III.

Twee dagen later was Pierre al aan zijn nieuwe kleedij gewend; en hij

dacht er zelfs niet meer aan, toen hij op een morgen op weg naar

Montmartre abbé Rose voor de basilica van den Sacré-Cœur ontmoette.

De oude priester schrikte eerst en herkende hem nauwlijks in die

kleeding; dan greep hij zijn beide handen en keek hem lang aan.

“O mijn zoon, dus ben je toch in de vreeselijke ellende gevallen,

waarvoor ik altijd zoo bang geweest ben!” zeide hij met tranen in zijn

oogen. “Ik heb er nooit met je over willen spreken, maar ik voelde wel,

dat God je ziel verlaten had. Een diepere wond in mijn hart kon mij

door niets toegebracht worden!”

Bevend nam hij hem wat ter zijde, als om hem te onttrekken aan de

verontwaardiging der enkele voorbijgangers. Zijn krachten begaven hem

en hij liet zich neervallen op een stapel steenen, die vergeten in het

gras was blijven staan.

Deze diepe, echte smart van zijn ouden, hartelijken vriend trof Pierre

meer dan heftige verwijten en vervloekingen gedaan zouden hebben. De

plotselinge, onvoorziene pijn, welke deze ontmoeting, die hij toch had

moeten voorzien, veroorzaakte, bracht ook Pierre de tranen in de oogen:

deze breuk met den vromen man, wiens droom van naastenliefde—de hoop om

door goedheid de wereld te redden—hij zoo lang gedeeld had, bracht hem

een wonde toe, waaruit het beste van zijn bloed wegstroomde. Zij

hadden, in hun verlangen om den gelukkigen oogst der toekomst te

bespoedigen, samen zooveel goddelijke illusies gehad, zoo gestreefd

naar het betere, zooveel vergiffenis geschonken. En nu scheidden zich

hun wegen: hij, de jongere, keerde tot het leven terug en liet den oude

alleen verder droomen en vergeefs wachten.

“O mijn vriend, mijn vader, het eenige wat mij spijt, nu ik al deze

martelingen van mij schud, is u alleen achter te laten Ik dacht reeds

genezen te zijn, maar mijn arm hart breekt nu ik u weer zie... Ween

niet over mij, wat ik u smeeken mag, doe mij geen verwijten. Wat ik

gedaan heb, moest ik doen—u zelf zoudt, wanneer ik uw raad gevraagd

had, mij gezegd hebben, dat het beter is geen priester meer te zijn dan

een priester zonder geloof en zonder eer.”

“Ja, ja,” herhaalde abbé Rose zacht; “je hadt geen geloof meer, dat

vermoedde ik maar al te zeer, en ik maakte me erg ongerust over je

strakheid en je heiligheid, waarin ik zooveel wanhoop raadde. Hoevele

uren heb ik niet getracht je te kalmeeren! En ook nu moet je naar mij

luisteren, want ik moet je redden... Helaas ik ben geen theologische

geleerde, om met je te discussieeren, om je met bijbelteksten en

dogma’s tot ons terug te brengen. Maar in naam der naastenliefde, mijn

kind, alleen in naam der naastenliefde, denk na, vat je taak, om troost

en hoop te geven, weer op.”

Pierre, die naast hem was gaan zitten, begon zich op te winden.

“De naastenliefde, de naastenliefde! Juist de zekerheid, dat zij niets

beteekent, dat zij onmiddellijk bankroet slaan moet, heeft ten slotte

den priester in mij gedood... Hoe kunt u gelooven, dat geven voldoende

is, waar gij uw heele leven niets anders gedaan hebt dan geven, zonder

dat gij voor de anderen en voor u zelf iets anders geoogst hebt dan de

eeuwige, ja zelfs steeds erger wordende onrechtvaardige ellende, zonder

dat gij ooit den dag bepalen kunt, waarop die afschuwelijke schande zal

ophouden?... De belooning na den dood, zult u zeggen, de

rechtvaardigheid in het paradijs! O, dat is geen gerechtigheid, dat is

een fopperij, waaronder de wereld reeds eeuwen lijdt.”

En hij herinnerde hem aan hun leven in de wijk Charonne, toen zij samen

de kleine dakloozen van de straat opraapten, toen zij den ouders in de

krotten hulp brachten; hij herinnerde hem aan zijn bewonderenswaardige

krachtsinspanning, die, wat hem zelf betrof, op een verwijt van zijn

superieuren, op een soort verbanning ver van zijn armen uitgeloopen

was. En had men hem niet met nog strengere straffen bedreigd, wanneer

hij weer begon den godsdienst door in den blinde gegeven en doellooze

aalmoezen in gevaar te brengen. Nu werden zijn gangen nagegaan, met

argwaan aangezien; werd hij als het ware niet ondergedompeld door de

voortdurend stijgende ellende, waar hij toch wist, dat hij nooit genoeg

zou kunnen geven, zelfs wanneer hij over millioenen beschikte, dat hij

niets deed dan het lijden der armen verlengen, die, wanneer zij vandaag

aten, toch morgen niets te eten hebben zouden? Hij was machteloos; de

wonde, die hij meende te verbinden, brak op hetzelfde oogenblik aan

alle kanten open; het geheele maatschappelijke lichaam zou door dit

gezwel aangegrepen en vernietigd worden. Maar de oude priester

luisterde bevend toe en schudde zijn wit hoofd.

“Wat komt het erop aan? Wat komt het erop aan, mijn kind? Je moet

geven, altijd geven, ondanks alles geven. Een andere vreugde bestaat

niet... Houd je, ook al mogen de dogma’s je hinderen, aan dat

Evangelie, blijf je heil zoeken in naastenliefde.”

Toen raakte Pierre in opwinding en vergat, dat hij tegen dezen

eenvoudige van geest sprak, die niets was dan menschenliefde, niet in

staat om hem te volgen.

