Sinjeur Ciappelletto [6] bedriegt een vromen monnik met een valsche
biecht en sterft en na gedurende zijn leven een slechte kerel
geweest te zijn, wordt hij na den dood als een heilige bekend en
San Ciappelletto genoemd.
Het is een uitgemaakte zaak, liefste donna’s, dat de mensch van elk
ding, dat hij doet, de oorzaak toeschrijft aan den bewonderenswaardigen
en heiligen naam van Hem, die van alles de Schepper was. Daarom, nu ik
als de eerste met ons vertellen een begin moet maken, ben ik van plan
aan te vangen met een van Zijn wonderlijke werken, opdat, wanneer gij
dit hebt gehoord, de hoop in Hem zich als in een onwrikbaar iets
versterkt en Zijn naam steeds door ons geprezen zij. Het is duidelijk,
omdat de wereldsche zaken allen voorbijgaande en eindig zijn, dat ze
ook in zichzelf en buiten zichzelf vol verdriet en angst en moeite zijn
en aan eindelooze gevaren blootstellen, welke in geen geval wij, die
hierin betrokken leven en er een deel van vormen, noch kunnen verduren
noch overwinnen, indien niet de bijzondere genade Gods en diens
wijsheid er zich toe leende. Wij kunnen niet gelooven, dat dit voor ons
en in ons uit eenige verdienste ontstaat, maar dat dit uit Zijn eigen
goedheid voortkomt, doordrongen van de gebeden van hen, die—gelijk
wij—stervelingen waren en die bij hun leven Zijn geboden volgend, thans
met hem onsterfelijk en gelukzalig zijn geworden. Aan hen dragen wij
zelf, als aan pleitbezorgers door ervaring bekend met onze zwakheid, de
zaken, die ons geschikt lijken op, misschien omdat wij zelf niet moedig
genoeg zijn onze gebeden te brengen onder het oog van zulk een Rechter.
En laten wij nog meer van Hem opmerken, die jegens ons vol vrome
welwillendheid is, dat het ons misschien dan overkomt, daar hij de
scherpte van het sterfelijk oog niet in de geheimen van den goddelijken
geest kan inwijden, dat wij, bedrogen door onze meening, Hem van te
voren tot pleitbezorger maken van een soort gedachte, welke door dien
geest met eeuwige ballingschap is afgewezen. En toch verhoort hij, voor
wien niets verborgen is en die meer let op de reinheid der bedoeling
van den smeekende dan op zijn onwetendheid of op het afkeurenswaardige
van zijn verlangen, hen die tot Hem bidden, alsof die onder zijn
aanblik zalig waren. Dit zal duidelijk blijken uit de geschiedenis, die
ik ga verhalen; duidelijk zeg ik, niet Gods oordeel, maar dat wat de
meening der menschen is.
Men vertelt dan, dat toen Musciatto Franzesi [7] van een zeer rijk en
groot koopman ridder was geworden en met Charles Sansterre, den broeder
van den koning van Frankrijk naar Toscane moest komen, ontboden en tot
gaan bewogen door paus Bonifacius, hij zijn gelden, gelijk vaak met die
der kooplieden het geval is, hier en daar in veel credietbrieven had
omgezet en ze niet gemakkelijk kon innen; hij dacht dit aan meerdere
personen op te dragen en vond voor alles een middel; alleen bleef hij
in twijfel wien hij voldoende kon vertrouwen om die van verschillende
Bourgondiërs los te krijgen. De reden van dien twijfel was, dat hij
wist, dat de Bourgondiërs twistzieke lieden van slecht soort en kwade
trouw waren en er schoot hem niemand te binnen van zoo groote slimheid,
dat hij er op aan kon, dat die er aan gewaagd was. Toen hij daarover
lang genoeg had gepeinsd, dacht hij aan een zekeren sinjeur Ciapperello
uit Prato, die dikwijls in zijn huis te Parijs verscheen. Daar de
Franschen van hem, omdat hij klein van persoon was en zeer net van
uiterlijk, niet begrepen, wat Cepparello wou zeggen, en geloofden, dat
hij zich Chapelet noemde,—dat is krans in hun taal—gaven zij hem, daar
hij klein was, gelijk wij zeiden, niet den naam van Cappello maar
Ciappelletto en als Ciappelletto werd hij overal bekend, daar weinigen
slechts hem als sinjeur Ciapperello kenden.
