IV.

Op den middag van dienzelfden dag voelde Guillaume een zóó groote

behoefte aan frissche lucht en vrije ruimte, dat Pierre erin toestemde

een lange wandeling met hem te maken in het vlak bij hun huisje gelegen

Bois de Boulogne. Na zijn terugkeer van het ministerie had hij zijn

broeder onder het dejeuner verteld op welke wijze de regeering van plan

was zich van Nicolas Barthès te ontdoen. Beiden waren somber gestemd,

want zij wisten niet op welke manier zij den ouden man zijn verbanning

moesten mededeelen en gaven zich tot den avond tijd om te overwegen hoe

zij het bittere ervan voor hem zouden kunnen verzachten. Onder de

wandeling zouden zij er nog wel eens over spreken. En bovendien, waarom

zouden zij zich nog langer schuil houden, waarom zouden zij dien

eersten uitgang niet wagen, nu Guillaume door niets ernstigs bedreigd

scheen te worden? De beide broeders gingen door de Porte des Sablons

het bosch in.

Het was in de laatste dagen van Maart; het bosch begon groen te worden,

maar nog zoo teer, dat de lichte puntjes aan de bladeren op een

bleekgroen mos, op een eindeloos fijne kant geleken. De regen, die den

geheelen nacht en ochtend gevallen was, had opgehouden; de lucht echter

bleef aschgrauw; het weer oplevende, geheel doordrenkte bosch had in de

onbeweeglijke, zachte atmospheer, een heerlijke frischheid, een

onschuldige jeugd. De feestelijkheden van de Halfvasten hadden

blijkbaar de groote menigte naar het hartje van Parijs gelokt, want in

de lanen zag men slechts ruiters, equipages en wandelaarsters, die uit

haar coupés en landauers gestapt waren, terwijl minnen haar zuigelingen

in kanten manteltjes ronddroegen. In het Bois heerschte de hooge

elegance, de mondaine beweging van uitgelezen dagen, waarop de kleine

luiden zich zelfs niet vertoonen. Slechts hier en daar zag men een paar

burgervrouwen uit de buurt met een breiwerk op de banken of op de dicht

begroeide plaatsen zitten en naar het spelen van haar kinderen kijken.

Pierre en Guillaume sloegen de allée de Longchamp in, die zij volgden

tot den weg van Madrid aux Lacs. Daar gingen zij onder de boomen loopen

en volgden den loop van de kleine beek naar Longchamp. Hun plan was tot

aan de meren te gaan, die om te wandelen en dan door de Porte Maillot

naar huis terug te keeren. Maar het kreupelhout, dat zij doorgingen,

was in deze kindsheid der lente zoo rustig en verrukkelijk, dat zij aan

hun verlangen om te gaan zitten en van de heerlijke rust te genieten,

geen weerstand bieden konden.

Een boomstam diende als bank, zij konden zich inbeelden diep in een

echt bosch te zijn. En Guillaume droomde inderdaad na zijn lange

vrijwillige gevangenschap van een werkelijk bosch. O, de vrije ruimte,

de gezonde lucht, die in de takken waait; deze geheele, reusachtige

wereld, die het onvervreemdbare gebied van den mensch zijn moest. De

naam van Barthès, den eeuwigen gevangene, kwam weer op zijn lippen en

hij zuchtte, weer door droefheid overmand. De marteling, waaronder die

ééne, steeds weer in zijn vrijheid beperkte leed, was voldoende om al

het genot, dat die heerlijke, reine lucht hem gaf, te bederven.

“Wat wil je tegen hem zeggen? We moeten het hem toch zeggen.

Ballingschap is toch in ieder geval te verkiezen boven de gevangenis.”

Pierre maakte een wanhopig gebaar.

“Ja, ja, ik zal hem waarschuwen. Maar mijn hart breekt eronder!”

Op dat oogenblik doemde in dit eenzame, verlaten hoekje, waar zij zich

aan het einde der wereld wanen konden, een vreemd schouwspel voor hen

op. Plotseling sprong een man uit het kreupelhout en rende voor hen

uit. Het was ongetwijfeld een man, maar zoo onherkenbaar, zoo met

modder bedekt, dat men hem voor een dier had kunnen houden, voor een

door de honden opgejaagd en in het nauw gebracht, wild zwijn. Een

oogenblik bleef hij radeloos voor de beek staan, dan liep hij erlangs,

maar toen hij passen en zwaar ademhalen achter zich hoorde, ging hij

tot zijn dijen in het water, sprong op den anderen oever en verdween

achter een boschje pijnboomen. Bijna onmiddellijk daarna vlogen

boschwachters onder leiding van een paar agenten langs hen heen,

volgden de beek en verdwenen in de verte. Het was een menschenjacht in

de teere lente der bladeren, een heimelijke, woeste jacht zonder roode

rokken of stooten op hoorns.

“De een of andere schooier,” prevelde Pierre. “De ongelukkige.”

“Altijd de gendarmen en de gevangenis,” zeide Guillaume op zijn beurt

ontmoedigd. “Een andere sociale school hebben ze nog niet gevonden.”

De man rende nog steeds verder en verder. Toen Salvat ’s nachts in een

plotselinge vlucht het Bois de Boulogne bereikt had en zoo aan de

agenten, die hem volgden, ontsnapt was, wilde hij tot aan de Porte

Dauphine gaan en daar in de vestinggrachten afdalen. Hij herinnerde

zich, dat hij vroeger dikwijls, wanneer hij geen werk had, daar dagen

lang op die plek doorgebracht, zonder er ooit iemand ontmoet te hebben.

En inderdaad bestond er geen geheimer, meer door struikgewas versperd,

meer door hoog gras bezaaid toevluchtsoord. Sommige plekken van de

gracht zijn niets dan nesten voor vagebonden en verliefde paartjes.

Toen Salvat in het dichtste gedeelte van doorns en klimop binnendrong,

had hij het geluk ondanks den neervallenden regen een soort hol met

droge bladeren te vinden, waarin hij zich tot aan zijn kin begroef. Hij

dreef reeds van het water, want hij was, slechts tastend en dikwijls op

handen en voeten kruipend, op de modder en hellingen uitgegleden. Die

droge bladeren waren voor hem een ongehoopte weldaad, een soort laken,

waaronder hij zich wat kon drogen en uitrusten van zijn dolle jacht

door de angstaanjagende duisternis. De regen bleef neerdrenzen, maar

alleen zijn hoofd werd nu maar nat, ja ten slotte raakte hij verdoofd,

viel hij in den regen in een zwaren slaap.