“De proef is genomen; met barmhartigheid is het heil der menschheid

niet te bereiken; het kan slechts uit gerechtigheid geboren worden. Dat

is de langzamerhand steeds luider en luider wordende kreet, die uit

alle volkeren opstijgt. Nu reeds bijna twee duizend jaar is het

Evangelie een mislukking gebleven. Jezus heeft geen verlossing

gebracht; het lijden der menschheid is even groot, even onrechtvaardig

gebleven. Het Evangelie is niets meer dan een verouderde codex

geworden, waaruit de volkeren niets dan verwarring en nadeel zullen

trekken... Wij moeten ons daarvan bevrijden.”

Dat was zijn vaststaande overtuiging. Welk een vreemde dwaling was het

als socialen wetgever Jezus te nemen, die te midden van een andere

maatschappij, in een andere wereld, in een anderen tijd geleefd had. En

zelfs wanneer men van zijn moraal en van zijn leer slechts het

menschelijke en het eeuwige wilde bewaren, dat zij bevatten—welk een

gevaar lag dan nog niet in de toepassing van onveranderlijke

voorschriften op alle tijden. Geen enkele maatschappij zou onder de

strikte toepassing van het Evangelie kunnen leven, Jezus is de

vernietiger van alle natuurlijke orde, van alle werk, van alle leven;

hij heeft de vrouw en de wereld, de eeuwige natuur, de eeuwige

vruchtbaarheid van dingen en wezens verloochend. Toen kwam het

Katholicisme en richtte op hem zijn vreeselijk gebouw van

schrikaanjaging en onderdrukking op. De erfzonde is de

verschrikkelijke, bij ieder schepsel terugkeerende herediteit, die

niet, zooals de wetenschap, de correctieven van opvoeding,

omstandigheden en omgeving toelaat.

Er is geen pessimistischer opvatting denkbaar dan dat de mensch op die

wijze reeds bij zijn geboorte aan den duivel gewijd, tot zijn dood aan

een eeuwigen strijd met zichzelf ten prooi is. Een onmogelijke en

absurde strijd, want het gaat er daarbij om den geheelen mensch te

veranderen, het vleesch en de rede te dooden, den duivel in de diepte

der wateren, der bergen en der wouden te vervolgen, om hem daar met sap

der aarde te vernietigen. De wereld is niets meer dan één zonde, een

hel van verleidingen en lijden, die men doortrekt, om den hemel te

verdienen. Deze godsdienst van den dood, welken alleen de idee der

naastenliefde in stand heeft kunnen houden, maar die door het verlangen

naar gerechtigheid onvermijdelijk zal weggevaagd worden, is een

prachtig werktuig voor het absolute despotisme. De arme, de ongelukkige

bedrogene, die niet meer aan het Paradijs gelooft, wil, dat de

verdiensten van een ieder hier op aarde beloond worden; het eeuwige

leven wordt weer de goede godin, het werk is de wet der wereld, de

vruchtbare vrouw komt weer in eere, het dwaze schrikbeeld der hel maakt

plaats voor de glorierijke, steeds voortbrengende natuur. De oude

Semietische droom van het leven wordt weggevaagd door de heldere, op de

moderne wetenschap steunende Latijnsche rede.

“Sedert achttienhonderd jaar belemmert het Christendom het

voortschrijden der menschheid naar waarheid en gerechtigheid,” besloot

Pierre. “Eerst op den dag, dat zij het afschaft door het Evangelie te

plaatsen bij de boeken der wijzen, zonder daarin een absoluten en alles

beslissenden codex te zien, zal zij haar evolutie weder kunnen

voortzetten.”

Abbé Rose hief zijn bevende handen op.

“Zwijg toch, mijn zoon, zwijg toch! Je lastert!... Ik wist, dat je

gekweld werd door twijfel; maar ik hield je voor zoo geduldig en zoo

bereid om te lijden, dat ik op je verzaking en berusting rekende! Wat

is er toch gebeurd, dat je zoo plotseling de Kerk den rug toekeert? Ik

herken je niet meer; een passie is in je opgestoken, een onoverwinlijke

kracht sleurt je mede... Wat is er toch? Wie heeft je zoo veranderd?”

Verwonderd luisterde Pierre naar hem.

“Maar ik verzeker u heusch, dat ik dezelfde ben, dien u altijd gekend

hebt—dat is slechts de onvermijdelijke ontknooping, het onvermijdelijke

resultaat! Wie zou zijn invloed op mij hebben kunnen doen gelden, daar

niemand in mijn leven gekomen is? Welke nieuwe gevoelens zouden mij

kunnen veranderen, waar ik geen nieuwe vind, wanneer ik mijzelf

ondervraag. Ik ben dezelfde, precies dezelfde gebleven.”

Toch was er een weifeling in zijn stem. Was het werkelijk waar, dat er

niets nieuws in hem gekomen was? Hij onderzocht zijn geweten nogmaals,

maar hij kon niets vinden. Het was slechts een heerlijk ontwaken, een

onmetelijke begeerte om te leven, een drang zijn armen wijd genoeg te

kunnen openen, ten einde al wat bestond aan zijn hart te kunnen

drukken. Een storm van jubel hief hem op en sleurde hem mede.

Hoewel abbé Rose veel te onschuldig was, om hem te kunnen begrijpen,

schudde hij weer zijn hoofd en dacht aan de valstrikken van den duivel.

Deze afval van zijn kind, zooals hij Pierre noemde, sloeg hem terneer.

Hij sprak nog en kreeg de ongelukkige ingeving hem den raad te geven

met monseigneur Martha te gaan spreken, want hij hoopte, dat een

geestelijke van zulk een autoriteit de juiste woorden zou weten te

vinden, om hem tot het geloof terug te brengen. Maar Pierre had den

moed te zeggen, dat hij uit de Kerk ging, juist omdat hij daarin zoo’n

leugenaar en despoot aangetroffen had, die van den godsdienst een

verderf aanbrengende diplomatie maakte en ervan droomde de menschen

door list tot God terug te brengen. Toen stond abbé Rose wanhopig op;

hij vond geen argument meer en wees slechts met een gebaar op de

basilica, die met zijn reusachtige, onvoltooide, vierkante massa stond

te wachten op den koepel, welke haar bekronen moest.

“Dit is het huis Gods, mijn kind, het monument van verzoening en van

triomf, van boete en vergiffenis. Je hebt er de mis gelezen en je

verlaat het als een heiligschennende meineedige.”

