Op een avond na een flinken werkdag raakte Pierre, die Thomas hielp,
verward in zijn soutane en viel bijna.
“Waarom doe je die toch niet uit?” riep Marie met een klein gilletje
van schrik.
Zij zeide het zonder eenige bedoeling, eenvoudig omdat zij die soutane
voor sommige werken wat zwaar en lastig vond.
Maar dit zoo openhartige, zoo besliste woord drong diep in Pierre’s
geest door en verliet dien niet meer. In den beginne werd hij er
slechts door getroffen, maar toen de nacht gekomen en hij alleen in
zijn klein huisje te Neuilly was, voelde hij hoe dat woord hem
langzamerhand benauwde, hem een pijn, een ondragelijke koorts
veroorzaakte. “Waarom doe je die niet uit?” Inderdaad, hij had haar
moeten uittrekken; wat had hem tot dusverre verhinderd dat kleed af te
leggen, dat zoo zwaar, zoo pijnlijk over zijn schouders hing? De
vreeselijke strijd begon: hij bracht een afschuwelijken, slapeloozen
nacht door, waarin hij al zijn vroegere martelingen herleefde.
En toch leek het zoo makkelijk de soutane uit te trekken, nu hij zijn
ambt niet meer uitoefende. Sedert eenigen tijd las hij zijn mis niet
meer; dat was de ware breuk, het definitieve opgeven van zijn
priesterschap. Maar hij kon weer beginnen de mis te lezen, terwijl hij
voelde, dat hij den dag, waarop hij zijn soutane zou afleggen, het
priesterschap voor goed opgaf, het verliet, om er nooit meer toe terug
te keeren. Een onherroepelijk besluit diende genomen te worden. Uren
lang liep hij in angstvollen strijd door zijn kamer.
O, welk een mooie droom was het geweest, menschenschuw en eenzaam,
steeds hooger te stijgen, niet meer te gelooven, maar toch als kuisch
en eerlijk priester over het geloof van anderen te waken! Niet tot
meineed en tot de vernederende laagheid van den renegaat af te dalen,
maar zelfs in de troosteloosheid van zijn Niets de dienaar der
goddelijke illusie te blijven! Op die wijze was men hem, die alles
loochende, die ledig was als een graf, waaruit de wind zelfs de asch
weggeblazen heeft, ten slotte als een heilige gaan aanbidden. Nu echter
begon zijn geweten hem dien leugen te verwijten—een onbehaaglijk
gevoel, dat hij tot nog toe niet gekend had; de gedachte kwam in hem
op, dat hij slecht zou handelen, indien hij door bleef gaan zijn ideeën
en zijn leven niet met elkaar in overeenstemming te brengen.
Het conflict was duidelijk. Met welk recht bleef hij de priester van
een godsdienst, waaraan hij niet meer geloofde? Gebood de eerlijkheid
alleen hem niet uit een Kerk te treden, waarin hij ontkende, dat God
zijn kon? De dogma’s waren voor hem slechts hinderlijke dwalingen en
toch bleef hij er hardnekkig bij om ze te leeren als eeuwige waarheden.
Het was een afschuwelijk werk, waartegen zijn geweten nu met schrik in
opstand kwam. Vergeefs trachtte hij den vurigen gemoedstoestand, den
drang naar barmhartigheid en martelaarschap, die hem er toe gebracht
hadden zichzelf op te offeren, die hem hadden doen denken, dat hij
gaarne wilde lijden onder zijn twijfel en onder zijn verwoest en
verloren leven, mits hij den armen nog den troost van de hoop brengen
kon, terug te vinden. Ongetwijfeld hadden de waarheid en de natuur zich
reeds te veel weer van hem meester gemaakt: deze valsche apostelrol
stuitte hem thans tegen de borst, hij voelde niet meer den
afschuwelijken moed in zich Jezus met een gebaar tot de knielende
geloovigen te roepen, waar hij heel goed wist, dat Jezus niet tot hen
afdalen zou. Alles stortte in: zijn pose van verheven herder, het
offer, dat hij bracht in zijn eigen persoon doordat hij alles voor het
geloof gaf, zelfs de marteling het verloren te hebben.
Wat dacht Marie van zijn leugen? “Waarom doe je die niet uit?” klonk
het opnieuw in zijn ooren. Zijn geweten werd als in stukken gereten.
Zij, die zoo oprecht, zoo eerlijk was, moest hem daarom wel verachten.
In haar vatte hij al de afzonderlijke verwijten, al de heimelijke
kritiek, die zijn handelwijze uitlokte, samen. Het was thans voor hem
voldoende, dat zij hem ongelijk gaf, om zich schuldig te gevoelen. Toch
had zij hem nooit door één woord haar afkeuring te kennen gegeven. En
mocht zij zijn gedrag niet goedkeuren, dan voelde zij zich blijkbaar
niet gerechtigd zich in zijn tweestrijd te mengen. De mooie,
vrijmoedige en gezonde kalmte, waarvan zij steeds blijk gaf, verbaasde
steeds hem, dien het spook van het ontbrekende, de obsessie van het
hiernamaals altijd in een vreeselijken doodsstrijd verkeeren deden.
Dagen lang had hij haar bestudeerd, haar met zijn blikken gevolgd,
zonder haar ooit op een toestand van twijfel of wanhoop te kunnen
betrappen. Dat kwam, zeide zij, omdat zij al haar vreugde, al haar
kracht, al haar plichtsgevoel gebruikte om zóó te leven, dat het leven
voor haar voldoende was, zonder ooit tijd te vinden zich door
hersenschimmen te laten bang maken en verlammen. Hij zou dus die
soutane uittrekken, welke hem benauwde en brandde, omdat zij hem op
haar zoo kalme manier gevraagd had, waarom hij die niet uittrok.
Maar toen hij zich tegen den ochtend op zijn bed geworpen had en
meende, nu hij een besluit genomen had, kalmer geworden te zijn, moest
hij door een plotselinge benauwdheid weer opstaan. De afschuwelijke
angst begon opnieuw. Neen, neen, hij kon die soutane, welke als het
ware aan zijn lichaam vastkleefde, niet uittrekken. Zijn huid zou aan
het laken blijven hangen, zijn geheele innerlijk wezen zou erdoor
worden uitgerukt. Was het priesterschap niet onuitwischbaar, teekende
het niet den priester voor eeuwig, plaatste het hem niet altijd buiten
de kudde? Zelfs wanneer hij het kleed met de huid van zich afrukte, zou
hij de priester blijven, een voorwerp van ergernis en schande,
uitgestooten uit het gemeenschappelijke leven, onmachtig en machteloos.