Toen hij zijn oogen weer opensloeg, werd het licht; het moest ongeveer

zes uur zijn. Het hemelwater had ten slotte ook de bladeren vochtig

gemaakt, zoodat hij als het ware in een ijskoud bad lag. Toch bleef hij

er liggen, want hij voelde zich hier veilig voor de jacht, die zeker op

hem gemaakt zou worden. Hier kon geen “smeris” hem ontdekken, want zijn

lichaam was heelemaal begraven en zijn hoofd verdween zelfs half onder

het struikgewas. Hij bewoog zich niet en bleef liggen kijken, hoe het

steeds lichter werd.

Tegen acht uur kwamen politieagenten en boschwachters voorbij en

doorzochten de vestinggracht, zonder hem echter te zien. Juist zooals

hij gedacht had, was met het aanbreken van den dag de drijfjacht

begonnen. Zijn hart klopte met luide slagen, hij kreeg het gevoel alsof

hij een stuk wild was, dat door de jagers ingesloten werd. Toevallig

had hij juist zijn schuilplaats gezocht onder de kazerne der gendarmen,

waarvan het leven tot hem doordrong. Niemand kwam meer voorbij, geen

levende ziel was te zien, geen geritsel in het gras te hooren. Slecht

in de verte weerklonken de onduidelijke geluiden van het ochtendleven

in het Bois de Boulogne, een bel van een fietsrijder, de galop van een

paard, het rollen van rijtuigen; het gelukkige, door de frissche lucht

bedwelmde niets doen van het mondaine Parijs.

De uren verliepen, negen uur, tien uur. Sedert het niet meer regende,

had hij, dank zij den pet en den dikken paletot, dien de kleine Mathis

hem gegeven had, minder van de koude te lijden. Maar de honger begon

hem weer te kwellen, een brandend gevoel boorde hem als het ware een

gat in zijn maag, terwijl vreeselijke krampen zijn lendenstreek bijna

braken. Hij had sedert twee dagen niets gegeten en had den vorigen

avond, toen hij van Mathis een glas bier kreeg, sedert anderhalven dag

een leege maag. Het was zijn plan daar tot den avond te blijven, dan in

het donker naar Boulogne te sluipen en door een open plek, die hij aan

dien kant kende, het bosch te verlaten. Men had hem nog niet te pakken.

Hij trachtte weer in te slapen, maar kon het niet, daar de honger hem

te veel kwelde. Om elf uur kreeg hij een duizeling, dacht hij te zullen

sterven. Woede maakte zich van hem meester en plotseling sprong hij uit

zijn bladerenbed. Hij kon daar niet langer blijven, hij wilde eten, ook

al zou het hem zijn vrijheid en zijn leven kosten. Het sloeg twaalf

uur.

Nauwlijks had hij de gracht verlaten of hij bevond zich op de groote

open ruimte der grasvelden van la Muette. Hij joeg er als een

krankzinnige doorheen en ging instinctmatig de richting van Boulogne

in, daar hij meende, dat alleen daar een uitweg te vinden zou zijn. Het

was een wonder, dat niemand zich om dien zoo dolzinnig voortrennenden

man bekommerde. Toen het hem gelukt was onder de boomen te komen,

begreep hij hoe onvoorzichtig hij was geweest, werd hij zich den

waanzin bewust, die hem in zijn drang om te vluchten medegesleept had.

Hij beefde, ging plat op den grond tusschen de bremstruiken liggen en

wachtte eenige minuten om zich te vergewissen, dat de agenten hem niet

op de hielen zaten. Dan liep hij langzaam verder, steeds loerend en

luisterend, met een wonderlijk instinct voor het gevaar. Het was zijn

bedoeling tusschen het hoogst gelegen meer en de renbaan van Auteuil

door te loopen. Maar daar is slechts een breede, door enkele boomen

omzoomde baan; hij moest buitengewoon handig te werk gaan om nooit in

het vrije veld te zijn. Hij maakte gebruik van den kleinsten boomstam,

van het dunste boomgroepje en waagde dat nog slechts, wanneer hij eerst

langen tijd den omtrek afgekeken had. Een nieuwe schrik, het zien van

een boschwachter in de verte, dwong hem nog een kwartier plat op zijn

buik te blijven liggen. Het naderen van een leeg rijtuig of van een

wandelaar was voldoende om hem te doen stilstaan. Hij haalde verlicht

adem, toen hij eindelijk aan de andere zijde van den Montemar-heuvel in

het kreupelhout tusschen den weg naar Boulogne en de avenue de

Saint-Cloud was. Dat kreupelhout is daar zeer dicht en hij behoefde het

slechts te volgen, om, op die wijze verborgen, den uitgang, die niet

ver meer weg kon zijn, te bereiken. Hij was gered.

Maar plotseling zag hij op ongeveer dertig meter afstand een

boschwachter staan, die hem den weg versperde. Hij sloeg links af en

vond daar een tweeden, die eveneens onbeweeglijk stond en op hem scheen

te wachten. Boschwachters, steeds weer boschwachters om de vijftig

pas—een heel cordon was daar als de mazen van een net gespannen. Het

ergste was, dat men hem blijkbaar gezien had, want een zacht gefluit

liet zich hooren en werd weldra van post tot post, tot in het oneindige

toe herhaald. Eindelijk hadden de jagers het goede spoor;

voorzichtigheid was nu verder onnoodig, de man behoefde zijn laatste

heil nog slechts in de vlucht te zoeken. Hij voelde dat zóó goed, dat

hij het onmiddellijk op een loopen zette, over hindernissen heensprong

en zonder bang te zijn gezien of gehoord te worden, tusschen de boomen

vluchtte. In drie sprongen was hij de avenue de Saint-Cloud over, om

zich in het dichte geboomte, dat zich tusschen deze avenue en de allée

de la Reine-Marguerite uitstrekt, te werpen. Daar is het kreupelhout

nog dichter; het zijn de dichtst begroeide plekken van het Bois de

Boulogne, een geheele zee van groen in den zomer, waarin hij zich

misschien, als er bladeren aan de boomen geweest waren, schuil had

kunnen houden.

