Een oprechte leek straft door een aardige zet de huichelarij van de
monniken.
Toen allen de waardigheid van de markiezin en de aardige kastijding van
den Koning van Frankrijk geprezen hadden, begon Emilia, die naast
Fiametta zat, en naar het de koningin behaagde, vrijmoedig te
vertellen: Ik zal op mijn beurt spreken over een geestig en lofwaardig
woord door een leek gericht tot een gierigen monnik.
Er leefde dan, o waarde jongelieden, nog niet lang geleden in onze stad
een Minderbroeder [14], Inquisiteur van kettersche misdaden, die alles
deed om heilig te schijnen en een hechte liefde te koesteren voor het
christelijk geloof. Maar hij onderzocht even goed wie een volle beurs
had als wien hij verdacht van ongeloof. Daarnaar strevende trof hij
toevallig een man aan, die rijker aan geld was dan aan verstand, en
die, niet door gebrek aan geloof, maar misschien door wijn en
overgroote vroolijkheid verhit, er toe kwam tot zijn dischgenooten
botweg te zeggen, dat hij zulk een goeden wijn had als zelfs Christus
nooit had gedronken. Dit gezegde werd den Inquisiteur overgebracht en
deze wist, dat het vermogen van den schuldige zeer groot was. Met de
grootste gestrengheid viel hij daarom op hem aan met het doel hem een
vreeselijk proces op den hals te schuiven, niet zoozeer met het plan om
zijn ongeloof bij het verhoor te verminderen als wel om diens florijnen
in handen te krijgen. Hij liet hem roepen, en vroeg hem, of het waar
was, wat hem ter ooren was gekomen. De goede man bekende en verklaarde
zijn bedoeling. Hierop antwoordde de zeer heilige en vrome Inquisiteur
van Sint Johannes Goudmond: Je hebt dus Christus voor een drinker
uitgemaakt en een liefhebber van de heilige wijnen, alsof hij een
Cinciglione [15] was, zoo’n soort dronkelap en kroeglooper als jij. En
nu wil je met ootmoedig praten beweren, dat dit niets beteekent. Het is
niet zoo min als het jou schijnt, want je hebt er den brandstapel mee
verdiend, indien we handelden naar onze plicht. Met deze en andere
woorden en het gezicht van een strijder voor het geloof of die man
Epicurus geweest was, welke onsterfelijkheid der zielen ontkent, sprak
hij hem toe. In korten tijd joeg hij hem zulk een vrees aan, dat de
brave man hem met een goede hoeveelheid der genademiddelen van Johannes
Goudmond [16] de handen wou zalven. Dit hielp veel voor de ziekte der
hebzucht van de geestelijken en speciaal voor de Minderbroeders, die
geen geld mogen aanraken, opdat hij barmhartig jegens hem te werk zou
gaan. Die zalving, die zeer krachtig werkt, hoewel Galienus er nergens
in zijn medische werken van spreekt, had zooveel invloed, dat de
brandstapel door die genade verminderde tot het dragen van een
kruisteeken. [17] En alsof hij hem tot een kruistocht wilde noodzaken
gaf hij hem om er mooier uit te zien een geel kruis op zijn zwart goed.
Buitendien hield hij hem na het geld ontvangen te hebben, enkele dagen
bij zich gevangen, en legde hem als straf op, dat hij elken morgen een
mis in Santa Croce moest hooren en ’s middags bij hem moest komen. De
rest van den dag kon hij doen, wat hij wou. Terwijl hij dit stipt deed,
lette hij op een goeden morgen, bij een mis op een evangeliumtekst,
waarin de volgende woorden werden gezongen: U zal honderdvoudig
vergolden worden, en gij zult het eeuwige leven deelachtig worden. Dit
prentte hij stevig in het geheugen en naar het gegeven bevel op het uur
van het tweede ontbijt bij den Inquisiteur gekomen, vond hij hem daar
aan het middagmaal. Deze vroeg hem of hij dien morgen de mis had
gehoord. Hij antwoordde daarop: Ja. Toen hernam de Inquisiteur: Hoorde
je daarin niets, waaraan je zoudt twijfelen of waarover je iets wilde
vragen? Heelemaal niet, hernam de brave kerel, aan niets wat ik hoorde,
twijfel ik, en alles houd ik voor zeker en waar. Maar ik heb één ding
gehoord, dat mij zeer groot medelijden heeft gegeven en zal geven met U
en Uw andere broeders, toen ik dacht aan den slechten toestand, waarin
gij hiernamaals komen zult. Toen sprak de Inquisiteur: Wat was het
woord, dat Uw medelijden met ons opwekte? De goede man antwoordde:
Monseigneur, het was dat woord van het Evangelium, dat zegt: U zal
honderdvoudig vergolden worden en gij zult het eeuwige leven deelachtig
worden. De Inquisiteur zei: Dat is zoo, maar waardoor heeft dat woord U
geroerd? Monseigneur, hernam de goede man, ik zal het U zeggen: sinds
ik hier kom, heb ik elken dag buiten aan arme lieden, dan een, dan twee
groote ketels met soep zien geven, welke men voor de broeders van dit
klooster en voor U van te voren toch als overtollig ter zijde zet.
Daarom, indien men voor elkeen er honderd hiernamaals U teruggeeft, dan
zult gij er zooveel ontvangen, dat gij allen zult moeten verdrinken.
Terwijl de anderen, die aan de tafel van den Inquisiteur zaten, allen
moesten lachen, merkte deze, dat de soep-huichelarij gehekeld werd en
verschoot geheel van kleur en als hij zich niet voor zichzelf geschaamd
had, had hij hem een ander proces op den hals geschoven. Met die grap
waren hij en de andere schelmen zóó geraakt, dat hij in zijn kwade bui
hem beval weg te gaan en niet meer terug te komen.