V.

In het gewoonlijk zoo lichte en zoo vroolijke atelier te Montmartre

leken de eerstvolgende dagen somber, als had het groote vertrek zich

met droefheid en zwijgen gevuld. Toevallig waren ook de drie zoons niet

thuis. Thomas ging ’s ochtends vroeg reeds naar de fabriek om proeven

te nemen met zijn motor; François studeerde hard voor zijn examen en

was bijna altijd in de École Normale; Antoine werd geheel in beslag

genomen door een werk bij Jahan, waar de vreugde zijn kleine vriendin

Lise tot het leven te zien ontwaken hem langer hield dan noodig was.

Guillaume was dus zoo goed als alleen met Grootmoeder, die steeds met

het een of ander naaiwerk bij het raam zat, terwijl Marie door het huis

op- en neerliep en slechts in het atelier was te vinden, wanneer Pierre

zelf er was.

In deze droefgeestige stemming van hun vader zagen allen niets anders

dan de heimelijke woede, het wanhopige verzet, waartoe de veroordeeling

van Salvat hem gebracht had. Na zijn terugkeer uit de rechtzaal had hij

zich vreeselijk opgewonden, gezegd, dat het een sociale moord, een

uitdaging van den klassenstrijd was, wanneer men dien ongelukkige

terechtstelde; en allen hadden eerbiedig het hoofd gebogen voor de

smartelijke heftigheid van dien kreet, stoorden den vader niet in zijn

gedachten, die hem uren lang zwijgend en bleek voor zich uit deden

staren. Zijn oogen bleven koud, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds

laat deed hij niets anders dan de plannen en dossiers van zijn nieuwe

uitvindingen bestudeeren: de nieuwe springstof, de vreeselijke machine,

die hij zoo lang gedroomd had aan Frankrijk te schenken, opdat het,

heerschend over de naties, eenmaal de wereld de overwinning van

waarheid en gerechtigheid op zou kunnen leggen. Maar gedurende de

eindelooze uren, die hij zoo voor zijn op de tafel verspreid liggende

papieren zat, hield hij op ernaar te kijken, staarden zijn blikken in

de verte, gingen allerlei gedachten door zijn brein: twijfel misschien

omtrent de deugdelijkheid van zijn plan, angst, dat zijn verlangen om

de volkeren te verzoenen hen in een eindeloozen verdelgingsoorlog

werpen zou. O, hij had oprecht geloofd, dat dit groote Parijs het brein

van de wereld was, tot taak had de toekomst te verwekken—en zie, welk

een afschuwelijk schouwspel bood het hem nu: zooveel domheid, zooveel

schande, zooveel onrechtvaardigheid! Was het werkelijk rijp genoeg voor

de taak, die hij het wilde toevertrouwen, de taak, om de menschheid

geluk te brengen? Wanneer hij zijn formules weer begon te lezen en te

verifieeren, vond hij zijn oude energie niet terug en slechts de

gedachte aan zijn aanstaand huwelijk deed hem zijn plan weer opvatten;

hij zeide tot zichzelf, dat alles reeds sedert te lang geregeld was dan

dat hij het nu nog veranderen kon.

Zijn huwelijk! Was dat niet de gedachte, die Guillaume vervolgde, die

hem nog meer verontrustte dan zijn werk als geleerde, dan zijn

hartstocht van vrij burger? Onder al de zorgen, die hij zich bekende,

was nog een andere verborgen, die hij zichzelf niet durfde bekennen en

die hem angst aanjoeg. Iederen dag herhaalde hij tot zichzelf, dat hij

zijn geheim aan den minister van Oorlog zou mededeelen, zoodra hij met

Marie getrouwd was, om haar in zijn roem te laten deelen. Met Marie

trouwen! Met Marie trouwen! De gedachte vervulde hem telkens met een

brandende koorts en een heimelijke onrust. Dat hij nu zweeg, dat hij

zijn kalme vroolijkheid verloren had, vond zijn reden daarin, dat hij

een geheel nieuw, hem onbekend leven van haar voelde uitstroomen. Zij

werd ongetwijfeld anders; hij voelde, dat zij als het ware verder van

hem afstond, en begon daarom, wanneer Pierre er was, hen beiden gade te

slaan.

Pierre kwam zelden, en dan was hij verlegen, eveneens anders geworden.

De ochtenden echter, dat hij kwam, was het alsof er in Marie een

geheele metamorphose plaats greep, scheen het huis als het ware een

andere ziel te krijgen. Toch viel er tusschen hen niets voor, dat niet

onschuldig en broederlijk was. Zij schenen slechts goede kameraden te

zijn, hun vingers raakten elkaar zelfs niet aan, en zij praatten zonder

een kleur te krijgen. Een beven ging onwillekeurig van hen uit—een

ademtocht, die fijner was dan een lichtstraal of een geur. Na verloop

van enkele dagen kon Guillaume niet langer twijfelen. Hij had niets

gezien, maar hij was overtuigd, dat de twee kinderen, zooals hij ze

vaderlijk genoemd had, elkander liefhadden.

Toen hij op den ochtend van een prachtigen dag geheel alleen met

Grootmoeder tegenover het bezonde Parijs zat, verviel hij in een nog

angstiger gepeins dan gewoonlijk. Hij keek haar strak aan, terwijl zij

in haar koninklijke rust op haar gewone plaats, zonder bril nog steeds,

naaide. Misschien zag hij haar heelemaal niet. Van tijd tot tijd

richtte zij haar hoofd op en keek hem aan, alsof zij een biecht

verwacht had, die niet kwam.

“Guillaume, wat heb je toch in den laatsten tijd?” vroeg zij eindelijk,

toen het zwijgen eindeloos voort bleef duren. “Waarom zeg je me niet,

wat je me te zeggen hebt?”

Het was alsof hij weer op de aarde nederdaalde.

“Wat ik u te zeggen heb?” antwoordde hij verwonderd.

“Ja, ik weet wat jij weet, en omdat je toch hier in huis niets doen

wilt, zonder mij te raadplegen, dacht ik, dat je er met mij over zoudt

spreken.”