Een oogenblik was hij weer alleen: hij bleef staan en luisterde

angstig. Hij zag of hoorde de gendarmes niet meer: zou hij ze op een

dwaalspoor gebracht hebben? Een stilte, een vrede van eindelooze

zachtheid daalde neer van het jonge loof. Doch dan liet het zacht

gefluit zich weer hooren en kraakten takken; hij zette zijn

krankzinnigen loop weer voort, vluchtte, om te vluchten, recht voor

zich uit. Toen hij bij de allée de la Reine-Marguerite kwam, vond hij

die versperd: op regelmatige afstanden stonden agenten opgesteld. Hij

moest nu, zonder het kreupelhout te verlaten, weer de allée verder

volgen. Maar hij verwijderde zich op die manier van Boulogne, keerde op

zijn schreden terug. Verward teekende zich in zijn arm brein een

laatste plan tot redding af: door het kreupelhout naar het boschje van

Madrid loopen, om daar van het eene boomgroepje naar het andere ten

slotte bij het water te komen. Dat was de eenige boschweg, die naar de

Seine kon loopen, want hij durfde het niet wagen daarheen te gaan over

de kale vlakten van den Hippodrome en het exercitieterrein.

Hij rende steeds verder en verder. Toen hij aan de allée de Longchamp

kwam, kon hij die niet oversteken, daar zij ook bewaakt was. Nu moest

hij zijn plan om over Madrid en de Seine te vluchten, opgeven; hij was

gedwongen een omweg te maken langs den Pré Catelan. Onder de leiding

van de boschwachters kwamen de agenten dichterbij; hij voelde hoe zij

hem in een steeds nauwer en nauwer wordenden kring omsingelden. Weldra

ontstond een woeste, wilde, ademlooze jacht, heuvel op, heuvel af, over

steeds weer opduikende hindernissen. Hij sprong over doornige struiken,

sloeg latwerk in. Driemaal viel hij, daar zijn voeten verward raakten

in het ijzerdraad der afgesloten ruimten, die hij in het geheel niet

gezien had; maar hoewel hij in de brandnetels terechtgekomen was, stond

hij op, zonder iets van het vurige jeuken te merken en zette zijn

dolzinnige vlucht voort als werden sporen in zijn zijde gedrukt en hij

tot bloedens toe gestriemd.

Toen zagen Guillaume en Pierre hem, onherkenbaar, angstaanjagend, langs

zich stormen en in het modderige water van de beek springen, zooals een

dier, dat een laatsten wal tusschen zich en de honden opwerpen wil. Hij

was op het hersenschimmige denkbeeld gekomen, dat het eiland midden in

het meer een onschendbaar asyl zijn zou, als hij het bereiken kon. Hij

wilde erheen zwemmen, zonder dat iemand het zag, en zich daar

onopgemerkt en verder voor alle nasporingen gevrijwaard, in den grond

ingraven. Hij rende steeds verder en verder. Maar weer dwongen

boschwachters hem, om te keeren, was hij verplicht steeds weer te gaan

in de richting van den kruisweg bij de meren, werd hij teruggedreven

naar de vestingwerken, vanwaar hij gekomen was. Het was nu bijna drie

uur. Meer dan twee en een half uur rende hij nu steeds verder en

verder...

Maar dat was het einde. Hij viel bijna neer. Zijn uitgeputte voeten

droegen hem niet meer, bloed stroomde uit zijn ooren; schuim stond op

zijn mond. Zijn zijden werden als door een heftigen storm op- en

neergejaagd, alsof de woeste sprongen van zijn hart ze wilde breken.

Water en zweet droop langs zijn geheele lichaam; met modder bedekt,

verwilderd en met een ledige maag werd hij nog meer door den honger dan

door de moeheid gekweld. In den nevel, die langzamerhand zijn

waanzinnig fonkelende oogen omsluierde, zag hij plotseling achter een

door boomen verborgen chalet de deur van een bergplaats open staan.

Niemand was er te zien dan een dikke witte kat, die overhaast de vlucht

nam. Hij vloog naar binnen en rolde zich in het stroo, dat tusschen de

ledige vaten lag. Nauwlijks had hij er zich in begraven of hij hoorde

de jacht voorbijrazen, de agenten en boschwachters, die zijn spoor

verloren, langs het chalet in de richting der fortificaties verder

rennen. Het stampen der zware schoenen hield op; een diepe stilte trad

in. Hij had zijn beide handen op zijn hart gedrukt als wilde hij het

kloppen ervan verstikken, en viel in een doodelijke uitputting, terwijl

dikke tranen uit zijn gesloten oogleden rolden.

Na een kwartier gerust te hebben, hadden Guillaume en Pierre hun

wandeling voortgezet, het meer bereikt en wilden tot den carrefour des

Cascades loopen, om dan langs een omweg naar Neuilly terug te keeren.

Een stortbui dwong hen een schuilplaats te zoeken onder de dikke, nog

kale takken van een kastanjeboom; maar toen de regen nog erger werd,

keken zij om zich heen en zagen op den achtergrond van een boomgroep

een soort chalet staan, een café-restaurant, waarin zij hun toevlucht

gingen zoeken. In een zijlaan zagen zij een rijtuig staan; de koetsier

zat eenzaam, onbeweeglijk en wijsgeerig in den zachten zomerregen op

den bok. Tot zijn groote verbazing zag Pierre Gérard de Quinsac voor

zich uitloopen, die, ongetwijfeld ook door den regen overvallen, zich

eveneens naar het chalet haastte. Doch dan meende hij zich vergist te

hebben, want hij zag den jongen man niet in de zaal. Deze zaal, een

soort glaswarande, waarin enkele stoelen en tafeltjes stonden, was

geheel leeg. Op de eerste verdieping kwamen vier of vijf kamertjes op

een gang uit. Niets bewoog zich er; het huis was nog nauwlijks uit zijn

winterslaap ontwaakt; men voelde er nog de vochtigheid, welke in

dergelijke etablissementen, die van November tot Maart gesloten zijn,

pleegt te heerschen. Er achter bevonden zich een stal, een bergplaats

en enkele met mos bedekte bijgebouwen. Verder was het een bekoorlijk

hoekje, dat de tuinlieden en de schilders weer spoedig in orde zouden

gaan maken voor de galante uitstapjes en de vroolijke drukte op mooie

dagen.

“Ik geloof, dat het nog niet geopend is,” zeide Guillaume, toen hij de

groote stilte van het huis betrad.