Waarom dan zou hij het doen, nu de kerker toch gesloten bleef, nu het
arbeidzame en vruchtbare leven buiten in de volle zon niet meer voor
hem geschapen was? O, deze machteloosheid, deze machteloosheid! Hij
meende die tot in zijn beenderen, tot in zijn merg te voelen. Hij kon
geen besluit nemen en eerst twee dagen later ging hij weer, zonder een
besluit genomen te hebben, naar Montmartre terug. Zijn martelingen
waren weer teruggekeerd.
Trouwens ook het gelukkige huis daar was in een koortsachtig opgewonden
stemming, waardoor zelfs Guillaume aangetast was, die geheel in beslag
genomen werd door de zaak-Salvat. De zwijgende en waardige houding van
Salvat, die verklaarde geen medeplichtige te hebben, die alles bekende,
maar een schuw stilzwijgen bewaarde, zoodra hij bang was iemand te
zullen compromitteeren, had hem zeer getroffen. De instructie was wel
geheim, maar de rechter Amadieu, die ermede belast was, leidde haar met
een buitengewoon lawaai; de geheele pers stond vol van zijn persoon,
van zijn verhouding tot den beschuldigde, van berichten, interviews en
indiscreties. Dank zij Salvat’s kalme bekentenis had hij de
geschiedenis van den aanslag uur voor uur kunnen volgen; alleen bestond
nog twijfel omtrent de samenstelling van de gebruikte springstof en de
vervaardiging van de bom zelf. Als Salvat, zooals hij beweerde, de bom
werkelijk bij een vriend had kunnen laden, moest hij liegen, wanneer
hij vertelde, dat het kruit eenvoudig dynamiet was en afkomstig uit
andere bommen, die zijn kameraden gestolen hadden, want de deskundigen
beweerden, dat dynamiet nooit zoo’n verschrikkelijke uitwerking had
kunnen hebben. Hier bleef iets geheimzinnigs hangen, dat de instructie
vertraagde, en de couranten maakten daar misbruik van om dagelijks de
dolzinnigste verhalen, de meest ongerijmde berichten te publiceeren,
welker opzienbarende opschriften de oplaag deden stijgen.
Zoo werd Guillaume iederen ochtend steeds meer geprikkeld. Ondanks zijn
minachting voor Sanier en hoewel hij trilde van verontwaardiging, moest
hij, of hij wilde of niet, de Voix du Peuple koopen, als werd hij
aangetrokken door de modder, die eruit stroomde. Trouwens ook de andere
couranten, zelfs de zoo correcte Globe, publiceerden onbewezen
berichten en trokken daaruit de meest onrechtvaardige conclusies. De
taak van de pers scheen hierin te bestaan, dat Salvat bezoedeld en
bevuild moest worden, om in zijn persoon het anarchisme naar beneden te
halen. Zijn geheele leven was op die wijze een aaneenschakeling van
schanddaden geworden: op zijn tiende jaar, toen hij als een arm,
verlaten kind op straat rondzwierf, was hij een dief, later een slecht
soldaat, een slecht werkman, die in dienst voor insubordinatie
gestraft, uit de werkplaatsen, waarin hij door zijn propaganda een
slechten geest bracht, weggejaagd was; nog later was hij als een
verdacht avonturier naar Amerika gegaan, waar hij allerlei onbekend
gebleven misdaden gepleegd moest hebben—afgezien nog van zijn groote
immoraliteit, zijn samenleven na zijn terugkeer in Frankrijk met zijn
schoonzuster, die zijn dochtertje opgevoed had en die hij onder de
oogen van het kind tot zijn vrouw gemaakt had. Zoo werden zijn gebreken
ten toon gespreid en vergroot, zonder dat men de oorzaken, welke deze
veroorzaakt hadden, in aanmerking nam, het milieu, waar zij erger
geworden waren, als verontschuldiging gelden liet. Hoe moesten het
menschelijkheids- en rechtvaardigheidsgevoel van Guillaume in opstand
komen in hem, die den waren Salvat kende—dezen teerhartigen mysticus,
dezen hersenschimmigen, hartstochtelijken geest, die weerloos in het
leven geslingerd, door de verbitterde ellende steeds verpletterd en
eindelijk tot den droom gebracht was door de verwoesting van de geheele
wereld de gouden eeuw weer terug te doen keeren, treffen.
Het ergste was, dat Salvat door alles verpletterd werd, sedert hij in
strenge afzondering gehouden werd en in de onbeperkte macht van den
eerzuchtigen en mondainen Amadieu was. Guillaume wist door zijn zoon
Thomas, dat de beschuldigde op geen steun van zijne vroegere kameraden
in de fabriek Grandidier behoefde te rekenen. De fabriek begon weer te
bloeien, ging, dank zij de fabricatie van rijwielen, met den dag
vooruit; en men zeide, dat Grandidier nog slechts op den door Thomas
gezochten, kleinen motor wachtte, om tot de vervaardiging in het groot
van automobielen over te gaan. Maar juist die eerste successen, welke
nauwlijks een belooning waren voor de vele jaren van inspanning, hadden
hem voorzichtig en streng gemaakt; hij ontsloeg enkele werklieden, die
in den reuk stonden anarchist te zijn, daar hij niet wilde, dat die
pijnlijke geschiedenis van Salvat, die vroeger bij hem gewerkt had,
zijn firma in discrediet brengen zou. Dat hij Toussaint en diens zoon
Charles niet ontsloeg, hoewel de eerste een zwager van den beklaagde
was en de tweede van sympathie voor het anarchisme verdacht werd, vond
alleen zijn reden hierin, dat beiden daar reeds twintig jaar werkten.
Toussaint, die na de attaque van een beroerte slechts met moeite weer
aan het werk gegaan was, had zich voorgenomen, om, wanneer hij als
getuige à décharge gedagvaard werd, alleen maar te vertellen wat hij
wist van Salvat’s huwelijk met zijn zuster.