Die Ciappelletto had de volgende levenswijze: hij was notaris, maar hij
zou zich geweldig geschaamd hebben, wanneer hij onder zijn acten,
(waarvan hij er slechts weinig opmaakte) een anders dan valsch zou
geweest zijn; hiervan maakte hij er zooveel als verlangd werd en hij
gaf die liever voor niets dan een echte, die goed werd betaald. Hij
legde met het grootste plezier valsche eeden af, gevraagd of niet en
daar men in dien tijd in Frankrijk sterk op een eed vertrouwde, en hij
er niet om gaf ze valsch af te leggen, won hij te kwader trouw zooveel
processen als waar in hij geroepen werd onder eede de waarheid te
spreken. Hij had er buitengewoon veel genoegen in en hij legde er zich
sterk op toe om tusschen vrienden en bloedverwanten en welke andere
personen ook, haat en vijandschap en schandalen te doen ontstaan, en
hoe erger kwaad hij er uit zag volgen, hoe meer plezier hij er in had.
Werd hij gevraagd voor een moord of eenige andere misdaad dan, zonder
ooit te weigeren, nam hij er gaarne aandeel in; hij liet er zich best
voor vinden met eigen handen meermalen menschen te wonden en te dooden.
Hij was een groot lasteraar van God en de heiligen en bij de nietigste
zaak vloekte hij. Nooit ging hij naar de kerk en hij smaadde al haar
sacramenten met afschuwelijke taal als booze dingen; daarentegen had
hij de gewoonte naar kroegen en andere slechte plaatsen te gaan. Hij
hield net zooveel van de vrouwen als de honden van een stok; hij gaf
zich meer dan eenig ander treurig soort man aan tegennatuurlijke zonde
over; hij pleegde roof met hetzelfde gevoelen, waarmee een vroom man
geofferd zou hebben; hij was een vreeselijke vreter en zuiplap telkens,
als een of andere keer hem iets hinderde, en een speler en een valsche
dobbelaar. Waarom ik in zooveel woorden over hem uitwijd? Omdat hij de
grootste schoelje was, die ooit werd geboren. De macht en den rang van
messire Musciatto steunden zijn boosheid langen tijd, waardoor hij
menigmaal zoowel ook door particulieren, die hij dikwijls genoeg
beleedigde als door het hof, hetwelk hij het altijd deed, gevreesd
werd.
Toen die sinjeur Cepparello in de gedachten kwam van messire Musciatto,
die zijn leven uitstekend kende, meende genoemde heer Musciatto, dat
deze de ware was, welke de slechte gezindheid der Bourgondiërs
vereischte; daarom liet hij hem roepen en sprak hem aldus toe: Sinjeur
Ciappelletto, gelijk gij weet, wil ik mij van hier geheel terugtrekken
en daar ik onder anderen met de Bourgondiërs heb te maken, zeer
oneerlijke lui, weet ik niemand door wien ik beter het mijne kan laten
opeischen bij hun dan u en omdat u op het oogenblik niets anders doet
dan waar ik plan heb u toe te gebruiken, ben ik van zins u den gunst
van het hof te verschaffen en u dat aandeel te geven van wat gij int,
wat we overeenkomen. Ser Ciappelletto, die niets om handen had en met
wereldsch goed slecht bedeeld was en die zich zag ontgaan, wat hem lang
tot steun en toevlucht was geweest, overlegde bij zich zelf zonder
eenig uitstel, door nood gedwongen en zeide, dat hij heel graag wilde.
