III.

Dien Halfvasten-Donderdag, dat alle bureaux van het reusachtige hôtel

ledig waren, zat Monferrand, de minister van Binnenlandsche Zaken om

acht uur reeds in zijn kabinet. Een deurwachter bewaakte zijn deur en

twee loopjongens zaten in de eerste anti-chambre.

Monferrand had bij zijn ontwaken een alleronaangenaamste gewaarwording

gehad. De Voix du Peuple, die den vorigen dag de zaak der Afrikaansche

sporen weer begonnen was door Barroux, den tegenwoordigen minister van

Financiën te beschuldigen tweehonderd duizend francs aangenomen te

hebben, zette dezen ochtend de campagne voort en maakte het schandaal

nog grooter door eindelijk de zoo lang beloofde lijst te publiceeren

van de twee-en-dertig Kamerleden en senatoren, die hun stemmen verkocht

hadden aan Hunter, den mythischen, thans verdwenen, onvindbaren

strooman van Duvillard. Monferrand zag zich met een bedrag van tachtig

duizend francs aan het hoofd der lijst, terwijl Fonsègue met vijftig

duizend volgde en de cijfers vervolgens vielen tot tien duizend francs

voor Dutheil en drie duizend voor Chaigneux, die het goedkoopst geweest

was.

In de opwinding van Monferrand was noch verbazing noch woede merkbaar.

Hij had eenvoudig niet geloofd, dat Sanier zijn zucht naar sensatie zoo

ver drijven zou, dat hij deze lijst, dat zoogenaamd uit een

notitieboekje van Hunter gescheurde blaadje met de onbegrijpelijke

hiëroglyphen, die men zou moeten verklaren, om er de waarheid uit te

krijgen, publiceeren zou. Anderzijds was hij, daar hij niets geschreven

en niets onderteekend had, volkomen rustig, daar hij heel goed wist,

dat men zich met brutaliteit en altijd door loochenen uit alle

moeilijke gevallen redden kon. Maar welk een steen werd in den

parlementairen poel geworpen! Onmiddellijk voelde hij het

onvermijdelijke gevolg: deze nieuwe orkaan van onthullingen en

verklapperijen zou het ministerie ten val brengen en wegvagen. Gelukkig

zat de Kamer dien dag niet, maar morgen zou Mège zijn interpellatie

natuurlijk weer opvatten, zouden Vignon en zijn vrienden van de

gelegenheid gebruik maken, om een woedenden aanval te doen op de zoo

vurig begeerde portefeuilles. Hij zag zich reeds gevallen, weggejaagd

uit dit kabinet, waarin hij zich nu sedert acht maanden zoo op zijn

gemak voelde. Hij kende geen dwaze ijdelheid, was slechts gelukkig, dat

hij als regeeringsman, die zich voor sterk genoeg hield, om de menigte

te temmen en te leiden, op zijn plaats was.

Hij had de couranten met een minachtend gebaar weggegooid, was

opgestaan en rekte zich uit met het gebrom van een leeuw, die geplaagd

wordt. Nu liep hij op en neer in het groote vertrek. Met zijn handen op

zijn rug zoo loopend had hij niets meer van zijn vaderlijke manieren,

van zijn glimlachend en eenigszins vulgaire gemoedelijkheid. De ruwe

strijder, die hij was, kwam in zijn korte gestalte, in zijn breede

schouders en in zijn harde gelaatstrekken duidelijk uit. De zinlijke

mond, zijn dikke neus, zijn wreede oogen verrieden, dat hij geen

geweten, maar een ijzersterken, tegen het moeilijkste werk opgewassen

wil bezat. Wat zou hij doen? Zou hij zich met den fatsoenlijken en

bombastischen Barroux in de débâcle laten meeslepen? Misschien stond

zijn persoonlijk geval niet wanhopig. Maar hoe moest hij de anderen

verlaten, om zelf den veiligen oever te bereiken? Het was een ernstig

probleem, een moeilijke manoeuvre en het zoeken naar een oplossing

maakte hem in zijn razend verlangen om de macht te behouden, woedend.

Hij kon niets vinden en vloekte tegen die aanvallen van deugd van deze

dwaze Republiek, die volgens hem iedere regeering onmogelijk maakten.

Een dergelijk dwaasheid zou een man van zijn verstand en van zijn

kracht tegenhouden! Ga nou eens menschen regeeren, wanneer men je het

geld, den voornaamsten scepter, uit de hand rukt! Hij moest in zijn

eentje hardop lachen, zoo absurd scheen hem de gedachte aan een

idyllisch land, waarin groote ondernemingen op fatsoenlijke manier tot

stand kwamen. Daar hij niet wist, waartoe hij besluiten moest, kwam hij

op de gedachte, dat het maar het verstandigst zijn zou de zaak met

baron Duvillard te bespreken, dien hij sedert lang kende, het speet hem

niet eerder aan hem gedacht te hebben, dan had hij hem wellicht kunnen

overhalen Sanier’s stilzwijgen te koopen. Eerst wilde hij den baron een

briefje schrijven en dat door een der loopers laten brengen. Maar dan

gaf hij er in zijn wantrouwen voor geschreven stukken de voorkeur aan

te telephoneeren.

“Heb ik het genoegen met baron Duvillard te spreken?... Prachtig! Ik

ben het, Monferrand, de minister van Binnenlandsche Zaken! Ik zou graag

zien, dat u zoo gauw mogelijk bij mij kwam... Uitstekend! Ik wacht

hier!”

Hij begon weer op en neer te loopen en na te denken. Die Duvillard had

een helderen kop, die hem zeker dadelijk een denkbeeld aan de hand zou

doen. Hij verdiepte zich in allerlei lastige combinaties, toen de bode

kwam zeggen, dat het hoofd der Veiligheidspolitie den minister dringend

wilde spreken. Zijn eerste gedachte was, dat deze door de prefectuur

van politie gezonden werd, om zijn oordeel in te winnen omtrent de

maatregelen, welke dien dag genomen moesten worden met het oog op twee

groote optochten, die zeker veel menschen zouden trekken.

“Laat mijnheer Gascogne maar hier komen!”

Een groote, magere, donkere man, die er als een op zijn Zondags

gekleede werkman uitzag, kwam binnen. Uiterlijk zeer koelbloedig en

volkomen bekend met de dessous van Parijs, bezat hij een helderen,

methodischen geest. Maar de beroepsgewoonten belemmerden hem eenigszins

en hij zou meer intelligentie bezeten hebben, indien hij niet geloofd

had een zoo groote te bezitten, wanneer hij niet overtuigd geweest was,

dat hij alles wist.

Eerst excuseerde hij den prefect, die zeker zelf gekomen zou zijn,

wanneer een lichte ongesteldheid hem niet verhinderd had. Trouwens het

was misschien beter, dat hij den minister inlichtte omtrent de ernstige

zaak, die hij grondig kende.

“Mijnheer de minister, ik geloof, dat wij eindelijk den dader van den

aanslag in de rue Godot-de-Mauroy hebben.”

