Toen Guillaume en Pierre den volgenden ochtend de couranten lazen,
zagen zij tot hun groote verbazing, dat de arrestatie van Salvat niet
die groote sensatie maakte, welke zij ervan verwacht hadden. Zij vonden
slechts een klein, onder de andere verloren gaand berichtje, dat de
politie na een drijfjacht in het Bois de Boulogne de hand gelegd had op
een anarchist, die, naar men geloofde, bij de laatste aanslagen
betrokken was. Maar alle couranten stonden vol over het vreeselijk
schandaal, dat de nieuwe onthullingen in de Voix du Peuple verwekten:
het was een niet eindigende vloed van artikelen over de affaire der
Afrikaansche sporen, allerlei berichten en beschouwingen over de
belangrijke zitting, welke men dien dag in de Kamer verwachtte, wanneer
de socialistische afgevaardigde Mège zijn interpellatie, zooals hij
formeel aangekondigd had, zou hervatten.
Guillaume had den vorigen avond besloten naar huis, naar Montmartre
terug te keeren; zijn wond was zoo goed als genezen en geen gevaar
scheen hem noch voor de uitwerking van zijn plannen noch voor zijn
verdere onderzoekingen te bedreigen. De politie had blijkbaar niet het
minste vermoeden, dat hij mogelijk ook verantwoordelijk voor den
aanslag was. Salvat zou zeker niets verraden. Maar Pierre smeekte hem
nog een paar dagen, tot de eerste verhooren van Salvat afgeloopen
waren, te wachten; dan eerst zouden zij een helderen blik in alles
hebben. Den vorigen dag had hij gedurende het lange wachten in het
ministerie, allerlei vage dingen opgevangen: een heimelijken en nog
onduidelijken samenhang tusschen den aanslag en de parlementaire
crisis. En dit alles wekte in hem het verlangen op, dat deze crisis
eerst heelemaal opgelost zou zijn, voordat Guillaume zijn gewoon leven
weer begon.
“Luister eens,” zeide hij, “ik zal even aanloopen bij Morin, om hem te
vragen bij mij te komen dineeren, want Barthès moet vanavond beslist op
de hoogte gebracht worden van den nieuwen slag, die hem treft... Dan ga
ik naar de Kamer, want ik wil weten wat er gebeurt. Eerst daarna laat
ik je gaan.”
Om half een kwam Pierre in het Paleis-Bourbon. Terwijl hij dacht, dat
Fonsègue hem zeker toegang zou kunnen verschaffen, ontmoette hij in de
vestibule generaal de Bozonnet, die toevallig twee kaarten had, daar
een vriend van hem op het laatste oogenblik verhinderd was mede te
gaan. De nieuwsgierigheid was reusachtig groot, heel Parijs verwachtte
een stormachtige zitting, en sinds den vorigen dag werd er letterlijk
om de kaarten gevochten. Pierre zou dan ook nooit toegang gekregen
hebben, als de generaal niet zoo vriendelijk geweest was hem mede te
nemen. Deze was op zijn beurt blijde, dat hij iemand had met wien hij
kon praten, want hij kwam, zooals hij zeide, alleen maar om zijn middag
te dooden. Maar ook kwam hij, de ontevreden voormalige legitimist, die
later Bonapartist geworden was, om zich te vermeien in de schandelijke
rotheid van het parlementarisme.
Boven konden de generaal en Pierre nog juist een plaatsje vinden op de
eerste banken der tribune. Zij troffen daar den kleinen Massot aan, die
zich nog wat kleiner en magerder maakte en hen rechts en links van zich
een plaatsje gaf. Hij kende iedereen.
“U komt zeker uit nieuwsgierigheid de zitting bijwonen, generaal? En u,
mijnheer de abbé, om u te oefenen in verdraagzaamheid en het vergeven
van beleedigingen... Ik ben nieuwsgierig door mijn beroep, want ik heb
altijd stof voor een artikel noodig; en daar er op de perstribune
alleen nog maar slechte plaatsen waren, ben ik me hier op mijn gemak
gaan installeeren... Het zal ongetwijfeld een prachtige zitting worden.
Kijk dat gedrang rechts en links en overal eens!”
Inderdaad waren de smalle, slecht geplaatste tribunes tot aan den rand
met hoofden gevuld. Een groote menigte mannen en vrouwen van iederen
leeftijd verdrong zich daar in een zoo verwarde massa, dat men niets
anders dan de bleeke rondheid der gezichten onderscheiden kon. Maar het
tooneel van den strijd was beneden in de nog ledige zittingzaal, welke
met haar half cirkelvormige rijen banken denken deed aan een
schouwburgzaal, die bij een première langzaam volloopt. De glanzende en
ernstige tribune wachtte in het koude daglicht, dat door de glazen
zoldering binnenviel, terwijl daarachter en hooger het den geheelen
achtermuur innemende bureau met zijn tafels, zijn stoelen en zijn
presidentsfauteuil eveneens verlaten was; alleen waren twee
bureauknechten bezig nieuwe pennen in de penhouders te steken en de
inktkokers na te kijken.