“Maar ze zullen het wel goed vinden, dat we even wachten, tot de regen

ophoudt,” antwoordde Pierre, die aan een der tafeltjes was gaan zitten.

Toch liet zich een kellner zien. Hij kwam van de eerste verdieping en

zocht, druk doende, in het buffet naar een paar kleine, droge koekjes,

die hij op een schotel legde. Eindelijk bracht hij den beiden broeders

twee glaasjes chartreuse.

In een der kamertjes boven zat barones Eve Duvillard, die met een

rijtuig gekomen was, reeds meer dan een half uur op Gérard te wachten.

Hier hadden zij elkaar den vorigen dag op den liefdadigheidsbazar

rendez-vous gegeven. De liefste herinneringen wachtten hier op hen,

want twee jaar geleden hadden zij er in de wittebroodsweken van hun

liaison, toen zij nog niet naar zijn huis durfde gaan en dit op

rillerige lentedagen zoo eenzame nestje ontdekt had, heerlijke

samenkomsten gehad. Ongetwijfeld, niet de vrees alleen gezien te worden

had haar ertoe gebracht dit plekje voor het laatste rendez-vous van hun

stervende passie te kiezen, maar ook de poëtische gedachte hier hun

eerste kussen te vinden, opdat zij ook de laatste zijn zouden. Het was

zoo charmant, dit plekje midden in dit groote, aristocratische bosch,

op twee passen van de breede lanen, waar geheel Parijs door kwam. In

haar wanhoop over het bittere einde, dat zij voelde komen, werd haar

teer, verliefd hart tot tranen toe geroerd.

Maar zij had, zooals vroeger, een jonge zon over het jonge loof willen

zien. Deze aschgrauwe hemel, deze regen deed haar rillen. En toen zij

het kamertje binnenging, herkende zij het nauwlijks—zoo triest en zoo

koud zag het er met zijn versleten divan, zijn tafel en zijn vier

stoelen uit. De winter heerschte hier nog, de kille vochtigheid, de

schimmellucht van een langen tijd gesloten en niet gelucht vertrek. Het

behang was losgeraakt en hing jammerlijk aan flarden. Doode vliegen

lagen overal op den grond, en de kellner, die de blinden wilde

openmaken, had heel veel moeite met de spanjolet. Toen hij echter den

gashaard aangestoken had, werd de kamer weldra vroolijker en

behaaglijker.

Eve was, zonder zelfs de dikke voile, die haar gezicht geheel bedekte,

op te slaan, op een stoel gaan zitten. Geheel in het zwart gekleed, als

droeg zij reeds rouw over haar laatste liefde, liet zij niets van zich

zien dan haar nog prachtig blond haar, dat als een kroon van dof goud

onder den kleinen zwarten hoed uitkwam. Met haar slank gebleven taille,

haar mooien boezem en haar flink, krachtig figuur verried zij in niets,

dat zij reeds dicht bij de vijftig was. Zij had twee kop thee besteld,

en toen de kellner deze met een schaal kleine, droge koekjes, die

waarschijnlijk nog over waren van het vorige jaar, bracht, vond hij

haar nog steeds met haar voile voor onbeweeglijk op dezelfde plaats

zitten. Dan bleef zij weer in een moedeloos gepeins alleen. Zij was een

half uur voor den afgesproken tijd gekomen; zij had de eerste willen

zijn, om wat kalmer te kunnen worden en niet dadelijk aan haar eersten

aanval van wanhoop toe te geven. Vooral wilde zij niet huilen, want zij

had zich voorgenomen waardig te zijn, rustig te praten, te spreken als

een vrouw, die wel rechten heeft, maar slechts luisteren wil naar haar

gezond verstand. Zoolang zij nog alleen was, zoolang zij de manier

overwoog, waarop zij Gérard ontvangen zou, om hem een huwelijk, dat zij

als een ongeluk en een misdaad beschouwde, af te raden, was zij

tevreden over haar moed, hield zij zich voor kalm, ja zelfs berustend.

Zij snikte en begon te beven. Gérard kwam binnen.

“Wat, ben je de eerste, lieve vriendin? En ik dacht nog al, dat ik tien

minuten te vroeg was... En nu heb je je de moeite gegeven thee te

bestellen en op mij te wachten.”

Hij was erg verlegen en beefde zelf bij de gedachte aan de vreeselijke

scène, die hij voorzag. Maar verder gedroeg hij zich volkomen correct,

dwong zich tot een glimlach en deed alsof hij geheel opging in de

galante vreugde haar hier weer terug te vinden als in den mooien tijd

van hun liefde.

Maar zij stond op—zij had haar voile eindelijk opgeslagen—keek hem aan

en stamelde:

“Ja, ik was wat eerder vrij... En voordat er een verhindering kwam, ben

ik hierheen gegaan.”

Maar toen zij hem daar nog zoo mooi en liefdevol zag staan, vergat zij

al haar plannen en werd als krankzinnig. Al haar mooie redeneeringen,

al haar mooie voornemens werden weggevaagd. Het was een niet te

bedwingen opwelling, het was als werd haar hart uit haar lichaam gerukt

bij de gedachte, dat zij hem nog altijd liefhad, dat zij hem voor zich

behouden, dat zij hem nooit aan een ander geven zou. Wanhopig viel zij

hem om zijn hals.

“O Gérard, Gérard... Ik lijd te veel, ik kan niet, ik kan niet... Zeg

me dadelijk, dat je niet met haar wilt trouwen, dat je nooit met haar

zult trouwen!”

Haar stem begaf haar, tranen stroomden uit haar oogen. O, die tranen!

Hoe had zij zich voorgenomen niet te huilen! Maar zij stroomden

eindeloos, zij overstroomden haar mooie oogen in een vloed van

vreeselijke smart.

“Mijn dochter! Groote God, jij met mijn dochter trouwen!... Jij met

haar! Zij in jouw armen hier in deze kamer! Neen, neen, dat is te veel!

Ik wil het niet! Ik wil het niet!”

Hij werd als verstijfd bij dezen kreet van vreeselijke jaloezie, waarin

de moeder niet meer was dan een vrouw, die de jeugd van een

mededingster, die vijf-en-twintig jaar, welke niet meer konden

terugkeeren, razend maakte. Hij zelf had, toen hij naar het rendez-vous

ging, de verstandigste besluiten overwogen en zich voorgenomen eerlijk,

als een hoogst beschaafd man, met allerlei mooie en troostende zinnen

met haar te breken. Maar tegenover vrouwentranen voelde hij zich zwak

en machteloos. Hij trachtte haar te kalmeeren, deed haar plaats nemen

op den divan, om zich uit haar omarming los te maken. Dan ging hij

naast haar zitten en zeide:

“Kom, lieveling, wees nou verstandig. Wij zijn toch hier gekomen om

vriendschappelijk te praten... Ik verzeker je, dat je de dingen

overdrijft!”