Monferrand, die ongeduldig luisterde, begon zich plotseling voor de

zaak te interesseeren. De vergeefsche nasporingen der politie, de

aanvallen en de grappen in de courant ergerden hem dagelijks meer.

“Gelukkig voor u, mijnheer Gascogne, want per slot van rekening zou het

u uw betrekking gekost hebben! Is de man gearresteerd?”

“Nog niet, Excellentie. Maar hij kan niet meer ontsnappen, het is een

kwestie van enkele uren.”

En hij vertelde de heele geschiedenis: hoe de agent Mondésir,

gewaarschuwd door een geheimen agent, dat de anarchist Salvat in de

kroeg in Montmartre zat, te laat was gekomen, daar de vogel reeds

gevlogen was; hoe het toeval hem, toen hij op ongeveer honderd pas van

de kroeg stond te loeren, weer met Salvat samengebracht had. Van af dat

oogenblik had men Salvat in alle stilte gevolgd, daar men hem in zijn

nest met zijn medeplichtigen hoopte te vangen, was men hem nagegaan tot

de Porte Maillot, waar hij plotseling, daar hij blijkbaar voelde, dat

hij vervolgd werd, het Bois de Boulogne ingevlogen was. Daar liep hij

nu sedert twee uur ’s ochtends in den fijnen motregen rond. Men had den

dag afgewacht, om een drijfjacht te organiseeren en jacht op hem te

maken als een op een wild dier, dat ten slotte van moeheid neervallen

zou. Iedere minuut was dus zijn arrestatie te wachten.

“Ik weet, Excellentie, hoezeer u zich voor deze arrestatie

interesseert, en kom daarom nu uw bevelen vragen. De agent Mondésir

leidt de drijfjacht. Het spijt hem vreeselijk, dat hij den man niet op

den boulevard Rochechouart ingerekend heeft, maar zijn denkbeeld om hem

in zijn net te vangen, was uitstekend; het eenige, wat men hem

verwijten kan, is, dat hij niet aan het Bois de Boulogne gedacht

heeft.”

Salvat gearresteerd, deze Salvat, van wien de couranten sedert drie

weken vol stonden! Dat zou een succes zijn, dat een buitengewoon opzien

verwekte. Monferrand luisterde en in zijn groote, starende oogen, op

zijn ruwen kop, die op een wild dier, dat rust, geleek, was het

plotseling besluit te lezen, om deze gebeurtenis, die het toeval hem

bracht, ten eigen voordeele te benutten. Onduidelijk nog ontstond er

reeds een band tusschen deze arrestatie en de interpellaties van Mège,

met de andere quaestie, de zaak der Afrikaansche sporen, die den

volgenden dag het ministerie omverwerpen zou. Hij zag reeds het ontwerp

der combinatie voor zich. Zond zijn goed gesternte hem niet wat hij

zocht, het middel om zich uit het troebele water der aanstaande crisis

te redden?

“Maar is u er wel zeker van, mijnheer Gascogne, dat die Salvat de dader

van den aanslag is?”

“Beslist zeker, Excellentie! Hij zal in het rijtuig alles bekennen nog

vóór we in de prefectuur zijn.”

Peinzend was hij weer heen en weer gaan loopen, en terwijl hij

bedachtzaam-langzaam sprak, kwamen de denkbeelden in hem op.

“Mijn bevelen, lieve God, mijn bevelen! In de eerste plaats moet u met

groote voorzichtigheid te werk gaan... Maak geen paniek onder de

wandelaars. Laat de arrestatie, als het kan, ongemerkt plaats

hebben!... En als u een bekentenis krijgt, houd die dan voor u en deel

die niet aan de pers mede. Ja, dat druk ik u vooral op het hart, meng

de couranten niet in de zaak!... Kom mij onmiddellijk waarschuwen en

geen woord tegen iemand over de zaak, geen woord!”

Gascogne maakte een buiging, maar Monferrand hield hem nog even terug,

om hem te zeggen, dat zijn vriend, mijnheer Lehmann, de

procureur-generaal, dagelijks van anarchisten dreigbrieven kreeg, dat

zij hem en zijn familie in de lucht zouden laten vliegen, zoodat hij

verzocht zijn huis door politie in burgerkleeding te laten bewaken.

Reeds had de Veiligheidsdienst een dergelijke bewaking georganiseerd

voor het huis van den rechter van instructie Amadieu. Maar wanneer

Amadieu een voorname persoonlijkheid, een beminlijke Parijzenaar, een

uitnemend psycholoog en criminalist en in zijn vrije uren zelfs een

uitstekend schrijver was, daartegenover stond, dat de

procureur-generaal Lehmann in alle opzichten zijns gelijke was; hij was

een van die politieke rechters, een van die zeer talentvolle Joden, die

op zeer eervolle wijze hun weg gaan en steeds de zijde van de

machthebbers kiezen.

“En dan hebben we ook nog de zaak-Barthès, Excellentie!” zeide op zijn

beurt Gascogne. “Wij wachten—moeten we tot de arrestatie in het kleine

huisje te Neuilly overgaan?”

Een van die toevallen, welke de politie nu en dan diensten bewijzen en

het geloof aan haar genie doen ontstaan, had hem op de hoogte gebracht

van het geheime toevluchtsoord van Nicolas Barthès in het kleine huisje

van een priester, abbé Pierre Froment. Maar hoewel Barthès, sedert in

Parijs de schrik voor anarchisten heerschte, eenvoudig als verdachte,

die met de revolutionnairen in betrekking stond, gearresteerd zou

kunnen worden, had Gascogne het niet gewaagd hem zonder een formeele

opdracht gevangen te nemen bij dezen priester, die door de geheele wijk

als een heilige vereerd werd. De minister, dien hij over het geval

geraadpleegd had, was het volkomen met hem eens geweest, dat men

tegenover den clerus zeer gematigd optreden moest, en had beloofd de

zaak zelf in orde te zullen brengen.

“Neen mijnheer Gascogne, laat die zaak met rust. U kent mijn stelregel:

wij moeten de priesters voor ons hebben, niet tegen ons... Ik heb abbé

Froment geschreven, dat hij vanochtend, nu ik niemand anders verwacht,

bij mij moet komen. Ik zal met hem spreken: de zaak gaat u niet meer

aan.”

Hij wilde hem nu laten gaan, toen de bode zeggen kwam, dat de president

van den ministerraad er was.

“Barroux!... Bliksems, ga hierdoor, mijnheer Gascogne; ik heb liever,

dat niemand u ontmoet, nu ik u het stilzwijgen gevraagd heb over de

arrestatie van dien Salvat... Afgesproken dus, ik alleen moet alles

weten, en telephoneer mij onmiddellijk, als er iets ernstigs gebeurt.”

Nauwlijks was de chef van den veiligheidsdienst door een zijdeur

verdwenen, of de bode deed die van de antichambre open.

“Mijnheer de president van den ministerraad!”