“De vrouwen,” begon lachend Massot weer, “komen hier als naar een
menagerie in de heimelijke hoop, dat de wilde dieren elkaar zullen
opeten... Hebt u het artikel in de Voix du Peuple van vanochtend
gelezen? Die Sanier is een wonder van een kerel! Als er geen vuiligheid
meer is, vindt hij altijd nog wat, vermeerdert de modder en bevuilt het
riool nog meer. Als de ondergrond der zaak waar is, dan moet hij er met
zijn monsterachtig woekerende commentaren altijd nog wat bij liegen.
Iederen dag moet hij zichzelf overtreffen, nieuw vergif aan zijn lezers
voorzetten, om de oplaag maar steeds grooter te doen worden...
Natuurlijk wordt het publiek daardoor gepakt, en alleen door hem zijn
al die menschen hier, om als zenuwlijders op het een of andere vuile
schouwspel te wachten.”
Dan werd hij weer vroolijk en vroeg aan Pierre of hij in den Globe het
niet onderteekende, zeer waardige, maar tevens zeer perfide artikel
gelezen had, waarin Barroux gesommeerd werd met alle openhartigheid de
verklaringen, die het land over de affaire der Afrikaansche sporen
verwachtte, af te leggen. Tot nog toe had het blad den
minister-president steeds krachtig gesteund; doch nu voelde men in het
artikel een begin van wantrouwen, de plotselinge koude, die aan een
breuk vooraf pleegt te gaan. Pierre zeide, dat het artikel hem zeer
verbaasd had, want hij dacht, dat het lot van Fonsègue door een
volkomen overeenstemming in inzichten en tengevolge van zeer oude
vriendschapsbanden aan dat van Barroux verbonden was.
“Zeker, zeker, het hart van den patroon zal er wel bij gebloed hebben,”
zeide Massot nog steeds lachend. “Het artikel heeft veel opzien verwekt
en zal het ministerie veel kwaad doen. Maar wat zal ik u zeggen? De
patroon weet beter dan wie ook welke gedragslijn hij moet volgen, om de
positie van zijn blad en van zichzelf te redden.”
Dan ontwierp hij een beeld van de opwinding en de groote verwarring,
die er in de wandelgangen, waar hij even was gaan kijken, alvorens
hierboven een goed plaatsje te zoeken, onder de afgevaardigden
heerschte. De Kamer, die in twee dagen niet bijeen geweest was, kwam nu
samen bij dit groote schandaal, dat hij vergeleek bij een brand, welken
men zoo goed als gebluscht waant en die plotseling weer aanwakkert en
alles verteert. De cijfers van Sanier’s lijsten deden de ronde: Barroux
tweehonderd duizend francs, Monferrand tachtig duizend, Fonsègue
vijftig duizend, Dutheil tien duizend, Chaigneux drie duizend, die
zooveel, gene zooveel—een eindelooze onthulling met de wonderlijkste
verhalen, kletspraatjes en laster, een ongelooflijke dooreenmenging van
waarheid en leugen, waarin men onmogelijk den juisten weg vinden kon.
Terwijl de wind van angst en schrik woei, zag men tusschen de
vaalbleeke gezichten met de bevende lippen andere met een vuurroode
kleur, stralend van woeste vreugde en lachend om de aanstaande
overwinning, want tenslotte stak achter die groote, gehuichelde
verontwaardiging, achter dat schreeuwen om eerlijkheid en parlementaire
moraliteit niets anders dan een personenquaestie: men wilde weten of
het ministerie vallen en wie het nieuwe kabinet formeeren zou. Barroux
scheen zeer zwak te staan, maar wie kon voorspellen, welke rol het
onverwachte in zulk een rommel spelen zou? Men zeide, dat Mège een
uiterst heftige redevoering zou houden. Barroux zou antwoorden en zijn
vrienden vertelden, dat hij een helder en volkomen licht over de zaak
wilde doen opgaan. Ongetwijfeld zou daarna Monferrand het woord voeren.
Wat Vignon betreft, deze hield zich ondanks zijn onderdrukten
jubelkreet op den achtergrond; men had hem naar verschillende van zijn
partijgenooten zien gaan om hun aan te raden kalm te blijven en hun
zelfbeheersching niet te verliezen, wat in den strijd over de
overwinning beslist. Nog nooit had een met zooveel dranken en zooveel
afschuwelijke ingrediënten overstroomenden heksenketel op zulk een
hellevuur gekookt.
“De duivel mag weten wat eruit te voorschijn komt,” zeide Massot ten
slotte. “Bah, wat een vuile rommel!”
Maar generaal de Bozonnet voorzag de ergste catastrophes. Ja, als men
nog maar een leger gehad had! Dan zou men dat handjevol verkochte
parlementariërs, die het land opvraten en ten gronde richtten, op een
goeden morgen kunnen wegjagen. Volgens zijn meening beteekende het
feit, dat een volk onder de wapenen geen leger vormde, het einde van
alles.
“U zoekt immers stof voor een artikel,” zeide hij tegen Massot. “Daar
hebt u een mooi onderwerp... Frankrijk, dat meer dan een millioen
soldaten heeft, bezit geen leger. Ik zal u aanteekeningen geven, dan
zult u eindelijk de waarheid kunnen zeggen.”
