IV.

Pierre ging den volgenden dag weer naar Montmartre, maar leed daar zóó,

dat hij de twee volgende dagen niet ging. Hij sloot zich in zijn huisje

op, waar niemand zijn koortsachtige opwinding zien kon. Op een ochtend,

dat hij nog wanhopig en moedeloos in bed lag, zag hij tot zijn

verbazing zijn broer Guillaume binnenkomen.

“Ik moet me wel de moeite geven naar jou te gaan, nu jij ons zoo alleen

laat zitten... Ik kom je halen voor de zaak-Salvat; het proces komt

vandaag voor. Ik heb met groote moeite twee plaatsen kunnen krijgen...

Allo, sta op, wij zullen in een restaurant dejeuneeren en zorgen

vroegtijdig in de zaal te zijn.”

Hij zelf scheen gepreoccupeerd en onrustig, en toen Pierre zich aan het

kleeden was, vroeg hij:

“Heb je ons iets te verwijten?”

“Wel neen! Hoe kom je op het idee?”

“Waarom kom je dan niet meer? We zagen je iederen dag en nou blijf je

eensklaps weg!”

Pierre zocht vergeefs naar een leugen.

“Ik moest hier werken... En bovendien, die melancholieke buien zijn ook

weer teruggekomen, zoodat ik jullie ook maar treurig gestemd zou

hebben.”

“Geloof je soms, dat je wegblijven ons vroolijk maakt?” vroeg Guillaume

met een bruusk gebaar. “Marie, die altijd zoo gezond en opgewekt is,

had eergisteren zoo’n migraine, dat zij haar kamer heeft moeten houden.

Ook gisteren voelde zij zich nog alles behalve goed, zenuwachtig en

stil. We hebben een beroerden dag gehad.”

Hij keek hem recht in zijn gelaat met zijn open oogen, waarin de

ontwakende argwaan, dien hij niet uitspreken wilde, duidelijk te lezen

was.

Verschrikt door het denkbeeld, dat hij zichzelf zou kunnen verraden,

slaagde Pierre er ditmaal in te liegen; met kalme stem antwoordde hij:

“Ja, ze voelde zich al niet lekker, toen we samen dien fietstocht

maakten... En wat mij betreft, ik heb het erg druk gehad. Ik wou juist

opstaan, om weer naar jullie te komen.”

Een oogenblik nog keek Guillaume hem aan; dan begon hij, blijkbaar

gerustgesteld of het tot later uitstellend, om achter de waarheid te

komen, over andere dingen te praten; maar ondanks deze in hem zoo

krachtige broederlijke teederheid bleef zulk een rilling van niet

bekende en misschien onbewuste smart in hem achter, dat zijn broeder nu

op zijn beurt vroeg:

“Maar ben jij soms ziek? Het is alsof je niet de gewone kalme rust van

altijd hebt!”

“Ik? Neen, ik mankeer niets, hoor! Maar mijn gewone kalme rust wordt

wel in gevaar gebracht. Dat proces van Salvat brengt me heelemaal uit

mijn gewone doen. Zij zullen me met hun schandelijke

onrechtvaardigheid, waarmede zij allen dien ongelukkige verpletteren

willen, nog razend maken.”

Van af dat oogenblik sprak hij nog slechts over Salvat, wond hij zich

op, als wilde hij in deze zaak een verklaring zoeken voor al zijn

woede, voor al zijn lijden. Onder het dejeuner in een restaurant op den

boulevard du Palais zeide hij, hoezeer hij getroffen was door het

zwijgen van Salvat zoowel wat betreft den aard van het kruit, waarmede

hij de bom gevuld had, als wat de enkele dagen aangaat, die hij bij hem

gewerkt had. Dank zij dat zwijgen had men hem met rust gelaten en zelfs

niet als getuige opgeroepen. Vol ontroering kwam hij weer op zijn

uitvinding terug, die vreeselijke machine, welke aan het bevrijdende

Frankrijk de almacht verzekeren moest. De resultaten van zijn

onderzoekingen der laatste tien jaar waren nu buiten alle gevaar,

gereed en definitief, zoodat zij iederen dag aan de Fransche regeering

gegeven konden worden. Maar afgezien van sommige heimelijke

gewetensbezwaren, die hij tegenover de schaamteloosheid der financieele

en politieke wereld voelde, wilde hij nog slechts op zijn huwelijk met

Marie wachten, om haar met een roerende galanterie deel te laten nemen

aan het prachtige geschenk, dat hij de wereld geven wilde: den

wereldvrede.

Door bemiddeling van Bertheroy had Guillaume met groote moeite twee

plaatsen gekregen; maar toen hij om elf uur, het uur, waarop de deuren

geopend werden, met Pierre kwam, geloofden zij niet meer binnen te

zullen komen. Alle hekken waren gesloten, de corridors door middel van

planken afgezet, een storm van schrik en angst loeide door het ledige

Paleis, als waren de magistraten bang voor een invasie van met bommen

gewapende anarchisten. Men vond er weer de rilling van den ontzettenden

angst, die Parijs sedert drie maanden doorschokte. De twee broers

moesten bij alle door militairen bewaakte deuren en gangen

onderhandelen, en toen zij eindelijk in de zaal kwamen, was deze reeds

propvol met het opgehoopte publiek, dat zich daar een uur lang voor het

binnenkomen van het Hof verdrong en er zich in schikte zich daar acht

of negen uur niet te kunnen verroeren, want het gerucht ging, dat men

het proces in één zitting wilde doen afloopen. In het zoo kleine, voor

het publiek gereserveerde deel verdrong zich een dichte menigte

nieuwsgierigen, waaronder enkele vrienden en kameraden van Salvat, aan

wie het ondanks alle voorzorgsmaatregelen gelukt was binnen te komen.