Hierna, toen ze het samen eens werden, sinjeur Ciappelletto de
bescherming en gunstige brieven van den koning ontving en messire
Musciatto vertrokken was, ging hij naar Bourgondië, waar haast niemand
hem kende. Daar begon hij, tegen zijn natuur, op goedaardige en
vriendelijke manier die schulden te innen en deed, alsof hij gekomen
was om tot het uiterste het twisten te verhinderen. Terwijl hij zoo
handelde en verblijf hield in het huis van twee broeders uit Florence,
die op woeker leenden en hem uit vriendschap voor den heer Musciatto
goed ontvingen, wilde het geval, dat hij ziek werd, waarop de twee
broeders doktoren lieten komen en oppassers, die hem zouden bijstaan en
alles wat voor zijn gezondheid goed was lieten halen. Maar alle hulp
was ijdel, omdat de goede man, die al oud was en die losbandig had
geleefd, naar de doktoren zeiden, van dag tot dag van kwaad tot erger
verviel als een doodelijk zieke en daarover waren de gebroeders zeer
treurig. Op een goeden dag, dicht genoeg bij de kamer, waar ser
Ciappelletto ziek lag, begonnen zij aldus met elkaar te spreken: Wat
zullen we, zei de een tot den ander, met hem doen? Wij hebben van zijn
toestand de ongunstigste gegevens; daarom zou het schande en een teeken
van weinig verstand zijn hem zoo ziek uit ons huis te sturen, nadat de
menschen zouden zien, dat wij hem eerst hebben ontvangen en daarna zoo
zorgzaam hebben laten bedienen en genezen en dat wij hem nu, zonder dat
hij iets tot ons ongenoegen deed, opeens uit ons huis en doodziek
zouden wegzenden. Aan den anderen kant is het zoo’n gemeene kerel
geweest, dat hij niet zal willen biechten, noch eenig sacrament van de
Kerk zal willen aannemen, en als hij zonder biecht sterft, zal geen
enkele kerk zijn lichaam willen opnemen en hij daarna als een hond in
kuilen worden gegooid. Als hij toch biecht, zijn zijn zonden zoo
talrijk en zoo erg, dat hetzelfde er van zal komen, omdat noch monnik
noch priester hem zal willen of kunnen absolutie geven; zoo, niet
gezuiverd, zal hij toch in een kuil worden geworpen. Indien dit
gebeurt, zal het volk van deze streek zoowel omdat ons vak hun zeer
gemeen schijnt en zij er den ganschen dag kwaad van spreken als omdat
zij lust hebben ons te berooven, dit ziende, zich tot een opstootje
verheffen en schreeuwen: Die Lombardische [8] honden, die geen een kerk
wil begraven, mag men hier niet langer dulden, en zij zullen op onze
huizen toe loopen en wellicht, zullen zij hier niet alleen ons goed
rooven, maar de personen, bij wien wij in een slecht daglicht staan,
zullen ons vermoorden, als hij sterft. Ser Ciappelletto, die, gelijk
wij zeiden, dichtbij lag, waar zij redeneerden, had een fijn gehoor,
gelijk we dat dikwijls bij zieken zien, en vernam, wat die van hem
zeiden. Hij liet ze tot zich roepen en zeide hen: Ik wil niet, dat gij
op eenigerlei manier voor mij angst hebt, noch dat gij vrees hebt door
mij voor de minste schade; ik heb opgevangen, wat gij over mij te
zeggen hadt, en ik ben er zeker van, dat dit zou kunnen gebeuren gelijk
gij zegt, als het noodzakelijk was, wat gij meent; maar het zal anders
gaan. Ik heb God den Heere zoo zeer beleedigd in mijn leven, dat door
het bij mijn sterven nog eens te doen, dit niets meer of minder zal
beteekenen. En daarom doet uw best bij mij een heilige en waardige
broeder te doen komen, de beste, dien gij kunt krijgen en die er te
vinden is. Laat mij gaan, die flink uw zaken en de mijnen zal in orde
brengen, zoodat alles goed afloopt en gij tevreden zult zijn. Hoewel de
twee broeders er niet veel hoop op hadden, gingen zij toch er op uit
naar een monniksorde en verzochten om een heiligen en wijzen man, die
een Lombardiër de biecht wilde afnemen, welke in hun huis ziek lag. Hun
werd een oude broeder meegegeven, van een heilig en goed leven, een
groot schriftgeleerde en zeer eerwaardig, voor welke de burgers de
grootste en bijzondere eerbied hadden; zij begeleidden hem. Toen hij in
de kamer kwam, waar ser Ciappelletto lag en zich naast hem had
neergezet, begon hij hem eerst zachtmoedig te troosten en daarna vroeg
hij hem hoe lang geleden hij eertijds gebiecht had. Hierop antwoordde
ser Ciappelletto, die nog nooit had gebiecht: Mijn vader, ik ben gewoon
eens in de week op zijn minst te biechten, hoewel er genoeg weken zijn,
dat ik het meer doe: het is waar, dat ik, sinds ik ziek werd, acht
dagen geleden, niet biechtte; zoo groot is de stoornis, die de ziekte
bij mij heeft veroorzaakt. Toen zeide de broeder: “Mijn zoon, gij hebt
wel gedaan en zoo moet gij voortaan blijven doen. Ik zie wel, daar gij
dikwijls biecht, dat ik weinig zal te hooren en te vragen hebben.” Ser
Ciappelletto zeide: “Heer broeder, spreek zoo niet, ik biechtte nooit
zooveel en zoo dikwijls, dat ik ooit in het algemeen al mijn zonden kon
biechten, die ik mij mocht herinneren van af mijn geboorte tot aan den
dag van deze biecht, en daarom bid ik, mijn goede vader, dat gij mij
alles zoo nauwkeurig zult afvragen alsof ik nog nooit gebiecht had en
let er niet op, dat ik ziek werd, want ik wil liever het vleesch
pijnigen dan dat ik door dit te bevredigen, schade zou doen aan mijn
ziel, die mijn Verlosser met zijn dierbaar Bloed redde.”
Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een
teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan
sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of hij
ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd. Hierop antwoordde
Ciappelletto zuchtend: “Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid
te zeggen, vreezend, dat ik zal zondigen door zelfverheffing.” Toen
sprak de heilige broeder: “Zeg gerust wat waar is, want noch in de
biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit.” Waarop ser
Ciappelletto antwoordde: “Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik
het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam
van mijn moeder kwam.” “Dat God U zegene!” sprak de broeder. “Dan hebt
gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste, daar
gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen dan wij
en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn.” Hierop vroeg hij
hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou mishaagd
hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van ja en
menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve bij de
groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden, minstens
drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood en met
veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer hij een
vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht had gedaan,
dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had hij dan evenveel
zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer zij naar de stad gaan.
En het eten scheen hem meermalen beter, dan het schijnen moest aan elk,
die uit vroomheid vastte gelijk hij deed. Daarop antwoordde de broeder:
“Mijn zoon, deze zonden zijn natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg
ik niet, dat gij uw geweten meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch
schijnt het na lang vasten, hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na
vermoeienis te drinken.”
“O,” hernam ser Ciappelletto, “mijn vader, zeg dat niet om mij te
troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten
gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder
eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt.” De
broeder voegde er zeer tevreden bij: “Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel
U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar,
zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan
geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?” Toen sprak ser
Ciappelletto: “Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt,
omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te
maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en te
vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat ik
geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient te
weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat ik het
meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen om mijn
leven te behouden en om de armen van Christus te helpen, heb ik kleine
zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen en heb altijd met
Gods armen de helft gedeeld, mijn deel gebruikend voor mijn behoefte,
en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft mijn Schepper mij zoo
goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter heb gedreven.” “Gij hebt
goed gehandeld,” zei de broeder, “maar hebt ge U niet dikwijls boos
gemaakt?” “O,” zeide de heer Ciappelletto, “dit kan ik u zeggen, dat ik
dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in kunnen houden, als hij ziet,
dat alle menschen slechte dingen doen, de geboden Gods niet volgen en
zijn uitspraken niet vreezen? Ik heb menigen dag liever willen sterven
dan leven, als ik zag hoe de jongelingen zich aan ijdelheid overgeven,
en als ik ze zag vloeken en zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan
en veeleer een wereldsch leven lijden dan een naar God gericht.” Toen
zeide de broeder: “Mijn zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u
daarvoor geen boete kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms
vervoerd een moord te doen of iemand te schelden of op eenige wijze te
beleedigen?” Waarop sinjeur Ciappelletto antwoordde: “Wee mij, heer,
gij schijnt mij een man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O
indien ik toch maar de geringste gedachte zou hebben gehad van een der
dingen, die gij zegt, gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij
zoo had beschermd? Dat zijn dingen, die moordenaars doen en slechte
kerels, tot welke ik ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd:
‘Ga, opdat God U verbetere.’” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon, zeg
mij nu, opdat God U zegene, hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd
tegen iemand, of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van
anderen gehouden zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?” “Nooit,
eerwaarde,” hernam ser Ciappelletto, “heb ik van anderen kwaad
gesproken, al had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht
ter wereld niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van
hem sprak tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik
met die ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken,
sloeg, dat God er wel over zal oordeelen.” Dan sprak de broeder: “Goed