Onmiddellijk maakte hij zich meester van den journalist en begon een
heele preek tegen hem. De oorlog moest een kasten-aangelegenheid zijn;
aanvoerders bij Gods genade moesten huurlingen, betaalde of uitgekozen
soldaten ten strijde voeren. Den oorlog democratiseeren stond gelijk
met den oorlog dooden, en dat was een doorn in het oog van den held,
die den krijg als de eenige nobele bezigheid beschouwde. Van het
oogenblik af, dat iedereen gedwongen werd te strijden, wilde niemand
meer vechten. Daarom zou de verplichte militaire dienst, de natie onder
de wapenen, ongetwijfeld vroeger of later tot het einde van den oorlog
leiden. Dat er sedert 1870 niet gevochten was kwam juist, omdat
iedereen gereed stond om te vechten. Men aarzelde thans het eene volk
tegen het andere in den strijd te werpen, daar men aan de vreeselijke
vernietiging, aan de reusachtige verspilling van geld en bloed dacht.
Het in een reusachtig versterkt kamp veranderde Europa vervulde hem met
woede en walging; het was alsof de zekerheid, dat allen elkaar dadelijk
bij den eersten slag vernietigen zouden, hem het genot vergalde, dat
vroeger het oorlog voeren bood.
“Maar het zou toch niet zoo’n heele groote ramp zijn, wanneer de oorlog
verdween,” zeide Pierre zacht.
“Het zou een mooie collectie volkeren worden, als er niet meer
gevochten werd,” zeide de generaal, eerst geprikkeld; doch dan wilde
hij laten zien, dat hij praktisch was. “Bedenk toch eens, dat de oorlog
nooit zooveel geld gekost heeft als sedert hij niet meer mogelijk is.
Onze gewapende vrede, onze volkeren onder de wapenen ruïneeren
gewoonweg de staten. Als het geen nederlaag is, dan is het een zeker
bankroet... In ieder geval is de militaire stand een verloren stand,
waarbij niets meer te halen is; het geloof daarin verdwijnt, men zal
hem langzamerhand verlaten, zooals men den priesterstand verlaat.”
Hij maakte een wanhopig gebaar, als vervloekte de soldaat van vroeger
dit Parlement, deze republikeinsche Kamer, als verweet hij haar de
dagen, die komen zouden, dat de soldaat nog slechts de burger zijn zou.
De kleine Massot schudde het hoofd; waarschijnlijk vond hij die stof te
ernstig.
“Kijk, daar heb je monseigneur Martha met den Spaanschen gezant in de
diplomatenloge,” viel hij den generaal kortaf in de rede. “Zooals u
weet, zegt men, dat hij van zijn candidatuur in le Morbihan afziet. Hij
is veel te slim, om zich als Kamerlid aan gevaar bloot te stellen,
terwijl hij bovendien toch de draden in handen houdt, waarnaar de
meeste met de republikeinsche regeering verzoende Katholieken dansen.”
Werkelijk zag Pierre het glimlachende gezicht van monseigneur Martha,
die den vorigen dag in de antichambre van den minister zoo voorkomend
voor hem geweest was. Het leek hem nu alsof die bisschop, hoe
bescheiden hij zich ook voordeed, hier een grooten invloed had. Hij
voelde hoe machtig en bezig hij was, hoewel hij zich volstrekt geen
moeite gaf en alleen maar als een eenvoudige nieuwsgierige een kijkje
nemen kwam. Pierre’s blik keerde steeds weer naar hem terug, alsof hij
verwachtte, dat deze plotseling zou opstaan, om de handeling te leiden
en de menschen en dingen te bevelen.
“Ha, daar heb je Mège,” zeide Massot weer. “De zitting zal beginnen.”
Langzamerhand liep de zaal beneden vol. Kamerleden kwamen door de
deuren en liepen de nauwe gangetjes af. De meesten bleven in opgewonden
gesprekken staan praten en brachten zoo de koortsachtige opwinding uit
de wandelgangen naar de zaal. Anderen, die er reeds met vaalgrijze en
vermoeide gezichten zaten, keken naar de zoldering, waar het
halvemaanvormige glazen dak witachtig òplichtte.
Nu noemde Massot den naam van iederen binnenkomenden, invloedrijken
afgevaardigde. Mège, die door een ander lid van de kleine
socialistische groep staande gehouden werd, gesticuleerde opgewonden.
Dan kwam Vignon, door eenige vrienden begeleid en een glimlachende
kalmte bewarend, de treden af, om naar zijn plaats te gaan. Maar de
tribunes wachtten vooral op de gecompromitteerde leden, wier naam op de
lijst van Sanier stond; dezen waren interessant om te bestudeeren:
enkelen huichelden een volkomen kalmte, waren vroolijk en maakten
grappen; anderen daarentegen namen een ernstige, verontwaardigde
houding aan. Chaigneux zag er aarzelend en weifelend uit, als werd hij
neergedrukt onder het gewicht van een vreeselijke onrechtvaardigheid.