Pierre was ook opgestaan en in een exaltatie van kracht en gezondheid

antwoordde hij:

“Neen, neen, ik verlaat de Kerk vrijwillig, zooals men een kelder

verlaat, om in de vrije lucht, naar de zon terug te keeren. God is daar

niet, het is daar slechts een uitdaging van de rede, van de waarheid en

van de gerechtigheid, een reusachtig gebouw, dat men zoo hoog mogelijk

opgericht heeft als een citadel van het absurde, die Parijs, dat hij

beleedigt en bedreigt, beheerschen moet.”

En toen hij zag, dat de oogen van den ouden priester zich weer met

tranen vulden, en daar hij zelf wanhopig was over hun breuk, wilde hij

vluchten.

“Vaarwel! Vaarwel!”

Maar abbé Rose had hem reeds in zijn armen genomen en kuste hem als het

verdoolde schaap, dat den herder het liefst is.

“Niet vaarwel, niet vaarwel, mijn kind! Zeg: tot ziens! Zeg dat we

elkaar nog terug zullen vinden, tenminste onder hen, die weenen en

honger hebben. Al geloof je ook, dat de naastenliefde bankroet gemaakt

heeft, toch zullen we elkander altijd in onze armen blijven

liefhebben!”

Pierre, die de kameraad van zijn drie groote neven geworden was, had

van hen in enkele lessen leeren fietsen, om hen op hun ochtendritjes te

kunnen vergezellen; reeds was hij een paar maal met hen en met Marie

over de hard geplaveide wegen in de richting van het meer van Enghien

gereden. Op een ochtend, dat Marie zich voornam met hem en Antoine naar

het bosch van Saint-Germain te gaan, kreeg deze laatste plotseling een

verhindering. Zij had haar fietskostuum al aan: een korten rok van

zwarte serge en een jakje van dezelfde stof op een écru zijden

overhemdje—en de Aprilochtend was zoo helder en zacht, dat zij vroolijk

uitriep:

“Dat hindert niet, ik neem je mede, dan zijn we met ons beiden! Ik wil,

dat je het genot leert kennen om op een goeden weg tusschen mooie

boomen te rijden.”

Maar daar hij nog niet zoo erg getraind was, besloten zij dat zij met

hun fietsen den trein tot Maisons-Laffitte nemen zouden, om vandaar

door het bosch te rijden en dan weer met den trein terug te komen.

“Zijn jullie weer vóór het déjeuner terug?” vroeg Guillaume, die pret

had in dit uitstapje, en zijn broer, die ook geheel in het zwart was,

glimlachend aankeek.

“Natuurlijk,” antwoordde Marie. “Het is net acht uur, we hebben dus

allen tijd. Maar ga in ieder geval maar dejeuneeren, wij zullen wel

invallen, als het noodig is.”

Het was een heerlijke ochtend. Bij het weggaan dacht Pierre, dat hij

met een goeden kameraad was, wat dit uitstapje met hun tweeën in de

lekkere lentezon heel natuurlijk maakte. De bijna gelijke kostuums

werkten door de vrijheid van beweging, die zij veroorloofden,

ongetwijfeld tot die vroolijke, rustige en gemoedelijke stemming mede.

Maar er was ook nog iets anders: de gezonde, vrije lucht, het genot van

de gemeenschappelijke lichaamsbeweging, de vreugde zich vrij te

gevoelen in de vrije natuur.

In den coupé, waar zij alleen waren, kwam Marie op haar

lyceumherinneringen terug.

“O, je hebt er geen idee van hoe heerlijk we krijgertje konden spelen!

Om harder te kunnen loopen, bonden wij onze rokken met touwtjes vast,

want toen durfden ze ons niet zooals nu in een broek te laten loopen.

Het was een geschreeuw, een geloop, een geren, onze haren vlogen in den

wind en we hadden kleuren als boeien!... En dat belette je niet om te

werken, integendeel! Wanneer we eenmaal aan het studeeren waren,

hielden we ook een wedloop wie het meest weten en de eerste van de klas

zijn zou.”

Zij lachte er nog hartelijk om, terwijl Pierre haar verwonderd

aankeek—zoo blozend en gezond zag zij er uit onder den zwart vilten

hoed, dien een lange zilveren haarpen op haar dikken wrong vasthield.

Haar prachtig bruin haar, dat hoog opgenomen was, liet haar frisschen

nek, die kinderlijk teer gebleven was, vrij, en nog nooit had hij haar

in al haar kracht zoo lenig gezien; haar heupen waren krachtig, haar

borst breed, maar tevens fijn en bekoorlijk. Wanneer zij zoo lachte,

schitterden haar oogen van genot, terwijl het onderste gedeelte van

haar gelaat, haar ietwat krachtige mond en kin, een uitdrukking van

eindelooze goedheid kregen.

“Ja, die broek!” ging zij schertsend voort. “En dan te denken, dat

sommige vrouwen zoo eigenzinnig blijven, om met een rok te fietsen.”

En toen hij, zonder aan galanterie te denken, maar alleen om het feit

te constateeren, zeide, dat zij er in haar costuum heel goed uitzag:

“O, ik tel niet mede... Ik ben niet mooi, ik ben alleen maar gezond,

dat is alles... Maar kan jij je begrijpen, dat vrouwen, die hier zoo’n

prachtige gelegenheid hebben, om het zich makkelijk te maken, als een

vogel te vliegen en eindelijk haar beenen uit hun gevangenis te

bevrijden, dat gewoonweg weigeren? Als ze denken, dat zij met haar

korte schoolmeisjesrokken mooier zijn, dan vergissen zij zich leelijk.

En wat het kieschheidsgevoel betreft, ik vind, dat je beter je kuiten

dan je schouders kunt laten zien. En bovendien, wie denkt aan zoo iets,

als je fietst... Er bestaat niets dan de broek, de rok is ketterij.”

