I.

Het was een zachte ochtend in het laatst van Maart, toen Pierre met

zijn broer Guillaume het kleine huisje te Neuilly verliet, om met hem

naar Montmartre te gaan. Zijn hart kromp ineen bij de gedachte, dat hij

alleen terugkeeren en weer in zijn wanhoop en in zijn Niet terugzinken

zou. Hij had niet geslapen, een radelooze bitterheid vervulde hem; maar

hij verborg zijn smart en dwong zich tot een glimlach.

Toen de twee broers zagen, dat het zulk mooi en lekker weer was,

besloten zij te voet te gaan; een lange wandeling over de

buitenboulevards. Het sloeg negen uur. Pierre vond het heerlijk zijn

ouderen broeder, die één en al opgewektheid was bij de gedachte aan de

verrassing, die hij den zijnen als bij den terugkeer van een reis

bereidde, naar huis te vergezellen. Guillaume had de zijnen niet

gewaarschuwd, doch hun slechts van tijd tot tijd geschreven hoe het met

hem ging. Uit voorzichtigheid en zijn verlangen eerbiedigend, waren

zijn zoons hem niet komen opzoeken; en ook het jonge meisje, waarmede

hij trouwen zou, had verstandig, kalm en bescheiden gewacht.

Toen zij de zonnige hellingen van Montmartre beklommen hadden, ging

Guillaume, die een sleutel had, eenvoudig en zacht naar binnen. Het

kleine huisje op de place du Tertre scheen in een diepen vrede te

sluimeren en Pierre vond het juist zoo terug als hij het bij zijn

eerste en eenig bezoek gezien had: stil, glimlachend en badend in een

eindelooze teederheid. Eerst had men de smalle gang, die door den

rez-de-chaussée liep, om een uitzicht te geven op den onmetelijken

horizont van Parijs. Dan kwam de tuin, die tot twee pruimeboomen en een

boschje seringen, waaraan nu jonge blaadjes vroolijk lachten,

ingekrompen was, en ditmaal zag Pierre drie fietsen tegen de

pruimeboomen staan. Ten slotte het groote, vroolijke werkvertrek,

waarin het heele gezin leefde en welks ramen de dakenzee beheerschte.

Guillaume was, zonder iemand gezien te hebben, bij het atelier gekomen.

Vroolijk bracht hij zijn vinger aan zijn lippen.

“Nou zal je eens wat zien, beste Pierre.”

De deur ging geruischloos open en zij bleven even op den drempel staan.

Alleen de drie zoons waren er. Thomas was met een perforeermachine

bezig en maakte tallooze gaten in een kleine koperen plaat. In den

anderen hoek, voor de glazen deur, zaten François en Antoine aan hun

groote tafel, de een in een boek verdiept, terwijl de andere met zijn

graveerstift aan een houtsnede bezig was. Vroolijk vielen de

zonnestralen binnen en speelden tusschen het pêle-mêle van het vertrek,

waarin zooveel verschillend werk en zooveel verschillende werktuigen

opgehoopt waren, te midden waarvan de werktafel van de beide vrouwen

met een heerlijken ruiker nagelbloemen versierd was. In de diepe

aandacht der drie jonge mannen, in de religieuze stilte hoorde men

niets dan het zachte krassen der machine bij ieder gat, dat de oudste

boorde.

Maar hoewel Guillaume zich op den drempel niet bewoog, ging er toch een

rilling, een plotselinge waarschuwing door het vertrek. De drie zoons

keken als door een ingeving tegelijk op en met denzelfden kreet en met

dezelfde geestdrift vlogen zij hem om zijn hals.

“Vader!”

Gelukkig drukte hij ze aan zijn borst en gaf hun een kus. Dat was

alles: geen verdere sentimentaliteiten, geen nuttelooze woorden. Het

was alsof hij den vorigen avond uitgegaan was en nu, na wat langer dan

gewoonlijk opgehouden te zijn, weer thuiskwam. Glimlachend keek hij hen

aan, terwijl zij hem eveneens aankeken en ook glimlachten. Maar dat

drukte al hun liefde, de volkomen overgave voor eeuwig uit.

“Kom toch binnen, Pierre, en geef dien kerels een hand!”

De priester was verlegen en zich niet op zijn gemak gevoelend, bij de

deur blijven staan. Zijn drie neven schudden hem hartelijk de hand, dan

echter ging hij, daar hij niet goed wist wat hij doen moest, voor het

raam zitten.

“Nu jongens, waar is Grootmoeder en waar is Marie?”

Grootmoeder was juist naar haar kamer gegaan en het jonge meisje had

het plotseling in haar hoofd gekregen zelf op de markt inkoopen te

doen. Dat was een van haar grootste genoegens; zij beweerde, dat zij

alleen versche eieren en boter, die naar hazelnoten rook, koopen kon.

Bovendien bracht zij dikwijls wat lekkers of bloemen mede, blij, dat

zij kon laten zien wat een goede huisvrouw zij was.

“Zoo, en gaat alles goed, jongens?” vroeg Guillaume verder. “Zijn

jullie tevreden? Schiet het werk op?”

Hij deed aan ieder afzonderlijk een korte vraag, als iemand, die

dadelijk weer in zijn dagelijksche gewoonten thuis is. Thomas, wiens

goedig gezicht straalde, vatte in enkele zinnen zijn nieuwe proeven

omtrent den nieuwen motor samen, waarvan hij zeker was hem thans

gevonden te hebben. François, nog steeds druk bezig met de studies voor

zijn examen, vertelde schertsend van den grooten hoop stof, dien hij

nog in zijn hersens moest opstapelen. Antoine liet hem de houtsnede

zien, die hij bijna klaar had: zijn vriendinnetje Lise, de zuster van

den beeldhouwer Jahan, die in een tuin in de zon zat te lezen. Al

pratend waren de drie jongens weer naar hun plaatsen gegaan en

hervatten heel natuurlijk, tengevolge van de sterke tucht, die van den

arbeid hun leven zelf gemaakt had, hun werk.

“Nou jongens, ik heb ook den tijd, dat ik op bed liggen moest, niet

nutteloos voorbij laten gaan. Ik heb zelfs een heeleboel aanteekeningen

gemaakt.”

“Wij zijn te voet gekomen, maar een rijtuig zal dat alles met de

kleeren en het linnengoed, die Grootmoeder mij gestuurd heeft,

brengen... Wat ben ik blij alles hier weer terug te vinden! Wat zullen

we weer werken!”