Dutheil daarentegen had zijn kalme onbezorgdheid teruggevonden en zou
volkomen vroolijk geweest zijn, indien niet een zenuwachtige
spierbeweging zijn mond vertrokken had. Het meest bewonderde men
Fonsègue; hij was zichzelf weer zóó volkomen meester, zijn gezicht had
een zóó vastberaden, zijn blik een zóó onbevangen uitdrukking, dat al
zijn collega’s en het geheele publiek een eed gedaan zouden hebben op
zijn onschuld.
“O die patroon,” prevelde Massot geestdriftig. “Zoo bestaat er toch
geen tweede... Kijk, daar heb je de ministers! Let vooral eens goed op
de ontmoeting tusschen Barroux en Fonsègue na het artikel van
vanochtend!”
Het toeval wilde, dat Barroux met opgeheven hoofd, heel bleek en bijna
uitdagend, langs Fonsègue moest, om bij de ministerbank te komen. Hij
zeide geen woord, maar keek hem aan als iemand, die voelt, dat hij
verlaten wordt, dat een verrader hem een mes in den rug stoot. Fonsègue
bleef echter naar alle kanten handen geven, alsof hij zelfs niets
merkte van den zwaren blik, die op hem rustte. Verder deed hij eveneens
alsof hij ook Monferrand niet zag, die kalm, alsof er geen wolkje aan
de lucht was, achter Barroux liep. Zoodra hij op zijn plaats zat, keek
hij op en glimlachte tegen monseigneur Martha, die dezen groet met een
hoofdknikje beantwoordde. Dan begon hij zacht in zijn handen te
wrijven, blij, dat de zaken precies zoo liepen als hij wilde.
“Wie is die grijze, trieste man op de ministersbank?” vroeg Pierre aan
Massot.
“O dat is die goede Taboureau, de man zonder prestige, de minister van
Openbaar Onderwijs. Je kent hem natuurlijk wel, maar je herkent hem
nooit: hij ziet er precies uit als een oude, door het lange gebruik
afgesleten sou. Dat is er ook een, die den patroon nu niet bepaald
dankbaar gestemd zal zijn, want de Globe bevatte vanochtend een juist
door zijn gematigdheid zoo fel artikel over zijn onbekwaamheid in alles
wat de afdeeling Schoone Kunsten betreft. Het zou mij verwonderen, als
hij daarboven opkomt.”
Maar een dof tromgeroffel kondigde de komst van den voorzitter in het
bureau aan. Een deur ging open en een kleine stoet verscheen, terwijl
een verward lawaai, geroep en geloop de halfcirkelvormige zaal vulden.
De president stond, luidde lang met zijn bel en zeide, dat de zitting
geopend was. Er trad echter geen stilte in, toen een secretaris, een
groote, lange, donkere jongeman, met een scherpe stem de notulen
voorlas. Nadat deze goedgekeurd en de brieven van verhindering
voorgelezen waren, werd vlug een klein wetsontwerp met het opsteken der
handen aangenomen. Daarna kwam eindelijk de groote zaak, de
interpellatie van Mège te midden van een rilling in de zaal en de
hartstochtelijke nieuwsgierigheid der tribunes. Nadat de regeering de
interpellatie aanvaard had, besloot de Kamer, dat de discussie
onmiddellijk beginnen zou. Ditmaal ontstond er een diepe stilte,
waardoor nu en dan een korte rilling ging, waarin men den schrik, den
haat, den hartstocht, de verslindende, ontketende begeerten voelde.
Op de tribune begon Mège gekunsteld-gematigd de quaestie te preciseeren
en formuleeren. Hij was groot, mager, knoestig en krom als een boomtak
en steunde zijn eenigszins gebogen gestalte met zijn beide handen,
terwijl hij zijn rede dikwijls even onderbreken moest voor een
teringhoestje. Maar achter zijn lorgnet schitterden zijn oogen van
geestdrift; langzamerhand verhief zich zijn schrille, krijschende stem
tot een donder, terwijl hij onder een heftig gebarenspel zijn grof
gebouwd lichaam oprichtte. Hij herinnerde eraan, hoe hij twee maanden
geleden bij de eerste onthullingen van de Voix du Peuple de regeering
over die betreurenswaardige affaire der Afrikaansche sporen wilde
interpelleeren, en maakte er niet ten onrechte opmerkzaam op, dat er,
indien de Kamer, toegevend aan gevoelens, die hij op dit oogenblik niet
verder beoordeelen wilde, zijn interpellatie niet verdaagd had, reeds
lang licht zou zijn opgegaan, wat het weder opduiken van het schandaal,
deze geheele heftige campagne van onthullingen, waaronder het geheele
land leed, voorkomen zou hebben.
Nu echter begreep men, dat zwijgen onmogelijk geworden was, de beide
met zooveel ophef van plichtverzaking beschuldigde ministers moesten
antwoorden, hun volkomen onschuld bewijzen, het meest heldere licht
over hun geval doen schijnen, geheel afgezien nog van het feit, dat het
Parlement een dergelijke beschuldiging van onteerende omkoopbaarheid
niet op zich mocht laten zitten. Hij rakelde de geheele geschiedenis
der affaire op, sprak van de concessie, die aan den bankier Duvillard
voor de Afrikaansche sporen gegeven was, over de beruchte emissie van
premieloten, welke de Kamer—wanneer men de aanklagers gelooven
mocht—goed gekend had dank zij een omkooperij, een geschacher met en
een koopen van gewetens. Op dit punt van zijn rede, toen hij begon over
den beruchten Hunter, Duvillard’s drijver, dien de politie had laten
ontvluchten, om zich des te meer met de vervolging van socialistische
afgevaardigden te kunnen vermoeien, geraakte hij in vuur en liet zich
tot een onstuimige heftigheid verleiden.