Zij keek nu op haar beurt hem aan en zij werd op dat oogenblik

blijkbaar getroffen door de buitengewone verandering, welke in hem had

plaats gevonden sedert zij hem voor het eerst zoo somber in zijn lange

soutane en met zijn mager, vaal, door het lijden verwoest gezicht

gezien had. Daarachter had zij een eindelooze wanhoop, de leegte van

een graf, waaruit de wind zelfs de asch verstrooid had, gevoeld. En nu

was het als het ware een herrijzenis, een opstanding: zijn gezicht

leefde op, het voorhoofd had weer de kalmte der hoop gekregen, terwijl

de oogen en de mond, in zijn eeuwigen honger naar liefde, overgave en

leven, iets van hun vroegere vertrouwelijke teederheid teruggevonden

hadden. Alleen de minder lange haren op de plaats der tonsuur, die

trouwens niet zoo zichtbaar meer was als vroeger, verrieden nog den

priester.

“Waarom kijk je me zoo aan?” vroeg hij.

“Ik kijk ernaar hoeveel goed het werken en de buitenlucht ook jou

doen,” zeide zij openhartig. “Zoo mag ik je veel liever zien. Je zag er

zoo slecht uit, dat ik heusch dacht, dat je ziek was.”

“Dat was ik ook,” zeide hij eenvoudig.

Maar de trein stopte bij Maisons-Laffitte. Zij stapten uit en sloegen

dadelijk den weg naar het bosch in.

“Ik zal maar voorop rijden, hè?” riep Marie vroolijk. “Je bent immers

altijd nog wat bang voor rijtuigen.”

Slank en recht in het zadel reed zij voorop; dikwijls keek zij

vriendelijk glimlachend om, om te zien of hij haar volgde. Bij ieder

rijtuig, dat zij voorbij reden, stelde zij hem gerust en somde de

verdiensten van hun fietsen, die beide uit de fabriek Grandidier

kwamen, op. Het waren Lisette’s, het populaire merk, waaraan Thomas

medegewerkt had en dat in den Bon Marché grifweg voor honderdvijftig

francs verkocht werd. Misschien zagen zij er een beetje log uit, maar

zij waren sterk en tegen een stootje bestand. Echte fietsen om te

toeren, zeide zij.

“Ha, daar is het bosch! Nu behoeven wij niet meer de helling op te

trappen en zal je eens prachtige lanen zien. Je rijdt er als op

fluweel.”

Pierre bleef nu niet langer achter en beiden reden zij nu in denzelfden

regelmatigen gang naast elkaar over den breeden, rechten weg tusschen

het dubbele, majestueuze gordijn der groote boomen. En zij praatten

heel amicaal.

“Nu ben ik zeker van mijn zaak. Je zult zien, dat je leerling je eer

aandoet.”

“Daar twijfel ik niet aan. Je zit heel goed in je zadel. Binnenkort zal

je me in den steek laten, want een vrouw kan in zulke dingen niet tegen

een man op. En toch, wat een goede opvoeding is het fietsen voor een

vrouw.”

“Hoe zoo?”

“O, daar heb ik zoo mijn eigen ideeën over... Als ik ooit een dochter

krijg, dan zet ik haar op haar tiende jaar op de fiets, om haar te

leeren, hoe ze leven moet.”

“Dus een opvoeding door ervaring?”

“Natuurlijk. Kijk nu die groote meisjes eens, die de moeders in haar

rokken opvoeden. Men maakt haar voor alles bang, verbiedt haar ieder

initiatief, oefent noch haar wil noch haar oordeel, zoodat ze zelfs,

door de gedachte aan een mogelijken hinderpaal verlamd, de straat niet

over durven steken... Maar zet haar heel jong op de fiets en laat ze

aan haar lot over: dan moeten zij wel uitkijken naar een steentje,

zorgen, dat zij tijdig en in de goede richting uitwijken, als het

noodig is. Een wagen komt in vollen draf aan, het een of ander gevaar

doemt op en zij moet dadelijk beslissen, met vaste hand sturen, als zij

geen ongeluk krijgen wil... Is het niet een voortdurend trainen van je

wilskracht, een uitstekende les in de kunst, om te weten wat je doen

moet om je te verdedigen?”

“Jullie zult allemaal te gezond worden,” zeide hij lachend.

“O, gezond zijn, dat spreekt van zelf. Om goed en gelukkig te wezen,

moet je in de eerste plaats zoo gezond mogelijk zijn. Maar ik geloof,

dat zij, die steenen weten te vermijden en op het juiste oogenblik

kunnen omkeeren, ook beter in staat zullen zijn in het maatschappelijke

en gevoelsleven de moeilijkheden te overwinnen en met een vrij, eerlijk

en krachtig oordeel de beste besluiten te nemen... Weten en willen,

daarin bestaat de geheele opvoeding.”

“Dus de emancipatie der vrouw door de fiets?”

“Lieve Hemel, waarom niet?... Het klinkt grappig, en toch, kijk eens

wat een heelen weg we al afgelegd hebben: de broek, die de beenen

bevrijdt; de gemeenschappelijke uitstapjes, die de geslachten gelijk

maken; vrouw en kind volgen den man overal heen; kameraden als wij

tweeën kunnen door veld en bosch rijden, zonder dat men er aanstoot aan

neemt. En dan bestaat vooral de gelukkige verovering hierin: in de

lucht- en zonnebaden, die je in de vrije natuur neemt; in den terugkeer

tot onze gemeenschappelijke moeder, de aarde; in de nieuwe kracht en in

de nieuwe vreugde, die je weer uit haar begint te scheppen! Is dit

bosch, waarin we nu samen rijden, niet heerlijk? En wat een frissche

lucht krijg je weer in je longen. Hoe kalmeert je dat en wat een

nieuwen moed geeft het je!”

Inderdaad was het in de week stille bosch met zijn diep en zonnig

kreupelhout rechts en links onzegbaar heerlijk. De nog schuin vallende

zon wierp haar stralen slechts op een kant van den weg en verguldde de

hooge, groene draperieën der boomen, terwijl aan de andere zijde het

loof in de schaduw bijna zwart leek. Welk een genot was het, als langs

den grond strijkende zwaluwen, in de frissche lucht en in den adem der

kruiden en bladeren, welker krachtige geur je in het gezicht slaat,

door die koninklijke laan te vliegen! Zij raakten nauwlijks den grond

aan—vleugels waren hun aangegroeid, die hen in eenzelfde vlucht door de

zonnestralen en door de schaduwen, door het leven van het groote,

huivrend bosch met zijn mossen en zijn bronnen, zijn geuren en zijn

insecten droegen.