Op een avond, dat Thomas thuiskwam uit de fabriek, waar hij nu en dan
proeven met zijn motor ging nemen, vertelde hij, dat hij madame
Grandidier gezien had, de arme jonge vrouw, die tengevolge van een door
het verlies van een kind veroorzaakte kraamvrouwenkoorts krankzinnig
geworden was en die haar man, ondanks de dikwijls hevige aanvallen,
ondanks het droevig dagelijksch leven dat hij met dit zoo
beklagenswaardige groote kind leidde, nooit in een
krankzinnigengesticht had willen doen en steeds bij zich gehouden had
in het groote paviljoen, dat hij naast de fabriek bewoonde. De blinden
bleven steeds gesloten, en het was dan ook een groote verrassing, toen
een der ramen geopend werd en de zieke in den heerlijken zonneschijn
van den vroegtijdigen lentedag daarvoor kwam staan. Haar blond, mooi,
glimlachend kopje was echter slechts even als een wit en vluchtig
visioen zichtbaar geweest, want al heel gauw had een dienstbode het
raam weer gesloten en was het paviljoen in zijn doodsche stilte
teruggezonken. In de fabriek werd verteld, dat zij sedert een maand
geen aanval gehad had en dat het krachtige en tevreden uitzien van den
patroon, de sterke, maar eenigszins ruwe hand, waarmede hij den
toenemenden bloei van zijn firma verzekerde, daarin hun oorsprong
hadden.
“Hij is niet kwaad,” zeide Thomas, “maar hij wil in den vreeselijken
concurrentiestrijd, dien hij doormaakt, ontzag inboezemen. Hij zegt,
dat in onzen tijd, nu het kapitaal en de loonarbeid elkander dreigen te
vernietigen, de arbeiders, als zij willen blijven eten, zich gelukkig
mogen achten, dat het kapitaal in krachtige en verstandige handen valt.
Hij veroordeelt Salvat alleen daarom zoo meedoogenloos, omdat hij
meent, dat er een voorbeeld gesteld moet worden.”
Toen de jonge man dien dag uit de fabriek ging, had hij in de wijk van
de rue Marcadet, die als een van werken zoemende bijenkorf is, een
hartverscheurende ontmoeting gehad. Madame Thérèse en de kleine Céline
kwamen er juist uit, nadat zij een weigerend antwoord gekregen had van
Toussaint, die haar zelfs geen tien sous had kunnen geven. Sedert de
arrestatie van Salvat hadden de arme vrouw en het kind niets meer te
eten; verlaten, met schele oogen aangezien, uit haar ellendig krot
verjaagd, zwierven zij rond op goed geluk af, in de hoop hier en daar
een aalmoes te krijgen.
“Ik heb gezegd, dat ze maar eens hier moesten komen, vader. Ik had zoo
gedacht, dat we den huiseigenaar een maand vooruit moesten betalen, dan
hebben ze tenminste een dak boven haar hoofd... Daar zijn ze zeker!”
Guillaume had rillend geluisterd en verweet zichzelf, dat hij niet
eerder aan die twee arme schepsels gedacht had. Het was de vreeselijke,
eeuwige, oude geschiedenis: de man verdwijnt, vrouw en kind worden dak-
en broodloos. De gerechtigheid, die den man treft, slaat achteruit en
doodt de onschuldigen.
Schuchter en angstig kwam madame Théodore binnen. Zij was bijna blind
en de kleine Céline moest haar leiden. Deze had ondanks haar in flarden
hangend jurkje nog steeds haar smal, intelligent, fijn gezichtje, dat
niettegenstaande alles nu en dan nog door een jeugdig lachje
opgevroolijkt werd.
Pierre en Marie waren beiden diep geroerd. In de kamer zat ook Madame
Mathis, de moeder van den kleinen Victor, die Grootmoeder met het
verstelwerk hielp. Zij ging dikwijls zoo uit werken, om daardoor haar
zoon nu en dan een twintigfrancsstuk toe te kunnen stoppen. Maar
Guillaume alleen richtte het woord tot madame Théodore.
“Och, mijnheer,” stamelde zij; “wie had nu ooit kunnen gelooven, dat
Salvat tot zoo iets in staat zou zijn. Hij is altijd zoo goed en
vriendelijk! En toch is het waar, want hij heeft alles aan den rechter
bekend... Ik zeide tegen iedereen, dat hij in België was. Ik was er
niet heelemaal zeker van, en ik vind het maar prettiger, dat hij niet
bij ons teruggekomen is, want ik zou het vreeselijk gevonden hebben,
als hij bij ons gearresteerd was... En nu zij hem hebben, zullen zij
hem natuurlijk ter dood veroordeelen.”
Céline, die nieuwsgierig rondgekeken had, begon plotseling met dikke
tranen in haar oogen te jammeren:
“O neen, mama, zij zullen hem geen kwaad doen.”
Guillaume gaf haar een zoen en bleef verder vragen.
“Wat zal ik u zeggen, mijnheer? De kleine is nog niet in staat om te
werken en ik kan zoo goed als niets meer zien. Men wil mij zelfs niet
meer als huishoudster nemen, zoodat je wel van honger crepeeren moet...
O, ik heb familie genoeg—een zuster van mij is heel goed getrouwd met
een ambtenaar, mijnheer Chrétiennot, die u misschien wel kent. Maar hij
is een beetje hoog in zijn wapens, en om mijn zuster scènes te
besparen, kom ik er niet meer, ook al, omdat zij tegenwoordig wanhopig
is, daar zij weer in positie verkeert, wat in een huishouden een ware
ramp is, als je al twee dochtertjes hebt... Daarom heb ik bijna niemand
anders dan Toussaint, mijn broer. Zijn vrouw is zoo kwaad niet, maar
zij is toch niet meer dezelfde, sedert zij steeds door in angst leeft,
dat haar man een tweede attaque zal krijgen. Met de eerste zijn al haar
spaarduitjes weggegaan; en wat moet er van haar worden, als hij later
nog eens lam wordt? En dan is er nog meer, dat haar hindert; want u
moet weten, dat haar zoon Charles zoo dom geweest is het dienstmeisje
van een wijnhandelaar met jong te schoppen; maar die is er natuurlijk
vandoor gegaan en heeft hem met het kind laten zitten... Het is dus
heel goed te begrijpen, dat zij het zelf krap hebben. Ik neem het hun
niet kwalijk; zij hebben mij al dikwijls genoeg tien sous geleend, zij
kunnen het niet blijven doen.”