Hij sloeg met zijn vuist op de tribune, sommeerde Barroux kategorisch
tegen te spreken, dat hij van de tweehonderd duizend francs, waarmede
zijn naam op de lijst voorkwam, ooit een centime gekregen had. Stemmen
schreeuwden hem toe, dat hij de geheele lijst voor moest lezen; andere
begonnen, toen hij haar voorlezen wilde, lawaai te maken en te brullen,
dat het een schandaal was om zoo’n leugenachtig en lasterlijk pamphlet
in een Fransche Kamer te brengen. Maar hij bleef geestdriftig doorgaan,
gooide Sanier in de modder, ontkende beslist, dat hij iets met de
aanklagers gemeen had, maar eischte, dat allen op denzelfden voet
behandeld werden en dat, als er onder zijn collega’s omgekochten waren,
men ze hedenavond nog in Mazas zou laten slapen.
De president stond achter zijn monumentale tafel en luidde machteloos
als een loods, die den storm niet meer meester is. Te midden van de
opgeblazen en schreeuwende gezichten bewaarden alleen die van de boden
den onverstoorbaren ernst van hun functie. Tusschen het lawaai in bleef
men de stem van den redenaar hooren, die in een plotselingen overgang
een tegenstelling begon te maken tusschen de door hem gedroomde
collectivistische maatschappij en de misdadige kapitalistische
maatschappij, welke in staat was dergelijke schandalen te verwekken.
Hij was als een apostel, die met een woeste halsstarrigheid de wereld
naar zijn geloof wilde hervormen. Het collectivisme was een leer, een
dogma geworden, waarbuiten geen heil te vinden was. De voorspelde dagen
zouden weldra komen; hij wachtte ze met een glimlach vol vertrouwen af;
hij behoefde nog slechts dit ministerie en misschien nog een tweede of
een derde omver te werpen, om eindelijk zelf als hervormer, die vrede
brengen zou aan de volkeren, de macht in handen te krijgen. Deze
sectariër had—zooals de andere socialisten verwijtend
beweerden—dictatorsbloed in zijn aderen. Weer luisterde men naar hem,
want zijn koortsachtige, hardnekkige rhetoriek had ten slotte de
schreeuwers uitgeput. Toen hij eindelijk de tribune verliet,
weerklonken op sommige banken der linkerzijde luidruchtige
toejuichingen.
“Een paar dagen geleden heb ik hem met zijn drie kinderen in den Jardin
des Plantes gezien,” zeide Massot tegen den generaal. “Hij zorgde voor
hen als een kindermeid. Hij lijkt mij een brave kerel, die zijn arm
huishouden zooveel mogelijk tracht te verbergen.”
Maar een rilling was door de zaal gehuiverd. Barroux stond op om naar
de tribune te gaan. Hij richtte met een hem eigen beweging, die zijn
hoofd naar achteren wierp, zijn hooge gestalte op en begon dadelijk in
een mooie, bloemrijke taal en met theatrale gebaren zijn zwaarmoedige
verontwaardiging te schilderen. Het was een romantische
tribune-welsprekendheid, waaruit men dadelijk den braven, weekhartigen,
eenigszins dommen man, die hij per slot van rekening was, proeven kon.
Toch beefde dien dag een echte, diepe ontroering in hem, want zijn hart
bloedde over zijn ongelukkig lot en hij voelde met zich een geheele
wereld instorten. O, hoe hield hij den kreet van wanhoop in, den kreet
van den burger, dien de gebeurtenissen op den dag, dat hij door zijn
toewijding recht meent te hebben op den triomf, in het gezicht slaan en
terugwerpen.
Hoe vreeselijk, wanneer men zich sedert het keizerrijk met hart en ziel
aan de Republiek gegeven, voor haar gestreden, voor haar geleden, haar
vervolgens na de verschrikking van een nationalen en een burgeroorlog
temidden van den dagelijkschen partijstrijd gegrondvest heeft, zich dan
plotseling, wanneer zij eindelijk triompheert en sterk en onoverwinlijk
is, als een vreemdeling uit een anderen tijd te voelen, te hooren, hoe
nieuw aangekomenen een andere taal spreken, een ander ideaal
verdedigen, getuige te moeten zijn van een instorting van alles wat men
liefheeft en vereert, van alles, wat iemand de kracht tot overwinnen
gegeven heeft. De machtige arbeiders van den eersten tijd waren er niet
meer. Gambetta had gelijk gehad te sterven. Maar welk een bitterheid
voor de laatste, temidden van de intelligente en handige jonge
generatie overgebleven ouden, die zien moesten, hoe er om hun
ouderwetsch geworden romantisme gelachen werd. Alles stortte ineen,
zoodra de idee der vrijheid bankroet sloeg, zoodra de vrijheid niet
meer het eenige goed, het fundament zelf der republiek was, die zij zoo
duur en met zooveel inspanning van krachten gekocht hadden.