Maar zij eischte een beslist antwoord.

“Neen, neen, ik lijd te veel, ik moet onmiddellijk alles weten... Zweer

mij, dat je nooit, nooit met haar zult trouwen!”

Nogmaals trachtte hij een ontwijkend antwoord te geven.

“Je kwelt jezelf, je weet heel goed, dat ik van je houd.”

“Neen, neen! Zweer mij, dat je nooit met haar zult trouwen, nooit!”

“Maar ik houd toch van jou, ik houd toch van jou alleen!”

Zij trok hem hartstochtelijk naar zich toe, drukte hem aan haar borst,

bedekte zijn oogen met kussen.

“Is dat waar? Houd je alleen maar van mij?... Welnu, neem me dan, kus

me, laat ik voelen, dat je de mijne, altijd de mijne bent en nooit van

die andere!”

Zij dwong Gérard tot liefkoozingen en gaf zich in zoo’n volle overgave

aan hem, dat hij, zelf door hartstocht bedwelmd, haar niets weigeren

kon. Zonder kracht nu verder, zwoer hij haar alles wat zij wilde,

herhaalde hij tot in den treure, dat hij slechts haar lief had en dat

hij nooit met haar dochter zou trouwen. Ja, ten slotte ging hij zelfs

zoover om te beweren, dat hij met het misvormde kind slechts medelijden

had. Zijn goedheid was zijn excuus. Eve echter dronk die medelijdende

minachting, welke hij voor haar dochter voelde, al de zekerheid, dat

zij de eeuwig mooie, de eeuwig begeerde was, van zijn lippen af.

Toen het voorbij was, bleven zij beiden zwijgend en moede en verlegen

op den divan zitten.

“O, ik zweer je, dat ik daar niet voor gekomen ben,” fluisterde zij

eindelijk zacht.

Weer viel er een stilte in, die hij wilde verbreken.

“Wil je je thee niet uitdrinken? Hij is bijna koud.”

Maar zij luisterde niet naar hem, en als was er niets gebeurd, als

begon de onvermijdelijke verklaring nu pas, zeide zij gebroken en

eindeloos bedroefd:

“Kijk eens, Gérard, je kunt niet met mijn dochter trouwen. In de eerste

plaats zou het iets laags, bijna een bloedschande zijn... En dan jouw

naam, jouw positie... Neem me niet kwalijk, dat ik zoo openhartig ben,

maar iedereen zal zeggen, dat je je verkoopt. Het zou een schandaal

voor jouw familie en de onze zijn.”

Zij had, zonder toorn nu, als een moeder, die naar beweeggronden zoekt

om haar grooten zoon van een afschuwelijke misdaad af te houden, zijn

handen in de hare genomen. En hij luisterde met gebogen hoofd, zonder

haar aan te kijken.

“Denk eens aan wat de menschen zeggen zullen, Gérard! Ik maak me

volstrekt geen illusies; ik weet, dat tusschen jouw kringen en de mijne

een groote afgrond gaapt. Rijk zijn helpt niets... het geld maakt dien

nog slechts grooter. En al ben ik ook Christin geworden, mijn dochter

is en blijft de dochter van een Jodin... O, Gérard, ik ben zoo trotsch

op je. Het zou mijn hart breken, wanneer ik je door dat geldhuwelijk

met een misvormd meisje, dat jou niet waardig is, dat je niet

liefhebben kunt, vernederd en als het ware bezoedeld zag!”

Hij keek haar verlegen en smeekend aan, wilde aan dat pijnlijk

onderhoud ontsnappen.

“Maar ik heb je toch gezworen, dat ik alleen jou liefheb, dat ik nooit

met haar zal trouwen! De zaak is nu uit. Laten we elkaar niet langer

martelen!”

Hun blikken bleven een oogenblik in elkander rusten en drukten alles

uit, wat zij niet uitspraken: hun moeheid, hun ellende. De oogleden, de

arme, roode oogleden in het plotseling vlekkig en oud geworden gezicht

zwollen op van tranen, die over haar bevende wangen begonnen te

vloeien. Weer huilde zij eindeloos, maar nu zonder bitterheid.

“Mijn arme, arme Gérard!... O, nu druk ik zwaar op je schouders. Neen,

ontken het niet; ik voel, dat ik een ondragelijke last ben, dat ik een

hinderpaal voor je ben, dat ik je heelemaal ongelukkig maken zal,

wanneer ik je voor mij alleen wil behouden.”

Hij wilde protesteeren, doch zij liet hem niet aan het woord komen.

“Neen, neen, tusschen ons is alles uit... Ik word leelijk... het is

uit... En bovendien door mij is jouw toekomst niets meer. Ik kan je in

niets helpen, jij geeft mij alles door jezelf te geven, en ik geef je

niets terug... En toch is de tijd nu gekomen om je een positie te

scheppen. Jij op jouw leeftijd kunt niet leven zonder een gevestigde

positie, zonder een huis en het zou laf van mij zijn de hinderpaal voor

je geluk te zijn door mij aan je vast te klampen en je met mij te

verdrinken.”

Zoo sprak zij door, terwijl zij haar blik steeds op hem gericht hield,

hoewel zij hem slechts door haar tranen heen zag. Evenals zijn moeder

wist zij, dat hij ondanks zijn knap uiterlijk, zóó zwak en zóó

ziekelijk was, dat ook zij ervan droomde hem een kalm leven, een

behagelijk hoekje van geluk te verschaffen, waarin hij, tegen de

stormen van het noodlot beschermd, rustig oud kon worden. Zij had hem

zoo lief—en kon dan de werkelijke goedheid van haar diepe liefde zich

niet verheffen tot verzaking, tot opoffering? Zelfs in haar egoïsme van

mooie en aangebeden vrouw vond zij redenen om den terugtocht te

aanvaarden, opdat het einde van haar levensherfst niet bedorven worden

zou door drama’s, die haar verpletterden. En dit alles zeide zij,

terwijl zij hem behandelde als een kind, welks geluk zij ten koste van

het hare scheppen wilde, terwijl hij weer met neergeslagen blikken

onbeweeglijk naar haar luisterde, zonder verder te protesteeren, blij,

dat zij zijn bestaan regelde zooals zij het wilde.