Zoo bleef zij maar doorpraten, zij beklaagde zich echter alleen om
Céline. Was het niet om te huilen—een zoo flink, handig meisje, dat op
school zulke goede vorderingen maakte en nu als een bedelares op straat
moest zwerven? En verder merkte zij heel goed, dat men om Salvat niets
met haar te doen wilde hebben. De Toussaints wilden zich in zoo’n
geschiedenis niet compromitteeren, Charles alleen had gezegd, dat hij
begrijpen kon, dat men op een goeden dag zoo zeer het hoofd verloor,
dat men de bourgeois in de lucht wilde laten vliegen—gemeen en
walgelijk was hun manier van doen.
“Ik zeg niets, mijnheer, want ik ben maar een arme vrouw. Maar wanneer
u weten wilt, wat ik denk—ik denk, dat Salvat beter gedaan had, als hij
wat hij deed niet gedaan had, omdat wij tweeën, de kleine en ik,
eigenlijk degenen zijn, die gestraft worden... Ziet u, het wil er niet
bij mij in: het kind van een ter dood veroordeelde...”
Maar weer viel Céline haar in de rede en viel haar om den hals.
“O, mama zeg dat toch niet. Het kan niet waar zijn!”
Pierre en Marie hadden een blik vol eindeloos medelijden gewisseld,
terwijl Grootmoeder boven in de kast was gaan kijken, of zij niet wat
linnengoed en kleeren voor die twee ongelukkige stakkerds had.
Guillaume, die tot tranen toe bewogen was en vol woede tegen een
wereld, waarin dergelijke dingen gebeuren konden, liet zijn aalmoes in
de hand der kleine glijden en beloofde aan madame Théodore, dat hij met
den huiseigenaar zou gaan spreken.
“O mijnheer Froment,” begon de ongelukkige weer, “Salvat had wel
gelijk, toen hij zeide, dat u een brave man bent... U weet ook wel, dat
hij niet slecht is, want hij heeft een paar dagen bij u gewerkt. Nu hij
in de gevangenis zit, spreekt iedereen over hem alsof hij een bandiet
is, en dat verscheurt mijn hart”
En zich dan tot madame Mathis wendend, die stil en bescheiden was
blijven werken:
“Ik ken u ook, madame, en vooral uw zoon Victor, die dikwijls bij ons
is komen praten... Wees maar niet bang, ik zal niets zeggen, want ik
wil niemand in gevaar brengen. Maar wanneer Victor praten kon, dan zou
hij alleen in staat zijn de denkbeelden van Salvat te verklaren.”
Verbijsterd keek madame Mathis haar aan. Daar zij van het ware leven en
de ware gedachten van haar zoon niets wist, schrok zij bij het
denkbeeld, dat er een band kon bestaan tusschen hem en dergelijke
menschen. Maar bovendien geloofde zij er niets van.
“U vergist u blijkbaar... Victor heeft mij verteld, dat hij bijna nooit
meer in Montmartre komt, dat hij altijd op zoek is naar werk.”
Uit den ongerusten, bevenden toon van haar stem begreep madame
Théodore, dat zij die vrouw niet in haar treurige zaken had moeten
mengen, en dadelijk maakt zij nederig haar excuses.
“Neem me niet kwalijk, madame, ik wilde u niet beleedigen. En misschien
vergis ik mij wel.”
Madame Mathis was weer kalm aan het naaien gegaan, als wilde zij zoo
gauw mogelijk in haar eenzaamheid terugkeeren, waarin zij nauwlijks
genoeg te eten had. Het hinderde haar niet, dat haar aangebeden zoon
haar veronachtzaamde, zij hoopte toch op hem, hij bleef haar laatste
droom... Eens zou hij haar met alle mogelijke geluk overstelpen!
Grootmoeder kwam met een pak kleeren en linnengoed weer naar beneden en
met eindelooze dankbetuigingen gingen madame Théodore en Céline weg.
Nog lang na haar vertrek bleef Pierre zwijgend en met diepe rimpels in
zijn voorhoofd, op en neer loopen, zonder dat het hem mogelijk was weer
aan het werk te gaan.
Toen Pierre den volgenden dag terugkwam, was hij tot zijn verbazing
getuige van een heel ander bezoek. Een windvlaag kwam naar
binnen—fladderende rokken, lachgilletjes, en daar was de kleine prinses
Rosemonde, die den jongen Hyacinthe Duvillard correct en stijf op den
voet volgde.
“Ik ben het, waarde meester, ik had u als door uw genie in geestdrift
gebracht leerling een bezoek beloofd... En hier is onze jonge vriend,
die zoo goed is mij dadelijk na mijn terugkeer uit Noorwegen bij u te
brengen, want mijn eerste bezoek is voor u.”
Zij draaide zich om en begroette heel gratieus Pierre, Marie, François
en Antoine, die ook in het atelier waren.
“O, dat Noorwegen, waarde meester, u kunt u niets maagdelijkers
voorstellen. Wij moesten allen uit die nieuwe, ideale bron gaan
drinken, wij zouden er gelouterd, verjongd en tot groote opofferingen
in staat van terugkeeren.”
In werkelijkheid had zij zich er doodelijk verveeld, daar zij zich niet
had kunnen wennen aan het “melkdieet”, dat haar jonge minnaar haar
oplegde. Deze huwelijksreis, niet in het warme Italië, maar in het land
van ijs en sneeuw, was wel buitengewoon elegant geweest en had wel
getuigenis afgelegd van de voornaamheid van hun liefde, die vrij was
van alle materialistische grofheid. Slechts hun zielen waren op reis en
zij wisselden niets dan zielskussen. Maar helaas werd zij op een nacht,
dat hij er beslist bij bleef haar als een symbolische, reine lelie te
behandelen, zoo verbitterd, dat zij een rijzweep nam en hem daarmede
een rammeling toediende. Hij zelf was zoo zwak geweest om boos te
worden en haar een flink pak slaag te geven, waarop zij in elkaars
armen vielen en elkander als heel gewone menschen toebehoorden. Bij het
ontwaken vond zij deze sensatie, die zij zoo ver was gaan zoeken, vrij
middelmatig, terwijl hij haar nooit vergaf, dat zij dit avontuur,
waarvan hij een intellectueel genot verwachtte, tot een zoo vernederend
einde gebracht had. Waartoe diende het het maagdelijke, hemelsche
Noorden te gaan ontwijden, waar een reeds bevlekte Fransche stad even
goed geweest zou zijn? En daar zij niet rein genoeg meer waren en zich
niet verwant meer voelden aan de zwanen op de droomzeeën, gingen zij
den volgenden dag weer aan boord.