Hij was zeer bleek geworden en begon te beven: hij had zich dus niet

vergist, nu Grootmoeder zelf het blijkbaar ook wist? Daarover te

spreken zou gelijk staan met een lichamelijken vorm aan zijn vermoedens

te geven, datgene wat tot nog toe slechts in zijn idee bestaan kon, tot

iets wezenlijks te maken.

“Het was onvermijdelijk, beste jongen. Van af de eerste dagen heb ik

het zien aankomen, en de eenige reden, waarom ik niets gezegd heb, is

dat ik dacht, dat jij een diepe bedoeling met alles hadt... Maar sedert

ik je zoo zie lijden, begrijp ik heel goed, dat ik mij vergist heb.”

En toen hij haar nog steeds verward en bevend aan bleef kijken:

“Ja, ik dacht, dat je dat zelf wilde, dat je door je broer hier in huis

te brengen wilde weten of Marie een andere liefde voor je bezat dan als

voor een vader... Er bestond daar een zeer goede reden voor: het groote

verschil in leeftijd, voor jou gaat het leven ten einde en voor haar

begint het, geheel afgezien nog van je werk, van de taak, die je jezelf

gesteld hebt.”

Dan kwam hij met smeekend opgeheven handen naar haar toe en riep uit:

“O, spreek duidelijk, zeg mij wat u denkt. Ik begrijp het niet, mijn

arm hart wordt zoo gemarteld, en ik zou zoo gaarne weten, handelen, een

besluit nemen!... U heb ik lief, u vereer ik als een moeder, ik ken uw

groot verstand, ik heb uw raad altijd opgevolgd. En u hebt dit

vreeselijke zien aankomen, u hebt alles zijn gang laten gaan op gevaar

af mij daaraan te zullen zien sterven? Waarom, waarom hebt u dat

gedaan?”

Over het algemeen hield zij er niet van veel te spreken, als souvereine

koningin leidde zij het huis, zonder rekenschap van haar daden te

moeten geven. Dat zij wat zij dacht en wat zij wilde nooit geheel

uitsprak, vond zijn reden hierin, dat de vader en de zoons, van haar

volmaakte wijsheid overtuigd, alles geheel aan haar overlieten. En deze

eenigszins raadselachtige zijde van haar karakter deed haar nog grooter

schijnen.

“Waartoe zijn woorden noodig, wanneer de feiten spreken?” zeide zij

zacht zonder met werken op te houden. “Zeker, ik heb je huwelijksplan

goedgekeurd, want ik begreep, dat Marie, om hier te kunnen blijven, met

je trouwen moest; en bovendien waren er nog vele andere redenen,

waarover we nu niet verder behoeven te praten... Maar de komst van

Pierre heeft alles veranderd en alles weer in zijn natuurlijke orde

teruggebracht. Is dat niet beter?”

Hij durfde haar nog steeds niet begrijpen.

“Beter, terwijl ik de hevigste martelingen lijd, terwijl mijn leven

verwoest is?”

Nu stond zij op, kwam strak, hoogopgericht, in haar zwarte japon, met

haar bleek, streng en energiek gelaat naar hem toe.

“Jongen, je weet, dat ik je liefheb, dat ik je groot en edel zien

wil... Een paar maanden geleden ben je bang geweest en is dit huis

bijna in de lucht gevlogen. En nu zit je deze heele week al verstrooid

achter je dossiers, en je plannen, als iemand die door zwakte overmand

is, die twijfelt en niet meer weet waarheen hij gaan moet... Geloof me,

je bent op den slechten weg; het is beter, dat Pierre met Marie trouwt,

voor hen en voor jou.”

“Voor mij? O, neen, neen!... Wat moet er van mij worden?”

“Jij, mijn jongen, zult kalm worden en nadenken. De rol, die je nog te

spelen hebt, is zoo zwaar—je staat op het punt je ontdekking

wereldkundig te maken. Het schijnt mij toe alsof je blik niet zoo

helder meer is, alsof je verkeerd zult handelen, wanneer je geen

rekenschap houdt met de omstandigheden van het probleem... Ik voel, dat

je iets anders te doen hebt. In het kort lijd, als het zijn moet, maar

blijf de man van je denkbeeld!”

Dan verliet zij de kamer, terwijl zij er met een moederlijken glimlach,

om haar strengheid wat te verzachten, aan toevoegde:

“Je dwingt me tot noodelooze praatjes, want ik weet veel te goed, dat

jij te hoog staat, om niet in alles het eenige goede te doen, dat

niemand anders doen zou.”

Toen Guillaume alleen gebleven was, verzonk hij weer in een

koortsachtig nadenken. Wat had zij met haar weinige, half-geheimzinnige

woorden willen zeggen? Hij wist, dat zij hing aan alles wat goed,

natuurlijk en noodzakelijk was. Maar zij dreef hem tot een hooger

heroïsme, zij had een helder licht geworpen op het onduidelijke

onbehagelijke gevoel, dat zijn oud plan, om zijn geheim aan den een of

anderen minister van Oorlog—het kwam er niet op aan welken, dengenen,

die toevallig aan het bewind was mede te deelen,—hem gaf. Terwijl hij

haar met haar ernstige stem hoorde herhalen, dat hij iets anders, iets

beters te doen had, werd zijn aarzeling grooter, zijn tegenzin sterker.

En plotseling rees het beeld van Marie voor hem; zijn arm hart brak bij

de gedachte, dat men hem vroeg van haar af te zien. Marie niet meer de

zijne te noemen, haar aan een ander te geven, neen, neen, dat ging

boven zijn menschelijke kracht! Nooit zou hij dien afschuwelijken moed

hebben, om deze laatste liefdevreugde, die hij zich beloofd had, op te

geven.