Zeer oprecht en zeer waardig bekende Barroux. De republiek was de
heilige ark, en om haar te redden, zoodra zij in gevaar verkeeren kon,
werden alle middelen, zelfs de ergste, geheiligd. Hij vertelde de
geschiedenis heel eenvoudig: al het geld van de bank Duvillard zou,
onder voorwendsel van publiciteit, naar de bladen der oppositie gaan,
terwijl de republikeinsche bladen belachelijk kleine sommen kregen. Als
minister van Binnenlandsche Zaken was hij toenmaals met de
persaangelegenheden belast; en wat zou men gezegd hebben, indien hij
niet getracht had het juiste evenwicht te herstellen, zoodat de macht
van de tegenstanders niet vertienvoudigd werd. Alle handen strekten
zich naar hem uit, tallooze bladen, en daaronder de meest
verdienstelijke en meest getrouwe, eischten het hun rechtmatig
toekomend deel. Dat deel nu had hij hun verzekerd door onder hen de
tweehonderd duizend francs, waarmede zijn naam op de lijst voorkwam, te
verdeelen. Geen centime daarvan was in zijn zak terechtgekomen; hij gaf
niemand het recht aan zijn rechtschapenheid te twijfelen, zijn woord
moest voldoende zijn. Op dat oogenblik was hij werkelijk
bewonderenswaardig groot. Alles, zijn pralende middelmatigheid, zijn
emphase verdween; niets was meer over dan de man van eer, die bevend
zijn hart liet zien, wiens geweten bloedde door het uitrukken der
waarheid, die begreep, dat de belooning uitblijven zou.
Inderdaad werd de rede met een ijskoude stilte ontvangen. Barroux, die
in zijn naïveteit geloofd had, dat een uitbarsting van geestdrift
volgen zou, werd langzamerhand zelf door die koude, welke uit alle
banken opsteeg, aangegrepen. Plotseling voelde hij, dat hij alleen
stond, dat het uit was met hem, dat de dood hem aangeraakt had. Het was
de leegte als van een graf in hem. Toch sprak hij te midden van de
angstaanjagende stilte verder met de bravoure van een arme, die
zelfmoord pleegt en uit liefde voor mooie en edele houdingen, staande
sterven wil. Het einde was een laatste, mooi gebaar. Toen hij de
tribune verliet, was de stemming nog killer geworden, weerklonk er geen
enkele toejuiching. Tot overmaat van ramp had hij een toespeling
gemaakt op het heimelijke drijven van Rome en van de geestelijkheid,
dat volgens hem geen ander doel had dan om de verloren posities te
heroveren en vroeger of later de monarchie te herstellen.
“Wie is nou zoo stom om te bekennen?” prevelde Massot. “Hij ligt op
zijn gat en het ministerie met hem.”
Nu betrad te midden van die tot ijs verstijfde zaal Monferrand zonder
eenige aarzeling de tribune. Het was voor de zich allesbehalve op haar
gemak gevoelende Kamer een groote opluchting, toen Monferrand dadelijk
met een formeel en krachtig démenti begon. Hij sloeg met zijn eene
vuist op de tribune, en gaf met de andere uit naam van zijn beleedigde
eer, harde slagen op zijn borst. Met zijn korte, ineengedrongen
gestalte, zijn vooruitstekend gezicht, zijn dikken, sensueelen en
eerzuchtigen neus, zijn breede schouders, waarachter hij zijn groote
handigheid verborg, was hij een oogenblik prachtig om aan te zien. Hij
ontkende alles. Niet alleen wist hij niet, wat die achter zijn naam
geschreven tachtig duizend francs beteekenden, maar hij daagde de
geheele wereld uit, om te bewijzen, dat hij ooit een sou van dat geld
aangeraakt had. Zijn verontwaardiging kookte en stroomde zóó over, dat
hij er zich niet mede tevreden stelde in zijn naam alles te loochenen,
maar ook in den naam van alle tegenwoordige en vroegere Kamers, alsof
deze monstruositeit van een volksvertegenwoordiger, die zijn stem
verkocht, alle denkbare smadelijke misdaden overtrof. De bijval barstte
los, de weer verwarmde, bevrijde Kamer juichte hem toe.
Toch riepen op de socialistische banken enkele stemmen, dat hij een
verklaring moest geven van de affaire der Afrikaansche sporen,
herinnerden hem er aan, dat hij minister van Openbare Werken was, toen
de premieleening goedgekeurd werd, eischten eindelijk te weten wat hij
van plan was heden als minister van Binnenlandsche Zaken tegenover de
onthullingen te doen, om het geweten van het land gerust te stellen.