Reeds zat hij weer in zijn eigen hoekje. Tusschen de smidse en het raam

was een groote ruimte voor hem gereserveerd; daar waren zijn vitrines

en planken, die vol stonden met allerlei toestellen, zijn oventje en

zijn lange tafel, waarvan hij het einde gebruikte als bureau. Reeds nam

hij weer bezit van die wereld, zijn blikken gingen, gelukkig alles weer

in orde terug te vinden, van het een naar het ander, zijn handen

zochten, raakten de voorwerpen aan, als had hij, evenals zijn drie

zoons, haast weer aan het werk te gaan.

Maar op dat oogenblik riep Grootmoeder, die boven aan de trap ernstig,

kalm en rechtop in haar eeuwige zwarte japon stond:

“Ben jij daar, Guillaume? Wil je even boven komen?”

Hij ging naar boven, want hij begreep, dat zij hem op de hoogte

brengen, hem geruststellen, hem dadelijk alles zeggen wilde, wat zij

onder vier oogen te zeggen had. Het ging om het vreeselijke geheim, dat

alleen tusschen hen bestond, het eenige, wat zijn zoons niet wisten,

datgene wat hem met angst gemarteld had, toen hij na den aanslag bang

was, dat het ontdekt en bekend worden zou. Boven in de kamer liet zij

hem naast het bed de geheime bergplaats zien, waarin de patronen van

het nieuwe kruit en de plannen voor de verschrikkelijke

vernietigingsmachine bewaard werden. Hij vond ze terug zooals hij ze

achtergelaten had; om ze aan te raken, had men de oude vrouw moeten

dooden of met haar het huis in de lucht laten vliegen. Op haar kalme,

heldhaftige manier gaf zij hem den sleutel terug, dien hij haar den

ochtend na zijn verwonding door Pierre had laten brengen.

“Je was toch niet ongerust, wel?”

“Alleen ongerust dat de politie u zou kunnen brutaliseeren... U bent de

hoedster en u zoudt mijn werk voltooien, als ik sterven mocht!”

Intusschen voelde Pierre, die nog steeds beneden voor het raam zat,

zijn verlegenheid toenemen. O, zeker, allen kwamen hem in dit huis met

liefdevolle sympathie tegemoet—maar waarom scheen het hem dan toe,

alsof de dingen en de menschen zelf, ondanks hun goeden wil, hem

vijandig bleven. En hij vroeg zich af wat er te midden van deze

werkers, die allen door een geloof staande gehouden werden, worden

moest van hem, van hem, die aan niets meer geloofde, die niets deed.

Het zien van die zoo ijverig, zoo vroolijk aan hun werk bezige broeders

vervulde hem met een soort toornige geprikkeldheid, die door het

binnenkomen van Marie nog erger werd.

Met haar mandje met inkoopen aan haar arm kwam zij, zonder hem te zien,

binnen en zag er in den glans van haar jeugd, met haar slanke taille en

haar breede borst zóó vroolijk en zóó overstroomend van gezondheid uit,

dat men gedacht zou hebben, dat een zonnige lente-ochtend met haar

binnenkwam. Haar rose gezichtje, haar fijne neus, haar groot,

intelligent voorhoofd haar volle, goedige mond straalde onder haar

donkere lokken. Haar bruine oogen lachten in een voortdurenden jubel

van gezondheid en kracht.

“Jongens, jullie moesten eens weten wat ik allemaal gekocht heb... Komt

eens kijken! Ik heb de mand niet in de keuken willen uitpakken.”

Zij hield niet op vóór zij om de mand, die zij op tafel gezet had,

kwamen staan.

“In de eerste plaats boter. Nou, ruikt die naar hazelnoten of niet? Die

maken ze apart voor mij... En dan eieren. Gisteren gelegd, op mijn

woord van eer. En dit zelfs vandaag pas... En dan coteletten. Prachtig,

hè? De slager doet er speciaal zijn best op, als ik ze kom halen!—En

dan nog een roomkaas, maar van echte room, een prachtstuk!—En

eindelijk, als verrassing, radijsjes, mooie, kleine, roode radijsjes.

Radijsjes in Maart! Luxe gewoon!”

Zij triompheerde als een goede huisvrouw, die de waarde der dingen kent

en op het lyceum Fénelon een heelen kook- en huishoudcursus gevolgd

had. De drie broers lachten met haar mede en maakte haar een

complimentje.

Maar plotseling zag zij Pierre.

“Wat, zit u daar, mijnheer de abbé? Neem me niet kwalijk, maar ik had u

heusch niet gezien... En hoe is het met Guillaume? Komt u nieuws

brengen?”

“Maar vader is teruggekomen!” zeide Thomas. “Hij is boven bij

Grootmoeder.”

Verschrikt legde zij haar inkoopen weer in de mand.

“Guillaume weer thuis! Guillaume weer thuis!... En dat zeg je me nou

pas! En je laat mij eerst mijn mand uitpakken! Een mooie boel, om zoo

te staan pochen op mijn boter en eieren, terwijl Guillaume weer thuis

is!”

Juist op dat oogenblik kwam deze met Grootmoeder naar beneden. Vroolijk

liep zij naar hem toe, liet zich twee stevige zoenen op haar beide

wangen geven, legde dan haar handen op zijn schouders, keek hem lang

aan en zeide met een eenigszins bevende stem:

“Ik ben blij, erg blij je weer terug te zien, Guillaume... Nu mag ik

het wel zeggen, ik ben erg bang geweest, dat ik je zou moeten

verliezen.”

En hoewel zij nog steeds lachte, kwamen er twee tranen in haar oogen.

Ook hij was zeer ontroerd en fluisterde, terwijl hij haar weer kuste:

“Lieve Marie... Wat ben ik gelukkig! Ik vind je weer zoo mooi en zoo

lief terug!”

Pierre, die ze aankeek, vond hen koel. Blijkbaar had hij van

verloofden, die een ongeluk zoo kort vóór hun huwelijk langen tijd

gescheiden had, meer tranen, een hartstochtelijker omhelzing verwacht.

Ook het groote verschil in leeftijd hinderde hem, hoewel zijn broer er

toch nog flink en jong uitzag. Neen, het moest het jonge meisje zijn,

dat niet in zijn smaak viel. Zij was te gezond, te kalm. Sedert zij

binnen was, voelde hij zijn verlegenheid, zijn lust om weg te gaan en

niet meer terug te komen, grooter worden. Het gevoel, dat hij zoo heel

anders dan zij, dat hij een vreemdeling in het huis van zijn broeder

was, deed hem pijn. Hij stond op, wilde weggaan, onder voorwendsel, dat

hij nog een boodschap in Parijs moest doen.