zoo; je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand
bedrogen gelijk kooplui dat doen?” “Bij God, ja, waarde heer, maar ik
weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij
schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in een
geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond, dat er
vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem niet meer
terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze hem terug te
geven, offerde ik ze als aalmoes.” De broeder sprak: “Dat was niet erg
en je handelde wel door zoo te hebben gedaan.” En behalve dat vroeg hem
de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop hij op die wijze
antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde overgaan, zeide
sinjeur Ciappelletto: “Mijnheer, ik heb nog één zonde, die ik U niet
heb verteld.” De broeder vroeg welke en hij zei: “Ik herinner mij, dat
ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet vegen en aldus den
Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde.” “O,” sprak de broeder,
“mijn zoon, dat beteekent niet veel.” “Neen,” zei sinjeur Ciappelletto,
“zeg dat niet, dat het goed is om den Zondag niet te eeren, omdat op
dien dag onze Heer uit den doode tot het leven opstond.” Toen vroeg de
broeder: “Hebt gij ook iets anders gedaan?” “Ja heer,” antwoordde
sinjeur Ciappelletto: “ik heb eenmaal per ongeluk in Gods kerk
gespuwd.” De pater begon te glimlachen en zeide: “Mijn zoon, dat is
geen zaak om je over te bekommeren; wij, die vroom zijn, spuwen er den
ganschen dag.” Toen zeide ser Ciappelletto: “Dan doet gij groot kwaad,
omdat niets reiner moet gehouden worden dan de tempel, waarin men Gode
offert.” En in het kort vertelde hij nog veel en eindelijk begon hij te
zuchten en erg te klagen, als iemand, die het maar al te goed kan als
hij dit wil. De vrome broeder vroeg: “Wat heb je, mijn zoon?” Ser
Ciappelletto hernam: “Wee mij, heer, dat mij één zonde verbleven is,
die ik nooit beken, zoo groote schaamte voel ik om die te zeggen, en
iedere keer, dat ik er aan denk, klaag ik gelijk gij ziet en het
schijnt mij zeer zeker, dat God nooit zal vergeven, wat ik heb
misdreven.” Toen vroeg de heilige broeder: “Kom, kom mijn zoon, wat
zegt ge? Als alle zonden van alle menschen, of alle zonden, bedreven
zoolang als de wereld zal duren, op een mensch rustten en hij zou zoo
vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie, dan is de goedheid en de
barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij, indien hij Hem biecht, hem
vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom gerust.” Toen zeide
sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: “Wee mij, mijn vader, het is
een te groote zonde, en ik kan ternauwernood gelooven, indien uwe
gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit door God vergeven
wordt.” Hierop gaf de broeder tot bescheid: “Zeg het gerust, daar ik U
beloof God voor U te bidden.” Ser Ciappelletto klaagde toch nog en
zeide het niet, maar de broeder spoorde hem aan. Sinjeur Ciappelletto
hield den monnik echter zeer langen tijd op; hij slaakte een diepe
zucht en zei: “Mijn vader, indien gij mij kunt beloven tot God te
bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens, toen ik zeer klein was,
mijn moeder heb uitgescholden.” Toen hij dit gezegd had, begon hij weer
te weenen. De broeder sprak: “Mijn zoon, schijnt U dat nu zulk een
groote zonde? De menschen beleedigen God den ganschen dag en toch
vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben beleedigd en gij
gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet, wees getroost,
want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die Hem aan het kruis
sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij het U vergeven.” Toen
zeide sinjeur Ciappelletto: “Wee mij, mijn vader, wat zegt gij? Mijn
goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in het lichaam droeg
en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te veel kwaad gedaan
door haar uit te schelden en dat is een te groote zonde en als gij niet
tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven.” Toen de broeder zag, dat ser
Ciappelletto niets anders te vertellen had, gaf hij hem absolutie en
zijn zegen en hield hem voor een heilig man, alsof het waar was, wat
ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het niet geloofd hebben, die
iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen na dit alles zeide hij
tot hem: “Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp zult gij spoedig een
heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren, dat God Uw gezegende en
wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het U dan behagen, dat uw
lichaam in ons klooster wordt begraven.” Hierop antwoordde deze:
“Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn, daar gij beloofd
hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit speciale vereering
voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat, zoo gij in Uw klooster
zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van Christus tot mij komt,
wat gij ’s ochtends op het altaar heiligt: omdat ik (hoewel ik het niet
waard ben) plan heb met Uw verlof het tot mij te nemen en daarna het
laatste, heilige oliesel, opdat ik, zoo ik als zondaar heb geleefd,
althans als christen zal sterven.” De heilige man zeide, dat het hem