Twee dagen lang streed hij een vreeselijken strijd, waarin hij de zes

jaren, die het jonge meisje reeds in het kleine gelukkige huisje

geleefd had, herleefde. In den beginne was zij als het ware zijn

aangenomen dochter geweest, en later, toen de gedachte aan een huwelijk

met haar opkwam, had hij die met een kalme vreugde aanvaard, in de

hoop, dat een dergelijke verbintenis een geluk voor allen in zijn

omgeving zijn zou. Hij had tot nog toe alleen geweigerd te hertrouwen,

omdat hij er tegen opzag zijn kinderen een nieuwe, onbekende moeder op

te dringen; hij gaf aan de bekoring nog eenmaal lief te hebben en niet

meer alleen te leven slechts toe, toen hij aan zijn haard zelf deze

jeugdige bloem vond, deze vriendin, die ondanks het groote verschil in

leeftijd de zijne wilde worden. Dan waren maanden verstreken, ernstige

gebeurtenissen hadden hen gedwongen den datum te verschuiven, zonder

dat hij daaronder te zeer leed. De zekerheid, dat zij op hem wachtte,

was voor hem voldoende geweest. En thans, nu plotseling het gevaar

dreigde, dat hij haar zou verliezen, brak en bloedde zijn zoo kalm

hart. Nooit zou hij geloofd hebben, dat de band zoo vast toegeknoopt

was, dat zij zoo diep in zijn hart wortelde. Voor dezen bijna

vijftigjarigen man beteekende dit het losrukken zelf van de vrouw, van

de laatste, die hij lief had en begeerde, en die des te begeerlijker

was, omdat zij als het ware de jeugd verpersoonlijkte, welker geur hij

niet meer inademen zou, als hij haar verloor.

Een waanzinnige, met toorn vermengde begeerte vlamde in hem op: hij

wilde haar bezitten, en de gedachte, dat een ander hem haar was komen

ontnemen, maakte zijn marteling nog erger.

Een nacht vooral, toen hij alleen in zijn kamer was, werd zijn kwelling

bijna ondragelijk. Om de anderen niet wakker te maken, smoorde hij zijn

snikken in zijn kussen. En toch was alles zoo eenvoudig: daar Marie

zich gegeven had, zou hij haar houden. Hij had haar woord; hij zou haar

dwingen het te houden, dat was alles! Dan zou hij haar tenminste alleen

bezitten, zonder dat een ander eraan denken kon haar hem te ontstelen.

En plotseling rees het beeld van dien ander in hem op, zijn broeder,

den vergetene, dien hij uit liefde zelf gedwongen had in zijn familie

te komen. Maar zijn smart was te groot: hij zou dien broeder wegjagen,

een woede tegen hem greep hem aan, waarvan de heftigheid hem geheel

krankzinnig maakte. Zijn broeder, zijn geliefde broeder! Het was dus

uit met hun liefde, zij zouden elkaar met haat en toorn vergiftigen.

Uren lang ijlde hij en zocht naar een middel, om Pierre te verwijderen,

opdat wat gekomen was, niet verder geschieden zou. Nu en dan kreeg hij

zijn zelfbeheersching terug en verwonderde zich, dat ondanks zijn hooge

rede, ondanks de langjarige ervaring van den arbeid een dergelijke

storm in hem losbreken kon. Maar in zijn kinderziel, die hij altijd

bewaard had, woedde altijd zoo’n storm; naast de onverbiddelijke logica

en zijn eenig geloof aan het waarneembare was in hem steeds een hoekje

voor teedere gevoelens en droomerij gebleven. Zijn genie zelf had dit

dualisme: de chemicus verbond zich op die wijze met den naar

gerechtigheid hongerenden socialen dweper, die tot een groote liefde in

staat was. De hartstocht sleepte hem mede; hij beweende Marie, zooals

hij de ineenstorting van zijn droom, om den oorlog door den oorlog te

dooden, het heil der menschheid, waaraan hij sedert tien jaar werkte,

beweend zou hebben.

Dan kwam hij in zijn uitputting tot een besluit, dat hem kalmeerde. Hij

schaamde zich op die wijze, zonder een zekere oorzaak, wanhopig te

zijn. Hij wilde de waarheid weten; hij zou het jonge meisje

ondervragen: zij was eerlijk genoeg, om hem een oprecht antwoord te

geven. Was dat niet een hen beiden waardige oplossing, die hen in staat

zou stellen daarna een besluit te nemen. Hij sliep in en stond den

volgenden ochtend gebroken, maar rustiger op, als had zich na dien

heftigen storm gedurende die enkele uren van slaap een stil werk

voltrokken.

Juist dien ochtend was Marie heel vroolijk. Den vorigen dag had zij met

Pierre en Antoine een heerlijken fietstocht gemaakt, waarvan zij

opgewekt en verrukt thuis gekomen waren. Toen Guillaume haar in den

tuin aansprak, kwam zij juist zingend en met bloote armen uit het

waschhuis, waar de groote wasch gedaan werd.

“Wou je me spreken, lieve vriend?”

“Ja, beste meid, ik heb ernstige dingen met je te bespreken!”

Zij begreep, dat het om hun huwelijk ging, en werd ernstig. Vroeger had

zij dit huwelijk beschouwd als het eenige verstandige besluit, dat zij

nemen kon, zonder dat zij de plichten, die zij daardoor op zich nam,

geheel overzag. Zeker, zij trouwde met een man, die twintig jaar ouder

was dan zij; maar zoo iets gebeurde zoo dikwijls en kwam gewoonlijk

goed uit. Zij had niemand lief; zij kon dus over zichzelf beschikken en

zij gaf zich in een opwelling van dankbaarheid, van zóó’n warme

toegenegenheid, dat zij die voor liefde zelf hield. Deze verbintenis,

die de familie nog nauwer zou toehalen, maakte allen om haar heen zoo

gelukkig! En bij de gedachte zulk een geluk te scheppen, hadden haar

dapperheid en haar levenslust, die haar groote bekoring uitmaakten,

haar als het ware bedwelmd.

“Wat is er?” vroeg zij eenigszins ongerust. “Toch niets slechts?”

“Neen, ik heb je alleen wat te zeggen.”

Hij nam haar mede onder de twee pruimeboomen, het eenige groene hoekje,

dat in den tuin overgebleven was. Een half vermolmde bank stond nog

tegen de seringen. En tegenover hen breidde het groote Parijs de

eindelooze zee van zijn daken uit, die frisch en licht in de ochtendzon

lagen.

Beiden gingen zij zitten. Maar op het oogenblik, dat hij spreken, haar

vragen wilde, voelde hij een plotselinge verlegenheid in zich opkomen,

terwijl zijn arm hart heftig begon te kloppen, nu hij haar zoo jong,

zoo aanbiddelijk met haar bloote armen naast zich zag.

“De datum voor ons huwelijk nadert!” zeide hij eindelijk.