“Wat, wil je niet bij ons blijven dejeuneeren?” riep Guillaume verbaasd

uit. “Dat hadden we toch afgesproken. Neen, dat verdriet zal je me toch

niet aandoen... Voortaan, broertje, is dit huis het jouwe.”

Ook al de anderen verzetten zich tegen zijn vertrek en drongen er

hartelijk op aan, dat hij zou blijven, zoodat hij toegeven moest en

weer op zijn stoel ging zitten, waar hij weer in zijn zwijgende

verlegenheid terugviel en naar deze familie, die de zijne was, maar van

wie hij zich toch zoo ver verwijderd gevoelde, keek en luisterde.

Het was even over elven. Door vroolijk gebabbel onderbroken, werd het

werk voortgezet, toen een der beide dienstmeisjes de mand met inkoopen

kwam halen. Marie drukte haar op het hart haar te roepen voor de zachte

eieren, want zij liet er zich op voorstaan een prachtig recept te

hebben, waardoor zij ze juist zoo kon koken, dat het wit een

roomachtige melk bleef. Dat gaf François aanleiding tot een paar

grappen; hij plaagde haar dikwijls met al die mooie dingen, die zij op

het lyceum Fénelon had geleerd, waarop haar vader haar op haar twaalfde

jaar na den dood van haar moeder gedaan had. Maar zij bleef het

antwoord niet schuldig, lachte op haar beurt over de uren, die hij zelf

op de École Normale met paedagogische onzinnigheden verspilde.

“O jullie groote kinderen,” zeide zij, zonder met haar borduurwerk op

te houden; “het is grappig; jullie bent toch alle drie intelligente

jongens met een breeden blik, en toch kunnen jullie het in den grond

der zaak niet goed zetten, dat een meisje zooals ik net als jullie op

een lyceum gestudeerd heeft. De strijd tusschen de seksen, een

concurrentiequaestie, niet?”

Zij protesteerden, bezwoeren, dat zij niets liever wilden dan goed

onderwijs voor meisjes. Dat wist zij zelf ook heel goed; zij vond het

alleen leuk hen te plagen.

“Neen, neen, in dat opzicht zijn jullie heel achterlijk... Ik weet heel

goed, wat men in welmeenende burgerlijke kringen aan de meisjeslycea

verwijt. In de eerste plaats is het onderwijs daar volkomen wereldlijk,

en dat valt in het geheel niet in den smaak der families, die voor

meisjes het godsdienstonderwijs als een moreele verdediging

noodzakelijk achten. Verder wordt het onderwijs er steeds

democratischer; dank zij het gratis toelaten van leerlingen, wat zeer

vrijgevig geschiedt, komen er meisjes uit alle kringen, zoodat de

dochter van de mevrouw op de eerste verdieping en die van de conciërge

er elkaar vinden en vriendschappelijk met elkaar omgaan. Ten slotte

geraakt men er los van den huiselijken haard, wordt een steeds grootere

speelruimte gegeven aan het initiatief, terwijl al die overladen

programma’s en al die kennis, die bij het examen geëischt wordt,

ongetwijfeld een emancipatie van het jonge meisje, een stap nader tot

de toekomstige vrouw, tot de toekomstige maatschappij beteekenen,

waarnaar jullie allen immers zoo verlangt!”

“Natuurlijk, daar zijn we het allen over eens!” riep François.

Zij maakte een aardig gebaar en ging kalm voort.

“Ik maak maar gekheid... Jullie weet, dat ik maar een eenvoudig meisje

ben en niet zoo veel verlang als jullie! O, die eischen en die rechten

der vrouw! Het is immers heel duidelijk, zij heeft alle rechten, zij is

de gelijke van den man, in zooverre de natuur dat toelaat! De eenige

moeilijkheid bestaat hierin: elkander te begrijpen en lief te hebben...

Dat neemt niet weg, dat ik heel blij ben te weten wat ik weet. O, ik

zeg het zonder eenige pedanterie, alleen maar omdat ik me verbeeld, dat

dit me zoo gezond gemaakt heeft, mij lichamelijk en geestelijk een

steun in het leven geeft.”

Wanneer zij die oude herinneringen aan het lyceum Fénelon ophaalde,

ging zij er geheel in op met een vuur, waarin haar ijver, haar gestoei

gedurende de vrije uren, haar dolle streken met haar vriendinnen

herleefden. Van de vijf meisjeslycea te Parijs was het lyceum Fénelon

het eenige, dat veel leerlingen telde en wel voornamelijk dochters van

ambtenaren en vooral van onderwijzeressen, die zichzelf voor het

onderwijs wilden bekwamen. Deze gingen, na het lyceum afgeloopen te

hebben, haar einddiploma halen aan de École Normale te Sèvres. Maar

Marie voelde ondanks haar uitstekende studiën in het geheel geen

roeping voor onderwijs geven, en later, toen haar vader geruïneerd en

schulden nalatend stierf en zij een oogenblik lang zonder middelen van

bestaan op straat kwam te staan, had Guillaume haar tot zich genomen en

niet gewild, dat zij overal en nergens les ging geven. Zij borduurde

prachtig en stond er hardnekkig op, zelf geld te verdienen, om van

niemand iets behoeven over te nemen.

Glimlachend had Guillaume, zonder zich in het gesprek te mengen,

geluisterd. Hij had haar lief leeren krijgen om haar vrijmoedigheid,

haar rechtschapenheid, haar mooie evenwicht, dat haar groote, krachtige

bekoring vormde. Zij wist alles, en al mocht zij daardoor de poëzie van

het onwetende, schuchtere jonge meisje verloren hebben, zij had

daardoor een werkelijke rechtschapenheid van geest en hart, een

volmaakte onschuld, die zich voor niets schaamde, zonder eenige

huichelachtige achterhoudendheid, zonder verborgen, door het

geheimzinnige geprikkelde perversiteit gewonnen. En bij haar heerlijke,

rustige gezondheid had zij een zóó kinderlijke kuischheid behouden, dat

nog dikwijls ondanks haar zes-en-twintig jaar het bloed haar naar de

wangen steeg, zij van die vuurroode kleuren kreeg, welke haar zoo

wanhopig maakten.