Maar hij moffelde de vraag weg en zeide, dat, wanneer er schuldigen
waren, de gerechtigheid haar loop moest hebben: niemand behoefde hem
aan zijn plicht te herinneren. Dan voerde hij plotseling met een
onvergelijkelijke kracht en handigheid de afleidende beweging uit, die
hij sinds den vorigen dag voorbereidde. Zijn plicht vergat hij nooit,
hij deed dien steeds als een trouw soldaat der natie met evenveel
waakzaamheid als voorzichtigheid. Had men hem zooeven niet beschuldigd
de politie te gebruiken voor God weet wat voor lage spionnagediensten,
waardoor het den beruchten Hunter mogelijk geweest was te ontvluchten?
Welnu, hij kon aan de Kamer mededeelen, waarvoor hij den vorigen dag
die belasterde politie gebruikt had, wat zij voor de gerechtigheid en
de openbare orde gedaan had. Den vorigen dag had zij in het Bois de
Boulogne den gevaarlijksten misdadiger gearresteerd, den dader van den
bomaanslag in de rue Godot-de-Mauroy, dien anarchistischen werkman,
dien Salvat, die meer dan zes weken met alle nasporingen gespot had. In
den loop van den avond had de onverlaat een volledige bekentenis
afgelegd; de gerechtigheid zou nu spoedig haar werk doen. Eindelijk was
de openbare moraal gewroken, kon Parijs zijn langen schrik van zich
afwentelen, was de anarchie getroffen in haar zwakste punt. Dat had
hij, de minister, voor de eer en het heil van het land gedaan, terwijl
vuile lasteraars vergeefs zijn naam trachtten te bezoedelen door dien
op een lijst, het werk van de laagste politieke manoeuvres, te
plaatsen.
Met open mond en rillend luisterde de Kamer. Deze uit den hemel
vallende arrestatie, waarover geen enkel ochtendblad gesproken had; dit
geschenk, dat Monferrand in dien verschrikkelijken Salvat, welke reeds
een misdadigers-mythe begon te worden, aan de Kamer scheen te geven;
deze geheele ensceneering pakte haar als een lang op zijn voltooiing
gewacht hebbend drama, welks ontknooping zich nu plotseling voor haar
afspeelde. Diep ontroerd en gevleid bracht zij een lange ovatie aan den
redenaar, die echter door bleef gaan om zijn energieke daad, de redding
der maatschappij, de bestraffing der misdaad te verheerlijken, zonder
daarbij te vergeten de belofte af te leggen, dat hij steeds de man met
de krachtige vuist, de man van de openbare orde zou zijn. Ja, hij
veroverde zelfs de bank der rechterzijde, toen hij, zich losmakend van
Barroux, eindigde met het uitspreken van sympathie voor de geallieerde
Katholieken, met een beroep op de eendracht van de verschillende
geloofsbelijdenissen tegen den gemeenschappelijken vijand, het woeste
socialisme, dat alles wilde vernietigen.
Toen Monferrand de tribune verliet, was de truc gelukt: hij had
zichzelf weer uit het troebele water opgevischt. De geheele Kamer,
rechts en links dooreen, juichte en overstemde de protesten van de
enkele socialisten, wier lawaai dit triomfgeschreeuw slechts verhoogde.
Vele handen werden naar hem uitgestoken; hij bleef een oogenblik
glimlachend staan, maar het was een glimlach, waarachter zich een
toenemende onrust verborg. Zijn succes begon hem bang te maken. Zou hij
te goed gesproken hebben? Zou hij, in plaats van zichzelf alleen te
redden, ook het ministerie gered hebben? Dat zou zijn geheele plan in
duigen hebben doen vallen. De Kamer moest niet stemmen onder den indruk
van deze redevoering, die haar zoo geschokt had. Hij doorleefde twee of
drie minuten van werkelijken angst, terwijl hij nog steeds glimlachend
afwachtte of niemand opstaan zou, om hem te beantwoorden.
Op de tribunes was het succes even groot. Men had dames zien juichen.
Zelfs monseigneur Martha gaf teekenen van levendige voldoening.
“Dat zijn nu onze tegenwoordige krijgers, generaal,” zeide Massot met
een spottend grijnslachje. “En die daar is een haantje de voorste. Dat
is je handig uit een moeilijke positie redden. Maar het is een kranig
werkje.”
Eindelijk zag Monferrand, dat Vignon, aangespoord door zijn vrienden,
opstond en naar de tribune ging. Nu keerde zijn spottend-gemoedelijk
glimlachje terug; en hij ging weer op de ministerbank zitten, om
schijnheilig te luisteren.
Met Vignon kreeg de Kamer dadelijk een geheel ander aspect. Met zijn
mooien blonden baard, zijn blauwe oogen, zijn slanke, jeugdige houding
stond hij flink en correct op de tribune. Hij sprak als een praktisch
man met een eenvoudige en onmiddellijk zijn gehoor treffende
welsprekendheid, die de holle rhetoriek van zijn voorgangers nog leeger
en pralender deed schijnen. Door zijn korte werkzaamheid in de
administratie had hij een levendig begrip voor zaken gekregen, kon hij
de meest ingewikkelde quaesties makkelijk formuleeren en oplossen.