Plotseling onderbrak zij haar verrukte schildering van Noorwegen, want
het diende nergens voor aan allen hun treurig échec te bekennen, en
riep uit:
“Tusschen twee haakjes, weet u wat mij bij mijn terugkomst wachtte? Ik
heb mijn hôtel heelemaal geplunderd gevonden... een plundering, waarvan
u u geen voorstelling maken kunt—en daarbij een vuiligheid, een
smeerlapperij!... We hebben dadelijk begrepen, dat de vriendjes van
Bergaz erin betrokken waren.”
Guillaume had den vorigen dag in de courant gelezen, dat een troep
jonge anarchisten ingebroken had in het hôtel van prinses de Hardt, dat
deze geheel onbewaakt had achtergelaten. De vriendelijke bandieten
hadden er zich niet mede tevreden gesteld alles ondersteboven te halen,
maar zij hadden blijkbaar twee dagen in het huis doorgebracht, den wijn
uit den kelder opgedronken, met de medegebrachte voorraden
feestmaaltijden aangericht, de kamer bevuild en overal sporen van hun
verblijf achtergelaten.
Toen Rosemonde thuis kwam, was zij meer verbaasd dan boos geweest en
had dadelijk gedacht aan den avond, dien zij met Bergaz en zijn twee
lievelingen Rossé en Sanfaute in het Cabinet des Horreurs had
doorgebracht. Van haar zelf hadden zij gehoord, dat zij naar Noorwegen
zou gaan. Inderdaad waren die beiden dan ook gearresteerd, maar Bergaz
was gevlucht. Zij verwonderde er zich niet al te zeer over, want zij
was reeds gewaarschuwd en wist, dat zich onder het zeer gemengde
gezelschap, dat zij in haar hartstocht voor internationale
excentriciteiten bij zich ontving, de grootste bandieten bevonden.
Janzen had haar een paar vuile geschiedenisjes verteld, die men aan
Bergaz en zijn bende toeschreef. Ditmaal echter stak hij zijn meening
niet onder stoelen of banken en vertelde aan iedereen, die het weten
wilde, dat na Raphanel, Bergaz zich aan de politie verkocht had, en dat
deze geheele geschiedenis een streek van hem was, om door dien
opzienbarenden diefstal, die te midden van zooveel vuiligheid gepleegd
was, het anarchisme voor altijd te bezoedelen. Lag het bewijs daarvan
niet in het feit, dat de politie hem had laten ontvluchten?
“Ik had gedacht,” zeide Guillaume, “dat de couranten overdreven... Zij
vinden op dit oogenblik, om het geval van den armen Salvat nog erger te
maken, zooveel afschuwelijke dingen uit.”
“O neen,” antwoordde Rosemonde vroolijk; “zij hebben niet alles kunnen
zeggen, het was te smerig... Ik kon nu zonder eenig gewetensbezwaar
naar een hôtel gaan, waar ik het veel prettiger vind, want het begon
mij thuis te vervelen... Maar in ieder geval is het anarchisme een vuil
zootje; ik durf niet meer te zeggen, dat ik er sympathie voor voel.”
Zij lachte en sprong plotseling op een andere gril over; zij wilde, dat
de meester haar over zijn nieuwe onderzoekingen vertelde, ongetwijfeld
om hem te laten zien, dat zij in staat was hem te begrijpen. Maar de
geschiedenis van Bergaz had hem ongerust gemaakt. Hij bepaalde zich tot
enkele algemeenheden en was tegenover de prinses slechts koel-beleefd.
Inmiddels hernieuwde Hyacinthe de kennis met François en Antoine, met
wie hij op het lyceum-Condorcet geweest was. Hij was slechts tegen zijn
zin met haar medegegaan; hij gaf alleen aan haar toe door den angst,
dien hij voor haar had, sedert zij hem sloeg. Dit kleine huis van een
als het ware verbannen scheikundige vervulde hem met een medelijdende
minachting en hij meende verplicht te zijn zijn meerderheid nog meer te
laten uitkomen tegenover oude kameraden, die hij als gewone
werkmenschen terugvond.
“O ja, dat is waar ook, je bent naar de École Normale gegaan,” zeide
hij tegen François, die bezig was aanteekeningen uit een boek te maken.
“Je wilt, geloof ik, examen doen!... Och, wat zal ik je zeggen? Ik voor
mij kan het denkbeeld van een halsband niet verdragen. Zoodra het om
een examen of zoo iets gaat, weet ik absoluut niets meer... En tusschen
ons gezegd en gezwegen, is wetenschap toch niet veel meer dan
voor-den-gek-houderij! En wat wordt je horizont erdoor beperkt! Neen,
je kan beter het kleine kind blijven, welks oogen het onzichtbare
aanschouwen. Zoo’n kind weet er meer van!”
François, die dikwijls ironisch kon zijn, vond het aardig hem gelijk te
geven.
“Zeker, je hebt volkomen gelijk. Maar je moet er een natuurlijken
aanleg voor hebben, om dat kleine kind te blijven... Ik ben
ongelukkigerwijze behept met een drang, om alles te willen weten. Het
is zonde en jammer, want ik zit nu heele dagen met mijn neus in de
boeken... O, ik zal nooit veel weten, dat is zeker, en misschien is dat
wel de reden, waarom ik altijd probeer meer te weten... Maar je zult me
moeten toegeven, dat werken even goed als niets doen een manier is om
het leven door te komen, o zeker, heel wat minder elegant, want jij
vindt natuurlijk, dat werken minder aesthetisch is!”
“Minder aesthetisch, dat is het juiste woord,” zeide Hyacinthe.
“Schoonheid is slechts te vinden in het niet-uitgedrukte; ieder leven,
dat tot werkelijkheid wordt, zinkt weg tot alledaagschheid.”
Maar hoe onnoozel hij in de geniale enormiteit van zijn pretenties was,
voelde hij toch den spot. Hij wendde zich tot Antoine, die aan zijn
houtsnede was blijven werken, het portret van Lise, dat hij in zijn
verlangen, om het ontwaken van het kind tot begrip en leven uit te
drukken, telkens weer opgaf, om het dan opnieuw te beginnen.