“Lieve Marie,” zeide Guillaume; “je ziet wel, dat de kinderen een

grapje maken. Maar jij hebt gelijk... Jouw zachte eitjes zijn de

lekkerste van de heele wereld.”

Hij had het met zulk een liefdevolle teederheid gezegd, dat het jonge

meisje, zonder dat er eenige reden voor was, vuurrood werd. Zij voelde

het zelf en bloosde nog meer. En toen de drie jongens haar ondeugend

aankeken, werd zij boos op zichzelf.

“Het is belachelijk, dat zoo’n oude jongejuffrouw als ik nog bloost,

vindt u ook niet, mijnheer de abbé?” vroeg zij, zich tot Pierre

wendend. “Zou je niet zeggen, dat ik heel wat verkeerds gedaan heb? Die

jongens plagen me alleen, om me een kleur te laten krijgen... Het helpt

niets, al verzet ik me er nog zoo tegen; ik weet niet waar het vandaan

komt, maar ik kan er niets tegen doen.”

Grootmoeder keek op van het hemd, dat zij bezig was te verstellen.

“Het is niets erg, beste meid,” zeide zij. “Het is het hart, dat naar

je wangen stijgt, opdat men het zien kan.”

Het dejeuner-uurtje naderde. Ze besloten de tafel in het atelier te

dekken, wat meermalen gebeurde wanneer er een gast was. De eieren, die

het jonge meisje zelf onder een servet uit de keuken gehaald had,

werden heerlijk gevonden. Ook de radijsjes en de boter vielen goed in

den smaak. Na de coteletten was er geen ander dessert dan de roomkaas,

maar het was een roomkaas, zooals nog nooit iemand er een gegeten had.

En voor hun oogen hadden zij Parijs, dat zich in zijn vreeselijk

gebruis onmetelijk van het eene einde van den horizont naar het andere

uitstrekte.

Pierre had al zijn krachten ingespannen om vroolijk te zijn. Maar

weldra was hij weer in zijn zwijgen teruggevallen. Guillaume, die de

drie fietsen buiten had zien staan, vroeg aan Marie hoe ver zij dien

ochtend gereden had. François en Antoine waren met haar den kant van

Ogremont uit geweest, maar het vervelende was, dat zij altijd weer de

fietsen den heuvel op moesten duwen. Zij lachte erom en zeide, dat zij

daardoor lekker en zonder booze droomen sliep. De fiets bezat in haar

oogen alle mogelijke deugden; en toen Pierre haar verbaasd aankeek,

beloofde zij, dat zij hem haar denkbeelden daaromtrent wel eens zou

uiteenzetten. Van nu af bleef de fiets het onderwerp van het gesprek

uitmaken. Thomas verklaarde de laatste verbeteringen, die aan de

machines van de fabriek Grandidier aangebracht waren. Hij zelf zocht

naar een mechanisme, waarmede men onder het rijden op eenvoudige en

praktische wijze de versnelling zou kunnen veranderen.

Grootmoeder, die steeds met de kalmte van een koningin-moeder aan de

tafel zat, boog zich naar Guillaume toe en fluisterde hem iets in.

Pierre begreep, dat zij over zijn huwelijk sprak, waarvan de op einde

April vastgestelde datum natuurlijk verzet moest worden. Dit zoo

verstandige huwelijk, dat het geluk van het geheele huis scheen te

moeten verklaren, was een beetje het werk van haar en van haar drie

zoons, want de vader zou nooit naar de stem van zijn hart geluisterd

hebben, wanneer de vrouw, die hij in de familie bracht, zich niet reeds

daarin bevonden had, niet reeds als zoodanig erkend en geliefd was. Nu

scheen om alle mogelijke redenen de laatste week van Juni een goede

datum.

Marie hoorde het en keerde zich vroolijk om.

“Jij vindt het eind van Juni ook toch goed, lieve kind?” vroeg

Grootmoeder.

Pierre verwachtte een diepen blos op de wangen van het jonge meisje te

zullen zien komen. Maar zij bleef heel kalm, zij voelde voor Guillaume

een groote toegenegenheid, een onbegrensde dankbaarheid en was er zeker

van, dat zij door dit huwelijk iets verstandigs en goeds deed voor

zichzelf en voor de anderen.

“Prachtig, einde Juni,” herhaalde zij. “Ik vind het uitstekend.”

De zoons hadden het ook begrepen en vergenoegden er zich mede te

knikken, om hun instemming te kennen te geven.

Toen ze van tafel opgestaan waren, wilde Pierre beslist weggaan. Waarom

deed dit in zijn eenvoud zoo hartelijk dejeuner, deze familie, die zoo

gelukkig was den vader weer in haar midden te hebben, en voor alles dit

vreedzame, het leven zoo toelachende jonge meisje hem zoo’n pijn? Hij

gaf weer als voorwendsel, dat hij boodschappen in Parijs had. Dan

drukte hij de handen, die de drie jongens hem toestaken, ja zelfs die

van Grootmoeder en Marie, die beiden even hartelijk, maar over zijn

haastig vertrek eenigszins verbaasd waren. Nadat Guillaume nog vergeefs

getracht had hem te doen blijven, ging hij met hem mede. In den tuin

bleef hij echter staan, om Pierre tot een verklaring te dwingen.

“Wat heb je? Waarom loop je weg?”

“Ik heb niets, heusch niet. Ik heb een paar dringende boodschappen, dat

is alles!”

“Neen, laat dat voorwendsel nu maar achterwege... Niemand heeft je toch

iets onaangenaams gezegd of je gekwetst. Zij zullen heel gauw even veel

van je houden als ik van je houd.”

“Daaraan twijfel ik geen oogenblik, ik beklaag me over niemand... De

eenige, over wien ik zou kunnen klagen, ben ik zelf.”

“Jongen, wat doe je me een verdriet!” zeide Guillaume ontroerd en met

een wanhopig gebaar. “Ik zie heel goed in, dat je wat voor mij

verborgen houdt. Bedenk toch, dat we nu weer broers zijn, dat we weer

even veel van elkaar houden als vroeger, toen ik in je wieg met je

speelde. Ik ken je, ik ken je ongeluk en je marteling, want je hebt

alles voor mij opgebiecht. En ik wil niet, dat je lijdt, ik wil je

genezen.”

Toen Pierre hem zoo hoorde spreken, voelde hij zijn hart opzwellen en

kon hij zijn tranen niet inhouden.