In het andere gedeelte, waarin de getuigen samengeperst werden, zaten

op de eikenhouten banken de genoodigden, zij, die door de een of andere

gunst binnen mochten komen; er waren er echter te veel, zoodat men

bijna op elkaars schoot zat. In het praetorium waren als in een

schouwburg stoelen gezet, die de open ruimte tot achter het Hof

innamen. Daar zat de bevoorrechte beau monde, politici, journalisten,

terwijl de groote stroom advocaten in toga op goed geluk af in alle

hoekjes ondergebracht was.

Pierre en Guillaume konden nog juist twee plaatsen vinden op de laatste

bank der getuigenafdeeling tegen het schot van de publieke tribune.

Toen Guillaume ging zitten, zag hij den kleinen Victor Mathis, die, met

zijn ellebogen op het beschot leunende, zijn kin in zijn gevouwen

handen liet rusten; zijn oogen in het bleeke gezicht met de magere

lippen brandden. De twee mannen herkenden elkaar, maar Victor verroerde

zich niet en Guillaume begreep, dat het niet raadzaam was elkander hier

te groeten.

Intusschen had Pierre den afgevaardigde Dutheil en de kleine prinses

Rosemonde, die voor hem zaten, herkend. Te midden van het vreeselijke

lawaai der menigte, die, om den tijd te verdrijven, praatte en lachte,

klonken hun stemmen het vroolijkst en verrieden hoe blij zij waren dit

schouwspel, dat zooveel menschen trok, bij te kunnen wonen. Hij legde

haar de zaal uit; alle banken, de kleine houten hokjes van de jury, den

beklaagde, den verdediger, den ambtenaar van het openbaar ministerie,

den griffier, de tafel met de overtuigingsstukken, en het

getuigenbankje. Alles was nog ledig: een bediende wierp nog een

laatsten onderzoekenden blik op alles; advocaten liepen vlug door de

zaal. Men had kunnen gelooven in een schouwburg te zijn, waarvan het

tooneel nog leeg was, terwijl de op hun plaatsen samengeperste menigte

op het begin van het stuk wachtte. Om den tijd wat te bekorten, zocht

de kleine prinses naar kennissen.

“Zeg, zit daar achter het Hof mijnheer Fonsègue niet naast die dikke

dame in het geel? En daar aan den anderen kant onze vriend generaal de

Bozonnet?... Is baron Duvillard er niet?”

“Neen,” antwoordde Dutheil; “dat zou moeilijk gaan. Het zou den schijn

hebben, alsof hij hier wraak kwam eischen.”

Dan vroeg hij haar op zijn beurt.

“Hebt u onaangenaamheden gehad met uw mooien vriend Hyacinthe, dat u

mij het groote genoegen gedaan hebt mij als cavalier te kiezen?”

Met een lichte schouderbeweging gaf zij te kennen, dat de dichters haar

begonnen te vervelen. In een nieuwe gril was zij naar de politiek

overgegaan en in de laatste acht dagen interesseerde zij zich

hartstochtelijk voor de ministerieele crisis. De jonge afgevaardigde

van Angoulême wijdde haar in de geheimen in.

“Ach, mijn waarde,” zeide zij; “de Duvillards zijn allemaal aan den

overspannen kant... U weet natuurlijk, dat het huwelijk tusschen

Camille en Gérard een uitgemaakte zaak is. De barones heeft er zich bij

neergelegd en ik heb uit goede bron vernomen, dat madame de Quinsac,

Gérard’s moeder, haar toestemming gegeven heeft.”

Dutheil lachte als wilde hij bewijzen, dat hij ook op de hoogte was.

“Ja, ja, ik weet het. Het huwelijk zal binnenkort in de Madeleine

ingezegend worden—een huwelijk, waarvan de pracht de menschen nog lang

zal doen praten... Een betere oplossing was bijna niet te vinden. In

den grond der zaak is de barones de goedheid zelve; ik heb altijd

gezegd, dat zij zich zou opofferen, om het geluk van haar dochter en

Gérard te verzekeren... In het kort, dit huwelijk maakt alles weer

goed, brengt alles weer in orde!”

“En wat zegt de baron ervan?” vroeg Rosemonde.

“De baron is in den zevenden hemel. U hebt vanochtend toch zeker wel

gelezen dat Dauvergne de portefeuille van Openbaar Onderwijs gekregen

heeft. Dat beteekent: Silviane in de Comédie-Française. Dat is de

eenige reden, waarom Dauvergne minister geworden is.”

Hij schertste nog verder, maar op dat oogenblik zag de kleine Massot,

die ruzie had met een bode, uit de verte een ledige plaats naast de

prinses, en toen hij een vragend gebaar maakte, knikte zij toestemmend.

“Ja, het ging niet makkelijk,” zeide hij, terwijl hij naast haar plaats

nam. “De journalistenbank is propvol, en bovendien moet ik nog een

kroniek schrijven... Prinses, u bent de beminnelijkste van alle

vrouwen, om wel een klein plaatsje in te ruimen voor uw zeer trouwen

bewonderaar.”

Dan gaf hij Dutheil een hand en ging zonder eenigen overgang voort.

“Het ministerie is dus gevormd, mijnheer de afgevaardigde?... Het heeft

lang geduurd, maar het is nu ook een prachtstuk!”

Inderdaad waren de besluiten dien ochtend in den Officiel verschenen.