“Zeker,” ging zij voort, terwijl zij ten slotte de gronden aanvoerde,

die ten gunste van het afschuwelijke huwelijk spraken, “Camille zou je

brengen alles wat ik voor je wensch, alles, wat ik voor je droom. Door

haar zou, dank zij de omstandigheden, die ik je niet behoef te noemen,

je leven gelukkig, verzekerd zijn... En wat de rest betreft, lieve

Hemel, daar zijn voorbeelden genoeg van. Niet dat ik onze fout wil

verontschuldigen, maar ik zou je tallooze families kunnen noemen,

waarin nog heel wat erger dingen gebeurd zijn... En dan, ik had

ongelijk, toen ik zooeven zeide, dat het geld een afgrond graaft.

Integendeel het brengt de menschen dichter bij elkaar, het doet alles

vergeven. Je zoudt niets dan ijverzuchtigen om je heen zien, die zich

over je geluk zouden verbazen.”

Gérard stond op en scheen een laatste maal te willen protesteeren.

“Wat, nu zal jij me per slot van rekening toch nog tot een huwelijk met

je dochter willen dwingen?”

“Lieve God, neen! Maar ik ben verstandig, ik zeg wat ik zeggen moet. Je

moet het nog eens overwegen.”

“Alles is overwogen... Ik heb je liefgehad en heb je nog lief... De

rest is onmogelijk.”

Een hemelsch glimlachje speelde om haar lippen; zij nam hem nu weer in

haar armen, en beiden stonden nu weer als één in hun omhelzing.

“Hoe goed en lief ben je, Gérard! Als je eens wist hoe lief ik je heb,

hoe ik je altijd, ondanks alles, lief hebben zal!”

Haar tranen kwamen weer terug en ook hij weende. Beiden handelden in

hun aangeboren teederheid te goeder trouw, terwijl zij de pijnlijke

oplossing verschoven en nog op geluk hopen wilden. Maar zij voelden het

beiden heel goed; het huwelijk was een uitgemaakte zaak. Er bleef niets

meer over dan tranen en zinledige woorden; het leven ging ondanks alles

zijn gang, het onvermijdelijke zou in vervulling gaan. De gedachte, die

hem zoo week stemde, was waarschijnlijk deze, dat dit hun laatste

omhelzing was, hun laatste rendez-vous, want het zou laag zijn, na

alles wat zij wisten en tegen elkaar gezegd hadden, elkaar nogmaals op

deze wijze te ontmoeten. Toch wilden zij de illusie bewaren, dat zij

niet met elkander braken, dat zij eenmaal nog lust konden krijgen

elkander weer te kussen. En de smart over het einde van alles snikte in

hen.

Toen zij elkander losgelaten hadden, zagen zij het smalle kamertje met

zijn verschoten divan, zijn vier stoelen en zijn tafel weer voor zich.

Het kleine gashaardje suisde; zij snikten nu bijna in een zware, warme

vochtigheid.

“Dus je wilt geen thee?” vroeg hij weer.

Zij stond voor den spiegel haar haar in orde te maken.

“Neen, dank je wel! Die is niet te drinken hier!”

En zij, die hier een zoo verrukkelijke herinnering gedacht had te

vinden, werd in deze afscheidsminuut door de trieste omgeving geheel

overweldigd, toen het geluid van zware stappen en grove stemmen, haar

heelemaal van stuk brachten. Menschen liepen door de gang heen en weer

en klopten aan de deuren. Zij vloog naar het raam en zag hoe agenten

het restaurant omsingelden. De meest dolzinnige gedachten kwamen in

haar op: haar dochter had haar laten volgen; haar man wilde zich van

haar laten scheiden om met Silviane te trouwen. Dat beteekende een

vreeselijk schandaal, een ineenstorten van al haar plannen. Doodsbleek

en radeloos wachtte zij, terwijl hij, even bleek als zij, haar bevend

smeekte kalm te blijven en vooral niet te schreeuwen. Maar toen harde

slagen de deur deden dreunen en de commissaris van politie zijn naam

noemde, moesten zij wel openen. Welk een oogenblik! Welk een schrik,

welk een schande!

Beneden hadden Pierre en Guillaume meer dan een uur gewacht tot de

regen zou ophouden. Zij spraken half fluisterend in een hoek van de

glaswarande en namen eindelijk een besluit in zake het pijnlijke geval

van Nicolas Barthès. Zij zouden den volgenden avond Théophile Morin,

den ouden vriend van den eeuwigen gevangene, te dineeren vragen; deze

moest hem dan de nieuwe verbanning, waardoor hij getroffen werd, maar

mededeelen.

“Dat zal het verstandigst zijn,” zeide Guillaume. “Morin houdt veel van

hem, zoodat hij het hem zoo voorzichtig mogelijk zal mededeelen, en zal

wel tot de grens met hem medegaan.”

Pierre keek zwaarmoedig naar den nog steeds neervallenden regen.

“Alweer weg, alweer het vreemde land, wanneer het het cachot niet is!

De arme, vreugdelooze, zijn leven lang opgejaagde man! Zijn geheele

leven heeft hij gegeven aan zijn vrijheidsideaal, dat ouderwetsch is,

waarom gelachen wordt, dat hij met zichzelf instorten ziet.”

Weer verschenen nu politie-agenten en boschwachters en slopen om het

restaurant heen. Ongetwijfeld hadden zij begrepen, dat zij het spoor

bijster geworden waren, en keerden nu terug in de meening, dat de man

zich in dit chalet verstopt moest hebben. Zij omsingelden het handig en

namen, alvorens tot een nauwkeuriger huiszoeking over te gaan, de

noodige maatregelen, dat het wild hun niet voor de tweede maal zou

ontsnappen. Toen de twee broers deze manoeuvre bemerkten, voelden zij

hoe een heimelijke angst zich van hen meester maakte. Het was het

vervolg van de drijfjacht op den man, dien zij hadden zien vluchten;

maar wie zeide hun dat men hen, nu zij ongelukkigerwijze in de zaak

betrokken werden, niet dwingen zou hun identiteit op te geven? Met een

blik raadpleegden zij elkaar; zij dachten er een oogenblik over ondanks

den stortregen weg te gaan. Doch dan begrepen zij, dat zulks hen in een

nog onaangenamer positie zou kunnen brengen. Zij bleven wachten, te

meer daar de komst van twee nieuwe bezoekers afleiding bracht.