“Neen, neen, je moet mij aan mijn lijden overlaten. Daarvoor is geen

genezing. Je kan niets voor mij doen; ik sta buiten de natuur, ik ben

een monster.”

“Wat zeg je daar? Kan je dan niet in de natuur terugkeeren, zelfs als

het waar is, dat je daar uitgetreden bent... Ik wil niet, dat je je

weer gaat opsluiten in dat eenzame kleine huisje, waar je je door het

herkauwen van je Niets krankzinnig maakt. Kom je dagen bij ons

doorbrengen, dan kunnen wij je weer den levenslust teruggeven.”

O, welk een ijskoude rilling doorhuiverde hem bij de gedachte, dat hij

weer alleen zou zijn in dat kleine, leege huisje zonder zijn broer, van

wien hij zooveel was gaan houden en met wien hij zulke prettige dagen

doorgebracht had! In welk een eenzaamheid, in welk een kwelling zou hij

er weer terugvallen na die enkele weken van heerlijk samenleven,

waaraan hij al zoo gewend geraakt was. Maar zijn smart werd er slechts

te grooter door; een bekentenis viel van zijn lippen.

“Hier leven! Bij jullie leven! Neen, dat is mij niet mogelijk... Waarom

dwing je me te spreken, je te zeggen waarvoor ik mij zoo schaam en dat

ik zelf niet begrijp? Sinds vanochtend vroeg heb je wel gezien, dat ik

hier bij jullie lijd; dat komt ongetwijfeld, omdat jullie werkt en ik

niets doe, omdat jullie elkaar lief hebt, omdat jullie gelooft in je

arbeid, terwijl ik niets heb om lief te hebben of in te gelooven... Ik

voel me niet op mijn gemak bij jullie, zoodat het niet anders kan, of

ik moet jullie op mijn beurt hinderen. Zelfs prikkelt jullie mij, ik

zou jullie zelfs ten slotte gaan haten. Je ziet wel, dat er niets goeds

meer in mij overblijft, dat alles verwoest en vernield is, dat alles

dood is, dat alleen nijd en haat er weer in zouden kunnen opgroeien.

Laat mij dus naar mijn vervloekten hoek terugkeeren, waar het Niet zich

heelemaal van mij meester zal maken. Vaarwel broeder!”

Buiten zichzelf van liefde en medelijden hield Guillaume hem bij zijn

armen vast.

“Je zult niet weggaan. Ik wil niet, dat je weggaat, zonder mij vast

beloofd te hebben, dat je terug zult komen. Ik wil je niet voor de

tweede maal verliezen, nu ik weet, wie je bent en hoe je lijdt. Tegen

je eigen wil in, als het moet, zal ik je redden, zal ik je van de

marteling van je twijfel genezen, o, zonder zedepreeken tegen je te

houden, zonder je eenig geloof op te dringen, maar eenvoudig door het

leven, dat alleen je gezondheid en hoop terug kan geven, zijn gang te

laten gaan. Ik smeek je, Pierre, ik smeek het je in den naam van onze

liefde, kom weer terug, kom dikwijls terug, om hier je dag door te

brengen. Je zult zien, dat je, wanneer je je een taak gesteld hebt en

in den familiekring werkt, je je nooit zoo ongelukkig voelt. Een taak

van welken aard dan ook en de een of andere groote liefde—het leven

aanvaarden, leven en liefhebben!”

“Waarom?” prevelde Pierre bitter. “Ik heb geen taak meer en kan niet

meer liefhebben.”

“Nu, dan zal ik je een taak geven, en zoodra de liefde terugkomt, zal

je weer liefhebben. Zeg ja, Pierre, zeg ja!”

En toen hij zag, dat zijn smart nog niet week, dat hij er hardnekkig

bij bleef hem te verlaten en zich te vernietigen, ging hij door.

“O, ik beweer volstrekt niet, dat alles in de wereld naar wensch gaat,

dat er alleen maar vreugde, waarheid en gerechtigheid is... Je kan je

niet voorstellen bijvoorbeeld, hoe de geschiedenis van dien

ongelukkigen Salvat mij met woede en verzet vervult. Hij is strafbaar,

o zeker, maar hoeveel verontschuldigingen zijn er niet voor zijn daad

te vinden. Wat zal men hem sympathiek voor mij maken, als men op hem de

misdaden van allen stapelt, als de politieke benden hem naar elkaar

toekaatsen, zich van hem bedienen voor de verovering van de macht. Dat

verbittert mij en ik kan je niet beloven, dat ik verstandiger zijn zal

dan jij... Maar Pierre, je moet me beloven, dat je, al doe je het

alleen maar om mij pleizier te doen, overmorgen den heelen dag bij ons

komt.”

En toen Pierre nog zwijgen bleef:

“Ik wil het; de gedachte, dat jij je in je hol als een gewond dier

martelt, kan ik niet verdragen... Ik wil je genezen, ik wil je redden.”

Weer waren tranen in de oogen van Pierre gekomen en hij zeide met een

oneindige troosteloosheid:

“Dwing mij niet om iets te beloven... Ik zal trachten mezelf te

overwinnen.”

Welk een vreeselijke week had Pierre in het kleine, donkere en ledige

huisje. Zeven dagen lang begroef hij zich daar en martelde zichzelf in

wanhoop, dat hij zijn ouderen broer, dien hij weer met zijn geheele

ziel was gaan lief hebben, niet meer voortdurend bij zich had. Nooit

nog had hij, sedert de twijfel zijn hart ledig maakte, zijn alleen zijn

zoo sterk gevoeld. Telkens weer stond hij op het punt naar Montmartre

te gaan; daar waren, zooals hij onbestemd voelde, liefde, waarheid en

leven. Maar telkens hield een onbehaaglijk gevoel, datzelfde gevoel,

dat zich reeds eenmaal van hem meester gemaakt had en uit vrees en

schaamte bestond, hem tegen. Zou hij, de priester, de ontmande, de uit

de gemeenschappelijke liefde en arbeid gebannene, zou hij daar onder

die natuurlijke, vrije en gezonde wezens iets anders kunnen vinden dan

lijden en pijn? Hij riep de schimmen van zijn vader en zijn moeder, die

door de verlaten kamers dwaalden, op, deze nog altijd, zelfs na hun

dood, strijdende schimmen, die hij meende te hooren jammeren, alsof zij

hem smeekten hen in hem te verzoenen, wanneer hij voor zichzelf vrede

zou vinden. Wat moest hij doen? Moest hij met hen weenen, met hen zich

aan wanhoop overgeven? Of moest hij daarginds de genezing zoeken gaan,

waardoor zij eindelijk de sluimering van het graf zouden vinden,

gelukkig te kunnen slapen, als hij gelukkig leefde. En op een morgen

scheen het hem, toen hij wakker werd, alsof zijn vader hem glimlachend

daarheen zond, terwijl zijn moeder hem met haar groote zachte oogen,

waarin de smart van hem een slecht priester gemaakt te hebben week voor

den drang, om hem aan het leven der gemeenschap terug te geven,

aanmoedigend aankeek.