Met uitgestoken handen en een dienstvaardigheid, waarin hartelijkheid

en eerbied handig waren afgewogen, ging Monferrand hem tegemoet.

“Waarom hebt u zich die moeite gegeven?” riep hij uit. “Ik zou wel bij

u gekomen zijn, als u mij dringend wilde spreken!”

Maar met een ongeduldig gebaar wees Barroux iedere

hoffelijkheidsbetuiging af.

“Neen, neen, ik deed juist mijn dagelijksche wandeling op de Champs

Elysées en maakte mij zóó bezorgd, dat ik liever dadelijk hier naar toe

wilde komen... Je begrijpt natuurlijk, dat de dingen niet zoo blijven

kunnen, en daar er morgenochtend een ministerraad gehouden moet worden,

waarin we een verdedigingsplan moeten vaststellen, achtte ik het

gewenscht, dat wij samen eens praatten.”

Hij nam een fauteuil, terwijl Monferrand een anderen bijschoof, om,

tegen het licht in, bij hem te gaan zitten. De twee mannen zaten

tegenover elkaar. En zooals Barroux, die tien jaar ouder, sneeuwwit en

plechtig was, met zijn gladgeschoren gezicht en zijn bakkebaarden de

trotsche statigheid der macht, de conventioneel-romantische houding

bewaarde, zoo verborg de andere, de sluwere en plompere, onder zijn

gewone trekken, achter zijn gemaniereerde vrijmoedigheid en

eenvoudigheid een onbekenden afgrond, de donkere ziel van een

meedoogenloozen, gewetenloozen en genotzuchtigen despoot.

Barroux, die heel opgewonden was, hijgde een oogenblik. Het bloed steeg

hem naar het hoofd, zijn hart klopte van verontwaardiging en woede,

wanneer hij dacht aan den stroom van gemeene beschimpingen, die de Voix

du Peuple dien ochtend weer over hem uitgegoten had.

“Kijk eens, mijn waarde collega, daar moet een eind aan komen; we

moeten aan die schandelijke campagne een eind maken... Trouwens u

begrijpt heel goed wat ons morgen in de Kamer te wachten staat. Nu de

beroemde lijst gepubliceerd is, zullen we alle ontevredenen tegenover

ons hebben. Vignon roert zich...”

“Zoo, hebt u berichten over Vignon?” vroeg Monferrand, die nu zeer

opmerkzaam geworden was.

“Natuurlijk, ik zag in het voorbijgaan een heele file rijtuigen voor

zijn deur staan. Al zijn aanhangers zijn sedert gisteren in de weer en

ik weet niet hoeveel menschen me niet gezegd hebben, dat de bende reeds

onderling de portefeuilles verdeelt. Want u begrijpt wel, dat de

naïeve, dolzinnige Mège wel weer de kastanjes uit het vuur halen zal.

Kortom, we zijn dood; ze willen ons in de modder begraven, voordat ze

nog over onze overblijfselen strijden.”

Hij maakte een theatraal gebaar, zijn stem klonk welsprekend, als stond

hij op de tribune. Maar zijn ontroering was oprecht, tranen kwamen in

zijn oogen.

“Ik, die mijn geheele leven aan de Republiek gegeven heb, die haar

gesticht en gered heb, ik zal, door zooveel beleedigingen overladen,

verplicht worden mij tegen zulke afschuwelijke beschuldigingen te

moeten verdedigen. Ik, een plichtvergeten minister, die zich zou hebben

laten omkoopen, die tweehonderd duizend francs van dien Hunter

ontvangen zou hebben, om ze eenvoudig in mijn zak te steken!... Zeker

er is tusschen hem en mij sprake geweest van tweehonderd duizend

francs. Maar men moet weten hoe en in welke omstandigheden. Het is

natuurlijk met u precies eender gegaan met de tachtig duizend francs,

die hij u gegeven zou hebben...”

Monferrand viel hem zeer beslist in de rede.

“Hij heeft mij geen centime gegeven.”

Heel verbaasd keek de andere hem aan, maar zag niets dan zijn groot, in

het donker gedompeld hoofd.

“O, ik dacht, dat u in connectie met hem stond, dat u hem speciaal

kende.”

“Neen, ik heb Hunter gekend, zooals iedereen hem kent, ik wist zelfs

niet, dat hij de drijver van baron Duvillard voor die Afrikaansche

sporen was, en nooit hebben wij over die quaestie gesproken.”

Dit was zoo onwaarschijnlijk, zoo in tegenspraak met alles wat hij

wist, dat Barroux voor dien zoo evidenten leugen een oogenblik

verbijsterd bleef zitten. Dan echter was hij zichzelf weer meester en

kwam weer op zijn eigen geval terug.

“O, hij is zeker wel tien maal bij mij geweest en heeft mijn ooren gek

gezanikt over die Afrikaansche sporen, toen de Kamer over de

premieleening beslissen moest... Ik zie het nog voor mij, zooals wij

beiden in deze kamer zaten, want ik had toen, zooals u zich herinneren

zult, Binnenlandsche Zaken, terwijl u juist de portefeuille van

Openbare Werken overgenomen hadt. Ik zat daar aan dat bureau, terwijl

Hunter op dezelfde plaats in den fauteuil, waarin ik nu zit, zat. Dien

dag wilde hij mij raadplegen, hoe hij belangrijke sommen, welke de bank

Duvillard voor publiciteit wilde beschikbaar stellen, het best zou

kunnen besteden; ik herinner me nog, dat ik bij het hooren van groote

bedragen voor de monarchistische bladen boos werd, daar ik—en

terecht—van oordeel was, dat dat geld uitgegeven werd tegen de

Republiek. Derhalve heb ik op zijn verzoek een lijst opgemaakt en de

tweehonderd duizend francs bestemd voor republikeinsche, ons bevriende

bladen. Op die wijze hebben deze door mijn bemiddeling—dat is zoo—het

geld gekregen. Dat is de geheele geschiedenis.”

Hij stond op en sloeg zich op zijn borst, terwijl zijn stem nog luider

werd.

“Kort en goed, ik heb genoeg van al die leugens en lasterpraatjes... Ik

zal die heele geschiedenis morgen eenvoudig aan de Kamer mededeelen.

Dat zal mijn eenige verdediging zijn. Een eerlijk man vreest de

waarheid niet.”

Op zijn beurt was Monferrand nu ook opgestaan en uitte een kreet, die

gelijk stond met een bekentenis.

“Dat is dwaasheid! Men mag nooit bekennen! Dat mag u niet doen!”

Maar Barroux bleef trotsch en koppig.

“Ik zal het wel doen, en we zullen zien, of de Kamer een ouden dienaar

der vrijheid niet met acclamatie vrijspreken zal.”

“U zult onder hoongelach vallen en ons allen in uw val medesleepen.”

“Wat beteekent dat? Dan vallen wij tenminste waardig en eervol!”

Monferrand maakte een woest-toornig gebaar. Dan echter werd hij

plotseling kalm. In de angstige besluiteloosheid, waarin hij sedert den

vroegen ochtend verkeerde, ging plotseling een helder licht op; het nog

onvaste plan, dat de inhechtenisneming van Salvat had doen ontstaan,

kreeg duidelijker omtrekken en breidde zich uit tot een vermetele

combinatie. Waarom zou hij den val van dien onnoozelen Barroux

verhinderen? Het eenige wat voor hem belang had was niet met hem te

vallen of zich tenminste weer in de hoogte te werken. Hij zweeg,

mompelde nog slechts een paar onverstaanbare woorden, waarin hij zijn

verzet verstikte. Eindelijk zeide hij op zijn knorrig-gemoedelijke

manier.

“Per slot van rekening hebt u misschien gelijk. Je moet dapper zijn. En

bovendien, u is de president, wij zullen u volgen.”

De twee mannen waren weer tegenover elkaar gaan zitten en het gesprek

werd voortgezet. Zij werden het eens over de houding, die het

ministerie tegenover de interpellatie, die morgen ongetwijfeld gehouden

zou worden, moest aannemen.

Dien nacht had baron Duvillard zoo goed als niet geslapen. Nadat hij

door Gérard thuis gebracht was, was hij onmiddellijk naar bed gegaan

als iemand, die den slaap wil bevelen, om te vergeten en weer zichzelf

te worden. Maar de slaap was niet gekomen, ofschoon hij dien, gekweld

door slapeloosheid, uren lang gezocht had. De beleediging, die Silviane

hem aangedaan had, liet hem geen oogenblik met rust. Het was, zooals

hij het uitgeschreeuwd had, schandelijk. Dat meisje, dat hij rijk

gemaakt, met weldaden overladen had, wierp hem die modder in het

aangezicht, hem, den meester, die er zich op beroemde Parijs en de

Republiek in zijn zak gestoken te hebben, die over gewetens beschikte,

zooals een koopman zich van wol of leder meester maakt, om op de Beurs

een slag te slaan. En het heimelijke bewustzijn, dat Silviane het

wrekende gezwel, de verrotting voor hem, den verrotter, was, bracht hem

geheel buiten zichzelf. Vergeefs trachtte hij dat spookbeeld te

verjagen, te denken aan zijn zaken, aan zijn afspraken voor morgen, aan

de millioenen, die hij in alle deelen der wereld had, aan de almacht

van het geld, die het lot der volkeren in zijn handen legde, steeds en

steeds weer kwam Silviane weer terug en bezoedelde hem met haar

ontucht.

Hij trachtte zich wanhopig vast te klampen aan de groote zaak, die hij

sedert maanden voorbereidde—aan die beroemde Trans-Sahara-lijn, die

reusachtige onderneming, waarmede millioenen gemoeid waren en die het

aangezicht der aarde veranderen zou, steeds en steeds weer kwam

Silviane terug en sloeg hem met haar kleine hand, die zij in het riool

nat gemaakt had, op zijn beide wangen. Tegen het aanbreken van den dag

was hij echter in een lichte sluimering gevallen, terwijl hij woedend

zwoer, dat hij haar nooit weer wilde zien, haar zou wegtrappen, zelfs

wanneer zij zich op haar knieën zou werpen.

Toen hij tegen zeven uur gebroken in de verslappende klamheid der

lakens wakker werd, gold zijn eerste gedachte haar en gaf bijna aan een

lafheid toe. Plotseling kwam het denkbeeld in hem op dadelijk te gaan

kijken, of zij thuis gekomen was, haar in haar slaap te overvallen,

vrede met haar te sluiten en daarvan gebruik te maken, om haar weer te

bezitten. Maar hij sprong uit bed, nam een koude douche en vond zijn

moed weer terug. Neen, Silviane was een ellendelinge, ditmaal was hij,

naar hij geloofde, voor goed van haar genezen. En inderdaad vergat hij

haar, zoodra hij de ochtendbladen ingekeken had. De publicatie van de

lijst door de Voix du Peuple bracht hem buiten zichzelf van woede, want

tot nog toe had hij het sterk betwijfeld, of Sanier die wel in zijn

bezit had. Met één oogopslag beoordeelde hij het document, de enkele

waarheden, die het te midden van den gewonen stroom domheden en leugens

bevatte. Hij zelf voelde zich ook ditmaal nog niet getroffen: hij

vreesde in werkelijkheid maar één ding, n.l. de arrestatie van zijn

bemiddelaar Hunter, door wiens proces ook hij in het geding zou

gebracht kunnen worden.

Hij had, zooals hij met zijn kalm glimlachend gelaat onophoudelijk

herhaalde, niets anders gedaan dan wat alle banken doen, wanneer zij

een emissie op de markt brengen: hij had de pers voor haar publicaties

betaald, gebruik gemaakt van de diensten van courtiers en de aan de

zaak bewezen diensten beloond. Het was een zaak... dat zeide alles voor

hem. Overigens was hij een kalm speler en met verontwaardiging en

minachting sprak hij over een bankier, die, door chantage in het nauw

gedreven, een eind aan zijn leven gemaakt had. Neen, neen, men moest

het hoofd omhoog houden, men moest tot den laatsten adem, tot den

laatsten gulden strijden!

Tegen negen uur riep een bellen hem aan zijn particuliere telephoon,

die op zijn schrijftafel stond. Weer maakte zijn waanzin zich van hem

meester: het moest Silviane zijn, ging het door zijn brein. Dikwijls

viel zij hem zoo midden in zijn gewichtigste bezigheden lastig. Zij was

thuisgekomen, begreep, dat zij te ver was gegaan en wilde hem nu

vergiffenis vragen. En toen hij hoorde, dat het Monferrand was, die hem

op het ministerie wilde spreken, doorhuiverde hem een lichte rilling

als iemand, die nogmaals gered is van den afgrond, waar hij langs

geloopen is. Dadelijk liet hij zich zijn hoed en zijn wandelstok

brengen, daar hij loopen en in de frissche lucht nadenken wilde. Weer

was hij geheel met zijn gedachten bij de complicaties en de

schandaalgeschiedenis, die het Parlement en geheel Parijs in rep en

roer brengen zou. Zich van kant maken, neen, dat was krankzinnig en

laf. De storm kon woeden, zooveel als hij wilde, hij voelde zich sterk:

zijn wil was krachtiger dan de gebeurtenissen, hij was vastbesloten

zich te verdedigen als een gebieder, die niets van zijn macht opgeven

wil.

Nauwlijks was Duvillard in de antichambre van het ministerie of hij

voelde, hoe die storm van angst en schrik hier als een orkaan woedde.

De Voix du Peuple had met haar lijst de harten der schuldigen tot ijs

verstijfd, allen snelden bleek en radeloos toe, nu zij den grond onder

zich voelden wegzinken. De eerste, dien hij zag, was Dutheil. Hij beet

zenuwachtig op zijn fijne snor en in zijn poging, om ondanks alles te

lachen, vertrok zijn gezicht krampachtig. Hij gaf hem een standje: het

was hoogst verkeerd op zoo’n angstige manier te komen informeeren. Maar

Dutheil, die door die ruwe woorden reeds weer opgevroolijkt was, zwoer,

dat hij het artikel van Sanier niet gelezen had, dat hij alleen den

minister een dame, die hij kende, kwam aanbevelen. De baron belastte

zich met die aangelegenheid, wenschte hem een prettige Halfvasten en

zond hem weg. Maar een vreeselijk medelijden had hij met Chaigneux,

wiens geheele lichaam beefde, als werd hij naar beneden getrokken door

het gewicht van zijn langen paardenkop en die er zoo vuil en

hulpbehoevend uitzag, dat men hem voor een ouden bedelaar gehouden zou

hebben. Toen hij den baron zag, vloog hij naar hem toe en begroette hem

met een onderdanige dienstvaardigheid.

“O, mijnheer de baron, wat moeten de menschen slecht zijn! Dat is mijn

dood, men vermoordt mij; wat zal er van mijn vrouw en mijn drie

dochters worden, wier eenige steun ik ben.”

In deze jammerklacht lag de geheele geschiedenis van dien armen

stumperd, dit slachtoffer der politiek. Om met zijn vier vrouwen,

zooals hij de moeder en de drie dochters noemde, in Parijs goede sier

te maken, was hij zoo dwaas geweest Atrecht en zijn advocatenkantoor te

verlaten; en van dat oogenblik af was hij, angstig geworden door zijn

voortdurend echec, de bedeesde dienaar van zijn familie geworden. Een

eerlijk afgevaardigde! Lieve God, hoe gaarne zou hij het geweest zijn,

maar verkeerde hij niet altijd in geldverlegenheid, was hij niet altijd

op zoek naar een biljet van honderd francs, was hij niet een

afgevaardigde, die steeds te koop was? En bovendien werd hij door zijn

vier vrouwen zoo getreiterd en lastig gevallen, dat hij het geld voor

haar overal en hoe ook opgeraapt zou hebben.

“Stel u voor, mijnheer de baron, dat ik eindelijk een man voor mijn

oudste dochter gevonden had. Dat is het eerste geluk, dat mij ten deel

valt, ik zou er dan nog maar drie thuis hebben... Maar u begrijpt wat

voor een indruk een artikel als dat van vanochtend op de familie van

den jongen man moet maken. Ik ben naar den minister gevlogen om hem te

smeeken, mijn aanstaanden schoonzoon een secretarisbaantje te geven...

Dat baantje, dat ik hem beloofd heb, kan nog alles in orde brengen.”

Hij was zoo jammerlijk om aan te zien en sprak op een zoo smeekenden

toon, dat Duvillard op het denkbeeld kwam een van die goede daden te

verrichten, welke hij op het juiste oogenblik dikwijls deed, en waarin

hij zijn protectie en zijn geld tegen hooge interest belegde. Het is

altijd goed arme drommels, waarvan men voor een stuk brood dienaren en

medeplichtigen maakt, aan zijn zijde te hebben. Hij zond hem dan ook

weg en beloofde zijn zaak te zullen behartigen, terwijl hij er nog aan

toevoegde, dat hij hem morgen op zijn kantoor wachtte, daar hij, nu een

zijner dochters trouwde, hem wilde spreken en helpen.

Chaigneux, die een leening rook, putte zich in dankbetuigingen uit.

“O, mijnheer de baron, mijn leven zal te kort zijn, om u die schuld der

dankbaarheid terug te kunnen betalen.”

Toen Duvillard zich omkeerde, zag hij tot zijn verbazing abbé Froment,

die in een hoek der antichambre zat te wachten. Deze behoorde toch niet

tot de schaar verdachten, hoewel hij, door schijnbaar in een courant te

lezen, een grooten angst trachtte te verbergen. De baron ging naar hem

toe, gaf hem een hand en begon vriendschappelijk met hem te praten.

Pierre vertelde, dat hij een brief gekregen had, waarin hem verzocht

werd op het ministerie te komen; hij wist echter niet waarom. Hij zat

nu al een kwartier te wachten. Als men hem hier in die antichambre maar

niet vergat.

De bode kwam eerbiedig naar Duvillard toe.

“De minister verwacht u, mijnheer de baron. Hij is op het oogenblik in

conferentie met den minister-president, maar ik heb order u, zoodra

deze weg is, binnen te laten, mijnheer de baron.”

Bijna onmiddellijk daarna ging Barroux weg. Toen Duvillard binnen wilde

gaan, herkende hij hem en hield hem terug. Op bitteren toon en

verontwaardigd over al dien laster sprak hij over de afschuwelijke

zaak. Zou hij, Duvillard, als het noodig was, niet willen getuigen, dat

hij, Barroux, direct nooit een sou ontvangen had. Hij vergat, dat hij

tegen een bankier sprak en dat hij zelf minister van Financiën was en

gaf al zijn afkeer voor het geld te kennen. Wat waren die zaken toch

een troebele en vergiftige poel! Maar hij herhaalde, dat hij de

lasteraars zou weten te straffen, dat de waarheid voldoende zijn zou.

Duvillard luisterde naar hem en keek hem aan. Plotseling rees de

gedachte aan Silviane weer in hem op en vervolgde hem, zonder dat hij

moeite deed haar te verjagen. Hij bedacht, dat, als Barroux, toen hij

diens bemiddeling had ingeroepen, gewild had, Silviane nu aan de

Comédie zijn zou en het ongelukkig avontuur van den vorigen avond niet

plaats gehad zou hebben, want hij begon zichzelf niet schuldig te

vinden: Silviane zou hem nooit zoo schandelijk in den steek gelaten

hebben, als hij haar gril had kunnen bevredigen.

“Maar weet u wel, dat ik erg boos op u ben?” viel hij den minister in

de rede.

“Boos op mij? En waarom?” vroeg de minister verbaasd.

“Natuurlijk, omdat u mij niet geholpen hebt... U weet wel... Mijn

vriendinnetje, dat in Polyeucte debuteeren wil.”

Barroux glimlachte vriendelijk.

“O ja, Silviane d’Aulnay! Maar daar heeft Taboureau zich tegen verzet.

Hij heeft Schoone Kunsten, de zaak gaat alleen hem aan. Ik kan er

absoluut niets aan doen. Deze volmaakt eerlijke man, die uit de een of

andere provinciefaculteit is komen vallen, zit vol gewetensbezwaren...

Ik ben een oude Parijzenaar, ik begrijp alles, en het zou mij een groot

genoegen geweest zijn u een dienst te bewijzen.”

Bij dezen nieuwen hinderpaal geraakte Duvillard weer in hartstocht; hij

wilde onmiddellijk hebben wat men hem weigerde.

“Taboureau, Taboureau, ook een mooi blok aan uw been! Eerlijk! Maar

zijn alle menschen niet eerlijk?... Luister eens, mijn waarde minister,

het is nog tijd, laat Silviane benoemen, dat zal u morgen geluk

aanbrengen.”

Ditmaal brak Barroux in een luid gelach uit.

“Neen, neen, ik kan Taboureau op dit oogenblik niet in den steek

laten... De menschen zouden ons uitlachen. Een ministerie, dat valt of

blijft voor de Silviane-quaestie.”

Hij had zijn hand uitgestoken, om afscheid te nemen. De baron nam die

aan, hield hem nog een oogenblik staande en zeide zeer ernstig met een

bleek gezicht:

“Het is heel verkeerd van u zoo te lachen, mijn waarde minister. Er

zijn toch wel ministeries voor kleinere dingen gevallen... Als u morgen

valt, hoop ik, dat u er nooit spijt van zult hebben.”

Duvillard keek hem na. Hij was beleedigd, dat de minister het zoo

schertsend opnam, wond zich op bij de gedachte, dat voor hem iets

beslist onmogelijk was. O, het was niet in de hoop zich weer met

Silviane te verzoenen, maar hij zwoer zich een heiligen eed, dat hij,

als het moest, alles tegen den grond werpen zou, om haar, slechts uit

wraak, dat contract als een klap in haar gezicht, het onderteekende

contract thuis te zenden. Ja, als een klap in haar gezicht... Deze

minuut was beslissend geweest.

Op dit oogenblik zag Duvillard, die Barroux nog steeds nakeek, tot zijn

verbazing dat Fonsègue, die juist aankwam, zoo trachtte te

manoeuvreeren, dat hij niet door den minister gezien werd. Het gelukte

hem, hij ging de antichambre binnen; zijn gewoonlijk zoo levendig

gezicht zag er thans wanhopig uit. De storm van angst loeide nog steeds

en bracht ook hem hier.

“Heb je je vriend Barroux niet gezien?” vroeg de baron nieuwsgierig.

“Barroux? Neen!”

Deze kalme leugen verried alles. Hij stond op familiaren voet met

Barroux, steunde hem al tien jaar in zijn courant, had dezelfde ideeën,

dezelfde politieke en godsdienstige richting. Maar nu hij met zijn

scherpe neus den dreigenden ondergang rook, begreep hij, dat hij andere

vrienden zoeken moest, als hij ook niet onder de puinhoopen begraven

wilde worden. Had hij niet tien jaren lang al zijn diplomatieke

voorzichtigheid gebruikt voor het stichten van het meest waardige en

meest gerespecteerde blad van Parijs, om zich door de onhandigheid van

een eerlijk man op die wijze te laten compromitteeren?

“Ik dacht dat je op gespannen voet met Monferrand stondt!” zeide

Duvillard. “Wat kom je hier doen?”

“O, mijn beste baron, de uitgever van een groot blad staat met niemand

op gespannen voet. Hij wijdt zich geheel aan zijn land.”

Ondanks zijn eigen opwinding kon Duvillard een glimlachje niet

bedwingen.

“Je hebt gelijk. Bovendien is Monferrand werkelijk een flinke kerel,

dien je zonder vrees steunen kunt.”

Nu vroeg Fonsègue zich af, of zijn angst zoo duidelijk op zijn gelaat

te lezen was. Het artikel van de Voix du Peuple had hem, den kalmen

speler, die zijn spel altijd zoo beheerschte, buitengewoon bang

gemaakt. Voor de eerste maal in zijn leven had hij een fout begaan,

voelde hij, dat hij gevaar liep, nu hij zoo onvergeeflijk onvoorzichtig

geweest was een paar regels te schrijven. De vijftig duizend francs,

die Barroux hem voor zijn blad had doen toekomen, maakten hem niet

ongerust, maar hij beefde, dat de andere geschiedenis, de som, die hij

persoonlijk ten geschenke gekregen had, zou uitkomen. Eerst de

doordringende blik van Duvillard deed hem zijn koelbloedigheid weer

eenigszins terugkrijgen. Het was dwaas niet meer te kunnen liegen en

door zijn houding alleen te bekennen.

De bode was weer naderbij gekomen.

“Mag ik mijnheer den baron eraan herinneren, dat mijnheer de minister

op hem wacht?”

Toen Fonsègue met abbé Froment alleen bleef, ging hij, zoodra hij hem

zag, dadelijk naast hem zitten. Ook hij verwonderde zich, dat deze hier

was. Pierre vertelde, dat hij ontboden was zonder dat hij vermoeden kon

wat de minister hem te zeggen had. Hij liet zijn ongeduld, de lichte

huivering, die door zijn vingers beefde, nogmaals blijken; maar hij

moest wachten, daar er zulke ernstige dingen te verhandelen waren.

Zoodra Monferrand Duvillard binnen zag komen, ging hij met uitgestoken

handen naar hem toe. Niettegenstaande den storm van schrik, die overal

woedde, behield hij zijn vriendelijk en glimlachend uiterlijk.

“Wat een geschiedenis, waarde baron!”

“Het is idioot!” antwoordde deze, terwijl hij zijn schouders ophaalde.

Hij ging in den fauteuil van Barroux zitten, terwijl de minister

tegenover hem plaats nam. De beide mannen waren als het ware geschapen,

om elkander te begrijpen: beiden maakten dezelfde radelooze gebaren,

hadden denzelfden woedenden toon, toen zij beweerden, dat regeeren,

wanneer men van de menschen de deugd eischte, die zij niet bezaten,

evenmin mogelijk was als zaken doen. Was het, wanneer naar aanleiding

van een groote onderneming de goedkeuring der Kamer noodig zou zijn,

niet in alle tijden en onder alle regimes de taktiek geweest het

noodzakelijke te doen om deze te verkrijgen? Men moest toch invloed

krijgen, sympathieën winnen, zich van de stemmen verzekeren. Alles was

nu eenmaal te koop, de menschen zoowel als de rest, sommigen voor goede

woorden, anderen voor gunstbewijzen of geld, voor min of meer vermomde

geschenken. Maar was het—zelfs toegegeven, dat men met de omkooping wat

te ver was gegaan, dat in sommige gevallen het geknoei te onvoorzichtig

geweest was—verstandig zoo’n lawaai te maken? Zou een krachtige

regeering niet dadelijk begonnen zijn het schandaal uit patriotisme en

uit een gevoel van fatsoen te verstikken?

“Maar natuurlijk, je hebt duizendmaal gelijk!” riep Monferrand. “Als ik

wat te zeggen had, zou je eens een mooie begrafenis eerste klasse

zien!”

Toen Duvillard, getroffen door die laatste woorden, hem strak aankeek,

ging hij glimlachend voort:

“Maar ongelukkig heb ik niets te zeggen, en ik ben zoo vrij geweest u

te storen, om eens kalm met u over den toestand te praten... Barroux,

die juist hier geweest is, leek mij in een opgewonden en verkeerde

gemoedsstemming te zijn.”

“Ja, ik heb hem ook gesproken; hij heeft soms van die vreemde

ideeën...”

Dan viel hij zichzelf in de rede:

“Zeg, Fonsègue zit in de antichambre. Laat hem hier komen, nu hij

blijkbaar vrede met je wil sluiten. Hij zal niet overbodig zijn, hij

weet dikwijls goeden raad en zijn blad kan de overwinning geven,”

“Wat, is Fonsègue hier?” riep Monferrand uit. “Ik wil niets liever dan

hem de hand drukken. Oude geschiedenissen, die niemand aangaan! Lieve

Hemel, als u eens wist hoe weinig haatdragend ik ben!”

Toen de bode Fonsègue binnengebracht had, volgde de verzoening heel

eenvoudig. Zij kenden elkaar reeds van het gymnasium in hun

geboorteplaats Corrège, doch spraken in de laatste twee jaar ten

gevolge van een afschuwelijke geschiedenis, waarvan niemand precies de

bijzonderheden wist, niet meer met elkaar. Maar er zijn oogenblikken,

dat de dooden begraven moeten worden, wanneer men het slagveld voor een

nieuw gevecht moet schoonmaken.

“Het is heel aardig van je, dat je het eerst bij mij komt. Je bent dus

niet boos meer?”

“Neen. Waarom zou je elkaar opeten, wanneer je er alle belang bij hebt

het eens te zijn?”

En zonder eenige verdere verklaring begonnen zij over de groote zaak.

Toen Monferrand zeide, dat Barroux van plan was te bekennen en een

verklaring te geven van zijn handelwijze, sprongen de beide anderen

verbaasd op. Dat stond gelijk met een val! Ze zouden het hem wel

beletten, hij mocht zoo’n dwaasheid niet uithalen! Daarop bespraken zij

alle denkbare middelen, om het in gevaar gebrachte ministerie te

redden, want dat moest toch het eenige zijn, wat Monferrand wilde. En

deze deed dan ook alsof hij hartstochtelijk zocht naar een middel, om

zijn collega’s en zichzelf door de moeilijkheden heen te helpen, hoewel

om zijn mondhoeken een flauw glimlachje spelen bleef. Eindelijk scheen

hij echter overwonnen te zijn en zocht niet verder.

“Laten we niet langer zoeken, het ministerie is gevallen.”

De beide anderen keken elkaar aan, angstig als zij waren de zaak der

Afrikaansche sporen toe te vertrouwen aan het volgend kabinet. Een

kabinet Vignon zou zeker doen alsof het hoogst fatsoenlijk was!

“Wat moeten we dan doen?”

Maar op dat oogenblik ging de telephoon.

“Excuseert me even!”

Een oogenblik luisterde hij en sprak in het toestel, zonder dat uit

zijn antwoorden of zijn korte vragen op te maken was, welke mededeeling

hij ontving. Het was de chef van den Veiligheidsdienst, die zijn

belofte hield en hem telephoneerde, dat de man in het Bois de Boulogne

gevonden was en de jacht met kracht voortgezet werd.

“Uitstekend! En vergeet mijn orders niet!”

Dan keerde Monferrand, wiens plan zich langzamerhand uitgebreid en in

de zekerheid van Salvat’s arrestatie een vasten vorm aangenomen had,

naar het midden van het groote vertrek terug en zeide op zijn gewone,

vertrouwelijke manier:

“Wat zal ik zeggen, waarde vrienden? Ik moest de baas zijn! Als ik de

baas was!... Een enquête-commissie is een begrafenis eerste klasse voor

dergelijke geschiedenissen. Ik zou niets bekennen, ik zou een

enquête-commissie laten benoemen. Dan zou je eens zien hoe gauw de

storm bedaarde!”

Duvillard en Fonsègue lachten. Maar deze laatste, die Monferrand al zoo

lang kende, doorzag hem bijna geheel en al.

“Zeg eens, wanneer het ministerie valt, dan volgt daar nog niet uit,

dat jij ook valt. Een ministerie kan opgelapt worden, als de stukken

goed zijn.”

“Neen, neen, mijn waarde, dat spel speel ik niet,” protesteerde

Monferrand, bang, dat hij hem in de kaart gekeken had. “We zijn

solidair!”

“Kom nou, solidair met de onnoozele gekken, die zich met voordacht

verdrinken. En wij mogen jou, wanneer wij je noodig hebben, per slot

van rekening toch tegen je wil redden, niet waar, baron?”

En toen Monferrand, zonder verder te protesteeren, weer ging zitten,

riep Duvillard, die weer geheel door zijn hartstocht medegesleept werd

en bij de herinnering aan Barroux’ weigering in woede geraakte, uit:

“Natuurlijk! Als het ministerie vallen moet, dan moet het ook vallen...

Wat kan je van een ministerie verwachten, waarin een kerel als

Taboureau zit? Een oude, afgeleefde professor zonder eenig prestige,

die uit Grenoble hierbinnen is komen vallen, die nooit een voet in een

schouwburg gezet had en onder wiens leiding de schouwburgen nu staan.

Natuurlijk begaat hij de eene stommiteit na de andere.”

Monferrand, die volkomen op de hoogte van de quaestie-Silviane was,

bleef ernstig en amuseerde er zich een oogenblik mede den baron te

prikkelen.

“Taboureau is een eenigszins ouderwetsche geleerde, maar die als

aangewezen is voor het Openbaar Onderwijs, waarin hij volkomen thuis

is.”

“Scheid toch uit. Jij bent toch verstandiger, jij zult toch niet,

zooals Barroux, Taboureau verdedigen... Het is waar, dat ik erop sta,

dat Silviane in de Comédie debuteert. Zij is in den grond der zaak heel

aardig en heeft een opmerkelijk talent, zou jij er ook tegen zijn?”

“Ik, lieve God, ik zou er niet over denken! Een knap meisje op het

tooneel zou iedereen pleizier doen, daar ben ik zeker van! Maar we

zouden dan aan Schoone Kunsten iemand moeten hebben, die denkt zooals

ik...”

Zijn flauw glimlachje was weer teruggekomen. Wanneer hij zich van den

steun van Duvillard en van zijn millioenen kon verzekeren door dat

meisje te laten debuteeren, dan zou dat niet te duur gekocht zijn. Hij

wendde zich tot Fonsègue als om dezen te raadplegen, en deze, die de

groote beteekenis van deze aangelegenheid inzag, dacht ernstig na.

“Voor Schoone Kunsten zou een senator het meest geschikt zijn... maar

ik weet niemand, absoluut niemand in de gegeven omstandigheden. Een

breed denkende geest, een Parijzenaar, wiens aan het hoofd staan der

Universiteit niet al te veel verwondering wekken zou... Dauvergne is er

wel.”

“Wie is dat, Dauvergne?” riep Monferrand verbaasd uit. “O ja,

Dauvergne, de senator van Dijon... Maar hij heeft niet het minste

verstand van onderwijs.”

“Bliksems!” riep Fonsègue uit, “ik zoek toch nog... Dauvergne is een

groote, blonde, decoratieve persoonlijkheid. En bovendien is hij

ontzaglijk rijk, heeft hij een knappe vrouw, wat ook niet kwaad is, en

geeft hij in zijn hôtel op den boulevard Saint-Germain groote feesten.”

Hij had in den beginne den naam slechts aarzelend genoemd; maar

langzamerhand begon zijn keuze hem een ware vondst toe te schijnen.

“Wacht eens even. Ik herinner me, dat Dauvergne in zijn jeugd te Dijon

een stuk, een éénacter in verzen heeft laten opvoeren. Dijon is een

letterkundige stad en dat geeft hem dadelijk een zachten, litterairen

geur. Afgezien daarvan heeft hij sedert twintig jaar er geen voet meer

gezet, is hij een besliste Parijzenaar geworden, die in alle kringen

verkeert... Dauvergne zal alles doen wat we willen. Hij is onze man.”

Duvillard zeide, dat hij hem kende en voor zeer geschikt hield.

“Trouwens wat komt het er op aan, hij of een ander?”

“Dauvergne, Dauvergne,” herhaalde Monferrand. “Lieve God, ja—misschien

zal hij een goed minister worden. Dauvergne dus!”

Dan barstte hij plotseling in een luiden lach uit.

“Nou zijn we waarachtig met een reconstructie van het kabinet bezig, om

die aardige dame in de Comédie te laten optreden. Het

ministerie-Silviane... En de andere portefeuilles?”

Hij schertste, want hij wist, dat vroolijkheid dikwijls moeilijke

oplossingen verhaast. En inderdaad regelden zij in een opgewekte

stemming alles wat gedaan moest worden, wanneer het ministerie den

volgenden dag vallen zou, tot in de kleinste bijzonderheden. Zonder het

met zoovele woorden uit te spreken, besloten zij toch het ministerie te

laten vallen en Monferrand uit het troebele water op te visschen. Deze

laatste sloot zich bij de anderen aan, daar hij de financieele macht

van den baron en vooral de diensten van den Globe, die een campagne

voor hem op touw zetten kon, noodig had; terwijl anderzijds, afgezien

van de Silviane-quaestie de beide anderen den staatsman met de sterke

vuist, die door de benoeming van een enquête-commissie, welker draden

hij in de hand houden zou, het schandaal met de Afrikaansche sporen

beloofde te begraven, noodig hadden. Weldra waren de drie mannen het

volkomen eens, want niets brengt de menschen meer tot elkaar dan een

gemeenschappelijk belang, vrees en het bewustzijn, dat men elkaar

noodig heeft. Toen Duvillard dan ook over de jonge dame sprak, die

Dutheil hem wilde aanbevelen, zeide de minister onmiddellijk, dat het

in orde was. Een heel aardige jongen, die Dutheil! Zoo moesten er meer

zijn! Ook spraken zij af, dat de aanstaande schoonzoon van Chaigneux

zijn baantje krijgen zou. Die arme Chaigneux! Hij was altijd bereid

zich met alles te belasten en hij had het zoo moeilijk met zijn vier

vrouwen.

“Dus alles is afgesproken!”

“Afgesproken!”

“Afgesproken!”

En Monferrand, Duvillard en Fonsègue gaven elkaar een krachtigen

handdruk.

Toen de eerste de beide anderen tot aan de deur uitgeleide deed, zag

hij in de antichambre een prelaat met een fijne, violet omzoomde

soutane met een priester staan praten.

“O, monseigneur Martha, hebt u gewacht?” riep de minister uit, terwijl

hij vol ijver naar den prelaat liep. “Kom toch binnen, kom toch

binnen!”

Maar met groote hoffelijkheid weigerde de bisschop dat.

“Neen, neen, abbé Froment was er vóór mij. Ontvang hem eerst.”

Monferrand moest wel toegeven en liet den priester in zijn kabinet

gaan. Het onderhoud duurde echter niet lang. De minister, die zoodra

hij met een geestelijke sprak, steeds diplomatiek-gereserveerd was,

begon zonder eenige inleiding over de quaestie Barthès. Pierre had de

twee uur, dat hij had moeten wachten, in de grootste onrust verkeerd,

want de eenige verklaring, welke hij zich voor dien brief geven kon,

was, dat men het verblijf van zijn broer bij hem ontdekt had. Wat zou

er gebeuren? Toen hij nu hoorde, dat de minister alleen over Barthès

sprak en hem zeide, dat het de regeering aangenamer zijn zou, wanneer

Barthès vluchtte dan dat zij genoodzaakt zou zijn hem weer in de

gevangenis te zetten, geraakte hij een oogenblik in verwarring. Hij

begreep het niet goed. Hoe was het mogelijk, dat de politie, die den

legendarischen samenzweerder in het kleine huisje te Neuilly had weten

te vinden, totaal onbekend scheen te zijn met de aanwezigheid van

Guillaume?

“Wat wil Uwe Excellentie dus van mij? Ik begrijp het nog niet goed.”

“Lieve hemel, mijnheer de abbé, dat laat ik geheel aan uw prudentie

over. Als deze man binnen acht-en-veertig uur nog bij u is, zouden wij

verplicht zijn hem te laten arresteeren, wat ons zeer spijten zou, daar

wij weten, dat uw woning een asyl van alle deugden is. Raad hem aan

Frankrijk te verlaten; hij zal niet lastig gevallen worden.”

Vlug bracht Monferrand Pierre naar de antichambre terug. Dan wendde hij

zich glimlachend en buigend tot monseigneur Martha:

“Monseigneur, ik ben geheel tot uw dienst... Kom binnen, kom binnen!”

De prelaat, die opgewekt met Duvillard en Fonsègue stond te praten,

drukte dezen en Pierre de hand. Bezield door een verlangen, om alle

harten te winnen, was hij dien ochtend buitengewoon beminlijk en

vriendelijk. Zijn donkere, levendige oogen glimlachten, zijn knap

gezicht met de regelmatige, vaste lijnen was één liefkoozing. Zonder

haast en op zijn onbevangen veroveraarsmanier ging hij het kabinet

binnen.

Nu waren in het ledige ministerie nog slechts Monferrand en monseigneur

Martha, die een eindeloos gesprek voerden. Men had kunnen denken, dat

de prelaat graag Kamerlid wilde worden. Maar hij speelde een meer

nuttige en hoogere rol: hij regeerde in het donker, hij was de leidende

ziel van de Vaticaansche politiek in Frankrijk. Bleef Frankrijk niet de

oudste Dochter der Kerk, de eenige groote natie, die ooit eens aan het

pausdom zijn almacht terug zou kunnen geven? Hij had de Republiek

aanvaard, predikte verzoening en ging in de Kamer voor den stichter van

de nieuwe Katholieke partij door. En Monferrand, die door den

vooruitgang van den nieuwen geest, door deze reactie der mystiek, die

zich vleide de wetenschap te begraven, getroffen werd, was één en al

beminlijkheid. De man met de ijzeren vuist gebruikte voor zijn

overwinning alle krachten, die zich aanboden.

De drie steden: Parijs · 第 19 / 35 题