DERDE VERTELLING.

De Jood Melchisedek [10] onttrekt zich met een geschiedenis van

drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin [11] gelegd.

Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop

zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te

spreken:

De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het

gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds genoeg

is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet men het

afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering achten.

Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij misschien

slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden gesteld

worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de dwaasheid

vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in de grootste

ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige uit zeer groote

gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust voert. En dat het

waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende stort, ziet men door

vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet meer te vertellen, als ik

er op let hoe dit al uit duizend gevallen gebleken is. Maar dat het

verstand de oorzaak is van troost, dat zal ik, gelijk ik beloofde, door

een geschiedenisje kortelijk bewijzen.

Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van

een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele

overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen,

had in verschillende oorlogen en door zijn kolossale praal al zijn

rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke

hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig

kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die te

Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen

bedienen, wanneer hij wilde.

Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben gedaan.

De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood hem drong,

zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood zou bedienen en

kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van overreding. Hij

liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem bij zich plaats

nemen en zeide toen tot hem: “Mijn waarde vriend, ik heb van

verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en in

godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten,

welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt: de

joodsche, de mohammedaansche of de christelijke?” De Jood, die

werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op toe

legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag te

stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan de

anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar het

hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor hij niet

te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben, snel voor

den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij:

“Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen, wat ik

er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen, die gij

moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele malen te

hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man leefde, welke

onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had, een zeer

schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en zijn

schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn

nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons, bij

welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden, zijn

erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd en

geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten, volgde

denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk zijn

voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door vele

opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam van een,

die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun vader,

zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen, die de

traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde der drie

te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn beste weten,

daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten, als hij kwam te sterven.

De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad, wist niet te besluiten

aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er over na, daar hij die aan alle

drie beloofd had, hoe ze alle drie te voldoen. Heimelijk liet hij door

een goed kunstenaar twee anderen maken, die zoo op den eersten geleken,

dat hij zelf, die ze had laten vervaardigen, ternauwernood den echten

er uit kende. En stervend gaf hij in vertrouwen aan elk der drie er

een. Ieder van hen wilde zich na den dood des vaders de erfenis en de

eer toeëigenen; de een wilde den ander ongelijk geven en bij de opening

van het testament toch rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te

voorschijn. Daar de ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat

men den rechten niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware

erfgenaam van den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit

zeg ik u, o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader

aan de drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder

meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn; maar

wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van de drie

ringen.” Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan den strik had

weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had gehouden. Daarom

besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen en te zien of hij hem

wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat hij van plan was geweest

te doen, indien Melchisedek hem niet zoo verstandig had geantwoord. De

Jood leende hem ruimschoots elke som, dien Saladin vroeg. Deze betaalde

hem dien later geheel terug en bovendien gaf hij hem groote geschenken,

hield hem steeds tot vriend en hij bleef bij hem een hoogen en

eervollen rang bekleeden.

De Decamerone van Boccaccio · 第 6 / 116 题