Dien dag redeneerde Pierre niet verder, maar nam een rijtuig en gaf den

koetsier het adres, om zeker te zijn niet te weifelen en onderweg weer

om te keeren. Toen hij dan, als in een droom, weer in het atelier

stond, waar hij hartelijk ontvangen werd door Guillaume en diens drie

zoons, was hij getuige van een scène, die hem diep trof en een groote

verlichting was voor zijn smart.

Bij zijn komst was Marie blijven zitten en had hem nauwelijks gegroet;

zij zag bleek en een groote rimpel groefde zich over haar voorhoofd.

Grootmoeder was ook heel ernstig en zeide, terwijl zij haar aankeek:

“Neem haar niet kwalijk, mijnheer de abbé, zij is niet heelemaal

toerekenbaar... Zij is boos op ons allemaal.”

Guillaume begon te lachen.

“O, het is zoo’n stijfkopje... Je kunt je niet voorstellen, Pierre, wat

er in dat hoofdje omgaat, wanneer je het niet eens bent met haar

opvatting van gerechtigheid. Het is een zoo hooge opvatting, dat zij

geen vergelijk duldt. Wij spraken daarnet over dat proces, waarin de

vader alleen door de getuigenverklaring van zijn zoon veroordeeld kon

worden, en zij alleen houdt vol, dat die zoon goed gehandeld heeft, dat

men altijd en ondanks alles de waarheid zeggen moet... Wat een

verschrikkelijke officier van justitie zou zij zijn!”

Buiten zichzelf van woede en door het glimlachen van Pierre, die haar

ongelijk gaf, nog meer geprikkeld, liet Marie zich door haar drift

medesleepen.

“Guillaume, je bent gemeen... Ik wil niet, dat daarom gelachen wordt.”

“Maar je lijkt wel niet wijs,” riep François uit, terwijl Thomas en

Antoine eveneens lachten. “Vader en ik verdedigen slechts een stelling

van menschelijkheid en wij respecteeren en eerbiedigen de gerechtigheid

even goed als jij.”

“Het gaat hier niet om menschelijkheid, alleen om gerechtigheid. Wat

recht is, is recht, ondanks alles, zelfs al moest de wereld daardoor

ten gronde gaan.”

Toen Guillaume nogmaals trachtte haar te overtuigen, sprong zij

plotseling bevend op en begon in haar woede te stamelen:

“Neen, neen, jullie bent allemaal slecht, jullie wilt me allemaal

beleedigen... Ik ga liever naar mijn kamer.”

Vergeefs trachtte Grootmoeder haar tegen te houden.

“Kind, kind, denk toch eens na; het is heel leelijk van je. Je zult er

spijt van hebben.”

“Neen, neen, jullie bent niet rechtvaardig, ik heb te veel verdriet.”

Driftig ging zij naar haar kamer. Het gaf een heele consternatie.

Dergelijke tooneelen kwamen meer voor, maar zelden zoo heftig.

Guillaume verweet zich dadelijk, dat hij het spelletje te ver gedreven

had, vooral door haar te plagen, want ironie kon zij niet verdragen.

Hij vertelde aan Pierre, dat zij in haar jeugd dikwijls van die

woede-aanvallen gehad had, wanneer zij iets onrechtvaardigs zag. Zooals

zij later uitlegde, was het een onweerstaanbare kracht, die haar

medesleurde en razend maakte. Tegenwoordig nog was zij bij dergelijke

dingen eigenzinnig en twistziek. Zij schaamde er zich over, want zij

voelde heel goed, dat zij daardoor dikwijls onverdragelijk en voor

gezelschap ongeschikt werd.

Inderdaad kwam zij een kwartier later weer uit eigen beweging beneden;

zij had een hoogroode kleur, maar bekende dapper haar ongelijk.

“Wat ben ik belachelijk, hè, en hoe slecht, terwijl ik de anderen

verwijt slecht te zijn... Mijnheer de abbé zal een mooi idee van mij

krijgen.”

“U vergeeft het me, niet Grootmoeder?” vroeg zij en gaf haar een zoen.

“Ja, nu mag François lachen en Thomas en Antoine ook. Zij hebben

gelijk, ik verdien niets beters!”

“Arme Marie,” zeide Guillaume liefdevol; “dat komt ervan, als je in het

absolute leeft... Jij, die in alles zoo evenwichtig, zoo redelijk en

verstandig bent, omdat je het relatieve der dingen aanvaardt en van het

leven niets anders vraagt dan wat het geven kan, verliest alle

redelijkheid en alle evenwicht, zoodra je in die absolute voorstelling

opgaat, welke jij je van de gerechtigheid maakt... Maar wie van ons

zondigt niet op die wijze?”

“Dat heeft tenminste het voordeel, dat ik niet volmaakt ben,” schertste

Marie, nog steeds verlegen.

“Zeker, en daarom houd ik nog meer van je.”

Dat zou Pierre eveneens graag uitgeschreeuwd hebben. Dit tooneel had

hem diep getroffen, zonder dat hij alles, wat het in hem wakker maakte,

nog duidelijk begrijpen kon. Kwamen de martelingen, waaronder hij leed,

ook niet voort uit dat absolute, waarin hij leven wilde, het absolute,

dat hij tot nog toe van menschen en dieren geëischt had? Hij had het

volkomen geloof gezocht en hij had zich uit wanhoop in het volkomen

loochenen geworpen. En was die hautaine houding, welke hij ondanks de

ineenstorting van alles was blijven aannemen, die roep van een vroom en

heilig priester, dien hij zich verworven had, terwijl slechts het Niet

in hem woonde, was dat niet wederom een verkeerd verlangen naar het

absolute, was dat niet de romantische pose van zijn verblinding en van

zijn hoogmoed?