Na een lange crisis was, toen Vignon voor de tweede maal door

onontwarbare moeilijkheden zijn combinatie had zien mislukken,

Monferrand, dien men uit wanhoop op het Elysée geroepen had, op het

tooneel verschenen. Binnen vier-en-twintig uur had hij de portefeuilles

verdeeld en zijn lijst laten goedkeuren, zoodat hij nu triomphantelijk

terugkeerde tot de macht, van welker hoogte hij met Barroux zoo

jammerlijk gevallen was. Hij verwisselde als minister-president de

portefeuille van Binnenlandsche Zaken met die van Financiën, wat van

oudsher af zijn grootste eerzucht geweest was. Nu kwam de schoonheid

van zijn heimelijk intrigeeren in het volle daglicht; de meesterlijke

manier, waarop hij zichzelf weer opgevischt had door de arrestatie van

Salvat, dan de buitengewone ondergrondsche campagne tegen Vignon, de

tallooze hinderpalen, waarmede hij hem tot tweemaal toe den weg

versperd had, en tenslotte de bliksemsnelle oplossing, die geheel

gereed zijnde lijst, het in één dag in elkaar gezette ministerie.

“Een kranig stukje werk, mijn compliment,” herhaalde Massot spottend.

“Maar ik heb er niets aan gedaan,” zeide Dutheil bescheiden.

“Wat, niets aan gedaan? Maar dat kan iedereen u anders vertellen!”

De afgevaardigde glimlachte gevleid en de andere bleef dan ook met zijn

toespelingen en sous-entendu’s doorgaan. Hij sprak van de bende van

Monferrand, van de protégé’s, die hem, omdat zij zijn overwinning

noodig hadden, zoo krachtig hadden gesteund. Hoe meedoogenloos had

Fonsègue zijn ouden, lastig geworden vriend Barroux in den Globe laten

afmaken! Een maand lang nu al verscheen er iederen ochtend een artikel,

dat Barroux en Vignon vernietigde en den terugkeer van den redder,

wiens naam niet genoemd werd, voorbereidde. Verder hadden de millioenen

van Duvillard in het geheim den oorlog medegestreden en waren de

creaturen van den baron in grooten getale als een leger in een geregeld

gevecht ten strijde getrokken, afgezien nog van Dutheil, den pijper en

den tamboer, en van Chaigneux, die zich nederig geschikt had in

allerlei vuile opdrachten, waarmede niemand anders zich belasten wilde.

En daarom zou het debuut van den triomphator Monferrand zeker hierin

bestaan, dat hij de ergerlijke zaak der Afrikaansche sporen door het

benoemen van een enquête-commissie in den doofpot stoppen zou.

Dutheil zette een gewichtig gezicht.

“Wat zal ik je zeggen, mijn waarde? In ernstige uren, wanneer de

maatschappij in gevaar geraakt, zijn er sterke mannen, staatslieden,

die vanzelf op den voorgrond komen... Monferrand had onze vriendschap

niet noodig; de toestand eischte gebiedend, dat hij aan het bewind

kwam. Hij is de eenige vuist, die ons redden kan.”

“Ik weet het,” zeide Massot spottend. “Men heeft mij zelfs verzekerd,

dat men het ministerie zoo vlug in elkaar gezet heeft, zoodat de

benoemingen vanochtend nog in den Officiel kwamen, om de jury en den

rechters moed te geven; nu Monferrand met zijn vuist achter hen staat,

kunnen zij gerust vanavond het doodvonnis uitspreken.”

“Zeker, mijn waarde, een doodvonnis is in het openbaar belang; degenen,

die voor onze sociale veiligheid zorgen moeten, behooren te weten, dat

het ministerie aan hun zijde staat en hen, als het noodig is, zal weten

te beschermen.”

“Zeg eens,” viel de prinses hen met een vriendelijk lachje in de rede,

“is die dame, die naast Fonsègue is komen zitten, Silviane niet?”

“Het ministerie Silviane,” prevelde Massot. “Als Dauvergne met de

actrices op goeden voet staat, zal je je bij hem niet vervelen.”

Guillaume en Pierre luisterden en hoorden, zonder het zelf te willen.

Vooral de eerste werd door die mondaine kletspraatjes en politieke

indiscreties zeer onaangenaam getroffen. Salvat ter dood veroordeeld

nog voor hij gehoord was! Salvat moest boeten voor de fouten van allen,

was niet meer dan een gunstige gelegenheid voor den triomf van een

bende eerzuchtige genotzoekers! Moest eigenlijk niet alles instorten?

Was deze plechtige zitting van menschelijke gerechtigheid niet een

belachelijke parodie, waar hier slechts gelukkige bevoorrechten waren,

die het in ruïne vallende gebouw, dat hen beschermde, verdedigden en de

reusachtige macht, waarover zij nog beschikten, ontplooiden om een

vlieg te verpletteren, een armen, half ontoerekenbaren drommel, dien

zijn heftige en bedwelmende droom van een andere, hoogere en wrekende

gerechtigheid hier gebracht had?

Maar er ging een huivering door de zaal: het sloeg twaalf uur, de jury

trad binnen en ging als een onordelijke kudde op haar bank zitten. Het

waren goedige gezichten, dikke mannen in hun Zondagsche pakjes, anderen

weer mager met levendige oogen, baarden en kale hoofden; maar alles

grijs en als uitgewischt, bijna niet te onderscheiden in de donkerte,

waarin dat gedeelte der zaal gehuld was. Dan verscheen het Hof.

Mijnheer de Larombardière, een der vice-presidenten van het Cour

d’appèl, had dien dag het gevaarlijke eere-ambt van voorzitter. Hij

overdreef nog de majestueuze uitdrukking van zijn lang, smal gezicht en

zag er nog strenger uit, nu rechts en links van hem twee kleine

bijzitters met roode wangen zaten, de een bruin en de ander blond.