En toen zij bij dit woord—onbewust misschien—ietwat bleek werd, voelde

hij zich koud worden. Was er geen pijnlijke trek om haar mond gekomen?

Was er geen sluier voor haar zoo heldere, openhartige oogen gekomen?

“O, we hebben nog allen tijd voor ons!”

“Zeker,” ging hij op langzamen, liefdevollen toon voort; “maar we

moeten toch voor de formaliteiten zorgen. Dat zijn van die vervelende

dingen, waarover ik liever vandaag met je spreken wil, dan behoeven we

er niet meer op terug te komen.”

Zonder zijn blik van haar af te wenden, sprak hij zacht verder, bleef

stilstaan bij alles wat er gedaan moest worden, terwijl hij op haar

gezicht naar de gevoelens keek, die de naderende beslissing daarop te

voorschijn roepen kon. Zij was stil geworden, zat met een onbeweeglijk

gezicht met haar handen in haar schoot, zonder het minste teeken van

spijt of verdriet te geven. Toch was zij gedrukt. “Waarom blijf je zoo

zwijgen, Marie?... Is er iets, dat je hindert?”

“Mij? Geen quaestie van?”

“Je weet, dat je vrijuit spreken kunt. Wij zullen wachten, als je

misschien de een of andere persoonlijke reden hebt den datum nogmaals

uit te stellen.”

“Daar heb ik geen enkele reden voor. Welke reden zou ik kunnen hebben?

Ik laat de heele regeling aan jou over.”

Een zwijgen volgde. Zij had hem openhartig in zijn gelaat gekeken, maar

een licht beven bewoog haar lippen, terwijl een onbewuste droefheid in

haar op te stijgen en haar gezicht, dat gewoonlijk zoo helder en frisch

als bronwater was, te verduisteren scheen. Zou zij vroeger niet

gezongen en gelachen hebben bij de aankondiging van dit nabije

huwelijksfeest?

Dan vermande Guillaume zich tot een krachtsinspanning, die zijn stem

beven deed.

“Neem me niet kwalijk, lieve Marie, dat ik je een vraag doe?... Het is

nog tijd mij je woord terug te geven? Ben je er zeker van, dat je mij

liefhebt?”

Zonder te begrijpen waar hij heen wilde, keek zij hem werkelijk

verbijsterd aan.

“Onderzoek je hart,” ging hij voort, toen zij met een antwoord

aarzelde. “Heb je je ouden vriend nog wel lief, is het niet een ander?”

“Ik? Guillaume, Guillaume! Waarom zeg je me dat? Wat heb ik gedaan, dat

je er recht toe geeft zoo tegen mij te spreken?”

Een echt gemeend verzet kwam in haar op; uitdagend en vrijmoedig

richtte zij haar van oprechtheid schitterende oogen op hem.

“En toch moet ik tot het bittere einde toe spreken,” ging hij moeilijk

voort; “het gaat om het geluk van ons allen.—Ga je hart eens na, Marie.

Je hebt mijn broer lief, je hebt Pierre lief.”

“Ik, ik heb Pierre lief!... Natuurlijk houd ik van hem; ik houd van hem

zooals ik van jullie allemaal houd; ik houd van hem, omdat hij een der

onzen geworden is, omdat hij nu deel uitmaakt van ons leven en van onze

vreugde... Wanneer hij hier is, voel ik mij gelukkig, en ik zou willen,

dat hij altijd bij ons was. Ik vind het heerlijk hem te zien, hem te

hooren, met hem uit te gaan. En laatst, toen het was, alsof zijn

vroegere melancholie weer terugkwam, was ik daar erg verdrietig over...

Dat is toch heel natuurlijk, niet? Ik geloof, dat ik alleen maar gedaan

heb wat jij graag wilde, en begrijp niet hoe mijn vriendschap voor

Pierre invloed hebben kan op ons huwelijk.”

Deze woorden, die volgens haar meening Guillaume moesten overtuigen,

lieten een smartelijk licht voor hem opgaan—zij kwam zoo vurig op tegen

de bewering, dat zij den jongen man liefhad.

“Maar je verraadt jezelf zonder het te willen, ongelukkige!... Het is

zoo duidelijk mogelijk, je hebt mij niet lief, maar mijn broer.”

Hij had haar bloote polsen genomen en drukte die met een wanhopige

teederheid, als wilde hij haar dwingen duidelijk in zichzelf te zien.

Maar zij bleef het ontkennen, het werd een liefdevolle, tragische

strijd: hij wilde haar overtuigen door de duidelijkheid der feiten; zij

bleef hardnekkig haar oogen sluiten. Vergeefs haalde hij de geheele

geschiedenis van het begin af op, legde hij haar uit wat in haar plaats

gegrepen had: eerst de onbewuste vijandige stemming, dan de

nieuwsgierigheid voor dien vreemden jongen, eindelijk haar sympathie,

toen zij zag hoe ongelukkig hij was en langzamerhand door haar van zijn

martelingen genezen werd. Zij waren beiden jong; de natuur had het

overige gedaan. Maar bij ieder nieuw bewijs, bij iedere nieuwe

zekerheid, die hij haar gaf, maakte zich slechts een toenemende

ontroering van haar meester, doorhuiverde een rilling haar geheele

lichaam, zonder dat zij zichzelf wilde ondervragen.

“Neen, neen, ik heb hem niet lief... Indien ik hem liefhad, zou ik het

weten, zou ik het je zeggen; je kent me, ik ben niet in staat om te

liegen.”

Als een heldhaftig chirurg, die nog meer in zijn eigen vleesch dan in

dat van anderen snijdt, bleef hij wreed aandringen, om de waarheid aan

het licht te brengen en het geluk van allen te verzekeren.

“Neen, Marie, je hebt mij niet lief. Je voelt voor mij slechts eerbied,

dankbaarheid, een kinderlijke toegenegenheid. Herinner je je gevoelens

uit den tijd, waarop ons huwelijk vastgesteld werd. Toen hield je van

niemand, heb je als een onverstandig meisje mijn voorstel aangenomen,

omdat je overtuigd was, dat ik je gelukkig maken zou, en je dat

heerlijk, goed en juist vond... Toen kwam mijn broeder en de liefde

ontwaakte zeer natuurlijk. Pierre en Pierre alleen heb je lief met een

echte liefde, met de liefde die men voor een minnaar, voor een

echtgenoot hebben moet.”