Toen zijn broeder zooeven Marie prees, dat zij van het leven niets

vroeg dan wat het geven kon, was het hem voorgekomen alsof die woorden

als een raadgeving tot hem gericht werden en als een frissche ademtocht

der natuur over zijn gelaat streken. Maar dat alles was nog zoo

verward; het eenige, wat hem werkelijk vreugde bracht, was de toorn,

waarin hij het jonge meisje gezien had, de dwaling, die haar nader tot

hem bracht en die haar af deed dalen van het hooge voetstuk van

volmaaktheid, die hem onbewust lijden deed. Welk gevoel was hier in hem

werkzaam? Hij gaf er zich geen rekenschap van. Dien dag praatte hij

enkele oogenblikken met haar en vond haar, toen hij wegging, goed en

menschelijk.

Twee dagen later reeds was Pierre den geheelen middag in het groote,

zonnige atelier. Sedert hij zich zijn niets-doen bewust geworden was,

verveelde hij zich erg en begon slechts daar tusschen die zoo vroolijk

werkende familie afleiding te vinden. Zijn broeder gaf hem een standje,

dat hij niet was komen dejeuneeren, en hij moest beloven den volgenden

dag vroeg genoeg te zullen komen om mede te kunnen eten. Nadat er een

week verstreken was, bestond er tusschen hem en Marie een goede,

kameraadschappelijke verhouding, waarin geen spoor meer was te

ontdekken van de vijandelijkheid, die hen in den beginne tegen elkaar

had doen botsen. De gedachte aan dien priester in zijn soutane hinderde

haar in het geheel niet, want in haar rustig atheïsme was zij nooit op

het denkbeeld gekomen, dat een priester een wezen afzonderlijk zijn

kon. En juist die zusterlijke ontvangst van haar, alsof hij een gewone

jas gedragen, hetzelfde leven geleid, dezelfde denkbeelden gehad had

als zijn groote neven, zonder dat iets hem van andere mannen

onderscheidde, verwonderde en verrukte hem. Maar wat hem nog meer

verbaasde was het zwijgen, dat zij over godsdienstige quaesties

bewaarde—de rustige en gelukkige onbezorgdheid, waarin het goddelijke,

het hiernamaals, dat angstaanjagende gebied van het mysterie, waardoor

hij zelf zich in zoo’n smartvollen doodsstrijd voortsleepte, haar

scheen te laten.

Sedert hij zoo om de twee of drie dagen kwam, merkte zij heel goed, dat

hij leed. Wat had hij toch? Zij vroeg het hem als een goede vriendin;

en toen zij slechts ontwijkende antwoorden kreeg, voelde zij, dat hier

een bloedende, zich over zichzelf schamende smart was, die het geheim,

waarin zij zich hulde, ongeneeslijk maakte. Haar vrouwlijk medelijden

ontwaakte en zij vatte een steeds grooter wordende toegenegenheid op

voor den grooten, bleeken jongeling met zijn koortsachtig brandende

oogen, die door een innerlijke marteling, waarover hij met niemand

spreken wilde, verteerd werd. Ongetwijfeld had zij Guillaume gevraagd,

waarom zijn broer zoo treurig en wanhopig was; en hij had haar een

gedeelte van het geheim toevertrouwd, opdat zij hem zou kunnen helpen

Pierre van zijn martelingen te genezen door hem weer levenslust te

geven. Hij was zoo gelukkig, dat zij met hem als met een vriend en een

broer omging. Op een avond eindelijk, toen zij vol liefde bij hem

aandrong, daar zij zag hoe een somber op Parijs nederdalende schemering

zijn oogen met tranen vulde, bekende hij haar plotseling zijn

martelingen, vertelde hij haar welk een doodelijke leegte het verlies

van zijn geloof voor altijd in hem gegraven had. O, niet meer te

gelooven, niet meer lief te hebben, niets meer te zijn dan asch, niet

te weten door welke andere zekerheid den ontbrekenden God te vervangen!

Zij keek hem verbaasd en verbijsterd aan. Maar hij leek wel niet wijs!

En zij zeide hem dat in de verwondering en in het verzet, waartoe die

kreet van ellende haar bracht. Wat, wanhopen, niet meer gelooven, niet

meer liefhebben, omdat de hypothese van het goddelijke ineenstort? En

dat, waar toch de wijde wereld bestaat, het leven met zijn plicht om

geleefd te worden, al de wezens en al de dingen, die men liefhebben en

helpen moet, afgezien nog van den wereldarbeid, de taak, aan welker

vervulling ieder werken moet! Het was ongetwijfeld waanzin, een sombere

waanzin, en zij zwoer zichzelf een eed hem daarvan te genezen.

Van af dat oogenblik boezemde deze vreemde jongen, dien zij eerst

ongezellig en daarna wonderlijk gevonden had, haar een diep, maar

liefdevol medelijden in. Zij was zeer zacht en vroolijk tegenover hem

en behandelde hem met al haar teere fijngevoeligheid van geest en hart.

Beiden hadden een zelfde jeugd gehad, want hun vrome moeders hadden hen

in een bekrompen godsdienstigheid opgevoed. Maar welk een verschillend

lot, welk een geheel ander leven daarna! Terwijl hij, gebonden door

zijn priestereed, tegen zijn twijfel streed, was zij na den dood van

haar moeder naar het lyceum Fénelon gegaan en daar ver van allen

godsdienst opgegroeid. Langzamerhand had zij haar eerste religieuze

indrukken volkomen vergeten. En het was voor hem een steeds

terugkeerende reden tot verbazing, dat zij op die wijze was ontsnapt

aan den angst voor het hiernamaals, welke hem juist zoo geheel en al

ten gronde gericht had. Wanneer hij in hun gesprekken zijn verbazing

daarover uitsprak, begon zij hartelijk te lachen en zeide, dat de hel

haar nooit vrees had aangejaagd, omdat zij heel goed wist, dat die niet

bestaan kon, terwijl zij er nog aan toevoegde, dat zij rustig leefde

zonder hoop in den hemel te komen en trachtte zich aan te passen aan de

noodzakelijkheden van deze aarde. Dat was misschien een quaestie van

temperament, maar ook zeker van opvoeding, want nooit was een volkomen

ontwikkeling in een krachtigeren geest, in een rechtschapener karakter

terecht gekomen. En het wonderlijke was, dat zij bij al die opgehoopte

kennis zoo vrouwlijk, zoo teer bleef zonder iets hards of manlijks. Zij

was eenvoudig door en door natuurlijk, ongedwongen en bekoorlijk.