Bij het kruispunt Croix-de-Noailles wilde Marie niet ophouden. ’s

Zondags heerschte hier altijd een groote drukte en bovendien kende zij

stille, behoorlijk-rustige plekjes. Later, op de helling naar Poissy,

spoorde zij Pierre aan en lieten zij hun fietsen in volle vaart gaan.

En nu volgde die heerlijke roes der snelheid, het bedwelmende gevoel

van het evenwicht, hoewel men in zulk een vaart voortsnelt, dat men

bijna buiten adem raakt, terwijl de grijze weg onder de voeten

wegvlucht en de boomen aan beide kanten draaien als de baleinen van een

waaier, dien men openslaat. De bries waait als een storm, en men vliegt

als het ware den horizont, de oneindigheid, die echter steeds weer

terugwijkt, tegemoet. Het is de grenzenlooze hoop, de bevrijding van te

zware banden in de ruimte. Er bestaat geen betere lichaamsbeweging; de

harten kloppen sneller in de vrije natuur.

“Zeg, we moesten niet naar Poissy rijden, maar links afslaan!” riep

zij.

Zij namen den weg van Achères naar Loges, die smaller en schaduwrijk

steeg, en minderden, daar zij nu flink aan moesten trappen, hun vaart.

De weg was minder goed, zandig en door de laatste stortregens wat

omgewoeld. Maar was die krachtsinspanning ook niet een genot?

“Je zult er wel aan wennen, het overwinnen van hindernissen is zoo

prettig... Ik voor mij heb het land aan wegen, die te lang glad en mooi

blijven. Een kleine stijging, die je beenen niet al te veel vermoeit,

geeft weer eens een afwisseling, die je aanzweept en wakker maakt... En

dan het is zoo goed om sterk te zijn en ondanks regen, storm en helling

vooruit te komen.”

Haar opgewektheid en haar moed verrukten hem.

“Dus zijn we eigenlijk op een tocht door heel Frankrijk?” vroeg hij

lachend.

“Neen, neen, we zijn al waar we wezen moeten. Nou, je zult er zeker

niets tegen hebben, om wat te rusten. Maar zeg eens eerlijk, was het

niet de moeite waard tot hier te rijden, om op dit heerlijke, rustige

en frissche plekje wat uit te rusten?”

Lenig sprong zij van haar fiets en sloeg een voetpad in, terwijl zij

hem riep haar te volgen. Na een pas of vijftig zetten zij hun machines

tegen een boomstam en waren zij op een kleine open plek. Het was

inderdaad het bekoorlijkste bladerennestje, dat men zich droomen kon.

Het bosch had daar een eenzame en verheven schoonheid en grootschheid.

De lente gaf het de eeuwige jeugd, het bladerdak was rein en licht als

groene, fijne kant, die de zon met goud bestrooide. De adem van het

leven steeg op uit het gras, kwam uit het door den krachtigen geur der

aarde doorbalsemde kreupelhout.

“Het is gelukkig nog niet al te warm,” zeide zij, terwijl zij aan den

voet van een jongen eik ging zitten. “In Juli hebben de dames een

beetje te roode kleur en gaat de poudre-de-riz gauw weg... Je kan niet

altijd even mooi zijn.”

“Ik kan niet zeggen, dat ik het koud heb,” zeide Pierre, die naast haar

kwam zitten en zijn voorhoofd afveegde.

Zij lachte en zeide, dat zij hem nog nooit met zoo’n kleur gezien had.

Eindelijk kon je merken, dat hij bloed onder zijn huid had. En zij

begonnen te praten als twee kinderen, als twee kameraden, vonden de

kinderlijkste dingen grappig. Zij was bang, dat hij koude zou vatten,

wilde niet, dat hij in de schaduw bleef, omdat hij het zoo warm had,

zoodat hij, om haar haar zin te geven, met zijn rug in de zon moest

gaan zitten. Dan bevrijdde hij op zijn beurt haar van een spin, een

groote zwarte spin, die met haar pooten in haar kroezende nekhaartjes

verward raakte. In het schrikgilletje, dat zij uitstiet, kwam de vrouw

in haar weer te voorschijn. Het was toch eigenlijk dwaas om zoo bang te

zijn voor spinnen! Maar het lukte haar niet om zich te beheerschen, zij

bleef bleek en beefde.

Een zwijgen volgde, zij keken elkaar glimlachend aan en voelden te

midden van dit heerlijke bosch een teedere vriendschap voor elkaar, die

beiden broederlijk waanden. Zij was gelukkig, dat zij zich voor hem was

gaan interesseeren, hij dankbaar voor de genezing en de gezondheid, die

grootendeels haar werk waren. Maar zij sloegen hun oogen niet neer, hun

handen raakten elkaar zelfs niet aan, terwijl zij door het gras

streken, want zij waren zoo onschuldig en zoo rein als de groote eiken

om hen heen. Toen zij hem in haar afkeer voor alle vernietiging belet

had de spin te dooden, begon zij weer verstandig over allerlei dingen

te spreken als een meisje, dat alles wist en door het leven niet

verlegen gemaakt wordt, zoo zeker was zij ervan nooit iets te doen dan

wat zij doen wilde.

“Zeg eens,” riep zij eindelijk; “laten we erom denken, dat ze ons met

het dejeuner thuis verwachten.”

Zij stonden op en duwden hun fietsen naar den straatweg. In flinke

vaart gingen zij weer terug en reden door de prachtige laan, die bij

het kasteel uitkomt, over les Loges naar Saint-Germain. Ze vonden het

heerlijk weer zoo naast elkander voort te snellen. En vertrouwelijk

zetten zij hun gesprek voort.

In den trein, die hen van Saint-Germain naar Parijs terugbracht, zag

Pierre, dat Marie plotseling een hoogroode kleur kreeg. Twee dames

zaten met hen in dezelfde coupé.

“Nou heb jij het warm!”