Een victoria hield voor de deur stil. Eerst stapte een jonge man uit

met een correct, doch geblaseerd uiterlijk, dan een jonge vrouw, die,

vroolijk door dien aanhoudenden regen, luid lachte. Zij hadden een

woordenwisseling, zij vond het schertsenderwijze jammer, dat zij niet

op de fiets gegaan waren, terwijl hij dezen wandelrit in een zondvloed

idioot vond.

“Maar we moesten toch ergens naar toe, beste jongen! Waarom ben je niet

met me naar de maskerade gaan kijken?”

“De maskerade? Neen, dan nog honderdmaal liever het Bois!”

Toen zij binnenkwam, herkende Pierre in de jonge vrouw, die de regen

zoo vroolijk maakte, de kleine prinses Rosemonde en in den jongen man,

die de Halfvasten zoo afschuwelijk, het Bois verpest en de fiets

onaesthetisch vond, den mooien Hyacinthe Duvillard. Na thuis met hem

thee gedronken te hebben, had zij hem dien nacht bij zich gehouden en

haar gril willen bevredigen door hem bijna als een vrouw geweld aan te

doen. Maar hoewel hij erin toestemde bij haar in bed te komen liggen,

had hij—niettegenstaande zij hem ten slotte sloeg en zich zelfs zoo ver

vergat om hem te bijten—iedere aanraking beslist vermeden. O, die

afschuwelijkheid, die afstootende vuilheid van het kind, dat eruit zou

geboren kunnen worden. Nu, wat het kind betreft, daar had hij gelijk

in, zij wilde er ook geen hebben! Toen had hij gesproken van de zielen,

die zich geestelijk paren, zij zeide niet neen, stemde toe het te

probeeren; maar hoe moest men dat doen? En toen zij weer over Noorwegen

spraken, besloten zij—het eindelijk eens geworden zijnde—’s Maandags

hun huwelijksreis naar Christiania te beginnen, om daar de

intellectualiteit van hun verbintenis te voltrekken. Het eenige wat hun

speet, was dat zij niet meer in het hartje van den winter waren, want

was de koude, de witte, de ongerepte sneeuw niet de eenig mogelijke

sponde voor een dergelijke huwelijksvoltrekking.

Zoodra de kellner hun, bij gebrek aan kummel, kleine glaasjes anisette

gebracht had, boog Hyacinthe, die Pierre en zijn broer Guillaume, met

wiens zoons hij op het gymnasium geweest was, herkend had, zich over

naar Rosemonde en fluisterde haar den naam van den laatste in het oor.

Dadelijk stond zij in een plotselinge opwelling van geestdrift op.

“Guillaume Froment! Guillaume Froment! De groote scheikundige!”

Met uitgestoken handen ging zij naar hem toe:

“O, mijnheer, ik hoop, dat u mij deze ongemanierdheid vergeven zult!

Maar ik moet u de hand drukken... Ik bewonder u zoo! U hebt zulke

prachtige onderzoekingen met springstoffen gedaan!”

Toen zij de verbazing van den chemicus zag, begon zij als een

schoolmeisje te lachen.

“Ik ben prinses de Hardt. Mijnheer de abbé, uw broer, kent mij en ik

had mij door hem aan u moeten laten voorstellen... Verder hebben u en

ik gemeenschappelijke vrienden, o.a. Janzen, die mij beloofd had mij

als zeer bescheiden leerling tot u te brengen. Ik houd mij ook bezig

met chemie... uit liefde voor de waarheid en ter wille van goede

dingen, meer niet... U wilt mij zeker wel toestaan bij u aan te

kloppen, wanneer ik van Christiania terug ben, waarheen ik met mijn

jongen vriend daar een eenvoudig pleizier- en ontdekkingsreisje ga doen

in het rijk van onbekende gevoelens.”

Zij ratelde maar door, zonder dat het den anderen mogelijk was er één

woord tusschen te krijgen. Zij gooide alles door elkaar: haar sympathie

voor het internationalisme, die haar een oogenblik in de armen van

Janzen geworpen had, in de anarchistische wereld, onder de

gevaarlijkste avonturiers der partij; haar nieuwe passie voor mystieke

en symbolische kapelletjes, de wraak, die het ideëele op het grove

realisme nam, de poëzie der aesthetici, die haar droomen deed van een

tot nog toe ongekenden wellust onder den ijzigen kus van den mooien

Hyacinthe.

Plotseling hield zij op en begon zij weer te lachen.

“Wat moeten die politieagenten hier zoeken? Willen ze ons misschien

arresteeren? Wat een leuke grap zou dat zijn?”

Inderdaad gingen de commissaris van politie Dupot en de agent Mondésir,

nadat de agenten vergeefs den stal en de bergplaats doorzocht hadden,

ertoe over het restaurant te visiteeren en kwamen de warande binnen.

Het stond bij hen vast, dat de man nergens anders zijn kon. Dupot, een

klein, kaal, bijziend mannetje met een bril op, had geen wapens bij

zich; maar daar hij een woest en woedend verzet van den opgejaagden en

in het nauw gebrachten wolf voorzag, had hij Mondésir aangeraden zijn

revolver te laden en in zijn zak gereed te houden. Toch moest Mondésir

met zijn breeden, vierkanten doggerug en zijn snuffelenden, stompen

neus hem uit hiërarchischen eerbied het eerst laten binnen gaan.

Met een vluggen blik van achter zijn bril had de commissaris de vier

bezoekers, den priester, de jonge vrouw en de beide anderen opgenomen

en wilde, zonder verder acht op hen te slaan, naar de eerste verdieping

gaan, toen de kellner, verschrikt door dien plotselingen inval der

politie, zijn hoofd verloor en stamelde:

“Maar... boven zijn een heer en een dame... in een kamertje!”

Dupot duwde hem kalm op zij.

“Een heer en een dame zoeken wij niet... Ga onmiddellijk alle deuren

open doen, geen kastdeur mag dicht blijven.”

Boven doorzochten zij alle vertrekken en alle hoekjes, totdat alleen

nog het kamertje, waarin Eve en Gérard waren en dat de kellner niet

openen kon, omdat de grendel er van binnen voorgeschoven was,

overbleef.