“O, lieve vriend,” zeide zij, “als je eens wist hoe makkelijk het mij

valt gelukkig te zijn, wanneer zij, die ik lief heb, niet al te zeer

lijden. Ik voor mij persoonlijk kan mij steeds best in het leven

schikken, ik pas mij eraan aan, werk, ben ondanks alles tevreden door

mijzelf. Verdriet heb ik feitelijk alleen om anderen gehad, want ik kan

het nu eenmaal niet helpen, maar ik wil, dat iedereen bijna even

gelukkig is... en er zijn menschen, die zich daartegen verzetten. Zoo

ben ik langen tijd arm geweest, zonder dat ik daarom ophield vroolijk

te zijn. Ik verlang niets dan de dingen, die niet te koop zijn.

Desniettemin is de ellende de grootste gruwel, een schreeuwende

onrechtvaardigheid, die mij woedend maakt. Ik kan mij begrijpen, dat

alles voor je ineenstortte, toen je de naastenliefde nutteloos en

bespottelijk ging vinden. En toch geeft zij verlichting, geven is zoo

zoet. En dan, eenmaal zal door de rede, door den arbeid, door de goede

functionneering van het leven zelf de gerechtigheid heerschen... Wat,

ben ik nu aan het preeken? En ik voel er zoo weinig voor! Het zou te

belachelijk zijn, wanneer ik jou met mijn geleerde phrases genezen

wilde. Maar toch is het waar, dat ik je van je sombere ziekte bevrijden

wil en daarom vraag ik je zoo dikwijls mogelijk bij ons te komen. Je

weet, dat het Guillaume’s lievelingswensch is. Wij zullen allemaal

zooveel van je houden, je zult zien hoe vroolijk en eensgezind wij aan

het gemeenschappelijke werk gaan, zoodat je terugkeeren zult tot de

waarheid, door met ons bij de goede natuur in de leer te gaan... Leef,

werk, heb lief, hoop!”

Pierre glimlachte en kwam nu bijna iederen dag terug. Zij was zoo

liefdevol, wanneer zij hem zoo verstandig de les las! En zij had

gelijk: in het atelier heerschte zoo’n liefde, de vreugde om samen te

zijn, samen zich te geven aan den gezonden en waarachtigen arbeid! En

zich schamend over zijn niets doen en behoefte voelend om zijn vingers

en zijn gedachten bezig te houden, hielp hij de anderen bij hun werk,

vooral Thomas, wiens onderzoekingen op het gebied der exacte

wetenschappen hem het meest interesseerden. Hij deed over zijn soutane

een blauwe schort en maakte van af dat oogenblik deel uit van het

atelier.

In de eerste dagen van April, op een middag, dat allen aan het werk

waren, keek Marie, die naast het werktafeltje tegenover Grootmoeder zat

te borduren, naar Parijs en uitte een kreet van bewondering.

“O kijk eens, Parijs in dien zonneregen!”

Pierre kwam naar het groote raam. Het was hetzelfde lichteffect, dat

hij ook bij zijn eerste bezoek gezien had. De zon, die achter dunne,

purperen wolkjes onder ging, overgoot de stad met een regen van

stralen, die aan alle kanten op de eindelooze onmetelijkheid der daken

terugkaatsten. Men had kunnen denken, dat de een of andere reusachtige,

in den gloed der zon verborgen zaaier zijn gouden zaadkorrels met

handenvol van het eene eind van den horizont naar het andere strooide.

Hardop zeide Pierre zijn droom.

“Parijs wordt door de zon bevrucht. Zie eens welk een akker, dien de

ploeg in alle richting omgewoeld heeft! Zie eens naar die bruine

huizen, die op aardkluiten gelijken, naar die als vorens zoo diepe en

rechte straten!”

Marie lachte en geraakte ook in geestdrift.

“Ja, ja, zoo is het... De zon bevrucht Parijs. Kijk eens met welk een

majestueus gebaar zij het zaad van gezondheid en licht daar in de verre

voorsteden werpt. En hoe vreemd, het is of de wijken der rijken in het

Westen als het ware in een rossigen nevel gehuld zijn, terwijl het

goede zaad als geel stof op den linkeroever in de volkrijke wijken van

het Oosten valt... En daar moet immers de oogst opkomen?”

Allen waren dichterbij gekomen en glimlachten ingenomen om het symbool.

En inderdaad hoe meer de zon achter het net der wolken daalde, des te

meer scheen de zaaister van het eeuwige leven haar vlammen uit eigen

beweging in een rhytmische slingering, die juist de wijken van den

arbeid koos, nu hier- dan daarheen te werpen. Een handvol vuurzaad viel

op de wijk der scholen neer, en dan ging een andere handvol de wijk der

werkplaatsen en fabrieken bevruchten.

“O,” riep Guillaume vroolijk uit; “moge de oogst snel opschieten in

deze door zoovele revoluties omgeploegde, door het bloed van zoovele

arbeiders bemeste aarde van ons groot Parijs! Alleen in dezen grond kan

de idee ontkiemen en bloeien... Ja, ja, Pierre heeft gelijk, de zon

bevrucht Parijs met de toekomstige wereld, die slechts hier ontstaan

kan.”

Thomas, François en Antoine, die achter hun vader waren komen staan,

gaven door een hoofdknikje dezelfde overtuiging te kennen, terwijl

Grootmoeder, die ernstig in de verte staarde, de stralende toekomst

scheen te zien.

“Een droom—en na hoeveel eeuwen werkelijkheid?” prevelde Pierre

rillend. “Wij zullen die niet meer beleven!”

“Nu, dan de anderen!” riep Marie uit. “Is dat niet voldoende?”

Die prachtige kreet trof Pierre diep. En plotseling herinnerde hij zich

een andere Marie, de aanbiddelijke Marie van zijn jeugd, Marie de

Guersaint, die te Lourdes genezen was en wier verlies zijn hart voor

eeuwig leeg gemaakt had. Zou de nieuwe Marie, die hem hier met een zoo

rustigen en sterken charme toelachte, de oude wond heelen? Sedert zij

zijn vriendin was, herleefde hij.

En daar voor hen bevruchtte de zon Parijs met het levende, gouden stof

van haar stralen voor den grooten toekomstigen oogst van gerechtigheid

en waarheid.

De drie steden: Parijs · 第 23 / 35 题