“Zoo heb jij je aan het graveeren gewijd... Sedert ik van het
verzen-maken en van mijn gedicht, Het Einde der Vrouw, heb afgezien,
omdat ik de woorden zoo plomp en zoo grof en zoo bezoedelend vond, heb
ik er ook over gedacht mij aan het teekenen of aan het graveeren te
wijden... Maar waar is de teekening, die het mysterie, het hiernamaals,
de eenige wereld, die bestaat en belangrijk is, tot uitdrukking brengt?
Met welk potlood die te verkrijgen, op welke plaats die weer te geven?
Er zou iets ontastbaars, dat niet bestaat, dat alleen het wezen van
dingen en menschen suggereert, voor noodig zijn.”
“Toch kan de kunst slechts door het stoffelijke van haar middelen dat
weergeven, wat zij het wezen van dingen en menschen noemt en wat in den
grond der zaak haar volkomen beteekenis is, tenminste die, welke wij
haar toekennen... Het leven weergeven is mijn groote passie, en er
bestaat geen ander mysterie dan dat van het leven in het diepst der
wezens achter de dingen... Wanneer mijn houtsnede leeft, ben ik
tevreden, omdat ik geschapen heb.”
Een spottende trek op Hyacinthe’s gezicht drukte zijn afkeer voor
vruchtbaarheid uit. Een heele kunst! De eerste de beste schoft maakte
een kind. Iets uitgelezens en zeldzaams was slechts de geslachtslooze,
door zichzelf bestaande idée. Hij wilde dat uitleggen, raakte echter in
zijn woorden verward en begon dan over de uit Noorwegen medegebrachte
zekerheid, dat het met kunst en litteratuur in Frankrijk uit was, dat
zij gedood waren door de alledaagschheid, ja zelfs het misbruik der
productie.
“Dat is zoo,” merkte François vroolijk op, “niets doen is reeds talent
hebben.”
Pierre en Marie keken en luisterden; deze vreemde invasie in het
gewoonlijk zoo ernstige en zoo kalme atelier maakte hen verlegen. Toch
was de kleine prinses heel voorkomend; zij kwam naar het jonge meisje
toe en bewonderde het fijne borduurwerk, waar zij juist de laatste hand
aan legde. Zij wilde niet weggaan voor Guillaume zijn handteekening
gezet had in een album, dat Hyacinthe uit het rijtuig moest gaan halen.
Hij voldeed aan haar verzoek met een zichtbaren tegenzin; zij waren
elkaar reeds moe, maar in afwachting van een nieuwe gril liet zij hem
niet los en vermaakte zij zich ermee hem te terroriseeren. Toen zij
hem, nadat zij Froment verzekerd had, dat deze dag onvergetelijk voor
haar zou blijven, medenam, bracht zij hen allen aan het lachen door de
woorden:
“Zoo, kennen de jongelui Hyacinthe van het lyceum... Een goede jongen
niet? Ja, hij zou zelfs aardig zijn als hij net was als andere
menschen.”
Dienzelfden dag kwamen Janzen en Bache den avond bij Guillaume
doorbrengen. De intieme samenkomsten van Neuilly werden eens per week
in Montmartre voortgezet. Pierre ging op zulke dagen eerst heel laat
naar huis; zoodra de twee vrouwen en de drie volwassen zoons naar boven
gegaan waren, werden er in het atelier, welks openstaand raam op het
nachtelijke, van gaslicht fonkelende Parijs uitzag, eindelooze
gesprekken gehouden. Théophile Morin kwam tegen tien uur, daar hij
eerst nog had moeten werken.
“Maar dat is een halve gekkin,” riep Janzen uit, toen Guillaume hun van
het bezoek der prinses verteld had. “Een oogenblik, toen ik pas met
haar kennis gemaakt had, heb ik gehoopt haar voor onze zaak dienstbaar
te kunnen maken. Zij leek zoo overtuigd, zoo dapper... Maar zij is een
der meest perverse vrouwen op de heele wereld, steeds uit op nieuwe
emoties.”
Het bloed steeg hem naar de wangen; eindelijk liet hij zijn gewone
gereserveerdheid, de geheimzinnigheid, waarin hij zich steeds hulde,
varen. Ongetwijfeld had hij geleden onder de breuk met haar, die hij
eens de kleine koningin van het anarchisme genoemd had en wier rijkdom
en talrijke relaties in alle kringen hem prachtig propaganda- en
overwinningsmateriaal toegeschenen was.
“Zooals je weet,” ging hij, wat kalmer geworden, voort; “is die
plundering en bevuiling van haar hôtel een streek van de politie... Men
heeft, kort voor het proces van Salvat, het anarchisme heelemaal in
discrediet willen brengen.”
Guillaume luisterde aandachtig.
“Ja, dat heeft zij mij verteld... Maar ik geloof niet veel van dat
verhaal. Als Bergaz slechts gehandeld had onder den invloed, waarover
je daarnet sprak, dan zou de politie hem met de anderen gearresteerd
hebben, zooals ze indertijd Raphanel en hen, die hij verraden had, ook
tegelijkertijd ingerekend hebben... En bovendien, ik ken Bergaz langer
dan vandaag; hij is altijd een halve plunderaar geweest.”
Zijn stem was somber geworden en hij maakte een bedroefd gebaar.
“Zeker, ik begrijp alle eischen, zelfs alle wettige
vergeldingsmaatregelen... Maar een diefstal, een cynische diefstal
alleen uit genot om te stelen, neen, daar kan ik niet bij... De
trotsche hoop op een rechtvaardige en betere maatschappij wordt
daardoor in mij verwoest... Dien diefstal in het hôtel de Hardt vind ik
diep en diep treurig.”
Om Janzen’s lippen speelde het raadselachtige, als een dolkmes zoo
snijdende glimlachje.
“Dat is een quaestie van atavisme! De eeuwen van beschaving en geloof,
die achter ons liggen, protesteeren in jou. Je moet wel terugnemen wat
ze je niet willen teruggeven... Het eenige wat mij hindert, is dat
Bergaz dit oogenblik uitgekozen heeft, om zich te verkoopen. Een
comedie-diefstal, een oratorisch effect, dat de officier van justitie
hebben wil om het hoofd van Salvat te eischen.”