Reeds had mijnheer Lehmann, een der meest bekende en handige

advocaten-generaal, een Elzasser met breede schouders en sluwe oogen,

plaats genomen op de bank van het Openbaar Ministerie, wat wel bewees,

welk een groot gewicht men aan de zaak hechtte. En eindelijk werd

Salvat door de zwaar stappende gendarmes binnengebracht. Hij verwekte

een zoo groote nieuwsgierigheid, dat de geheele zaal opstond. Hij droeg

nog de muts en den zwaren, wijden paletot, dien hij van Victor gekregen

had. Maar de aanblik van dat lange, vleeschlooze, teere, melancholieke

gezicht met de enkele rossige en reeds grijzende haren en de mooie,

zacht droomerige, brandende, blauwe oogen was voor allen een

verrassing. Hij wierp een blik op het publiek en glimlachte tegen

iemand, dien hij kende—Victor misschien of mogelijk Guillaume. Maar dan

bewoog hij zich niet meer.

De president wachtte tot er weer een stilte ingetreden was, waarna al

de formaliteiten, die de opening van een zitting vereischen, volgen

konden. Vervolgens werd door een griffier met schelle stem de

eindelooze acte van beschuldiging voorgelezen. Het aspect van de zaal

was geheel veranderd; het publiek luisterde met een eenigszins

ongeduldige moeheid, want sedert weken vertelden de couranten deze

geschiedenis. Thans was er geen plaats leeg meer, voor het tribunaal

was nog nauwlijks een kleine ruimte vrij voor de getuigen, die gehoord

moesten worden. In deze saamgedrongen massa vormden de lichte toiletten

der dames en de zwarte toga’s der advocaten bonte vlekken, waaronder de

drie roode toga’s der rechters verdwenen. De estrade, waarop zij zaten,

was zoo laag, dat men boven de andere hoofden het lange gezicht van den

president nauwlijks onderscheiden kon. Velen keken vol belangstelling

naar de jury, trachtten die in het duister gehulde, uitdrukkingslooze

gezichten te ontcijferen. Anderen hadden geen oog af van den

beschuldigde, verwonderden zich over zijn moe, onverschillig gezicht.

Hij antwoordde nauwlijks op de vragen, welke zijn advocaat, een jong,

talentvol man met een opgewekte stem, die zenuwachtig op de gelegenheid

wachtte, om zich met roem te overdekken, hem halfluid deed. Maar de

grootste belangstelling gold de tafel met de overtuigingsstukken,

waarop alle mogelijke overblijfselen lagen: een splinter uit de

koetspoort van het hôtel Duvillard, stukken kalk van het gewelf, een

straatsteen, die door de kracht der ontploffing in tweeën gescheurd

was. Doch de harten werden vooral getroffen door de intact gebleven

kartonnen hoedendoos en in een met spiritus gevulde bokaal iets vaags

en wits, het kleine, afgerukte handje van het loopmeisje, dat men op

die wijze geconserveerd had, daar men het jammerlijke lichaam met de

door de bom opengereten buik niet had kunnen bewaren of op de tafel

leggen.

Eindelijk stond Salvat op en begon de president het verhoor, waarbij

hij onmiddellijk een minachtenden toon aansloeg. Hij was over het

algemeen een man met een eerlijk karakter, een der laatste

vertegenwoordigers van de oude, nauwgezette en rechtschapen

magistratuur; maar hij begreep niets van den nieuweren tijd en

behandelde de beklaagden met de strengheid van den Bijbelschen God. Het

kleine gebrek, dat de wanhoop van zijn leven uitmaakte, een lispelen,

dat hem volgens zijn meening belet had als advocaat zijn geniale

redenaarsgaven te ontwikkelen, maakte hem prikkelbaar, knorrig, deed

hem onvatbaar zijn voor zachtheid. Toen zijn dun, scherp stemmetje de

eerste vragen deed, werd er in de zaal geglimlacht, en hij voelde dat.

De zoo grappige stem nam nog het beetje majesteit weg, dat overbleef in

deze rechtszitting, waarvan het leven van een mensch afhing. Salvat

beantwoordde de eerste vragen op zijn moede en beleefde manier. Toen de

president hem trachtte te vernederen, hem de antecedenten van zijn

ongelukkige jeugd voor de voeten wierp, zijn gebreken vergrootte en

zijn leven met madame Théodore en de kleine Céline voor zedeloos

uitmaakte, zeide hij kalm ja of neen als iemand, die niets te verbergen

heeft en de volle verantwoordelijkheid voor zijn daden aanvaardt.

Hij had een volledige bekentenis afgelegd en herhaalde die in alle

kalmte, zonder er een woord aan te veranderen. Hij had, zoo legde hij

uit, het hôtel Duvillard uitgekozen om zijn bom neer te leggen, omdat

hij aan zijn daad haar volle beteekenis wilde geven, de rijken, de

geldmenschen, die zich door diefstal en leugen op een schandelijke

wijze verrijkt hadden, aanmanen onmiddellijk aan de armen, aan de

arbeiders, aan hun vrouwen en kinderen, die van honger crepeerden, hun

aandeel in den gemeenschappelijken rijkdom terug te geven. Nu eerst

kwam er leven in hem; al de geleden ellende steeg als een koorts naar

het verwarde brein van den half-ontwikkelde, waarin zich de theorieën,

de overprikkelde theorieën van onbeperkte gerechtigheid en algemeen

geluk opgehoopt hadden. Van dat oogenblik leek hij wat hij in

werkelijkheid was: een gevoelsmensch, een door het lijden geëxalteerde

droomer, een nuchtere, trotsche, eigenzinnige man, die de wereld

volgens zijn sectariërslogica herscheppen wilde.

“Maar je bent gevlucht,” zeide de president met zijn stem als een

ratel. “Zeg dus niet, dat je je leven voor de goede zaak gaf en tot den

martelaarsdood bereid was!”

Het eenige, waar Salvat bitter berouw over had, was, dat hij aan zijn

drang om te vluchten in het Bois de Boulogne toegegeven had.