Haar weerstand was uitgeput; het licht, dat tegen haar wil in haar

opging, maakte haar bang en zij bleef hem tegenspreken.

“Maar waarom verzet je je zoo, lieve kind? Ik doe je geen enkel

verwijt. Ik zelf heb het gewild... ik, oude gek! Wat gebeuren moest, is

gebeurd, en ongetwijfeld is het zoo goed... Ik wilde slechts de

waarheid van je weten, om een besluit te nemen en als eerlijk man te

kunnen handelen.”

Nu was zij overwonnen; tranen sprongen in haar oogen. Zulk een scheur

was in haar geheele wezen ontstaan, dat zij zich gebroken en

verpletterd gevoelde als onder het gewicht van een nieuwe, tot nog toe

niet gekende waarheid.

“Het is slecht van je me te dwingen zoo in mijzelf te lezen. Ik zweer

je nogmaals, dat ik niet wist, dat ik voor Pierre die liefde voelde,

waarvan je spreekt. Jij hebt mijn hart geopend en de vlam, die erin

sluimerde, aangewakkerd!... Het is zoo, ik heb Pierre lief, ik heb

Pierre lief op de manier zooals jij zegt. Jij hebt het gewild—wat

zullen we allen ongelukkig worden!”

Zij snikte en trok in een plotseling gevoel van schaamte haar polsen

terug. Maar hij zag, dat geen blos—die blos, waarover zij zich zoo

ergerde—haar wangen kleurde; dat kwam, omdat haar maagdelijke eer hier

niet bij betrokken was, want zij had zich inderdaad geen enkel verraad

te verwijten; hij alleen had haar gedwongen tot de liefde te ontwaken.

Een oogenblik keken zij elkaar door hun tranen heen aan: zij, zoo

gezond, zoo krachtig met haar breeden, door het luide kloppen van haar

hart opzwellenden boezem, met haar tot den schouder bloote, mooie en

stevige armen; hij, nog zoo levenskrachtig met zijn dicht, dik, grijs

haar, zijn zwart gebleven snor, die aan zijn trekken een zoo energieke,

krachtige uitdrukking gaven. Ja, het was uit, het onvermijdelijke was

geschied, had hun leven veranderd.

“Je hebt mij niet lief, Marie; ik geef je je woord terug,” zeide hij

eindelijk edelmoedig.

Maar zij weigerde met dezelfde edelmoedigheid:

“Nooit zal ik het terugnemen, want ik heb het je in volle bewustheid

gegeven en ik heb niet opgehouden dezelfde liefde, dezelfde bewondering

voor je te gevoelen.”

Maar met zijn gebroken stem, die van lieverlede weer sterker werd, ging

hij door:

“Je hebt Pierre lief, je moet met Pierre trouwen.”

“Neen, ik behoor jou toe: een uur kan niet losmaken wat jaren

vastgeknoopt hebben... Nogmaals ik zweer je, dat ik, wanneer ik Pierre

liefheb, het vanochtend nog niet wist. Laat alles blijven zooals het

is, martel me niet langer, dat zou te wreed zijn.”

Met het gebaar van een vrouw, die zich tot haar schrik plotseling naakt

ziet, sloeg zij haar mouwen neer en trok die over haar armen, als om

zich geheel te verbergen. Dan stond zij op en ging, zonder een woord te

zeggen, weg.

Guillaume bleef alleen op de bank in het groene hoekje tegenover het

onmetelijke Parijs, dat de zachte ochtendzon in een bevende droomstad

veranderde. Een zwaar gewicht drukte hem neer; hij had een gevoel alsof

hij nooit meer van deze bank op zou kunnen staan. De verzekering van

Marie, dat zij ’s ochtends nog niet wist, dat zij Pierre werkelijk lief

had, bleef als een open wond in hem achter. Zij wist het niet en hij

had haar gedwongen die liefde in zich te ontdekken. Hij had haar die

zelf in haar hart geplant en die, door haar te onthullen, nog sterker

gemaakt. Welk een ellende, welk een lijden, om zoo de oorzaak van zijn

eigen martelingen te zijn! Nu had hij zekerheid: zijn gevoelsleven was

uit; zijn arm, naar liefde snakkend hart bloedde en was vermorzeld.

Maar ondanks die ramp, ondanks de wanhoop, waarmede hij zijn ouderdom

en de noodzakelijkheid van verzaking voelde, smaakte hij een bittere

vreugde bij de gedachte de waarheid aan het licht gebracht te hebben.

Het was een harde, slechts voor een heldenziel mogelijke troost; maar

toch vond hij er een opbeuring, een soort trotsche voldoening in. Van

nu af aan was hij slechts vervuld met de gedachte aan het offer, die

zich langzamerhand met een buitengewone kracht aan hem opdrong. Hij

moest zijn kinderen laten trouwen—dat was zijn plicht, de eenige

wijsheid, het eenige rechtvaardige, ja zelfs het eenige geluk van het

huis. En toen zijn hart weer in opstand klopte en van angst schreeuwde,

drukte hij zijn krachtige handen op zijn borst en smoorde den kreet.

Den volgenden dag had Guillaume—niet in het kleine tuintje, maar in het

groote atelier—het beslissende onderhoud met Pierre. Ook hier breidde

de reusachtige horizont van Parijs zich uit—een geheele menschheid aan

den arbeid, de groote kuip, waarin de wijn der toekomst gistte. Hij had

het zoo ingericht, dat hij met zijn broer alleen was, en dadelijk bij

diens binnenkomen ging hij zonder een van de voorzorgsmaatregelen, die

hij tegenover Marie in acht genomen had, recht op zijn doel af.

“Heb je me niets te zeggen, Pierre? Waarom vertrouw je niet alles aan

mij toe?”

Onmiddellijk begreep deze laatste alles; hij begon te beven, vond geen

woorden, maar verried alles door de wanhopig smeekende uitdrukking van

zijn gelaat.

“Je hebt Marie lief, waarom heb je mij die liefde niet bekend?”

Dan kreeg Pierre zijn zelfbeheersching terug.

