De dwaze liefde van den koning van Frankrijk voor de markiezin van
Montferrat wordt door haar bekoeld met een gastmaal van niets dan
kippen en met eenige geestige woorden. [12]
Toen de geschiedenis door Dioneo verteld was, trof hij eerst het hart
der luisterende donna’s, zoodat ze een weinig verlegen werden. Zij
gaven daarvan het bewijs door den eerzamen blos, die op hun gelaat
verscheen. Zij zagen elkander aan konden zich toch ter nauwernood van
lachen onthouden en hoorden glimlachend toe. Nadat het slot ervan
gekomen was en zij eenige zachte woorden hadden geuit, waarmee zij
wilden doen blijken, dat zulke histories niet aan dames verteld mochten
worden, beval de koningin, naar Fiametta gekeerd, die bij haar op het
gras zat, dat zij den regel zou volgen. Deze begon vol gratie en met
een vriendelijk gelaat:
Het staat mij aan, dat wij begonnen zijn met de vertellingen te
bewijzen, hoe groot de kracht van schoone en juiste antwoorden is, en
omdat de mannen een groote neiging hebben om steeds een donna te
beminnen van veel hooger afkomst dan zij zelf en ook omdat de vrouwen
een zeer groote voorzichtigheid kenmerkt om zich te kunnen behoeden
tegen de liefde van een man hooger geplaatst dan zij, kwam ik er toe,
schoone dames, in de historie welke ik nu moet vertellen, aan te toonen
hoe een adellijke dame zoowel met daden als met woorden zich daartegen
beschermde en er anderen van afhield.
De markies van Montferrat [13], een man van grooten moed, een
banierdrager der Kerk, was bij een kruistocht der Christenen over zee
getrokken. Toen men aan het Hof van koning Philippus den Eenoogigen,
die zich voorbereidde uit Frankrijk denzelfden tocht te maken, over
zijn moed sprak, werd er door een ridder beweerd, dat er onder de
sterren geen paar bestond gelijk aan dat van den markies en zijn vrouw.
Want even als de markies onder de ridders om iedere deugd beroemd was,
was de markiezin onder alle dames der wereld de schoonste en de
waardigste. Deze woorden troffen den koning van Frankrijk zóó, dat hij
zonder haar ooit te hebben gezien, haar dadelijk hartstochtelijk begon
te beminnen en hij nam zich voor bij den kruistocht waar hij aan
meedeed, nergens anders in zee te steken dan te Genua, opdat hij, door
over land te gaan, een eerlijk voorwendsel had, om de markiezin
noodzakelijk te zien. Hij overlegde in stilte, dat, als de markies er
niet was, hij aan zijn begeerte kon voldoen. Zoo gezegd, zoo gedaan.
Hij ging na alle manschappen vooruit gestuurd te hebben met weinig volk
en edellieden op weg en toen hij de landgoederen van den markies
naderde, liet hij één dag te voren aan de donna berichten, dat zij hem
den volgenden morgen aan het middagmaal moest verwachten. De edelvrouw,
wijs en voorzichtig, antwoordde vriendelijk, dat dit een gunst was
hooger dan ieder andere en dat hij welkom zou wezen. Zij dacht er over
na, wat het beteekende, dat een koning, van zoo’n karakter, terwijl
haar echtgenoot er niet was, haar kwam bezoeken. Het idee bedroog haar
dan ook niet, dat haar schoonheid hem aantrok. Niettemin als een
waardige vrouw was zij bereid hem te ontvangen. Zij had die goede
mannen tot zich laten roepen, die achter gebleven waren volgens wier
raad zij bij iedere gelegenheid orders liet geven, maar zij wilde de
bevelen voor het gastmaal en de spijzen zelf geven. Zonder verwijl liet
zij zooveel kippen als er in de streek maar te krijgen waren bijeen
brengen en liet uitsluitend daarvan door de koks de verschillende
gerechten voor het koningsmaal bereiden. De koning kwam dan ook op den
bepaalden dag en werd met groote feestelijkheid en eer door de donna
ontvangen. Zij scheen hem, terwijl hij haar aanschouwde schooner,
waardiger en hoffelijker dan hij uit de woorden van de ridders had
opgemaakt. Hij bewonderde haar uitermate en vleide haar zeer. Het
wakkerde des te meer zijn begeerte aan, omdat hij vond, dat zij zijn
vroegere voorstelling nog overtrof. Nadat hij eenige rust had genomen
in de kamers, die versierd waren gelijk dit behoort om zulk een koning
te ontvangen, zetten zich de vorst en de markiezin, toen het uur van
het middagmaal geslagen had, aan een disch en de andere werden naar hun
rang aan andere tafels onthaald. Daar de koning van vele spijzen
bediend werd en van zeer goede en kostbare wijnen en hij bovendien
telkens de zeer schoone markiezin aanzag, genoot hij buitengewoon. Maar
toch toen het eene gerecht na het andere kwam, begon de koning zich te
verbazen, toen hij gewaar werd, dat, hoe verscheiden die ook waren, zij
toch uit niets anders bestonden dan kip.
Daar de koning de plaats kende, waar hij was en wist, dat er overvloed
van wildbraad moest zijn en hij van zijn komst van te voren de donna
had verwittigd, had hij haar tijd gegeven om te laten jagen. Hoewel hij
zich daar zeer over verwonderde, wilde hij haar over niets anders laten
spreken dan over haar kippen en zich met vriendelijk gezicht tot haar
wendend, zeide hij: “Worden er in dit land, mevrouw, alleen kippen
geboren zonder één haan?”
De markiezin, die de vraag maar al te wel verstond, en daar het haar
scheen, dat God haar volgens haar verlangen nu de gunstige gelegenheid
had gegeven om haar opzet te doen blijken, antwoordde den koning en
keerde zich naar hem in trotsche houding: “Neen, Sire, maar de vrouwen,
hoewel zij als de kippen in tooi en rangorde verschillen, zijn hier van
nature evenals elders.” Toen de koning die woorden begrepen had,
doorzag hij al te wel de reden van het gastmaal met kippen en de
beteekenis verborgen in dit antwoord. Hij werd er van overtuigd, dat
aan zulk een dame alle woorden verspild waren en dat geweld hier niet
gebruikt kon worden. Daarom vond hij het wijs zijn slecht ontvangen
hartstocht bij hem te kwader ure ontbrand, tot zijn eigen eer te
beteugelen. Zonder haar verder met opmerkingen te vervolgen, at hij
bevreesd voor haar antwoorden, zonder eenige hoop op succes. Toen het
afgeloopen was, bedankte hij haar voor de bewezen eer en wilde met een
spoedig vertrek zoo gauw mogelijk zijn trouweloos bedoelde komst
herstellen. Hij beval haar Gode aan en begaf zich naar Genua.