“Ik vrees den dood niet,” zeide hij, boos wordend; “dat zult u wel

zien... O, mochten allen mijn moed hebben, dan zou morgen uw verrotte

maatschappij weggevaagd zijn en het geluk eindelijk komen.”

Nu volgde een eindeloos verhoor over de vervaardiging van de bom zelf.

Terecht merkte de president op, dat dit het eenige duistere punt in de

zaak was.

“Dus je blijft er bij, dat het kruit, dat je gebruikt hebt, dynamiet

is. Je zult straks de deskundigen hooren, die het weliswaar niet eens

zijn, maar die aldus geconcludeerd hebben, dat er een andere

springstof, die zij verder niet kunnen preciseeren, gebruikt moet

zijn... Verberg dus niets voor ons, waar je er een eer in stelt verder

alles te zeggen.”

Plotseling was Salvat kalm geworden; uiterst voorzichtig antwoordde hij

nog slechts met monosyllaben.

“Zoek, als u mij niet gelooft... Ik heb mijn bom heelemaal alleen

gemaakt en wel op de manier, die ik reeds honderdmaal herhaald heb... U

verwacht toch zeker niet, dat ik namen noemen, dat ik kameraden

verraden zal.”

En van die verklaring week hij niet af. Eerst tegen het einde maakte

een onoverwinlijke ontroering zich van hem meester, toen de president

terugkwam op het ongelukkige slachtoffer, het zoo blonde en knappe

loopmeisje, dat het wreede noodlot daar gebracht had, om er een

afschuwelijken dood te vinden.

“Een uit je eigen kringen heb je getroffen, een arm kind, dat haar oude

grootmoeder met haar enkele sous loon ondersteunde.”

“Dat is het eenige, waar ik spijt van heb,” zeide Salvat met verstikte

stem. “Zeker was mijn bom niet voor haar bestemd; mogen alle arbeiders,

alle hongerlijders zich herinneren, dat zij haar bloed gegeven heeft,

zooals ik het mijne geven zal.”

Zoo eindigde het verhoor te midden van een diepe ontroering. Pierre had

Guillaume naast zich voelen beven, terwijl de aangeklaagde zoo kalm en

hardnekkig bleef zwijgen over de gebruikte springstof en de geheele

verantwoordelijkheid voor de daad, die hem zijn hoofd kosten kon, op

zich nam. En toen Guillaume zich met een niet te bedwingen beweging

omgekeerd had, zag hij den kleinen Victor Mathis, die zich niet bewoog,

maar nog steeds met zijn elleboog op het schot en zijn kin in zijn

handen, met zwijgenden hartstocht stond te luisteren. Maar zijn gezicht

was nog bleeker, zijn vurige oogen geleken op twee groote gaten,

waardoor men den wrekenden brand zag, welks vlammen niet meer uitgaan

zouden.

In de zaal heerschte eenige minuten een geroezemoes van stemmen.

“Die Salvat ziet er heel goed uit,” zeide de prinses; “hij heeft zulke

liefdevolle oogen... Neen, neen, mijnheer de afgevaardigde, u mag geen

kwaad van hem zeggen. U weet, dat ik ook anarchistisch aangelegd ben.”

“Ik zeg heelemaal geen kwaad van hem,” antwoordde Dutheil vroolijk,

“evenmin als onze vriend Amadieu recht heeft dat te doen, want deze

zaak heeft hem op het toppunt van zijn roem gebracht... Nooit heeft men

zooveel over hem gesproken, en dat vindt hij heerlijk. Nu is hij de

meest bekende en beroemde rechter van instructie, die doen en worden

kan wat hij wil.”

Massot vatte met zijn ironische onbeschaamdheid den toestand samen.

“Ja, als het de anarchie goed gaat, gaat alles goed... Deze bom heeft

de zaken van verscheidene personen, die ik de eer heb te kennen, weer

in het reine gebracht... Gelooft u bijvoorbeeld, dat mijn patroon

Fonsègue, die zijn buurvrouw zoo galant het hof maakt, zich te beklagen

heeft? En gelooft u, dat Sanier, die zoo’n hooge borst zet achter den

president en die veel meer zou thuis hooren tusschen de vier gendarmes,

Salvat niet uiterst dankbaar zijn moet voor de reclame, die hij op den

rug van dien ongelukkige heeft kunnen slaan. En nu spreek ik nog niet

eens van de politici of van de geldmannen of van al degenen, die in

troebel water visschen...”

“Maar zeg eens,” viel Dutheil hem in de rede; “ik geloof, dat u ook een

aardig voordeeltje uit het geval geslagen hebt... Dat interview van de

kleine Céline zal u wel een aardigen duit opgeleverd hebben.”

Inderdaad was Massot op het geniale denkbeeld gekomen madame Théodore

en de kleine Céline op te zoeken en zijn bezoek met allerlei roerende

en intieme bijzonderheden in den Globe te vertellen. Het artikel had

een buitengewoon succes gehad; de aardige antwoorden, die Céline over

haar gevangen genomen vader gegeven had, troffen alle gevoelige zielen

zoo zeer, dat dames in equipages naar de beide arme schepsels kwamen,

de aalmoezen toestroomden en zelfs de menschen, die het hoofd van den

vader eischten, voor het kind de grootste sympathie hadden.

“Maar ik klaag heelemaal niet over het voordeeltje,” antwoordde de

journalist. “Ieder verdient wat hij kan en zooals hij kan.”

Op dat oogenblik herkende Rosemonde achter zich Guillaume en Pierre, en

haar verbazing, toen zij den laatste in een gewone jas zag, was zóó

groot, dat zij hem niet durfde aanspreken. Zij boog zich wat voorover

en deelde ongetwijfeld haar verbazing aan Dutheil en Massot mede, want

zij keerden zich beiden om; maar uit discretie deden beiden ook of zij

niets zagen. De hitte werd onverdragelijk; een dame was flauw gevallen.