“Ik heb Marie lief, het is zoo, en ik voelde heel goed, dat ik het niet

voor je kon verbergen, dat je het zelf merkte... Maar ik behoefde je

het niet te zeggen, ik was zeker van mijzelf, ik zou desnoods gevlucht

zijn, zonder dat er een woord over mijn lippen gekomen was... Ik leed

alleen... o je weet niet wat voor martelingen ik ondergaan heb... Het

is zelfs wreed van je met mij daarover te spreken, want nu ben ik

genoodzaakt weg te gaan... Reeds meermalen had ik daartoe besloten. Ik

kwam hier alleen nog maar uit zwakheid, dat is buiten twijfel—maar ook

toch uit liefde voor jullie allen. Wat hinderde mijn aanwezigheid?

Marie liep geen gevaar. Zij heeft mij niet lief.”

“Marie heeft je lief,” antwoordde Guillaume beslist. “Ik heb haar

gisteren de biecht afgenomen, en zij heeft moeten bekennen, dat zij je

lief had.”

Pierre greep hem bij zijn schouders en keek hem recht in zijn oogen.

“Wat zeg je daar, Guillaume? Waarom zeg je iets, dat voor ons allen een

vreeselijk ongeluk zijn zou?... Ik zou meer verdriet dan vreugde voelen

over deze liefde, die voor mij altijd een niet te verwezenlijken droom

geweest is, want ik wil niet, dat jij lijdt... Marie is de jouwe. Zij

is mij heilig als een zuster. Wanneer alleen mijn waanzin jullie

scheidt—die zal gauw voorbij zijn, ik zal dien weten te overwinnen!”

“Marie heeft je lief,” herhaalde Guillaume zacht en koppig. “Ik verwijt

je niets; ik weet heel goed, dat je gestreden, dat je je nooit noch

door een woord noch door een blik verraden hebt... Zelfs gisteren wist

zij nog niet, dat zij je lief had; ik heb haar oogen moeten openen. Ik

constateer slechts een feit: zij heeft je lief.”

Nu maakte Pierre een verschrikt, maar tevens verheven gebaar, alsof een

goddelijk, lang verwacht wonder, welks komst hem verpletterde, uit den

hemel viel.

“Het is goed, dan is alles uit. Geef me een kus, Guillaume; ik ga weg.”

“Je gaat weg? En waarom?... Je blijft bij ons. Het is zoo eenvoudig

mogelijk: jij hebt Marie lief en zij jou. Ik geef je haar.”

Pierre stootte een luiden gil uit en hief met een gebaar van angstige

verrukking zijn handen op.

“Jij geeft mij Marie? Jij, die al maanden lang op haar wacht en haar

aanbidt? Neen, neen, dat zou mij verpletteren, zou mij angst aanjagen,

alsof je mij je hart zelf gaf, je bloedend, uit je borst gerukt hart...

Neen, neen, ik neem je offer niet aan.”

“Maar wil je dan, dat, waar Marie voor mij niets dan dankbaarheid en

toegenegenheid voelt en slechts jou lief heeft, ik misbruik maak van

het woord, dat zij mij onbewust gegeven heeft, en dat ik haar dwingen

zou tot een huwelijk, waarin ik haar niet geheel bezitten zou?... Maar

ik vergis mij, niet ik geef je haar; zij heeft zich zelf gegeven, en ik

ken mij het recht niet toe, die gave te verhinderen.”

“Neen, neen, ik zal die gave nooit aannemen, nooit zal ik je dat

verdriet aandoen... Geef mij een kus, ik ga weg.”

Nu hield Guillaume hem vast, dwong hem naast hem te komen zitten op een

ouden canapé, die in een hoek stond, en begon hem, eindelijk boos

wordend, met een pijnlijk lachje een standje te geven.

“Zeg eens eventjes, we zullen toch niet gaan vechten; je zult nu toch

niet willen, dat ik je hier vast bind, zoodat je niet weg kan... Ik

weet voor den duivel toch wel wat ik doe! Ik heb ernstig nagedacht,

alvorens ik met jou sprak. Het zou natuurlijk te dwaas zijn, als ik

zei, dat ik erg vroolijk ben. O, eerst heb ik gedacht, dat ik maar

sterven zou en heb ik je ergens op de Mookerheide gewenscht. Maar ten

slotte moest ik toch verstandig worden, niet waar? Ik heb ingezien, dat

alles zoo op de beste en natuurlijkste wijze geregeld was.”

Pierre, wiens weerstand uitgeput was, begon zacht tusschen zijn

gevouwen handen te weenen.

“Kom, jongen, maak het je zelf en mij niet moeilijk... Herinner je je

de gelukkige dagen nog, die we onlangs samen in het kleine huisje te

Neuilly doorgebracht hebben? Al onze vroegere liefde bloeide weer in

ons op en wij zaten uren en uren hand in hand ons in oude herinneringen

vol liefde te verdiepen... En welk een vreeselijke bekentenis heb je

toen op een avond gedaan, de bekentenis van je ongeloof, van je

martelingen, van het Niet, waarin je wegzonk? En van dat oogenblik af

is mijn eenige wensch geweest je te genezen; ik heb je aangeraden te

werken, lief te hebben, te gelooven in het leven, overtuigd als ik was,

dat het leven alleen je vrede en gezondheid terug kon geven. Daarom heb

ik je hierheen mede genomen. Je streedt, wilde niet terugkomen en ik

heb je hier gehouden. En toen je levenslust weer terugkwam en je weer

eenvoudig een mensch werdt, die werkte, was ik zoo gelukkig. Ik zou

mijn bloed gegeven hebben, om de genezing volkomen te maken... En zie,

nu is het zoover. Ik heb je alles gegeven wat ik had, omdat Marie zelf

alleen je geheel redden kan.”

En toen Pierre weer trachtte te protesteeren:

“Neen, zeg niet neen. Dat is zoo waar, dat, als zij het door mij

begonnen werk niet voltooit, alles wat ik gedaan heb, vergeefsch is: je

zult weer in je ellende, in je negatie van alles terugvallen. Je hebt

haar noodig. Wil je dan, dat ik je niet meer lief hebben kan, dat ik,

na je terugkeer tot het leven zoo vurig gewenscht te hebben, je den

adem, de ziel zelf, haar, die van jou weer een man maken zal, zou

weigeren? Ik houd genoeg van jullie beiden om jullie liefde te kunnen

verdragen. Zijn liefde te geven is ook liefde, beste jongen!... En

bovendien, ik zeg het je nogmaals, de natuur weet heel goed wat zij

doet... Het instinct is iets zekers, want het zoekt altijd het nuttige

en het ware. Ik zou maar een treurige echtgenoot zijn, het is veel

beter, dat ik als oude geleerde bij mijn werk blijf. Met jou echter,

die jong bent, is het de toekomst, het kind, het vruchtbare en

gelukkige leven!”