“Doe toch open,” riep de jongen door het sleutelgat, “het is niet om u

te doen.”

Eindelijk werd de grendel weggeschoven, en Dupot, die zich zelfs geen

glimlachje veroorloofde, liet de dame en den heer bevend en doodsbleek

naar beneden gaan, terwijl Mondésir pour acquit de conscience onder de

tafel, achter den divan en in een kleine muurkast kijken ging.

Toen Eve en Gérard beneden de warande doorloopen moesten, vonden zij

daar tot hun grooten schrik kennissen, die het meest onvoorziene toeval

hier samengebracht had. Het hielp niets, dat een dichte voile haar

gezicht bedekte; zij ontmoette den blik van haar zoon en voelde, dat

hij haar herkende. Welk een noodlottig toeval! Hij, die zijn zuster,

voor wie hij zoo bang was, altijd alles vertelde! En terwijl zij

vluchtte, terwijl de graaf, wanhopig over het schandaal, haar in den

neerstroomenden regen naar het rijtuig bracht, hoorden zij heel

duidelijk hoe de kleine prinses heel vroolijk riep:

“Maar die mijnheer is graaf de Quinsac!... Maar wie is die dame?”

Toen Hyacinthe, die bleek geworden was, niet antwoordde, drong zij aan:

“Jij moet haar toch kennen. Vertel me wie het is!”

“Niemand,” antwoordde hij eindelijk. “De een of andere vrouw.”

Pierre had het begrepen; hij wendde, verlegen door zooveel schande en

lijden, zijn blik af en keek Guillaume aan. Maar plotseling, juist toen

de commissaris van politie Dupot en de agent Mondésir, zonder den man

gevonden te hebben, naar beneden kwamen, veranderde het tooneel. Buiten

weerklonken kreten, lawaai en heen en weer geloop. Dan verscheen de

chef van den veiligheidsdienst Gascogne, die in de bijgebouwen van het

restaurant was blijven zoeken; hij duwde een niet nader te omschrijven

pak lompen en modder, dat door twee agenten vastgehouden werd, voor

zich uit. Het was de man, het achtervolgde, in het nauw gebrachte en

eindelijk gevangen dier, dat men achter in de bergplaats in een ton

onder het hooi gevonden had.

Welk een triompheerend halahi na die twee uren waanzinnig geren, na die

woeste drijfjacht, welke de borsten buiten adem gebracht en de beenen

gebroken had! De menschenjacht, de meest opwindende en hartstochtelijke

jacht van alle! Ze hadden den kerel, stootten, sleepten, sloegen hem!

En hij, de man, was het jammerlijkst stuk wild, dat men zich denken

kon: een wrak, uitgeteerd en aardkleurig door den nacht, dien hij in

een met bladeren gevuld gat doorgebracht had, nog nat tot zijn middel,

omdat hij midden door die beek gewaad had; zijn armzalige, door den

regen gegeeselde, met modder bedekte kleeren hingen aan flarden om zijn

lichaam, zijn pet was aan stukken gescheurd, zijn voeten en zijn handen

bloedden door de vreeselijke jacht dwars door het met doornen en

brandnetels versperde struikgewas. Hij had geen menschelijk gezicht

meer; zijn haar plakte aan zijn slapen, de met bloed doorloopen oogen

puilden uit hun kassen, het geheele gezicht was vertrokken door angst,

woede en lijden. Het was het wild, het was de man. Ze stootten hem nog

verder en eindelijk viel hij, vastgehouden door de ruwe vuisten, die

hem schudden, in zittende houding op een der tafeltjes van het kleine

café neer.

Toen doorhuiverde Guillaume een schrik, waarvan de rilling hem deed

verstijven. Hij greep de hand van Pierre; deze keek, begreep, beefde op

zijn beurt. Rechtvaardige God, Salvat! Die man was Salvat! Salvat

hadden zij als een door een troep honden opgejaagd wild zwijn door het

Bois zien vluchten. Dat vuile pak, die door de ellende en het verzet

overwonnene was Salvat! En in zijn angst kreeg Pierre nogmaals

plotseling het visioen van het kleine loopmeisje onder de koetspoort

van het hôtel Duvillard, de knappe blondine, wier buik door de bom

opengereten was.

Dupot, Mondésir en Gascogne triompheerden. Toch had de man geen

tegenstand geboden, hij had zich zacht als een lam gevangen laten

nemen. En terwijl hij daar, zoo ruw in bedwang gehouden, zat, wierp hij

moede, onzegbaar trieste blikken om zich heen.

Hij begon te spreken en zijn eerste met heesche en zachte stem gezegd

woord was:

“Ik heb honger!”

Hij stierf bijna van honger en moeheid; hij had na twee dagen vasten

den vorigen avond niets dan een glas bier gehad.

“Geef hem een stuk brood,” zeide commissaris Dupot tegen den kellner.

“Dat kan hij opeten, terwijl wij een rijtuig laten halen.”

Een agent ging een rijtuig zoeken. De regen had opgehouden: men hoorde

weer de fietsbellen, de equipages reden weer, het Bois kreeg in de

breede, door een bleeken zonnestraal vergulde lanen zijn mondain leven

terug.

Maar de man had zich gulzig op het stuk brood geworpen en terwijl hij

het met een dierlijke bevrediging verslond, zagen zijn blikken de vier

bezoekers, die daar bij elkaar zaten. De opgewonden trekken van

Hyacinthe en Rosemonde, die verrukt waren zoo onverwacht getuigen te

zijn van de arrestatie van dezen ongelukkige, dien zij voor den een of

anderen bandiet hielden, schenen hem te prikkelen. Dan begonnen zijn

droevige, met bloed doorloopen oogen te trillen; zij hadden tot hun

verbazing Pierre en Guillaume herkend. En nu drukte zich in die oogen,

terwijl zij op den laatste gevestigd bleven, niets meer uit dan de

gedweeë onderworpenheid van een dankbaren hond, de hernieuwde belofte

van een onverbreekbaar zwijgen.

Dan begon hij weer te spreken, als richtte hij zich moedig tot hem,

dien hij niet meer aankeek, en ook tot de anderen, de kameraden, die

niet aanwezig waren.

“Stom om zoo te rennen... Ik weet niet, waarom ik zoo hard geloopen

heb... Laat er een eind aan komen... Ik ben bereid.”

De drie steden: Parijs · 第 20 / 35 题