En weer verkreeg de lispelende stem van den president stilte.

Salvat stond met enkele blaadjes papier in zijn hand en wist met moeite

te kennen te geven, dat hij zijn verhoor wilde aanvullen door een

verklaring, die hij van te voren gereed gemaakt had en waarin hij de

redenen, die hem tot zijn daad hadden gebracht, uiteenzette. Verbaasd

en heimelijk boos aarzelde mijnheer de Larombardière en trachtte een

dergelijke verklaring te beletten, maar daar hij begreep, dat hij den

beschuldigde den mond niet snoeren kon, gaf hij hem met een geprikkeld

en tevens minachtend gebaar verlof zijn verklaring voor te lezen.

Salvat begon; eerst stotterde hij, vergiste hij zich en legde hij

enkele malen een buitengewonen nadruk op woorden, waarover hij

zichtbaar zeer voldaan was. Het was de kreet van lijden en opstand,

dien reeds zoovele onterfden uitgestooten hadden: de vreeselijke

ellende in de laagste klassen, de arbeider kon van zijn werk niet

leven, een geheele klasse, en nog wel de talrijkste en de meest

waardige, stierf van honger, terwijl anderzijds de bevoorrechten, de

met rijkdom volgepropten, zelfs de kruimels van hun tafel weigerden en

niets van het gestolen fortuin wilden teruggeven. Men moest hun dus

alles weer ontnemen, hen door vreeselijke waarschuwingen uit hun

egoïsme wekken, hun met bomaanslagen aankondigen, dat de dag der

gerechtigheid gekomen was.

En dit woord gerechtigheid stiet de ongelukkige uit met een donderende

stem, die de geheele zaal vulde. Maar de grootste ontroering verwekte

de prophetie, waarmede hij eindigde, nadat hij zijn leven ten offer

gebracht had, terwijl hij den gezworenen toeriep, dat hij van hen niets

anders dan den dood verwachtte: andere martelaars zouden uit zijn bloed

geboren worden. Men kon hem naar het schavot zenden, hij wist, dat zijn

voorbeeld andere helden zou verwekken. Na hem een andere wreker, en nog

een, steeds weer andere, totdat de oude verrotte maatschappij instorten

zou, om plaats te maken voor de maatschappij van gerechtigheid en

geluk, waarvan hij de apostel was.

Tot tweemaal toe was de ongeduldig wordende president hem in de rede

gevallen, maar Salvat bleef met de onverstoorbaarheid van een dweper,

die bang is de belangrijke woorden slecht te zeggen, doorlezen. Aan

deze verklaring had hij blijkbaar, sedert hij in de gevangenis zat,

gewerkt. Hij bezegelde daarmede zijn zelfmoord, hij gaf daarmede zijn

leven in ruil voor den roem voor de menschheid gestorven te zijn. Toen

hij klaar was, ging hij weer met schitterende oogen, roodgekleurde

wangen en een uitdrukking van groote, innerlijke vreugde tusschen de

gendarmen zitten.

Om het effect van deze verklaring te niet te doen, ging de president

onmiddellijk tot het hooren der getuigen over. Het was een eindelooze

reeks, die slechts matig belang inboezemde, daar geen van allen

opzienbarende onthullingen te doen had. De fabrikant Grandidier

vertelde eenvoudig, dat hij Salvat wegens anarchistische propaganda had

moeten ontslaan, terwijl Toussaint, Salvat’s zwager, zonder te liegen,

alles zoo gunstig mogelijk voorstelde. Een lange discussie had plaats

tusschen de deskundigen, die het nu in het openbaar evenmin eens worden

konden als in hun rapporten, want, al stemden zij allen overeen in hun

verklaring, dat het gebruikte kruit geen dynamiet kon zijn, over de

samenstelling daarvan gaven zij de meest uiteenloopende en

tegenstrijdige meeningen te kennen.

Vervolgens werd een rapport van den beroemden geleerde Bertheroy

voorgelezen, die alles zeer juist resumeerde door te concludeeren, dat

men hier te doen had met een nieuwe, buitengewoon krachtige springstof,

waarvan hij zelf de formule niet kende. Na Mondésir en Dupot, die van

de klopjacht in het Bois de Boulogne vertelden, en de grootmoeder van

het jonge loopmeisje, die men de wreedheid gehad had als getuige te

dagvaarden, volgde een groot aantal getuigen à décharge, een eindelooze

rij meesterknechts, kameraden en vrienden van Salvat, die allen

verklaarden, dat hij een fatsoenlijke man, een knap en dapper werkman

was, die nooit dronk, zijn dochtertje aanbad en niet in staat was, om

een laagheid te begaan.

Het was reeds vier uur vóór het getuigenverhoor ten einde liep. In de

brandend-heete zaal heerschte een koortsachtige uitputting, die het

bloed naar het gelaat dreef, terwijl een soort roodachtig stof het door

de ramen binnenvallende, verbleekende licht verduisterde. Vrouwen

bewogen haar waaiers op en neer, mannen veegden hun voorhoofd af. Maar

de hartstocht, dien het schouwspel opwekte, deed in aller oogen een

harde vreugde ontvlammen.

“Ik had zoo gehoopt om vijf uur bij een vriendin een kop thee te

drinken,” zuchtte Rosemonde. “Ik zal nog omkomen van honger.”

“We zullen minstens tot zeven uur blijven moeten,” zeide Massot; “maar

ik durf u niet aanbieden een broodje voor u te halen, want ze zouden

mij niet meer binnenlaten.”

Onder de voorlezing van Salvat’s verklaring had Dutheil ieder oogenblik

zijn schouders opgehaald.