Zij protesteerde, maar alsof een gevoel van schaamte haar aangreep,

werd haar gezicht nog rooder.

“Ik heb het heelemaal niet warm, voel mijn handen maar... Is het niet

belachelijk om zonder eenige reden een kleur te krijgen!”

Hij begreep het: het was weer een van die onwillekeurige opwellingen

van haar jonkvrouwelijk hart, welke het bloed naar haar wangen joegen

en waarover zij zich zoo ergerde. Zonder eenige reden, zeide zij. Maar

het hart, dat daar in de eenzaamheid van het woud onschuldig sliep,

klopte thans, zonder dat zij het zelf wist.

Intusschen was Guillaume na het vertrek van de kinderen, zooals hij ze

noemde, weer begonnen aan het vervaardigen van zijn geheimzinnig kruit,

waarvan hij de patronen boven in de kamer van Grootmoeder bewaarde. De

vervaardiging was buitengewoon gevaarlijk, de minste onachtzaamheid

gedurende het werk, het te laat sluiten van een kraan, kon een

vreeselijke ontploffing veroorzaken, die het huis en zijn bewoners in

de lucht zou doen vliegen. Hij wachtte daarom liever tot hij alleen was

en geen gevaar voor anderen of afleiding voor zichzelf behoefde te

vreezen. Maar ditmaal werkten zijn drie zoons toch in het groote

atelier. Zooals gewoonlijk zat Grootmoeder rustig bij de kachel te

naaien. Maar zij telde niet mede; zij was dapper, verliet nooit haar

plaats, zat rustig te midden van het gevaar; ja zij hielp zelfs

Guillaume bij zijn werk, kende even goed als hij de verschillende

phases van de moeilijke bewerking met al haar vreeselijke bedreigingen.

Toen zij zag, hoe afgetrokken hij dien ochtend was, keek zij dikwijls

op van het linnengoed, dat zij ondanks haar zeventig jaar noch steeds

zonder bril verstelde. Met één oogopslag vergewiste zij zich, dat hij

niets vergat, en ging dan weer aan haar werk. Gewoonlijk sprak zij

weinig, discussieerde nooit, handelde en leidde, en opende haar mond

slechts om een verstandigen, flinken, dapperen raad te geven. Wat zij

dacht en wat zij wilde kon men slechts uit haar antwoorden te weten

komen, korte woorden, waaruit haar rechtvaardige en dappere ziel sprak.

Vooral in den laatsten tijd scheen zij nog stiller te worden, terwijl

zij in het huis, waarin zij de onbeperkte heerscheres was, druk bezig

was en met haar mooie, peinzende oogen haar klein volkje, de drie

zoons, Guillaume, Marie en Pierre, die haar allen als een erkende

koningin gehoorzaamden, gadesloeg. Had zij veranderingen gezien, feiten

opgemerkt, die niemand om haar heen nog zag of opmerkte? Zij was nog

ernstiger geworden, als verwachtte zij, dat het oogenblik nabij was,

waarop men haar wijsheid en autoriteit noodig hebben zou.

“Let wat beter op, Guillaume, je bent zoo verstrooid vanochtend,” zeide

zij eindelijk. “Is er iets, dat je hindert?”

“Niets hoor,” antwoordde hij, terwijl hij haar glimlachend aankeek. “Ik

dacht aan onze goede Marie, die zoo blij was, dat zij op dezen mooien,

zonnigen dag naar het bosch kon.”

Antoine had opgekeken, terwijl de beide andere broers in hun werk

verdiept bleven.

“Jammer dat ik juist vandaag die houtsnede af moest hebben. Ik zou zoo

graag met haar meegegaan zijn.”

“Kom,” zeide de vader met zijn kalme stem, “Pierre is bij haar; Pierre

is heel voorzichtig.”

Een oogenblik nog nam Grootmoeder hem onderzoekend op; dan ging zij

weer aan haar werk. Haar heerschappij over het huishouden, waaraan

ouden en jongen zich onderwierpen, vond haar oorzaak in de lange

toewijding, in den takt, in de goedheid, waarmede zij regeerde. Van

geboorte Protestant, had zij zich later van alle godsdienstige

geloofsbelijdenissen bevrijd, paste zij op alles slechts die idee van

menschelijke gerechtigheid toe, welke zij zichzelf, na zooveel geleden

te hebben door de onrechtvaardigheid, waaraan haar man gestorven was,

had gevormd. Zij was daarbij buitengewoon dapper, kende geen

vooroordeelen, deed volkomen haar plicht, zooals zij dien opvatte. En

zooals zij zich aan haar echtgenoot en dan aan haar dochter Marguerite

gewijd had, zoo wijdde zij zich thans aan den man van haar dochter en

aan haar kleinzoons, aan Guillaume en zijn kinderen. Nu was ook Pierre,

dien zij eerst vol onrust gadegeslagen had, in haar familie gekomen en

maakte deel uit van het kleine, gelukkige wereldje, waarover zij

heerschte. Ongetwijfeld had zij hem die eer waardig gekeurd. Zij

vertelde nooit gaarne de diepere oorzaken, die haar tot een besluit

brachten. Na eenige dagen van zwijgen had zij op een avond aan

Guillaume slechts gezegd, dat hij er goed aan gedaan had zijn broer

mede te brengen.

Tegen twaalven riep Guillaume, die nog steeds aan zijn werk was, uit:

“Nou zijn de kinderen nog niet thuis; wij zullen nog maar even wachten

voor we aan tafel gaan.”

Een kwartier nog verliep. De drie jongens legden hun werk neer en

gingen in den tuin hun handen wasschen.

“Marie blijft lang weg,” zeide Grootmoeder. “Als er maar niets met haar

gebeurd is.”

“O, zij rijdt goed, zij is zeker van zichzelf,” antwoordde Guillaume.

“Ik maak mij meer ongerust over Pierre.”

Weer keek zij hem aan.

“Zij zal wel voor hem gezorgd hebben; ze rijden samen al heel goed.”

“O zeker, maar ik wou toch liever maar, dat zij thuis waren.”

Dan meende hij plotseling de bellen der fietsen te hooren; hij riep,

dat zij het waren en in zijn blijdschap vergat hij alles, liet zijn

werk in den steek, om hen in den tuin tegemoet te gaan.