Een rilling doorhuiverde Pierre; de angst voor impotentie, dien hij

steeds gehad had, maakte zich weer van hem meester. Had zijn

priester-zijn hem niet afgesneden uit de gemeenschap der levenden? Was

zijn manlijke kracht gedurende zijn lange kuischheid niet verwelkt?

“Een gelukkig, vruchtbaar leven?” herhaalde hij zacht. “Ben ik dat

waard? Ben ik daartoe nog in staat!... O, als je wist welk een onrust,

welk een smart ik voel bij de gedachte, dat ik dit aanbiddelijke

schepsel, dit koninklijke geschenk, dat zij mij zoo liefdevol geeft,

misschien niet verdien! Jij bent beter dan ik, jij zoudt voor haar een

grooter hart, een krachtiger brein—en misschien ook een jongere en

flinkere echtgenoot geweest zijn... Het is nog tijd, Guillaume, geef

haar mij niet, behoud haar voor jezelf, indien zij met jou gelukkiger

en vruchtbaarder zijn kan, indien jij haar een hoogere liefde schenken

kunt... Bedenk, dat ik door twijfel verzwakt ben. Alleen haar geluk

moet hier den doorslag geven. Laat zij aan hem behooren, die haar het

best liefhebben kan.”

Een onzegbare ontroering had zich van de beide mannen meester gemaakt.

Toen Guillaume die gebroken woorden hoorde, die liefde, welke bang was

niet sterk genoeg te zijn, begon zijn wilskracht even te wankelen. Een

vreeselijke smart verscheurde zijn hart; een stamelende wanhoopsklacht

ontsnapte aan zijn lippen:

“O, Marie, die ik zoo liefheb! Marie, die ik zoo gelukkig gemaakt zou

hebben!”

Wanhopig sprong Pierre op en riep:

“Zie je wel, dat je haar altijd nog aanbidt en dat je geen afstand van

haar kan doen... Laat mij gaan! Laat mij gaan!”

Maar reeds had Guillaume zijn armen om hem heen geslagen en drukte hem

met al zijn broederliefde, die door zijn verzaking nog sterker werd,

tegen zich aan.

“Blijf!... Niet ik heb daar gesproken, maar de andere, die sterven zal,

die gestorven is. Ik zweer je bij onzen vader en bij onze moeder, dat

mijn offer reeds geheel volbracht is. Ik kan nog slechts lijden,

wanneer jij en zij blijft weigeren mij jullie geluk te danken te

hebben.”

Weenend bleven de beide mannen in elkanders armen rusten. Reeds vroeger

hadden zij elkander zoo omvat gehouden, maar nog nooit waren hun harten

zoo samengesmolten. De oudere gaf zijn leven aan den jongere en de

jongere gaf hem daaruit alles terug wat hij er rein en liefdevol in

vinden kon. Het oogenblik kwam hun eindeloos en kostelijk voor. Alle

ellende, alle smart waren verdwenen; niets was meer over dan hun

gloeiende liefde, die voor hen de eeuwige liefde schiep, zooals de zon

het licht schept. En die minuut was een compensatie voor al hun

gestorte en nog te storten tranen, terwijl aan den verren horizont het

onmetelijke Parijs als een reusachtige, bruisende ketel aan de

onbekende toekomst werkte.

Op dat oogenblik kwam Marie binnen. Alles ging geheel eenvoudig.

Guillaume maakte zich uit de armen van zijn broeder los, nam hem mede

en dwong hen elkander de hand te geven. Eerst maakte zij nog een

weigerend gebaar, wilde zij in haar eerlijkheid haar woord niet terug

nemen. Maar wat moest zij tegen die beide weenende mannen zeggen, die

zij arm in arm, zoo één in hun broederlijke liefde, vond? Vaagden deze

tranen, deze omarming niet alle gewone redenen, niet alle argumenten,

die zij gereed had, weg? Zelfs het pijnlijke van den toestand verdween;

zij kreeg een gevoel alsof zij reeds lang tot een beslissende

verklaring met Pierre gekomen was, alsof zij het eens geworden waren om

dit geschenk der liefde, dat Guillaume hun met een zoo heldhaftig hart

gaf, aan te nemen. De adem van het verhevene streek over hen heen,

niets scheen hun natuurlijker dan dit buitengewoon tooneel. Toch bleef

zij zwijgen, durfde zij niet te antwoorden, maar zij keek hen beiden

aan met haar groote, liefdevolle oogen, die zich op hun beurt ook met

tranen vulden.

Toen kreeg Guillaume een ingeving. Hij liep naar de kleine trap, die

naar de slaapkamers leidde, en riep:

“Grootmoeder, grootmoeder, kom eens gauw beneden; wij hebben u noodig!”

En toen zij, slank en bleek, in haar zwarte japon met het trotsche

uiterlijk van een wijze, door allen gehoorzaamde koningin-moeder,

beneden was:

“Zeg toch eens aan die twee kinderen, dat zij niets beters kunnen doen

dan met elkaar trouwen. Zeg hun, dat wij er samen over gesproken

hebben, en dat het uw meening, uw wil is.”

Langzaam en zacht knikte zij.

“Het is zoo, op die manier is het veel verstandiger.”

Toen wierp Marie zich in haar armen. Zij stond toe, zij gaf zich

gewonnen aan die hoogere krachten, aan de machten van het leven, die

haar leven veranderd hadden. Guillaume wilde, dat de huwelijksdag

dadelijk vastgesteld zou worden en dat men boven zoo gauw mogelijk een

woning voor het jonge paar maken zou. En toen Pierre hem nogmaals

ongerust aankeek en ervan sprak te gaan reizen, daar hij bang was, dat

hun aanwezigheid hem zou doen lijden, voegde hij eraan toe:

“Neen, neen, ik houd jullie hier. Ik laat jullie alleen maar trouwen,

om je beiden bij mij te hebben... Maak je geen zorgen over mij. Ik heb

zooveel werk, ik zal werken.”