“Alles wat hij zegt, is zoo vreeselijk kinderachtig! Om voor zoo iets

te willen sterven! Rijken en armen zullen er altijd zijn! En het staat

ook vast, dat men, als men arm is, niets anders wil dan rijk worden.

Dat hij hier op deze bank zit, komt alleen, omdat het hem niet gelukt

is rijk te worden.”

Pierre was zeer ontroerd en maakte zich ongerust over zijn broeder, die

bleek en zwijgend naast hem zat. Hij zocht zijn hand, drukte die

heimelijk en vroeg zacht:

“Voel je je niet goed? Willen we liever weggaan?”

Maar Guillaume beantwoordde zijn handdruk; hij had niets, hij zou,

niettegenstaande alles hem bitter stemde, blijven tot het einde.

Nu nam de procureur-generaal Lehmann streng het woord. Men wist, dat

hij, ondanks zijn stijfhoofdig Jodengezicht in alle politieke kringen

relaties had en zich door zijn soepelheid steeds wist aan te sluiten

bij hen, die aan het bewind waren, wat zijn vlugge carrière en de

gunsten, waarmede hij overladen werd, zeer goed verklaarde. Het was

algemeen bekend, dat hij de advocaat der regeering was, en inderdaad

maakte hij dadelijk bij de eerste zinnen een toespeling op het dien

ochtend benoemde nieuwe ministerie, op den sterken man, die het op zich

genomen had de goeden gerust te stellen en de slechten te doen beven.

Dan viel hij met een buitengewone heftigheid op Salvat aan, herhaalde

de geheele geschiedenis, schilderde hem als een bandiet, een geboren

misdadiger, een monster, dat eindelijk wel tot den lafst denkbaren

aanslag komen moest.

Vervolgens werd de anarchie gegeeseld; de anarchisten waren slechts een

troep vagebonden en dieven. Men had bij de plundering van het hôtel de

Hardt gezien wat die apostelen der ware leer eigenlijk waren. Ziedaar,

waarop de toepassing van die theorieën uitliep: op geplunderde en

bevuilde huizen, tot eindelijk de groote plunderingen en moordpartijen

komen zouden. Bijna twee uur sprak hij op die wijze door, waarbij hij

weinig lette op waarheid en logica, doch vooral trachtte te werken op

de phantasie, den schrik, die Parijs reeds drie maanden lang

doorschokte, uitbuitte en het arme kleine slachtoffer als een bloedig

vaandel zwaaide. En hij eindigde, zooals hij begonnen was: hij sprak

den gezworenen moed in, zeide hun, dat zij hun plicht doen en den

moordenaar veroordeelen konden, nu de regeering vast besloten was niet

terug te wijken voor bedreigingen.

Nu sprak op zijn beurt de met de verdediging belaste advocaat. Wat hij

te zeggen had, zeide hij met een werkelijk volmaakte juistheid en

helderheid. Hij behoorde tot een andere school, was zeer eenvoudig,

alleen geestdriftig voor de waarheid. Hij bepaalde er zich toe de

geschiedenis van Salvat in het ware licht te plaatsen, aan te toonen,

hoe hij van zijn jeugd af aan onder den druk van de sociale

verhoudingen gestaan had, uit te leggen hoe deze laatste daad samenhing

met alles wat hij geleden had, met alles, wat in zijn dwepersbrein

ontkiemd was. Was zijn misdaad niet de misdaad van allen? Voelde een

ieder zich niet eenigszins mede-verantwoordelijk voor deze bom, die een

arme, van honger omkomende werkman was gaan werpen in de woning van een

rijke, wiens naam voor hem de onrechtvaardige verdeeling: aan de eene

zijde zooveel genot, aan de andere zooveel ontberingen, beteekende?

Wanneer in onze onrustige en woelige tijden te midden van de brandende

problemen, die opgeworpen waren, een van ons het hoofd verliest en het

geluk op weldadige wijze verhaasten wil, moeten wij hem dan in naam der

gerechtigheid uit den weg ruimen, terwijl toch ook geen onzer zweren

kan, dat hij niet medeplichtig is aan dien dood van waanzin? Lang

weidde hij uit over het historische oogenblik, waarop deze zaak zich

afspeelde: zooveel schandalen, zulk een ineenstorting van alles, nu

onder zoo vreeselijk lijden en strijden een nieuwe wereld zoo pijnlijk

uit de oude geboren werd. En ten slotte bezwoer hij de gezworenen hun

menschelijk hart te laten spreken, zich niet te laten medesleepen door

de hartstochten van de straat, de verschillende klassen te verzoenen

door een wijs oordeel in plaats van den strijd tot in het oneindige te

rekken door den hongerlijders een nieuwen martelaar te geven, die

gewroken moest worden.

Het was reeds over zessen, toen mijnheer de Larombardière met zijn

scherp en zoo grappig stemmetje aan de jury de talrijke vragen, die

haar gesteld werden, voorlas. Dan trok het Hof zich weer terug en begaf

de jury zich weer naar de zaal, waar zij moest beraadslagen, terwijl

men den aangeklaagde wegleidde. Onder het publiek heerschte een

lawaaierige spanning, een koortsachtig-ongeduldig geroezemoes. Weer

waren dames flauw gevallen; ook een heer, die niet tegen de benauwde

hitte bestand was, had men uit de zaal moeten brengen. De anderen

echter bleven hardnekkig wachten; geen enkele ging weg.

“Het zal niet lang duren,” zeide Massot. “De gezworenen hebben het

doodvonnis in hun zak medegebracht. Ik heb naar hen gekeken, toen die

kleine advocaat zoo flink tegen hen sprak. Je kon ze nauwlijks zien,

maar hun in het donker gedompelde gezichten hadden een slaperige

uitdrukking. Ik zou wel eens willen weten, wat er in hun hersens

omging?”