Grootmoeder bleef kalm doornaaien, zonder er zelf ook aan te denken,

dat vlak naast haar stoel het kruit bijna klaar was. En toen twee

minuten later Guillaume terugkwam en zeide, dat hij zich vergist had,

werd hij doodsbleek en staarde naar den oven. Het juiste oogenblik,

waarop het sluiten van een kraan alle mogelijke gevaar voor een

ontploffing voorkwam, was gedurende zijn korte afwezigheid

voorbijgegaan; nu zou ieder oogenblik de vreeselijke explosie kunnen

volgen, wanneer niet een dappere hand de kraan durfde gaan

dichtdraaien. Het moest reeds te laat zijn, de dappere, die dat deed,

zou verpletterd worden.

Dikwijls had Guillaume den dood op die wijze met volmaakte

onverschrokkenheid onder de oogen gezien. Maar ditmaal bleef hij als

aan den grond vastgenageld; hij durfde geen stap voorwaarts te doen,

zijn geheele wezen kwam door dien angst voor vernietiging in verzet.

Hij klappertandde, stamelde in afwachting van de catastrophe, die het

huis in de lucht dreigde te doen vliegen:

“Grootmoeder, Grootmoeder!... Het apparaat, de kraan!... Uit, uit,

uit...”

De oude vrouw had opgekeken zonder nog te begrijpen.

“Wat is er? Wat heb je toch?”

Maar hij zag er zoo door angst vertrokken uit, hij week, van schrik

krankzinnig, zoo achteruit, dat zij naar den oven keek en het

verschrikkelijke gevaar bemerkte.

En zonder overhaasting, alsof het de eenvoudigste zaak ter wereld was,

legde zij haar werk op het tafeltje, stond op en sloot met een hand,

die zelfs niet beefde, de kraan.

“Ziezoo, dat is alweer klaar. Maar waarom heb je het zelf niet gedaan,

beste jongen?”

Met open mond en verstijfd als was hij door de hand des doods

aangeraakt, had hij haar met zijn oogen gevolgd. Toen het bloed weer

naar zijn wangen kwam en hij weer levend voor het nu ongevaarlijke

toestel stond, stootte hij, nog steeds rillend en verschrikt, een

diepen zucht uit:

“Waarom ik de kraan niet dichtgedraaid heb?... Omdat ik bang was!”

Op dat oogenblik kwamen Marie en Pierre, verrukt over hun fietstocht,

terug; zij praatten, lachten en brachten de vroolijkheid van den

helderen zonnedag mee in huis. De drie broers, die uit den tuin

terugkwamen, plaagden hen, wilden met alle geweld, dat zij bekennen

zouden, dat Pierre met een koe gevochten had en dwars door een veld met

haver gereden was. Maar toen zij het vertrokken gelaat van hun vader

zagen, maakte een plotselinge ongerustheid zich van hen meester.

“Kinderen, ik ben laf geweest... Vreemd hè, lafheid is een gevoel, dat

ik tot nog toe niet gekend heb.”

En hij vertelde zijn vrees voor het ongeluk, zijn schrik, de kalme

manier, waarop Grootmoeder hen allen van een wissen dood gered had. Zij

maakte een klein gebaar, als wilde zij zeggen, dat het omdraaien van

een kraan zoo’n groote heldendaad niet was; maar de oogen van de drie

jongens schoten vol tranen en de een na den ander gingen zij haar een

kus geven, waarin zij de dankbaarheid, de vereering legden, die zij

voor haar hadden. Sedert hun jeugd had zij hun alles gegeven, en nu gaf

zij hun ook het leven. Marie had zich ook in haar armen geworpen en

kuste haar vol dankbaarheid en ontroering. Alleen Grootmoeder weende

niet; zij kalmeerde hen allen: men moest niet overdrijven en altijd

verstandig blijven.

“Neen, nu moet u mij ook nog toestaan u een zoen te geven, want dat ben

ik u wel schuldig,” zeide Guillaume, die zijn zelfbeheersching

terugkreeg. “En Pierre zal dat ook doen; u bent net zoo goed voor hem

als u altijd voor ons geweest is.”

Toen zij eindelijk aan tafel zaten, kwam hij op dien angst, dien hij

nog niet begreep en waarvoor hij zich schaamde, terug. Sedert eenigen

tijd had hij, die vroeger nooit aan den dood dacht, gemerkt, dat hij

voorzichtig begon te worden. Tweemaal reeds had hij voor de

mogelijkheid van een catastrophe gebeefd. Hoe kwam het, dat hij thans

zoo aan het leven hechtte?

“Ik geloof eigenlijk, Marie, dat de gedachte aan jou mij laf maakt,”

zeide hij eindelijk vroolijk en met iets van ontroerde teederheid in

zijn stem. “Dat ik minder dapper ben, komt zeker, omdat ik tegenwoordig

wat kostbaars op het spel heb te zetten. Ik moet het geluk behoeden...

Daareven, toen ik geloofde, dat wij allen sterven moesten, zag ik jou

voor mij; de angst jou te verliezen verstijfde en verlamde mij.”

Marie begon vriendelijk te lachen. Toespelingen op hun aanstaand

huwelijk kwamen niet veel voor, maar zij nam ze steeds met een

gelukkig, liefdevol gezicht op.

“Zes weken nog,” zeide zij eenvoudig.

Grootmoeder, die naar hen gekeken had, wendde nu haar blikken naar

Pierre. Deze luisterde eveneens glimlachend.

“Het is waar, over zes weken zijn jullie getrouwd,” zeide zij. “Ik heb

er dus maar goed aan gedaan het huis niet in de lucht te laten

vliegen.”

Op hun beurt begonnen nu ook Thomas, François en Antoine te lachen,

zoodat het dejeuner in een vroolijke stemming eindigde.