In zijn haat tegen de politie en misschien ook ten gevolge van een
oneenigheid, die hij met Bergaz, met wien hij vroeger bevriend was,
gehad had, bleef Janzen bij deze verklaring. Het leven van dezen
vaderlandlooze, die zijn bloedigen droom door geheel Europa met zich
droeg, bleef ondoorgrondelijk. Guillaume zag van een verdere discussie
af en zeide eenvoudig:
“Die ongelukkige Salvat. Alles komt op hem neer, alles zal hem
verpletteren!... Je kunt je niet begrijpen hoe woedend dat geval mij
maakt. Al mijn voorstellingen van gerechtigheid en waarheid komen
daartegen in verzet. Zeker, hij is een krankzinnige, maar een, die
zooveel verontschuldigingen heeft, die in den grond der zaak slechts
een op het dwaalspoor gebrachte martelaar is! En nu is hij het
uitverkoren slachtoffer, de zondenbok, die voor ons allen boeten moet.”
Bache en Morin schudden hun hoofd zonder te antwoorden. Zij staken hun
afkeer voor het anarchisme niet onder stoelen of banken. Morin, die
vergat, dat zijn eerste leermeester Proudhon het woord, ja bijna de
zaak zelf in de wereld gebracht had, herinnerde zich nog slechts zijn
afgod Auguste Comte, om zich met hem in het mooie, hiëratische rijk der
wetenschappen op te sluiten. Hij was bereid zich aan de tyrannie te
onderwerpen tot den dag, waarop het ontwikkelde en tot vrede gebrachte
volk het geluk waard zijn zou. De oude humanitaire mysticus Bache werd
door de individualistische dorheid van de libertaire theorie in zijn
diepste overtuiging gekwetst: hij haalde zacht zijn schouders op en
zeide, dat iedere oplossing te vinden was bij Fourier, die de toekomst
voor eeuwig verwezenlijkt had door de alliantie van talent, kapitaal en
arbeid te decreteeren. Toch waren beiden met de burgerlijke
republieken, die de hervormingen zoo langzaam tot stand brachten, niet
tevreden; zij vonden, dat hun ideeën bespot werden, dat alles steeds
slechter ging en ergerden zich eveneens over de manier, waarop de
verschillende partijen Salvat trachtten uit te buiten, om de macht te
behouden of die in handen te krijgen.
“Als je bedenkt, dat die ministerieele crisis nu al bijna drie weken
duurt,” zeide Bache. “Alle begeerten en hartstochten worden in hun
volle naaktheid bloot gelegd, het is een walgelijk schouwspel... Hebben
jullie in de ochtendbladen gelezen, dat de president er weer toe heeft
moeten besluiten Vignon op het Elysée te ontbieden?”
“O, kranten lees ik niet meer,” prevelde Morin met zijn moede stem.
“Waarom zou ik dat doen? Die worden zoo slecht geschreven en liegen
toch allemaal.”
Inderdaad kwam er aan de ministerieele crisis geen eind. De president
der Republiek had de aanwijzingen, die de zitting, waarin het
ministerie Barroux gevallen was, hem gaf, gevolgd en zeer correct
Vignon, den overwinnaar, ontboden om hem met de vorming van een nieuw
ministerie te belasten. Het scheen een heel eenvoudige zaak te zijn,
die nauwlijks twee of drie dagen zou in beslag nemen, want reeds
maanden lang noemde men de namen der vrienden, die de jonge leider der
radicale partij in zijn kabinet zou opnemen. Maar allerlei
moeilijkheden hadden zich voorgedaan, Vignon had tien dagen lang te
midden van zoo onoverkomelijke hinderpalen moeten strijden, dat hij uit
vrees, dat hij al zijn krachten voor later uitputten zou, wanneer hij
hardnekkig volhouden bleef, den president medegedeeld had, dat hij van
de opdracht afzag. Dadelijk had deze andere afgevaardigden ontboden,
totdat hij er eindelijk een vond, die dapper genoeg was om op zijn
beurt een proef te nemen.
Maar ook hij was op dezelfde moeilijkheden gestooten: eerst scheen het,
dat een voorloopige lijst binnen enkele uren definitief zou worden,
maar dan kwamen er aarzelingen, verslappingen, een langzame verlamming,
die ten slotte tot een echec leidden. Het was, alsof het heimelijke
woelen, dat Vignon’s werk onmogelijk gemaakt had, opnieuw begon, alsof
een bende onzichtbare medeplichtigen bezig was de verschillende
combinaties met een verborgen doel te doen mislukken. En de president
had de vorming van een kabinet opnieuw moeten opdragen aan Vignon, die
ditmaal een bijna volledige lijst in zijn zak had en zeker scheen
binnen tweemaal vier-en-twintig uur te slagen.
“Maar het is nog niet uit,” zeide Bache verder. “Goed ingelichte
personen verzekeren, dat Vignon nu evenmin als den eersten keer zal
slagen. Niets kan mij van mijn idee afbrengen, dat Duvillard’s bende
dat heele zaakje leidt. Maar ten voordeele van wien, dat weet ik niet.
Maar je kunt ervan overtuigd zijn, dat het er in de allereerste plaats
om gaat de zaak van de Afrikaansche sporen in den doofpot te stoppen...
Als Monferrand niet al te zeer gecompromitteerd was, dan zou ik
gelooven, dat hij erachter zit. Heb je niet opgemerkt, hoe de Globe,
die plotseling Barroux in den steek gelaten heeft, bijna dagelijks met
een eerbiedige sympathie over Monferrand spreekt. Dat is een ernstig
symptoom, want Fonsègue heeft anders de gewoonte niet de overwonnenen
zoo vroom op te rapen... Enfin, wat kan je van die vervloekte Kamer
verwachten? In ieder geval gebeurt er weer iets vuils.”
“En dan die sul van een Mège,” zeide Morin, “die voor alle partijen
zorgt, behalve voor zichzelf. Is het niet belachelijk dat hij denkt,
dat hij alleen maar het eene ministerie na het andere behoeft omver te
werpen, om eindelijk zelf kabinetsformateur te worden?”
Bij den naam van Mège protesteerden allen, één in hun
gemeenschappelijken haat, luid. Bache, die in vele opzichten toch
precies hetzelfde dacht als de apostel van het Staatscollectivisme,
veroordeelde iedere redevoering, iedere daad van hem met een
onverbiddelijke strengheid. Janzen noemde hem eenvoudig een
burgerlijken reactionnair, dien men als een van de eerste wegvegen
moest. Dat was de hartstocht van hen allen; dikwijls konden zij
rechtvaardig zijn tegenover hun onverzoenlijkste tegenstanders, die
geen enkel van hun denkbeelden duldden, terwijl het een groote,
onvergeeflijke misdaad was bijna eender te denken als zij, zonder het
in alle opzichten volkomen met hen eens te zijn.