Toen Thomas en François ’s avonds het nieuws hoorden, schenen zij niet

al te zeer verrast te worden. Zij hadden die ontknooping ongetwijfeld

voelen komen, en legden zich, nu hun vader zelf hun op zijn gewone

kalme manier zijn beslissing mededeelde, zich erbij neder, zonder zich

een opmerking te veroorloven. Maar Antoine, in wien de liefde voor de

vrouw beefde, keek den vader, die den moed gehad had zich op die wijze

het hart uit te rukken, met blikken vol twijfel en angst aan. Zou hij

werkelijk niet onder dat offer sterven? Hij omarmde zijn vader

hartstochtelijk en ook zijn beide broeders kusten hem in hun ontroering

uit het volst van hun hart. Bij deze liefkoozing van zijn drie groote

zoons kwam een glimlachje om zijn lippen spelen, werden zijn oogen

vochtig; na de overwinning, die hij op zijn vreeselijke marteling

behaald had, kon hij geen hartelijker belooning bedenken.

Maar dien avond wachtte hem nog een andere emotie. Bij het invallen van

de duisternis, toen hij zichzelf weer geheel meester geworden was, zag

hij, terwijl hij bezig was aan de groote tafel de dossiers en de

plannen van zijn uitvinding te rangschikken, tot zijn verbazing

Bertheroy, zijn leermeester en vriend, binnenkomen. De beroemde

scheikundige kwam wel een enkele maal zoo eens oploopen, en Guillaume

begreep de eer, die de met roem en eeretitels en decoraties overladen

zeventigjarige hem door zulke bezoeken bewees, volkomen, te meer daar

het voor dezen officieelen geleerde, dit lid van het Institut, moed

vereischte zich te wagen bij een gedeclasseerde en paria als Guillaume.

Ditmaal echter begreep deze dadelijk, dat hij uit nieuwsgierigheid

kwam; hij was verlegen en durfde de papieren en plannen, die op de

tafel uitgespreid lagen, niet weg te nemen.

“Wees maar niet bang,” riep Bertheroy, die ondanks zijn eenigszins ruw

en onverschillig optreden zeer fijngevoelig was, “ik kom je je geheim

niet ontstelen.... Laat maar gerust liggen, ik beloof je dat ik niets

zal lezen.”

En vrijmoedig bracht hij het gesprek op de springstoffen, die hij ook

nog steeds met een waren hartstocht bestudeerde. Hij had nieuwe

ontdekkingen gedaan, die hij in het geheel niet verborgen hield.

Terloops sprak hij zelfs over het rapport, dat men bij het proces

Salvat van hem gevraagd had. Zijn droom was een springstof van

buitengewone kracht te vinden, om dan te trachten die te beperken tot

de eenvoudige rol van een gehoorzamende kracht.

“Ik weet waarachtig niet waar die dwaas de formule van zijn kruit

vandaan gehaald heeft,” eindigde hij glimlachend en niet zonder

bedoeling. “Wanneer jij die nog eens vindt, dan kan je tegen jezelf

zeggen, dat de toekomst misschien ligt in het gebruik van springstoffen

als beweegkrachten.”

En dan plotseling:

“Tusschen twee haakjes, die Salvat wordt overmorgenochtend

terechtgesteld. Ik heb het daareven van een vriend van me, die op het

ministerie van Justitie is, gehoord.”

Tot dat oogenblik had Guillaume met een soort wantrouwen, waarom hij

zelf lachen moest, geluisterd; maar nu deed die mededeeling van

Salvat’s terechtstelling hem in woede en toorn ontsteken. Toch wist hij

sedert eenige dagen, dat zij ondanks de wel wat erg laat komende

bewijzen van sympathie, welke den veroordeelde van alle kanten

toestroomden, onvermijdelijk was.

“Dat zal een moord zijn,” riep hij heftig uit.

“Wat zal ik je zeggen? Er bestaat nu eenmaal een maatschappij en die

verdedigt zich, als men haar aanvalt... En bovendien die anarchisten

zijn werkelijk idioot, als zij denken, dat zij de wereld met hun bommen

zullen veranderen. Je kent mijn meening; de wetenschap alleen is

revolutionnair, de wetenschap zal voldoende zijn om niet alleen de

waarheid te scheppen, maar ook de gerechtigheid, als gerechtigheid hier

beneden tenminste bestaanbaar is. Daarom jongen, kan ik zoo

verdraagzaam en rustig leven.”

Weer zag Guillaume dezen zonderlingen revolutionnair voor zich

opdoemen: overtuigd, dat hij in zijn laboratorium aan den ondergang der

oude en afschuwelijke hedendaagsche maatschappij met haar God, haar

dogma’s en haar wetten werkte, maar te zeer verlangend naar rust, te

minachtend neerziend op de feiten, om zich met de dagelijksche dingen

bezig te houden. Hij gaf er de voorkeur aan rustig, makkelijk en in

vrede met de regeering, welke die ook wezen mocht, te leven, hoewel hij

de vreeselijke geboorte van morgen voorzag en voorbereidde.

En met een gebaar op Parijs, waarover de overwinnende zon onderging,

zeide hij:

“Hoor je het grommen en brommen en bruisen?... Wij onderhouden de vlam,

wij brengen steeds brandstof onder den ketel. Geen oogenblik laat de

wetenschap haar werk rusten; zij schept Parijs, dat, naar wij hopen, de

toekomst scheppen zal.... De rest is bijzaak.”

Guillaume luisterde niet; hij dacht aan Salvat, dacht aan die

vreeselijke machine, welke hij uitgevonden had en die morgen steden

verwoesten zou. Een nieuwe gedachte ontstond en bloeide in hem op. Hij

had zooeven den laatsten band losgemaakt, had om zich heen al het geluk

geschapen, dat hij scheppen kon. O, kon hij zijn moed maar terugvinden,

meester over zichzelf zijn en tenminste van het offer van zijn hart de

trotsche vreugde hebben vrij te zijn, zijn leven te geven, wanneer hij

het noodig oordeelde het te geven!

De drie steden: Parijs · 第 27 / 35 题