’s Middags voelde Pierre hoe langzamerhand een zwaar gewicht op zijn

hart begon te drukken. Het woord van Marie: “Zes weken nog” kwam

telkens in zijn geest terug. Ja, binnen zes weken zou zij getrouwd

zijn. En het scheen hem toe, alsof hij dat vroeger nooit geweten, alsof

hij daar nooit aan gedacht had. ’s Avonds in zijn kamer te Neuilly werd

het een ondragelijke smart. Het woord martelde, doodde hem. Waarom had

hij niet dadelijk geleden, toen hij het glimlachend hoorde? Waarom was

de smart zoo langzaam, zoo hardnekkig, zoo wreed over hem gekomen?

Plotseling werd hem de waarheid in al haar verplettering duidelijk. Hij

had Marie lief, had haar lief met echte liefde, tot stervens toe.

En deze plotselinge openbaring wierp op alles een helder licht. Hij

zag, hoe hij sedert de eerste ontmoeting onweerstaanbaar deze liefde

tegemoet gegaan was, hoe hij zich eerst gekwetst gevoeld en de

opwinding, waarin het jonge meisje hem had gebracht, voor vijandigheid

aangezien had, om dan door de goddelijke zachtmoedigheid van haar

overwonnen te worden. Tot haar werd hij na zooveel marteling en zooveel

strijd gevoerd; in haar vond hij eindelijk slechts rust. Maar vooral

die heerlijke fietstocht van vandaag verscheen hem nu in het ware licht

als een verlovingsochtend in den schoot van het gelukkige en

medeplichtige bosch. De natuur had hem weer in haar armen genomen, hem

van zijn marteling bevrijd en hem, gezond en krachtig, aan de vrouw,

die hij aanbad, gegeven.

Zijn huivering, zijn gevoel van geluk, zijn volkomen zich één voelen

met de boomen, de dieren en den hemel, alles, wat hij zich niet

verklaren kon, kreeg nu een zeer duidelijke beteekenis. Slechts Marie

was zijn genezing, zijn hoop, de zekerheid, dat hij herboren en

eindelijk gelukkig worden zou. Reeds had hij in haar gezelschap de

angstaanjagende problemen, alles wat hem vervolgde en verpletterde,

vergeten; ja, sedert een week was de gedachte aan den dood, die zoo

lang zijn makker van ieder uur geweest was, niet meer bij hem

opgekomen. De strijd tusschen geloof en twijfel, de wanhoop van het

Niet in hem, zijn toorn tegen het onrechtvaardige lijden, dat alles had

zij met haar frissche handen weggenomen; zij zelf was zoo gezond, zoo

levenslustig, dat zij hem den levenslust teruggegeven had. Dat was het:

zij maakte van hem den man, den werker, den minnaar en den vader.

Plotseling dacht hij aan het pijnlijke en smartelijke gesprek, dat hij

op een ochtend met den goeden abbé Rose gehad had. Dit onschuldige, in

liefdeszaken zoo onwetende hart was dus het eenige geweest, dat alles

had doorzien en begrepen. Hij had hem gezegd, dat hij veranderd, dat er

een ander mensch in hem gevormd was. En hij was als een dwaas blijven

zweren, dat hij dezelfde was, nadat Marie hem reeds geheel veranderd

had door de geheele natuur aan zijn borst te leggen: de zonnige velden,

de bevruchtende winden, den wijden hemel, die de oogsten rijpen doet.

Dat was de reden, waarom het Katholicisme, de godsdienst van den dood,

hem tot zoo’n wanhoop gebracht, waarom hij het uitgeschreeuwd had, dat

het Evangelie uitgediend had en de wereld een anderen codex, een

wetboek van aardsch geluk, van menschelijke rechtvaardigheid, van

levende liefde en vruchtbaarheid verwachtte!

Maar Guillaume? Hij zag plotseling het beeld van zijn broeder voor zich

oprijzen, van zijn broeder, die hem in zijn werkzaam, vreedzaam en

liefderijk huis gebracht had, om hem te genezen. Dat hij Marie kende

had hij aan Guillaume te danken. “Zes weken nog” klonk het hem weer in

de ooren. Over zes weken zou zijn broer met het jongemeisje trouwen.

Het was alsof een dolk in zijn hart gestooten werd! Geen seconde

aarzelde hij: als hij erdoor sterven moest, zou hij erdoor sterven,

maar niemand zou zijn liefde kennen; hij zou zich overwinnen, vluchten,

ver weg, als hij zich laf worden voelde. Zijn broeder, die zijn

opstanding gewild had, die de bewerker van zijn vurigen hartstocht was,

die zijn vertrouwen zoo ver uitgestrekt had hem alles van zijn hart en

van de zijnen te geven! Neen, neen, liever dan hem één uur verdriet te

veroorzaken zou hij zichzelf tot een eeuwige marteling veroordeelen. En

inderdaad begon zijn marteling opnieuw, want als hij Marie verloor, zou

hij weer in de wanhoop van het Niet terugvallen. Reeds begon op zijn

bed, waarin hij slapeloos woelde, het verschrikkelijke: de negatie van

alles, de nutteloosheid van alles, het geloochende en vervloekte leven.

Weer kwam de angst voor den dood. Sterven, sterven zonder geleefd te

hebben!

O, welk een vreeselijke strijd! Tot het aanbreken van den dag martelde

hij zich en steunde. Waarom had hij zijn soutane afgelegd? Een woord

van Marie had hem er toe gebracht haar uit te trekken; een woord van

Marie gaf hem de wanhopige gedachte het priesterkleed weer aan te

nemen. Zijn kerker kan men niet ontsnappen. Dat zwarte kleed plakte aan

zijn huid; hij verbeeldde zich het niet meer te dragen, maar het

brandde nog op zijn schouders: het eenige verstandige was zich er voor

altijd in te begraven! Op die wijze zou hij tenminste rouw dragen over

zijn manlijkheid!

Nog een andere gedachte bracht hem geheel van streek. Waarom streed hij

zoo? Marie had hem niet lief. Gedurende hun fietstocht was er niets

gebeurd, dat hem kon doen gelooven, dat zij anders van hem hield dan

als een goede, lieve zuster. Ongetwijfeld had zij Guillaume lief. Hij

verstikte zijn luide snikken in zijn kussen en zwoer weer zichzelf te

overwinnen en glimlachend getuige te zijn van hun geluk.

De drie steden: Parijs · 第 25 / 35 题