld, die weer had laten kijken of
hij vertrokken was. Daar de abt maar niet kwam, begon Primasseau het
derde brood te eten, wat ook aan den priester werd gemeld, die bij zich
zelf begon te denken en te zeggen: Kijk, wat voor nieuwen inval heb ik
gekregen? Wat een gierigheid! Wat een onwil! En om wien! Ik gaf het
mijne te eten, reeds vele jaren, aan ieder, die wilde zonder op te
letten of die edelman was of dorper, arm of rijk, koopman of afzetter
en tal van bandieten heb ik voor mijn oogen zien zwelgen zonder dat
ooit in mijn ziel de gedachte opkwam, die bij dezen man in mij rees.
Die gierigheid zou mij zeker niet hebben overvallen, als hij geen
bijzonder mensch was. Hij lijkt mij een bandiet, maar het moet een man
van gewicht zijn, waar het mogelijk is, dat mijn geest zich zóó verzet
hem aldus te ontvangen. Na deze gedachte wilde hij weten wie die man
was en hoorde, dat hij Primasseau heette, daar gekomen om zijn weelde
te zien, waarvan hij had vernomen. De abt, die hem al lang als een
begaafd man had hooren noemen, schaamde zich en verlangend alles goed
te maken, deed zijn best hem op allerlei wijze te onthalen. Na hem te
laten eten, deed hij, gelijk het voor Primasseau behoorde, hem voornaam
kleeden en na hem geld en paarden te hebben gegeven, kon hij gaan en
staan, waar hij wilde. Primasseau hierover tevreden, dankte hem zooveel
hij kon en keerde te paard naar Parijs terug, waaruit hij te voet was
vertrokken.” Monseigneur Cane, die veel doorzicht had, begreep zonder
verdere aanwijzing zeer goed, wat Bergamino bedoelde en zeide
glimlachend: “Bergamino, je hebt mij genoeg je schade, je talent en
mijn gierigheid doen kennen en, ook wat je van mij begeert en heusch,
het is de eerste maal, dat ik een opwelling had van gierigheid, maar ik
zal haar met den stok verjagen, dien jij mij hebt gegeven.” Na den
waard van Bergamino betaald te hebben en hem met een zeer voornaam
gewaad te hebben bekleed en hem geld en paarden te hebben gegeven, liet
hij het aan hem over naar welgevallen heen te gaan of te blijven.