Dan kwam het gesprek op Sanier, wiens blad de modder iederen dag als
uit een riool haalde. Guillaume, die volgens zijn gewoonte op en neer
was gaan loopen, ontwaakte uit zijn droef gepeins, om uit te roepen:
“O, die Sanier! Wat een vuil werk verricht die! Heel gauw zal er niets
of niemand meer zijn, op wien hij niet gespogen heeft. Je denkt, dat
hij het met je eens is, en plotseling wordt je bevuild... Heeft hij
gisteren niet verteld, dat men bij zijn arrestatie op Salvat valsche
sleutels gevonden heeft en portemonnaies, die hij van wandelaars
gestolen zou hebben... Altijd Salvat! Salvat, het onuitputtelijk
onderwerp voor artikelen! Salvat, wiens naam voldoende is om de oplaag
der couranten te verdriedubbelen! Salvat, de gelukkige afleiding voor
de omgekochten van de Afrikaansche sporen! Salvat, het slagveld, waarop
ministeries vallen en gevormd worden! Allen buiten hem uit en wurgen
hem!”
Na dezen kreet van verzet en medelijden namen de vrienden afscheid.
Pierre had den geheelen avond voor het open raam gezeten en zonder een
woord te zeggen geluisterd. Hij was ten prooi aan zijn twijfel, aan
zijn innerlijken tweestrijd, en nog geen van de vele elkaar
tegensprekende meeningen hadden hem een oplossing, een bevrediging
gebracht. Zij waren het er slechts over eens, dat de oude wereld
verdwijnen moest, zonder dat zij in een zelfde broederlijke
krachtsinspanning de toekomstige wereld van gerechtigheid en waarheid
vermochten op te bouwen.
Toen Pierre op zijn beurt ook eindelijk wegging, legde Guillaume zijn
beide handen op de schouders van zijn broer en keek hem, ondanks zijn
toorn diep geroerd, lang aan.
“Jij lijdt ook, arme jongen, dat zie ik al een paar dagen. Maar jij
bent de meester van je lijden, want de strijd wordt slechts in jou zelf
gestreden, jij kunt je zelf overwinnen, terwijl men de wereld niet kan
overwinnen, wanneer het lijden het gevolg is van haar slechtheid en
ongerechtigheid!... Kom, wees dapper, handel volgens je rede, ook al
moet het je tranen kosten, en je zal kalm worden.”
Toen Pierre dien nacht in zijn kleine huisje te Neuilly, waarin nog
slechts de schimmen van zijn vader en van zijn moeder terugkeerden,
alleen was, hield een allerlaatste strijd hem nog lang wakker. Nooit
nog had hij een zoo sterken afschuw gevoeld voor zijn leugen, voor dat
priesterschap, dat een zinloos gebaar voor hem geworden was, voor die
soutane, welke hij eigenlijk slechts als een soort vermomming droeg.
Misschien had wat hij bij zijn broeder gezien en gehoord had—de
maatschappelijke ellende van sommigen, de nuttelooze en dwaze agitatie
van anderen, het ondanks alle onderlinge tegenspraak hardnekkig
blijvende verlangen naar een betere menschheid—hem de noodzakelijkheid
van een eerlijk, in het volle licht normaal te leiden leven nog dieper
doen gevoelen. Nu kon hij aan den langen droom, dien hij eens gedroomd
had, dat menschenschuwe en eenzame leven van een vroom priester, die
hij niet was, niet denken, zonder dat een rilling van schaamte hem
doorhuiverde, zijn geweten in opstand kwam tegen die lange leugen. Nu
stond het vast: hij zou niet langer liegen, zelfs niet uit
barmhartigheid, om aan anderen de goddelijke illusie te geven. Maar
welk een losscheuren uit alles wat hem eens lief geweest was, was het
afleggen van die soutane, welke hij aan zijn huid meende te voelen
plakken. Hoe troosteloos was het voor hem tegen zichzelf te moeten
zeggen, dat hij, zelfs wanneer hij zich losrukte, zwak, gewond,
verminkt zou blijven, zonder ooit weer te kunnen worden als andere
menschen.
Daarin bestond in dien vreeselijken nacht wederom zijn strijd en zijn
marteling. Zou het leven nog iets van hem willen weten? Was hij niet
geteekend om eeuwig afzonderlijk te blijven staan? Hij meende zijn eed
als een rood gloeiend ijzer in zijn vleesch te voelen. Waartoe diende
hij zich te kleeden als andere mannen, daar hij toch nooit meer een man
zijn kon? Tot nog toe had hij zoo bevend, zoo onhandig, zoo verloren in
zijn verzaking en in zijn droomwereld geleefd! Niet meer kunnen! Niet
meer kunnen! Deze vrees, waardoor hij bang was te zullen verlammen,
liet hem niet los. En toen hij een besluit nam, deed hij het in angst,
alleen uit eerlijkheid.
Toen Pierre den volgenden dag naar Montmartre terugging, droeg hij een
donkere jas en broek. Grootmoeder en de drie zonen lieten hun verbazing
noch door een uitroep, noch door een blik blijken. Was het niet heel
natuurlijk? Zij begroetten hem op dezelfde kalme manier als altijd,
misschien zelfs met nog meer hartelijkheid en liefde, om de eerste
oogenblikken makkelijker voor hem te maken. Maar Guillaume lachte hem
vriendelijk toe. Hij zag daarin zijn werk. De genezing kwam, zooals hij
gehoopt had, door hem en bij hem, in de volle zon, in het leven, dat de
groote glazen deur in breede stroomen binnen vallen liet.
Ook Marie had opgekeken en zag Pierre aan. Zij wist niet wat haar zoo
logisch woord: “Waarom trek je die niet uit?” hem had doen lijden. Dat
hij zijn soutane afgelegd had, vond zij eenvoudig makkelijker voor het
werk.
“Kom eens kijken, Pierre... Toen ik kwam, zat ik juist te kijken, hoe
de wind al die rookwolken naar het Oosten drijft. Je zoudt ze voor
schepen kunnen aanzien, voor een niet te tellen eskader, dat de zon
purper kleurt. Ja, ja, het zijn gouden schepen, duizenden gouden
schepen, die uit den oceaan van Parijs uitloopen, om de aarde
beschaving en vrede te brengen!”