zeer beviel en dat hij wel sprak en zou maken, dat het hem dan gebracht
werd; en zoo geschiedde het. De twee broeders, die er sterk aan
twijfelden of ser Ciappelletto ze niet bedroog, hadden zich opgesteld
bij een beschot, welke de kamer, waar die lag, scheidde van de andere
en al luisterend, hoorden en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den
broeder zeide. Ja, zij hadden elken keer zoo’n lust tot lachen, de
dingen hoorend, die hij had bekend, dat zij er haast van barstten en
tot elkaar zeiden: “Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch
zwakheid, noch vrees voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor
God voor wiens rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten
verschijnen, kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven
zooals hij heeft geleefd.” Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd
had, zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij
hun lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en
daar hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na
den avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf
hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven
worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster, en
dat zij zouden waken volgens gebruik, ’s avonds en ’s morgens, bij zijn
lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige
broeder, die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was,
onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat hij
de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat ser
Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij hem
had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen zou
doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten eerbied en
wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere,
goedgeloovige broeders op ingingen. Toen zij ’s avonds allen daarheen
waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er
een groote en plechtige nachtwake en ’s ochtends alle gekleed in hun
doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop,
gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht en
plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking der stad
volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder, die hem had
gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn leven, van zijn
vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en onschuld en zijn
wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat onder andere dingen
ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend bekend had en hoe hij
hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat, dat God hem zou vergeven
en zich hiervan afwendend om zich te keeren tot het luisterende volk
zeide hij: “En gij, door God vervloekten, bij iedere stroohalm, die u
tusschen de voeten komt, smaadt gij God en de Madonna, en heel het
hemelrijk.” Bovendien verhaalde hij veel van zijn oprechtheid en van
zijn reinheid, en in het kort met de woorden, waaraan de menschen van
die streek sterk geloof hechtten, vervulde hij den geest met zooveel
eerbied bij allen die daar waren, dat, toen de dienst gedaan was, met
het grootste gedrang van de wereld alles samen liep om hem hoofd en
handen te kussen. Al de kleeren werden hem van het lijf getrokken,
zoodat zich voor gelukkig hield, wie er slechts een stukje van kon
bemachtigen. Men kwam overeen, dat het lijk daar den ganschen dag
bewaard bleef, opdat het door allen kon gezien en bezocht worden.
Daarna werd hij den volgenden nacht in een marmeren kist in een kapel
eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen den volgenden dag de menschen
er heen te gaan, kaarsen aan te steken, hem te aanbidden en bij gevolg
ook aan hem geloften te doen en er beelden van was heen te brengen in
overeenstemming met hun gedane beloften. Zoo groeide de faam van zijn
heiligheid aan en de vereering voor hem, dat er bijna niemand was in
tegenspoed, die aan een anderen Heilige dan aan hem geloften deed en
zij noemden hem en noemen hem nog San Ciappelletto. Men verzekert, dat
God door hem vele wonderen heeft verricht en nog iedere dag het doet
voor elk, die zich devoot bij hem aanbeveelt. Zoo leefde en stierf ser
Ciappelletto van Prato en werd heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil
het niet als mogelijk ontkennen, dat hij zalig is geworden in Gods
tegenwoordigheid, indien hij, hoewel zijn leven gemeen en slecht was,
op het uiterste zooveel wroeging heeft gehad, dat misschien God zich
over hem ontfermd zal hebben en hem in zijn rijk zal hebben opgenomen:
maar omdat dit onbekend is, naar hetgeen recht kan schijnen, denk ik
dan ook, dat hij eer in handen van den duivel in verdoemenis is geraakt
dan in het Paradijs. Is dit zoo, dan kan men de zeer groote goedheid
van God jegens ons daaruit kennen, die niet op onze afdwaling lettend,
maar op de reinheid van ons geloof, aldus een vijand tot bemiddelaar
voor ons maakt, terwijl wij meenen, dat het een vriend is, en ons
verhoort, alsof hij een echte heilige was, als bemiddelaar van zijn
genade in de tegenwoordige ellende. En laat ons in dit zoo blijmoedig
gezelschap gezond zijn en wel bewaard, terwijl wij Zijn Naam prijzen,
gelijk wij het in het begin deden, en Hem eerbiedigen omdat wij Hem
onze behoeften toevertrouwen, en er zeker van zijn verhoord te worden.
Hierop zweeg hij.