De Jood Abraham [9] reist op aandrang van Jeannot de Sevigny naar
het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der priesters
ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen.
Voor een deel lachten de donna’s om de vertelling van Pamfilo en over
het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was
aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De
koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van het
aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke
gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat
zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling
aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen,
wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil in
mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig de
gebreken verdraagt van hen, die en met daden en met woorden van die
fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En die
goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid blijken,
opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen, wat wij
gelooven.
Aldus, genadige donna’s heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in
Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de
Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak had
in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer rijken
jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk en
rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid zag,
begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs en goed
man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon hij hem
vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het joodsche
Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich zou
bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en sterk
worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen en
vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte dan
het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en sterven
en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield echter niet
op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden weer op terug
en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er op nahouden,
waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel de Jood van de
israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch, hetzij dat de
groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog of dat
misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen man op de
tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem zeer te
behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich niet
overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield hem te
overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend aandringen
overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen word en ik
ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst naar Rome te
reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder op aarde noemt en
zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van zijn broeders, de
kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik door Uw woorden en
door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter is dan het mijne,
gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen, dan zal ik doen, wat
ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn, zal ik Jood blijven
gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord, was hij zeer ontstemd,
en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren, die het mij goed scheen
aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem zou bekeerd hebben, want
wanneer deze man op reis gaat naar Rome en het slechte en schandelijke
leven der geestelijken ziet, zal hij zich niet laten doopen, maar
wanneer hij al tot het Christendom bekeerd was, zou hij weer Jood
worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg, vriend, waarom wilt ge
zooveel moeite doen en kosten maken, om van hier naar Rome te gaan,
daargelaten dat dit voor een rijke man als gij zoowel ter zee als te
land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je niemand vindt, die je hier
kan doopen? En indien je misschien eenig wantrouwen hebt jegens het
geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár dan soms betere meesters en
geleerdere mannen dan die U hier kunnen verklaren, wat gij zult
verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij, dat Uw tocht overtollig
is. Denk, dat de priesters daar dezelfden zijn als die gij hier hebt
kunnen zien en dat ze hier bovendien nog beter zijn dan die in de
nabijheid van den Opperherder. En die reis zal volgens mijn raad U op
een andere keer tot genoegen strekken, doordat ik U dan zal gezelschap
houden. Hierop antwoordde de Jood: Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles
is, zooals gij mij zegt, maar om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt,
dat ik doe wat gij mij zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en
anders zal er niets van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was
geworden, hernam: Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die
nooit Christen zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch
drong hij er nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De
Jood steeg te paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij,
aangekomen, door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef
daar zonder te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te
letten op de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere
prelaten en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man
ondervond als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den
hoogsten tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier
zich aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan
tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte, zoodat
de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of andere
belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed was.
Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten,
drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot
verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette, hoe
meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar geld
waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus en de
goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de offeranden
of tot de schenkingen behoorden, voor geld verkochten en kochten en
beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden, dan er te
Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze hadden voor
openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam: “zorg voor
aanstelling” en voor hebzucht den naam: “ondersteuning” gekozen, alsof
God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar) niet de bedoeling
der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de menschen zich door de
namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar die feiten met vele
andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen, den Jood mishaagden,
omdat hij een matig en bescheiden man was, en het hem scheen, dat hij
genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te keeren en deed dit.
Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen was—en er al aan
wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer hij daar vandaan terug
keeren zou—maakten zij te samen een groot feest. En toen hij eenige
dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie van den Paus en de
kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De Jood antwoordde
hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan kwaad zal doen; en ik
zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet, daar hoegenaamd geen
heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige levenswijze of wat ook
bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het kwam mij voor daar
wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger dingen (als er erger
dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun glorie te
aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt van
duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder met
de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen er
zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en uit
de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van moesten
wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar dat uw
godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt, schijnt
het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van deze als van
een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere, als grondslag en
steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en hard bleef
tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden, zeg ik je nu
ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te worden. Laten
wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de verplichte
gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht het
tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen hij
hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging met
hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij
Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden
dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en
noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen
in ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert
werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde.