V.

Toen Guillaume en Pierre den volgenden ochtend de couranten lazen,

zagen zij tot hun groote verbazing, dat de arrestatie van Salvat niet

die groote sensatie maakte, welke zij ervan verwacht hadden. Zij vonden

slechts een klein, onder de andere verloren gaand berichtje, dat de

politie na een drijfjacht in het Bois de Boulogne de hand gelegd had op

een anarchist, die, naar men geloofde, bij de laatste aanslagen

betrokken was. Maar alle couranten stonden vol over het vreeselijk

schandaal, dat de nieuwe onthullingen in de Voix du Peuple verwekten:

het was een niet eindigende vloed van artikelen over de affaire der

Afrikaansche sporen, allerlei berichten en beschouwingen over de

belangrijke zitting, welke men dien dag in de Kamer verwachtte, wanneer

de socialistische afgevaardigde Mège zijn interpellatie, zooals hij

formeel aangekondigd had, zou hervatten.

Guillaume had den vorigen avond besloten naar huis, naar Montmartre

terug te keeren; zijn wond was zoo goed als genezen en geen gevaar

scheen hem noch voor de uitwerking van zijn plannen noch voor zijn

verdere onderzoekingen te bedreigen. De politie had blijkbaar niet het

minste vermoeden, dat hij mogelijk ook verantwoordelijk voor den

aanslag was. Salvat zou zeker niets verraden. Maar Pierre smeekte hem

nog een paar dagen, tot de eerste verhooren van Salvat afgeloopen

waren, te wachten; dan eerst zouden zij een helderen blik in alles

hebben. Den vorigen dag had hij gedurende het lange wachten in het

ministerie, allerlei vage dingen opgevangen: een heimelijken en nog

onduidelijken samenhang tusschen den aanslag en de parlementaire

crisis. En dit alles wekte in hem het verlangen op, dat deze crisis

eerst heelemaal opgelost zou zijn, voordat Guillaume zijn gewoon leven

weer begon.

“Luister eens,” zeide hij, “ik zal even aanloopen bij Morin, om hem te

vragen bij mij te komen dineeren, want Barthès moet vanavond beslist op

de hoogte gebracht worden van den nieuwen slag, die hem treft... Dan ga

ik naar de Kamer, want ik wil weten wat er gebeurt. Eerst daarna laat

ik je gaan.”

Om half een kwam Pierre in het Paleis-Bourbon. Terwijl hij dacht, dat

Fonsègue hem zeker toegang zou kunnen verschaffen, ontmoette hij in de

vestibule generaal de Bozonnet, die toevallig twee kaarten had, daar

een vriend van hem op het laatste oogenblik verhinderd was mede te

gaan. De nieuwsgierigheid was reusachtig groot, heel Parijs verwachtte

een stormachtige zitting, en sinds den vorigen dag werd er letterlijk

om de kaarten gevochten. Pierre zou dan ook nooit toegang gekregen

hebben, als de generaal niet zoo vriendelijk geweest was hem mede te

nemen. Deze was op zijn beurt blijde, dat hij iemand had met wien hij

kon praten, want hij kwam, zooals hij zeide, alleen maar om zijn middag

te dooden. Maar ook kwam hij, de ontevreden voormalige legitimist, die

later Bonapartist geworden was, om zich te vermeien in de schandelijke

rotheid van het parlementarisme.

Boven konden de generaal en Pierre nog juist een plaatsje vinden op de

eerste banken der tribune. Zij troffen daar den kleinen Massot aan, die

zich nog wat kleiner en magerder maakte en hen rechts en links van zich

een plaatsje gaf. Hij kende iedereen.

“U komt zeker uit nieuwsgierigheid de zitting bijwonen, generaal? En u,

mijnheer de abbé, om u te oefenen in verdraagzaamheid en het vergeven

van beleedigingen... Ik ben nieuwsgierig door mijn beroep, want ik heb

altijd stof voor een artikel noodig; en daar er op de perstribune

alleen nog maar slechte plaatsen waren, ben ik me hier op mijn gemak

gaan installeeren... Het zal ongetwijfeld een prachtige zitting worden.

Kijk dat gedrang rechts en links en overal eens!”

Inderdaad waren de smalle, slecht geplaatste tribunes tot aan den rand

met hoofden gevuld. Een groote menigte mannen en vrouwen van iederen

leeftijd verdrong zich daar in een zoo verwarde massa, dat men niets

anders dan de bleeke rondheid der gezichten onderscheiden kon. Maar het

tooneel van den strijd was beneden in de nog ledige zittingzaal, welke

met haar half cirkelvormige rijen banken denken deed aan een

schouwburgzaal, die bij een première langzaam volloopt. De glanzende en

ernstige tribune wachtte in het koude daglicht, dat door de glazen

zoldering binnenviel, terwijl daarachter en hooger het den geheelen

achtermuur innemende bureau met zijn tafels, zijn stoelen en zijn

presidentsfauteuil eveneens verlaten was; alleen waren twee

bureauknechten bezig nieuwe pennen in de penhouders te steken en de

inktkokers na te kijken.

“De vrouwen,” begon lachend Massot weer, “komen hier als naar een

menagerie in de heimelijke hoop, dat de wilde dieren elkaar zullen

opeten... Hebt u het artikel in de Voix du Peuple van vanochtend

gelezen? Die Sanier is een wonder van een kerel! Als er geen vuiligheid

meer is, vindt hij altijd nog wat, vermeerdert de modder en bevuilt het

riool nog meer. Als de ondergrond der zaak waar is, dan moet hij er met

zijn monsterachtig woekerende commentaren altijd nog wat bij liegen.

Iederen dag moet hij zichzelf overtreffen, nieuw vergif aan zijn lezers

voorzetten, om de oplaag maar steeds grooter te doen worden...

Natuurlijk wordt het publiek daardoor gepakt, en alleen door hem zijn

al die menschen hier, om als zenuwlijders op het een of andere vuile

schouwspel te wachten.”

Dan werd hij weer vroolijk en vroeg aan Pierre of hij in den Globe het

niet onderteekende, zeer waardige, maar tevens zeer perfide artikel

gelezen had, waarin Barroux gesommeerd werd met alle openhartigheid de

verklaringen, die het land over de affaire der Afrikaansche sporen

verwachtte, af te leggen. Tot nog toe had het blad den

minister-president steeds krachtig gesteund; doch nu voelde men in het

artikel een begin van wantrouwen, de plotselinge koude, die aan een

breuk vooraf pleegt te gaan. Pierre zeide, dat het artikel hem zeer

verbaasd had, want hij dacht, dat het lot van Fonsègue door een

volkomen overeenstemming in inzichten en tengevolge van zeer oude

vriendschapsbanden aan dat van Barroux verbonden was.

“Zeker, zeker, het hart van den patroon zal er wel bij gebloed hebben,”

zeide Massot nog steeds lachend. “Het artikel heeft veel opzien verwekt

en zal het ministerie veel kwaad doen. Maar wat zal ik u zeggen? De

patroon weet beter dan wie ook welke gedragslijn hij moet volgen, om de

positie van zijn blad en van zichzelf te redden.”

Dan ontwierp hij een beeld van de opwinding en de groote verwarring,

die er in de wandelgangen, waar hij even was gaan kijken, alvorens

hierboven een goed plaatsje te zoeken, onder de afgevaardigden

heerschte. De Kamer, die in twee dagen niet bijeen geweest was, kwam nu

samen bij dit groote schandaal, dat hij vergeleek bij een brand, welken

men zoo goed als gebluscht waant en die plotseling weer aanwakkert en

alles verteert. De cijfers van Sanier’s lijsten deden de ronde: Barroux

tweehonderd duizend francs, Monferrand tachtig duizend, Fonsègue

vijftig duizend, Dutheil tien duizend, Chaigneux drie duizend, die

zooveel, gene zooveel—een eindelooze onthulling met de wonderlijkste

verhalen, kletspraatjes en laster, een ongelooflijke dooreenmenging van

waarheid en leugen, waarin men onmogelijk den juisten weg vinden kon.

Terwijl de wind van angst en schrik woei, zag men tusschen de

vaalbleeke gezichten met de bevende lippen andere met een vuurroode

kleur, stralend van woeste vreugde en lachend om de aanstaande

overwinning, want tenslotte stak achter die groote, gehuichelde

verontwaardiging, achter dat schreeuwen om eerlijkheid en parlementaire

moraliteit niets anders dan een personenquaestie: men wilde weten of

het ministerie vallen en wie het nieuwe kabinet formeeren zou. Barroux

scheen zeer zwak te staan, maar wie kon voorspellen, welke rol het

onverwachte in zulk een rommel spelen zou? Men zeide, dat Mège een

uiterst heftige redevoering zou houden. Barroux zou antwoorden en zijn

vrienden vertelden, dat hij een helder en volkomen licht over de zaak

wilde doen opgaan. Ongetwijfeld zou daarna Monferrand het woord voeren.

Wat Vignon betreft, deze hield zich ondanks zijn onderdrukten

jubelkreet op den achtergrond; men had hem naar verschillende van zijn

partijgenooten zien gaan om hun aan te raden kalm te blijven en hun

zelfbeheersching niet te verliezen, wat in den strijd over de

overwinning beslist. Nog nooit had een met zooveel dranken en zooveel

afschuwelijke ingrediënten overstroomenden heksenketel op zulk een

hellevuur gekookt.

“De duivel mag weten wat eruit te voorschijn komt,” zeide Massot ten

slotte. “Bah, wat een vuile rommel!”

Maar generaal de Bozonnet voorzag de ergste catastrophes. Ja, als men

nog maar een leger gehad had! Dan zou men dat handjevol verkochte

parlementariërs, die het land opvraten en ten gronde richtten, op een

goeden morgen kunnen wegjagen. Volgens zijn meening beteekende het

feit, dat een volk onder de wapenen geen leger vormde, het einde van

alles.

“U zoekt immers stof voor een artikel,” zeide hij tegen Massot. “Daar

hebt u een mooi onderwerp... Frankrijk, dat meer dan een millioen

soldaten heeft, bezit geen leger. Ik zal u aanteekeningen geven, dan

zult u eindelijk de waarheid kunnen zeggen.”

Onmiddellijk maakte hij zich meester van den journalist en begon een

heele preek tegen hem. De oorlog moest een kasten-aangelegenheid zijn;

aanvoerders bij Gods genade moesten huurlingen, betaalde of uitgekozen

soldaten ten strijde voeren. Den oorlog democratiseeren stond gelijk

met den oorlog dooden, en dat was een doorn in het oog van den held,

die den krijg als de eenige nobele bezigheid beschouwde. Van het

oogenblik af, dat iedereen gedwongen werd te strijden, wilde niemand

meer vechten. Daarom zou de verplichte militaire dienst, de natie onder

de wapenen, ongetwijfeld vroeger of later tot het einde van den oorlog

leiden. Dat er sedert 1870 niet gevochten was kwam juist, omdat

iedereen gereed stond om te vechten. Men aarzelde thans het eene volk

tegen het andere in den strijd te werpen, daar men aan de vreeselijke

vernietiging, aan de reusachtige verspilling van geld en bloed dacht.

Het in een reusachtig versterkt kamp veranderde Europa vervulde hem met

woede en walging; het was alsof de zekerheid, dat allen elkaar dadelijk

bij den eersten slag vernietigen zouden, hem het genot vergalde, dat

vroeger het oorlog voeren bood.

“Maar het zou toch niet zoo’n heele groote ramp zijn, wanneer de oorlog

verdween,” zeide Pierre zacht.

“Het zou een mooie collectie volkeren worden, als er niet meer

gevochten werd,” zeide de generaal, eerst geprikkeld; doch dan wilde

hij laten zien, dat hij praktisch was. “Bedenk toch eens, dat de oorlog

nooit zooveel geld gekost heeft als sedert hij niet meer mogelijk is.

Onze gewapende vrede, onze volkeren onder de wapenen ruïneeren

gewoonweg de staten. Als het geen nederlaag is, dan is het een zeker

bankroet... In ieder geval is de militaire stand een verloren stand,

waarbij niets meer te halen is; het geloof daarin verdwijnt, men zal

hem langzamerhand verlaten, zooals men den priesterstand verlaat.”

Hij maakte een wanhopig gebaar, als vervloekte de soldaat van vroeger

dit Parlement, deze republikeinsche Kamer, als verweet hij haar de

dagen, die komen zouden, dat de soldaat nog slechts de burger zijn zou.

De kleine Massot schudde het hoofd; waarschijnlijk vond hij die stof te

ernstig.

“Kijk, daar heb je monseigneur Martha met den Spaanschen gezant in de

diplomatenloge,” viel hij den generaal kortaf in de rede. “Zooals u

weet, zegt men, dat hij van zijn candidatuur in le Morbihan afziet. Hij

is veel te slim, om zich als Kamerlid aan gevaar bloot te stellen,

terwijl hij bovendien toch de draden in handen houdt, waarnaar de

meeste met de republikeinsche regeering verzoende Katholieken dansen.”

Werkelijk zag Pierre het glimlachende gezicht van monseigneur Martha,

die den vorigen dag in de antichambre van den minister zoo voorkomend

voor hem geweest was. Het leek hem nu alsof die bisschop, hoe

bescheiden hij zich ook voordeed, hier een grooten invloed had. Hij

voelde hoe machtig en bezig hij was, hoewel hij zich volstrekt geen

moeite gaf en alleen maar als een eenvoudige nieuwsgierige een kijkje

nemen kwam. Pierre’s blik keerde steeds weer naar hem terug, alsof hij

verwachtte, dat deze plotseling zou opstaan, om de handeling te leiden

en de menschen en dingen te bevelen.

“Ha, daar heb je Mège,” zeide Massot weer. “De zitting zal beginnen.”

Langzamerhand liep de zaal beneden vol. Kamerleden kwamen door de

deuren en liepen de nauwe gangetjes af. De meesten bleven in opgewonden

gesprekken staan praten en brachten zoo de koortsachtige opwinding uit

de wandelgangen naar de zaal. Anderen, die er reeds met vaalgrijze en

vermoeide gezichten zaten, keken naar de zoldering, waar het

halvemaanvormige glazen dak witachtig òplichtte.

Nu noemde Massot den naam van iederen binnenkomenden, invloedrijken

afgevaardigde. Mège, die door een ander lid van de kleine

socialistische groep staande gehouden werd, gesticuleerde opgewonden.

Dan kwam Vignon, door eenige vrienden begeleid en een glimlachende

kalmte bewarend, de treden af, om naar zijn plaats te gaan. Maar de

tribunes wachtten vooral op de gecompromitteerde leden, wier naam op de

lijst van Sanier stond; dezen waren interessant om te bestudeeren:

enkelen huichelden een volkomen kalmte, waren vroolijk en maakten

grappen; anderen daarentegen namen een ernstige, verontwaardigde

houding aan. Chaigneux zag er aarzelend en weifelend uit, als werd hij

neergedrukt onder het gewicht van een vreeselijke onrechtvaardigheid.

Dutheil daarentegen had zijn kalme onbezorgdheid teruggevonden en zou

volkomen vroolijk geweest zijn, indien niet een zenuwachtige

spierbeweging zijn mond vertrokken had. Het meest bewonderde men

Fonsègue; hij was zichzelf weer zóó volkomen meester, zijn gezicht had

een zóó vastberaden, zijn blik een zóó onbevangen uitdrukking, dat al

zijn collega’s en het geheele publiek een eed gedaan zouden hebben op

zijn onschuld.

“O die patroon,” prevelde Massot geestdriftig. “Zoo bestaat er toch

geen tweede... Kijk, daar heb je de ministers! Let vooral eens goed op

de ontmoeting tusschen Barroux en Fonsègue na het artikel van

vanochtend!”

Het toeval wilde, dat Barroux met opgeheven hoofd, heel bleek en bijna

uitdagend, langs Fonsègue moest, om bij de ministerbank te komen. Hij

zeide geen woord, maar keek hem aan als iemand, die voelt, dat hij

verlaten wordt, dat een verrader hem een mes in den rug stoot. Fonsègue

bleef echter naar alle kanten handen geven, alsof hij zelfs niets

merkte van den zwaren blik, die op hem rustte. Verder deed hij eveneens

alsof hij ook Monferrand niet zag, die kalm, alsof er geen wolkje aan

de lucht was, achter Barroux liep. Zoodra hij op zijn plaats zat, keek

hij op en glimlachte tegen monseigneur Martha, die dezen groet met een

hoofdknikje beantwoordde. Dan begon hij zacht in zijn handen te

wrijven, blij, dat de zaken precies zoo liepen als hij wilde.

“Wie is die grijze, trieste man op de ministersbank?” vroeg Pierre aan

Massot.

“O dat is die goede Taboureau, de man zonder prestige, de minister van

Openbaar Onderwijs. Je kent hem natuurlijk wel, maar je herkent hem

nooit: hij ziet er precies uit als een oude, door het lange gebruik

afgesleten sou. Dat is er ook een, die den patroon nu niet bepaald

dankbaar gestemd zal zijn, want de Globe bevatte vanochtend een juist

door zijn gematigdheid zoo fel artikel over zijn onbekwaamheid in alles

wat de afdeeling Schoone Kunsten betreft. Het zou mij verwonderen, als

hij daarboven opkomt.”

Maar een dof tromgeroffel kondigde de komst van den voorzitter in het

bureau aan. Een deur ging open en een kleine stoet verscheen, terwijl

een verward lawaai, geroep en geloop de halfcirkelvormige zaal vulden.

De president stond, luidde lang met zijn bel en zeide, dat de zitting

geopend was. Er trad echter geen stilte in, toen een secretaris, een

groote, lange, donkere jongeman, met een scherpe stem de notulen

voorlas. Nadat deze goedgekeurd en de brieven van verhindering

voorgelezen waren, werd vlug een klein wetsontwerp met het opsteken der

handen aangenomen. Daarna kwam eindelijk de groote zaak, de

interpellatie van Mège te midden van een rilling in de zaal en de

hartstochtelijke nieuwsgierigheid der tribunes. Nadat de regeering de

interpellatie aanvaard had, besloot de Kamer, dat de discussie

onmiddellijk beginnen zou. Ditmaal ontstond er een diepe stilte,

waardoor nu en dan een korte rilling ging, waarin men den schrik, den

haat, den hartstocht, de verslindende, ontketende begeerten voelde.

Op de tribune begon Mège gekunsteld-gematigd de quaestie te preciseeren

en formuleeren. Hij was groot, mager, knoestig en krom als een boomtak

en steunde zijn eenigszins gebogen gestalte met zijn beide handen,

terwijl hij zijn rede dikwijls even onderbreken moest voor een

teringhoestje. Maar achter zijn lorgnet schitterden zijn oogen van

geestdrift; langzamerhand verhief zich zijn schrille, krijschende stem

tot een donder, terwijl hij onder een heftig gebarenspel zijn grof

gebouwd lichaam oprichtte. Hij herinnerde eraan, hoe hij twee maanden

geleden bij de eerste onthullingen van de Voix du Peuple de regeering

over die betreurenswaardige affaire der Afrikaansche sporen wilde

interpelleeren, en maakte er niet ten onrechte opmerkzaam op, dat er,

indien de Kamer, toegevend aan gevoelens, die hij op dit oogenblik niet

verder beoordeelen wilde, zijn interpellatie niet verdaagd had, reeds

lang licht zou zijn opgegaan, wat het weder opduiken van het schandaal,

deze geheele heftige campagne van onthullingen, waaronder het geheele

land leed, voorkomen zou hebben.

Nu echter begreep men, dat zwijgen onmogelijk geworden was, de beide

met zooveel ophef van plichtverzaking beschuldigde ministers moesten

antwoorden, hun volkomen onschuld bewijzen, het meest heldere licht

over hun geval doen schijnen, geheel afgezien nog van het feit, dat het

Parlement een dergelijke beschuldiging van onteerende omkoopbaarheid

niet op zich mocht laten zitten. Hij rakelde de geheele geschiedenis

der affaire op, sprak van de concessie, die aan den bankier Duvillard

voor de Afrikaansche sporen gegeven was, over de beruchte emissie van

premieloten, welke de Kamer—wanneer men de aanklagers gelooven

mocht—goed gekend had dank zij een omkooperij, een geschacher met en

een koopen van gewetens. Op dit punt van zijn rede, toen hij begon over

den beruchten Hunter, Duvillard’s drijver, dien de politie had laten

ontvluchten, om zich des te meer met de vervolging van socialistische

afgevaardigden te kunnen vermoeien, geraakte hij in vuur en liet zich

tot een onstuimige heftigheid verleiden.

Hij sloeg met zijn vuist op de tribune, sommeerde Barroux kategorisch

tegen te spreken, dat hij van de tweehonderd duizend francs, waarmede

zijn naam op de lijst voorkwam, ooit een centime gekregen had. Stemmen

schreeuwden hem toe, dat hij de geheele lijst voor moest lezen; andere

begonnen, toen hij haar voorlezen wilde, lawaai te maken en te brullen,

dat het een schandaal was om zoo’n leugenachtig en lasterlijk pamphlet

in een Fransche Kamer te brengen. Maar hij bleef geestdriftig doorgaan,

gooide Sanier in de modder, ontkende beslist, dat hij iets met de

aanklagers gemeen had, maar eischte, dat allen op denzelfden voet

behandeld werden en dat, als er onder zijn collega’s omgekochten waren,

men ze hedenavond nog in Mazas zou laten slapen.

De president stond achter zijn monumentale tafel en luidde machteloos

als een loods, die den storm niet meer meester is. Te midden van de

opgeblazen en schreeuwende gezichten bewaarden alleen die van de boden

den onverstoorbaren ernst van hun functie. Tusschen het lawaai in bleef

men de stem van den redenaar hooren, die in een plotselingen overgang

een tegenstelling begon te maken tusschen de door hem gedroomde

collectivistische maatschappij en de misdadige kapitalistische

maatschappij, welke in staat was dergelijke schandalen te verwekken.

Hij was als een apostel, die met een woeste halsstarrigheid de wereld

naar zijn geloof wilde hervormen. Het collectivisme was een leer, een

dogma geworden, waarbuiten geen heil te vinden was. De voorspelde dagen

zouden weldra komen; hij wachtte ze met een glimlach vol vertrouwen af;

hij behoefde nog slechts dit ministerie en misschien nog een tweede of

een derde omver te werpen, om eindelijk zelf als hervormer, die vrede

brengen zou aan de volkeren, de macht in handen te krijgen. Deze

sectariër had—zooals de andere socialisten verwijtend

beweerden—dictatorsbloed in zijn aderen. Weer luisterde men naar hem,

want zijn koortsachtige, hardnekkige rhetoriek had ten slotte de

schreeuwers uitgeput. Toen hij eindelijk de tribune verliet,

weerklonken op sommige banken der linkerzijde luidruchtige

toejuichingen.

“Een paar dagen geleden heb ik hem met zijn drie kinderen in den Jardin

des Plantes gezien,” zeide Massot tegen den generaal. “Hij zorgde voor

hen als een kindermeid. Hij lijkt mij een brave kerel, die zijn arm

huishouden zooveel mogelijk tracht te verbergen.”

Maar een rilling was door de zaal gehuiverd. Barroux stond op om naar

de tribune te gaan. Hij richtte met een hem eigen beweging, die zijn

hoofd naar achteren wierp, zijn hooge gestalte op en begon dadelijk in

een mooie, bloemrijke taal en met theatrale gebaren zijn zwaarmoedige

verontwaardiging te schilderen. Het was een romantische

tribune-welsprekendheid, waaruit men dadelijk den braven, weekhartigen,

eenigszins dommen man, die hij per slot van rekening was, proeven kon.

Toch beefde dien dag een echte, diepe ontroering in hem, want zijn hart

bloedde over zijn ongelukkig lot en hij voelde met zich een geheele

wereld instorten. O, hoe hield hij den kreet van wanhoop in, den kreet

van den burger, dien de gebeurtenissen op den dag, dat hij door zijn

toewijding recht meent te hebben op den triomf, in het gezicht slaan en

terugwerpen.

Hoe vreeselijk, wanneer men zich sedert het keizerrijk met hart en ziel

aan de Republiek gegeven, voor haar gestreden, voor haar geleden, haar

vervolgens na de verschrikking van een nationalen en een burgeroorlog

temidden van den dagelijkschen partijstrijd gegrondvest heeft, zich dan

plotseling, wanneer zij eindelijk triompheert en sterk en onoverwinlijk

is, als een vreemdeling uit een anderen tijd te voelen, te hooren, hoe

nieuw aangekomenen een andere taal spreken, een ander ideaal

verdedigen, getuige te moeten zijn van een instorting van alles wat men

liefheeft en vereert, van alles, wat iemand de kracht tot overwinnen

gegeven heeft. De machtige arbeiders van den eersten tijd waren er niet

meer. Gambetta had gelijk gehad te sterven. Maar welk een bitterheid

voor de laatste, temidden van de intelligente en handige jonge

generatie overgebleven ouden, die zien moesten, hoe er om hun

ouderwetsch geworden romantisme gelachen werd. Alles stortte ineen,

zoodra de idee der vrijheid bankroet sloeg, zoodra de vrijheid niet

meer het eenige goed, het fundament zelf der republiek was, die zij zoo

duur en met zooveel inspanning van krachten gekocht hadden.

Zeer oprecht en zeer waardig bekende Barroux. De republiek was de

heilige ark, en om haar te redden, zoodra zij in gevaar verkeeren kon,

werden alle middelen, zelfs de ergste, geheiligd. Hij vertelde de

geschiedenis heel eenvoudig: al het geld van de bank Duvillard zou,

onder voorwendsel van publiciteit, naar de bladen der oppositie gaan,

terwijl de republikeinsche bladen belachelijk kleine sommen kregen. Als

minister van Binnenlandsche Zaken was hij toenmaals met de

persaangelegenheden belast; en wat zou men gezegd hebben, indien hij

niet getracht had het juiste evenwicht te herstellen, zoodat de macht

van de tegenstanders niet vertienvoudigd werd. Alle handen strekten

zich naar hem uit, tallooze bladen, en daaronder de meest

verdienstelijke en meest getrouwe, eischten het hun rechtmatig

toekomend deel. Dat deel nu had hij hun verzekerd door onder hen de

tweehonderd duizend francs, waarmede zijn naam op de lijst voorkwam, te

verdeelen. Geen centime daarvan was in zijn zak terechtgekomen; hij gaf

niemand het recht aan zijn rechtschapenheid te twijfelen, zijn woord

moest voldoende zijn. Op dat oogenblik was hij werkelijk

bewonderenswaardig groot. Alles, zijn pralende middelmatigheid, zijn

emphase verdween; niets was meer over dan de man van eer, die bevend

zijn hart liet zien, wiens geweten bloedde door het uitrukken der

waarheid, die begreep, dat de belooning uitblijven zou.

Inderdaad werd de rede met een ijskoude stilte ontvangen. Barroux, die

in zijn naïveteit geloofd had, dat een uitbarsting van geestdrift

volgen zou, werd langzamerhand zelf door die koude, welke uit alle

banken opsteeg, aangegrepen. Plotseling voelde hij, dat hij alleen

stond, dat het uit was met hem, dat de dood hem aangeraakt had. Het was

de leegte als van een graf in hem. Toch sprak hij te midden van de

angstaanjagende stilte verder met de bravoure van een arme, die

zelfmoord pleegt en uit liefde voor mooie en edele houdingen, staande

sterven wil. Het einde was een laatste, mooi gebaar. Toen hij de

tribune verliet, was de stemming nog killer geworden, weerklonk er geen

enkele toejuiching. Tot overmaat van ramp had hij een toespeling

gemaakt op het heimelijke drijven van Rome en van de geestelijkheid,

dat volgens hem geen ander doel had dan om de verloren posities te

heroveren en vroeger of later de monarchie te herstellen.

“Wie is nou zoo stom om te bekennen?” prevelde Massot. “Hij ligt op

zijn gat en het ministerie met hem.”

Nu betrad te midden van die tot ijs verstijfde zaal Monferrand zonder

eenige aarzeling de tribune. Het was voor de zich allesbehalve op haar

gemak gevoelende Kamer een groote opluchting, toen Monferrand dadelijk

met een formeel en krachtig démenti begon. Hij sloeg met zijn eene

vuist op de tribune, en gaf met de andere uit naam van zijn beleedigde

eer, harde slagen op zijn borst. Met zijn korte, ineengedrongen

gestalte, zijn vooruitstekend gezicht, zijn dikken, sensueelen en

eerzuchtigen neus, zijn breede schouders, waarachter hij zijn groote

handigheid verborg, was hij een oogenblik prachtig om aan te zien. Hij

ontkende alles. Niet alleen wist hij niet, wat die achter zijn naam

geschreven tachtig duizend francs beteekenden, maar hij daagde de

geheele wereld uit, om te bewijzen, dat hij ooit een sou van dat geld

aangeraakt had. Zijn verontwaardiging kookte en stroomde zóó over, dat

hij er zich niet mede tevreden stelde in zijn naam alles te loochenen,

maar ook in den naam van alle tegenwoordige en vroegere Kamers, alsof

deze monstruositeit van een volksvertegenwoordiger, die zijn stem

verkocht, alle denkbare smadelijke misdaden overtrof. De bijval barstte

los, de weer verwarmde, bevrijde Kamer juichte hem toe.

Toch riepen op de socialistische banken enkele stemmen, dat hij een

verklaring moest geven van de affaire der Afrikaansche sporen,

herinnerden hem er aan, dat hij minister van Openbare Werken was, toen

de premieleening goedgekeurd werd, eischten eindelijk te weten wat hij

van plan was heden als minister van Binnenlandsche Zaken tegenover de

onthullingen te doen, om het geweten van het land gerust te stellen.

Maar hij moffelde de vraag weg en zeide, dat, wanneer er schuldigen

waren, de gerechtigheid haar loop moest hebben: niemand behoefde hem

aan zijn plicht te herinneren. Dan voerde hij plotseling met een

onvergelijkelijke kracht en handigheid de afleidende beweging uit, die

hij sinds den vorigen dag voorbereidde. Zijn plicht vergat hij nooit,

hij deed dien steeds als een trouw soldaat der natie met evenveel

waakzaamheid als voorzichtigheid. Had men hem zooeven niet beschuldigd

de politie te gebruiken voor God weet wat voor lage spionnagediensten,

waardoor het den beruchten Hunter mogelijk geweest was te ontvluchten?

Welnu, hij kon aan de Kamer mededeelen, waarvoor hij den vorigen dag

die belasterde politie gebruikt had, wat zij voor de gerechtigheid en

de openbare orde gedaan had. Den vorigen dag had zij in het Bois de

Boulogne den gevaarlijksten misdadiger gearresteerd, den dader van den

bomaanslag in de rue Godot-de-Mauroy, dien anarchistischen werkman,

dien Salvat, die meer dan zes weken met alle nasporingen gespot had. In

den loop van den avond had de onverlaat een volledige bekentenis

afgelegd; de gerechtigheid zou nu spoedig haar werk doen. Eindelijk was

de openbare moraal gewroken, kon Parijs zijn langen schrik van zich

afwentelen, was de anarchie getroffen in haar zwakste punt. Dat had

hij, de minister, voor de eer en het heil van het land gedaan, terwijl

vuile lasteraars vergeefs zijn naam trachtten te bezoedelen door dien

op een lijst, het werk van de laagste politieke manoeuvres, te

plaatsen.

Met open mond en rillend luisterde de Kamer. Deze uit den hemel

vallende arrestatie, waarover geen enkel ochtendblad gesproken had; dit

geschenk, dat Monferrand in dien verschrikkelijken Salvat, welke reeds

een misdadigers-mythe begon te worden, aan de Kamer scheen te geven;

deze geheele ensceneering pakte haar als een lang op zijn voltooiing

gewacht hebbend drama, welks ontknooping zich nu plotseling voor haar

afspeelde. Diep ontroerd en gevleid bracht zij een lange ovatie aan den

redenaar, die echter door bleef gaan om zijn energieke daad, de redding

der maatschappij, de bestraffing der misdaad te verheerlijken, zonder

daarbij te vergeten de belofte af te leggen, dat hij steeds de man met

de krachtige vuist, de man van de openbare orde zou zijn. Ja, hij

veroverde zelfs de bank der rechterzijde, toen hij, zich losmakend van

Barroux, eindigde met het uitspreken van sympathie voor de geallieerde

Katholieken, met een beroep op de eendracht van de verschillende

geloofsbelijdenissen tegen den gemeenschappelijken vijand, het woeste

socialisme, dat alles wilde vernietigen.

Toen Monferrand de tribune verliet, was de truc gelukt: hij had

zichzelf weer uit het troebele water opgevischt. De geheele Kamer,

rechts en links dooreen, juichte en overstemde de protesten van de

enkele socialisten, wier lawaai dit triomfgeschreeuw slechts verhoogde.

Vele handen werden naar hem uitgestoken; hij bleef een oogenblik

glimlachend staan, maar het was een glimlach, waarachter zich een

toenemende onrust verborg. Zijn succes begon hem bang te maken. Zou hij

te goed gesproken hebben? Zou hij, in plaats van zichzelf alleen te

redden, ook het ministerie gered hebben? Dat zou zijn geheele plan in

duigen hebben doen vallen. De Kamer moest niet stemmen onder den indruk

van deze redevoering, die haar zoo geschokt had. Hij doorleefde twee of

drie minuten van werkelijken angst, terwijl hij nog steeds glimlachend

afwachtte of niemand opstaan zou, om hem te beantwoorden.

Op de tribunes was het succes even groot. Men had dames zien juichen.

Zelfs monseigneur Martha gaf teekenen van levendige voldoening.

“Dat zijn nu onze tegenwoordige krijgers, generaal,” zeide Massot met

een spottend grijnslachje. “En die daar is een haantje de voorste. Dat

is je handig uit een moeilijke positie redden. Maar het is een kranig

werkje.”

Eindelijk zag Monferrand, dat Vignon, aangespoord door zijn vrienden,

opstond en naar de tribune ging. Nu keerde zijn spottend-gemoedelijk

glimlachje terug; en hij ging weer op de ministerbank zitten, om

schijnheilig te luisteren.

Met Vignon kreeg de Kamer dadelijk een geheel ander aspect. Met zijn

mooien blonden baard, zijn blauwe oogen, zijn slanke, jeugdige houding

stond hij flink en correct op de tribune. Hij sprak als een praktisch

man met een eenvoudige en onmiddellijk zijn gehoor treffende

welsprekendheid, die de holle rhetoriek van zijn voorgangers nog leeger

en pralender deed schijnen. Door zijn korte werkzaamheid in de

administratie had hij een levendig begrip voor zaken gekregen, kon hij

de meest ingewikkelde quaesties makkelijk formuleeren en oplossen.

Steeds in de weer, dapper en zeker van zijn geluksster ging hij de

toekomst tegemoet; hij had het geluk om nog te jong en te handig te

zijn om zich in iets te hebben gecompromitteerd. Zijn programma was

iets vooruitstrevender dan dat van Barroux en Monferrand, opdat hij,

wanneer hij het ministerie had doen vallen, hun plaats zou kunnen

innemen. Verder was hij heel goed in staat dit programma uit te voeren

door de reeds zoo lang beloofde hervormingen te beproeven.

Dus zeide hij met zijn heldere stem zeer beslist wat hij te zeggen had,

wat het gezond verstand, het heimelijke geweten zelf der Kamer

verwachtte. Zeker hij was de eerste om zich te verheugen over een

arrestatie, die het geheele land geruststellen zou. Maar hij zag niet

in welk verband er bestaan kon tusschen die arrestatie en de droevige

zaak, die thans aan het oordeel der Kamer onderworpen werd. Dat waren

twee totaal verschillende quaesties en hij bezwoer zijn collega’s niet

te stemmen in de voorbijgaande opwinding, waarin hij hen thans zag. Er

moest een volkomen en helder licht over de zaak ontstoken worden, en

dat konden de twee aangeklaagde ministers natuurlijk niet doen. Verder

verklaarde hij zich tegen een enquête-commissie, hij was van meening,

dat men de schuldigen, als die er waren, naar de rechtbank behoorde te

verwijzen. Ook hij eindigde met een discrete toespeling op den

toenemenden invloed van de geestelijkheid en zeide, dat hij geen enkel

compromis van welken aard dan ook aanvaardde en de dictatuur van den

Staat even goed verwierp als een herleving van den ouden theocratischen

geest.

Goedkeurend gemompel ging door de geheele zaal. Toen Vignon weer ging

zitten, weerklonken slechts enkele toejuichingen. Maar de Kamer had

haar gewone kalmte weer teruggekregen; de toestand was zoo duidelijk,

de uitslag der stemming zoo zeker, dat Mège, die eerst nog had willen

repliceeren, het verstandiger vond van het woord af te zien, hoe zwaar

hem dat ook viel. Vooral de kalme houding van Monferrand, die steeds

door aandachtig naar de rede van Vignon had zitten luisteren, als wilde

hij aan het talent van zijn tegenstander de noodige eer geven, viel op;

Barroux daarentegen zat na de ijzige koude, waarmede zijn rede

opgenomen was, onbeweeglijk en doodsbleek op zijn bank, als had de

instorting der oude wereld ook hem getroffen en verpletterd.

“Het ministerie is gevallen,” begon Massot weer. “Ja, die kleine Vignon

zal het ver brengen. Men zegt, dat hij van het Elysée droomt. In ieder

geval is hij op dit oogenblik de aangewezen kabinetsformateur.”

Toen hij te midden van het lawaai der nu volgende stemmingen weg wilde

gaan, hield de generaal hem terug.

“Wacht nog even, mijnheer Massot... Wat een walgelijke boel is die

parlementaire keuken! U moest dat eens in een artikel zeggen en

aantoonen hoe het land langzamerhand verzwakt en tot in het merg

bedorven wordt door zulke dagen van nuttelooze en vuile discussies. Een

slag, waarin vijftig duizend man vallen, zou ons minder uitputten, meer

leven in ons hart achterlaten dan tien jaar van dit afschuwelijk

parlementarisme... Loop eens een ochtend bij mij op. Ik zal u een

militair wetsontwerp laten zien: wij moeten tot ons vroeger beperkt

beroepsleger terugkeeren, wanneer we niet willen, dat ons zoo

verburgerd nationaal leger, dat een zoo illusoire massa vormt, het

doode gewicht wordt, dat de natie ten gronde richt.”

Sedert de opening der zitting had Pierre geen woord gezegd. Hij

luisterde aandachtig, eerst in het onmiddellijke belang van zijn broer,

dan langzamerhand ook zelf medegesleept door de koortsachtige

opwinding, die zich van de zaal meester maakte. Hij kwam hoe langer hoe

meer tot de overtuiging, dat Guillaume niets meer te vreezen had, maar

hoe ging hier de eene gebeurtenis over in de andere, welk een indruk

maakte hier de arrestatie van Salvat! De feiten vereenigden, verwarden,

veranderden zich onophoudelijk! Terwijl hij zich over de woelige zaal

heenboog, kon hij er de tallooze botsingen van hartstochten en belangen

als het ware zien.

Hij had den grooten strijd tusschen Barroux, Monferrand en Vignon

gevolgd, hij merkte de kinderlijke vreugde van Mège op, die gelukkig

was, dat hij den modderigen grond van dit water, waarin hij nooit

anders dan voor anderen vischte, aan het roeren gebracht had; nu was

hij vol belangstelling voor Fonsègue, die, uiterst kalm en ingewijd in

de geheimen der toekomst, Dutheil en Chaigneux trachtte gerust te

stellen. Doch steeds weer keerde zijn blik terug tot monseigneur

Martha, hem had hij geen oogenblik uit het oog verloren, terwijl hij de

emoties der zitting volgde op zijn kalm en glimlachend gezicht, alsof

deze geheele dramatische parlementaire comedie slechts gespeeld werd

voor den toekomstigen triomf, waarop deze priester hoopte. In

afwachting van den uitslag der stemming hoorde hij naast zich niets

meer dan de gesprekken tusschen den generaal en Massot over taktiek,

kader en recruteering, dan hun discussie over de noodzakelijkheid van

een bloedbad voor geheel Europa. O, wanneer zou deze jammerlijke

menschheid, die in de parlementen en in veldslagen niets dan vechten en

elkaar vernietigen wil, eindelijk tot ontwapening overgaan, om naar de

geboden van gerechtigheid en rede te luisteren?

De verwarring ten opzichte van de moties van orde scheen eeuwig te

duren; het was een regen van moties, die liepen van de zeer heftige van

Mège tot de strenge van Vignon. Het ministerie aanvaardde slechts een

eenvoudig overgaan tot de orde van den dag en werd verslagen; de motie

van Vignon werd eindelijk met een meerderheid van vijf-en-twintig

stemmen aangenomen. Een gedeelte van de rechterzijde had zich met de

linkerzijde en de socialisten vereenigd. Een lang aangehouden lawaai,

dat uit de zaal opsteeg en op de tribunes overging, begroette dit

resultaat.

“Ziezoo, nu hebben wij een ministerie-Vignon,” zeide Massot, toen hij

met den generaal en Pierre wegging. “Maar Monferrand heeft er zich toch

aardig uitgewerkt. Als ik Vignon was, zou ik maar goed uit mijn oogen

kijken.”

’s Avonds had in het kleine huisje te Neuilly een in al zijn eenvoud

roerend afscheid plaats. Nadat Pierre treurig, maar volkomen

gerustgesteld, thuis gekomen was, had Guillaume besloten den volgenden

dag weer naar Montmartre terug te gaan. En daar ook Nicolas Barthès

vertrekken moest, zou het kleine huisje weer in zijn vroegere

troostelooze eenzaamheid terugzinken.

Théophile Morin, aan wien Pierre de treurige tijding had medegedeeld,

was gekomen; en toen de vier mannen zich om zeven uur aan tafel zetten,

wist Barthès nog niets. Den geheelen dag had hij met zijn zwaren stap

van een gevangen leeuw in zijn kamer op en neer geloopen; hij leefde in

dit door een vriend aangeboden asyl als een heldhaftig groot kind, dat

zich nooit om verhoudingen van het heden noch om de bedreigingen van de

toekomst bekommert. Zijn leven was altijd een grenzenlooze hoop

geweest, die zich steeds te pletter liep tegen de hoeksteenen der

werkelijkheid. Al wat hij liefgehad had, al wat hij door vijftig jaren

van gevangenisstraf en verbanning meende bereikt te hebben—de allen

gelijk makende vrijheid—de broederlijke republiek—mocht ingestort zijn

en aan zijn droom het hardste démenti gegeven hebben, toch was zijn

geloof, het reine geloof van zijn jeugd, dat zeker was van de toekomst,

gebleven. Een hemelsch glimlachje speelde om zijn lippen, wanneer de

jongeren, de dwepers met hem spotten en hem een goeden ouden kerel

noemden. Hij zelf begreep niets van de nieuwe secten, maakte zich boos

over haar gebrek aan menschelijkheid; trotsch en stijfhoofdig bleef hij

bij zijn denkbeeld de wereld door het eenzijdige begrip van louter van

nature goede, vrije en broederlijk gezinde menschen te hervormen.

Dien avond was hij onder het eten, nu hij zich door werkelijke vrienden

omgeven voelde, heel opgewekt en toonde de onschuld van zijn ziel door

de volkomen zekerheid, waarin hij verkeerde, dat hij ondanks alles zijn

ideaal in de naaste toekomst verwezenlijkt zou zien. Dan vertelde hij

kostelijke geschiedenissen over zijn verschillende gevangenissen;

wanneer hij praten wilde, was hij een gezellig verteller. Hij kende

alle gevangenissen, Sainte-Pélagie, Mont-Saint-Michel, Belle-Ile-en-Mer

en Clairvaux, lachte nog over sommige herinneringen en schilderde het

asyl, dat hij overal in zijn vrij geweten gevonden had.

De drie mannen, die naar hem luisterden, waren verrukt,

niettegenstaande de angst bij de gedachte, dat deze eeuwige gevangene,

deze eeuwige balling weer opnieuw op moest staan en zijn stok weer

opnemen om verder te gaan, hun hart samenkneep.

Eerst bij het dessert sprak Pierre. Hij vertelde hoe de minister hem

ontboden had en Barthès acht-en-veertig uur gaf om over de grens te

gaan, als hij niet gearresteerd wilde worden. De oude man met zijn lang

wit haar, zijn arendsneus en zijn nog altijd jeugdig schitterende oogen

stond ernstig op en wilde dadelijk vertrekken.

“Wat, beste jongen, je weet dat alles sedert gisteren en je hebt me

toch bij je gehouden en mij aan het gevaar blootgesteld je, door in je

huis te blijven, nog meer te compromitteeren... Je moet het me niet

kwalijk nemen, ik dacht niet aan de moeilijkheden, waarin ik je bracht,

ik meende, dat alles zoo goed ging... Maar ik dank Guillaume en ik dank

jou voor de rustige dagen, die je aan den ouden zwerver, den ouden

dwaas, die ik ben, gegeven hebt!”

Ze smeekten hem nog tot den volgenden ochtend te blijven, maar daarvan

wilde hij niets hooren. Tegen middernacht ging er een trein naar

Brussel; dien kon hij nog makkelijk halen. Zelfs weigerde hij beslist,

dat Morin met hem mede zou gaan. Morin was niet rijk en had zijn

bezigheden: zou hij hem zijn tijd ontnomen hebben, terwijl het toch zoo

eenvoudig was, dat hij alleen ging? Hij keerde als een wandelende Jood

der vrijheid, dien zijn legendarisch martelaarschap eeuwig door de

wijde wereld drijft, naar de verbanning terug.

Toen hij om tien uur in de kleine, ingeslapen straat van zijn

gastheeren afscheid nam, stonden er tranen in zijn oogen.

“Ik ben niet jong meer; ditmaal is het uit! Ik zal niet meer

terugkeeren; mijn gebeente zal daar ergens in een hoekje rusten.”

Maar nadat hij Guillaume en Pierre liefdevol een kus op hun wangen

gedrukt had, richtte zijn ontembaar en trotsch wezen zich weer op, kon

hij een laatsten kreet van hoop niet onderdrukken.

“Kom, wie weet, morgen is het misschien reeds de dag van den triomf. De

toekomst behoort aan hem, die haar maakt en haar verwacht!”

Hij was reeds lang uit het gezicht verdwenen, toen zij nog zijn

krachtigen, flinken stap langzaam hoorden wegsterven in de verte, in

den helderen nacht.

De drie steden: Parijs · 第 21 / 35 题