“En hebt u nog altijd honger?” vroeg Dutheil aan de prinses.

“O, ik verga... Ik zal onmogelijk eerst naar huis kunnen gaan. U zult

ergens iets met me moeten gaan gebruiken!... Maar het is toch wel

interessant om te zien hoe met een Ja en een Neen over het leven van

een mensch beslist wordt.”

Toen Pierre merkte hoe koortsachtig opgewonden en wanhopig Guillaume

was, had hij diens hand weer in de zijne genomen. Geen van beiden sprak

een woord in de diepe troosteloosheid, welke zich om tallooze redenen,

die zij zelf niet precies zouden hebben kunnen omschrijven, van hen

meester maakte. Het kwam hun voor alsof al de menschelijke ellende, hun

eigen ellende, de liefde, de hoop, de smart, waaronder zij leden, in

deze zaal zweefden, die doorhuiverd werd door het drama, dat de

zelfzucht van sommigen en de lafheid van anderen hier zouden afspelen.

“Heb ik niet gezegd, dat het niet lang zou duren,” vroeg Massot.

En inderdaad kwam na een beraadslaging van een kwartier de jury weer

binnen en schuifelde met luid schoenenlawaai langs de eikenhouten bank.

Dan verscheen ook het Hof weer. De spanning in de zaal was verdubbeld.

Sommigen waren opgestaan, anderen stootten onwillekeurig lichte kreten

uit. De voorzitter der jury, een dikke man met een rood, breed gezicht,

moest wachten voor hij het woord nemen kon. Dan zeide hij met een

scherpe, eenigszins stotterende stem:

“Op eer en geweten, voor God en de menschen, het antwoord der jury

luidt op de vraag: Moord? Ja, met meerderheid van stemmen.”

De avond was bijna gevallen, toen Salvat weer binnengeleid werd.

Terwijl hij zich, eveneens staande, tegenover de half in het donker

gehulde jury bevond, werd zijn gelaat door de laatste zonnestralen

verlicht. De rechters zelf verdwenen, hun roode toga’s schenen zwart.

Welk een aanblik bood dit magere, vleeschlooze gezicht van Salvat, die

met droomerige oogen luisterde, terwijl de griffier de beslissing der

jury voorlas!

Toen het weer stil werd, zonder dat er van verzachtende omstandigheden

sprake was, begreep hij alles en lichtte zijn gelaat, dat een

kinderlijke uitdrukking behield, op.

“Dus de dood? Dank u, heeren!”

Dan wendde hij zich naar het publiek en trachtte in het toenemend

donker de gezichten van zijn kameraden, die hij wist, dat daar waren,

te zien. Ditmaal had Guillaume den beslisten indruk, dat hij hem

herkend had, hem nog eenmaal een liefdevollen groet toezond, waarin hij

nogmaals zijn dankbaarheid uitdrukte voor het stuk brood, dat hij op

een dag van ellende van hem gekregen had. Maar blijkbaar had hij ook

Victor Mathis gegroet, want weer zag Guillaume achter zich den jongen

man met wijd opengesperde, starre oogen en een verschrikkelijke

uitdrukking om zijn mond.

Het overige, de laatste vragen, de overwegingen van het Hof, de

uitspraak van het vonnis, alles werd bedekt door de deining, die de

zaal in beweging bracht. Onbewust had men eenig medelijden gekregen en

aan de bevrediging, waarmede het doodvonnis opgenomen werd, paarde zich

eenige verbijstering.

Toen Salvat tusschen de gendarmen werd weggeleid, stiet hij met

doordringende stem den kreet uit:

“Leve de anarchie!”

Niemand nam aanstoot aan dien kreet. Het publiek verspreidde zich in

een gevoel van malaise, als had de overmatige inspanning de

hartstochten afgestompt. Werkelijk het schouwspel was te lang en te

afmattend geweest. Het deed goed weer frissche lucht in te ademen.

In de salle des Pas-Perdus kwamen Guillaume en Pierre langs Dutheil en

de prinses, die aangesproken waren door generaal de Bozonnet en

Fonsègue. Alle vier spraken luid, klaagden over hitte en honger, maar

waren het er ten slotte over eens, dat de zaak niet bijzonder

interessant was geweest. Maar eind goed, al goed. De veroordeeling van

Salvat was, zooals Fonsègue zeide, een politieke en sociale

noodzakelijkheid.

Op den Pont-Neuf leunde Guillaume een oogenblik tegen de borstwering,

terwijl Pierre eveneens keek naar den breeden, grijzen stroom der

Seine, dien de weerkaatsingen der eerste lantaarns vlammen deed. Een

frissche ademtocht steeg op uit de rivier: het was het heerlijk uur,

waarop de zachte nacht het zich ontspannende Parijs bedekken komt.

Zwijgend ademden de beide broers dezen troost in. Pierre’s wond brak

weer open: hij had immers moeten beloven weer naar Montmartre terug te

gaan ondanks de marteling, die hem daar wachtte. Ook Guillaume voelde

zijn argwaan weder ontwaken, zijn onrust, dat hij Marie zoo

koortsachtig en door een nieuw gevoel, dat zij zelf niet kende,

veranderd had gezien. Stonden dien twee mannen, die elkander zoo

hartelijk lief hadden, weer nieuw lijden, nieuw strijden, nieuwe

hinderpalen voor hun geluk te wachten?

Toen zij op de kade kwamen, zag Guillaume Victor Mathis alleen in het

donker voor zich uitloopen. Hij sprak hem aan en begon over zijn

moeder. Maar de jonge man luisterde niet, doch zeide met een stem, die

scherp en snijdend was als een mes:

“Zij willen bloed... Zij kunnen hem een kopje kleiner maken, hij zal

gewroken worden.”

De drie steden: Parijs · 第 26 / 35 题