Steeds in de weer, dapper en zeker van zijn geluksster ging hij de
toekomst tegemoet; hij had het geluk om nog te jong en te handig te
zijn om zich in iets te hebben gecompromitteerd. Zijn programma was
iets vooruitstrevender dan dat van Barroux en Monferrand, opdat hij,
wanneer hij het ministerie had doen vallen, hun plaats zou kunnen
innemen. Verder was hij heel goed in staat dit programma uit te voeren
door de reeds zoo lang beloofde hervormingen te beproeven.
Dus zeide hij met zijn heldere stem zeer beslist wat hij te zeggen had,
wat het gezond verstand, het heimelijke geweten zelf der Kamer
verwachtte. Zeker hij was de eerste om zich te verheugen over een
arrestatie, die het geheele land geruststellen zou. Maar hij zag niet
in welk verband er bestaan kon tusschen die arrestatie en de droevige
zaak, die thans aan het oordeel der Kamer onderworpen werd. Dat waren
twee totaal verschillende quaesties en hij bezwoer zijn collega’s niet
te stemmen in de voorbijgaande opwinding, waarin hij hen thans zag. Er
moest een volkomen en helder licht over de zaak ontstoken worden, en
dat konden de twee aangeklaagde ministers natuurlijk niet doen. Verder
verklaarde hij zich tegen een enquête-commissie, hij was van meening,
dat men de schuldigen, als die er waren, naar de rechtbank behoorde te
verwijzen. Ook hij eindigde met een discrete toespeling op den
toenemenden invloed van de geestelijkheid en zeide, dat hij geen enkel
compromis van welken aard dan ook aanvaardde en de dictatuur van den
Staat even goed verwierp als een herleving van den ouden theocratischen
geest.
Goedkeurend gemompel ging door de geheele zaal. Toen Vignon weer ging
zitten, weerklonken slechts enkele toejuichingen. Maar de Kamer had
haar gewone kalmte weer teruggekregen; de toestand was zoo duidelijk,
de uitslag der stemming zoo zeker, dat Mège, die eerst nog had willen
repliceeren, het verstandiger vond van het woord af te zien, hoe zwaar
hem dat ook viel. Vooral de kalme houding van Monferrand, die steeds
door aandachtig naar de rede van Vignon had zitten luisteren, als wilde
hij aan het talent van zijn tegenstander de noodige eer geven, viel op;
Barroux daarentegen zat na de ijzige koude, waarmede zijn rede
opgenomen was, onbeweeglijk en doodsbleek op zijn bank, als had de
instorting der oude wereld ook hem getroffen en verpletterd.
“Het ministerie is gevallen,” begon Massot weer. “Ja, die kleine Vignon
zal het ver brengen. Men zegt, dat hij van het Elysée droomt. In ieder
geval is hij op dit oogenblik de aangewezen kabinetsformateur.”
Toen hij te midden van het lawaai der nu volgende stemmingen weg wilde
gaan, hield de generaal hem terug.
“Wacht nog even, mijnheer Massot... Wat een walgelijke boel is die
parlementaire keuken! U moest dat eens in een artikel zeggen en
aantoonen hoe het land langzamerhand verzwakt en tot in het merg
bedorven wordt door zulke dagen van nuttelooze en vuile discussies. Een
slag, waarin vijftig duizend man vallen, zou ons minder uitputten, meer
leven in ons hart achterlaten dan tien jaar van dit afschuwelijk
parlementarisme... Loop eens een ochtend bij mij op. Ik zal u een
militair wetsontwerp laten zien: wij moeten tot ons vroeger beperkt
beroepsleger terugkeeren, wanneer we niet willen, dat ons zoo
verburgerd nationaal leger, dat een zoo illusoire massa vormt, het
doode gewicht wordt, dat de natie ten gronde richt.”
Sedert de opening der zitting had Pierre geen woord gezegd. Hij
luisterde aandachtig, eerst in het onmiddellijke belang van zijn broer,
dan langzamerhand ook zelf medegesleept door de koortsachtige
opwinding, die zich van de zaal meester maakte. Hij kwam hoe langer hoe
meer tot de overtuiging, dat Guillaume niets meer te vreezen had, maar
hoe ging hier de eene gebeurtenis over in de andere, welk een indruk
maakte hier de arrestatie van Salvat! De feiten vereenigden, verwarden,
veranderden zich onophoudelijk! Terwijl hij zich over de woelige zaal
heenboog, kon hij er de tallooze botsingen van hartstochten en belangen
als het ware zien.
Hij had den grooten strijd tusschen Barroux, Monferrand en Vignon
gevolgd, hij merkte de kinderlijke vreugde van Mège op, die gelukkig
was, dat hij den modderigen grond van dit water, waarin hij nooit
anders dan voor anderen vischte, aan het roeren gebracht had; nu was
hij vol belangstelling voor Fonsègue, die, uiterst kalm en ingewijd in
de geheimen der toekomst, Dutheil en Chaigneux trachtte gerust te
stellen. Doch steeds weer keerde zijn blik terug tot monseigneur
Martha, hem had hij geen oogenblik uit het oog verloren, terwijl hij de
emoties der zitting volgde op zijn kalm en glimlachend gezicht, alsof
deze geheele dramatische parlementaire comedie slechts gespeeld werd
voor den toekomstigen triomf, waarop deze priester hoopte. In
afwachting van den uitslag der stemming hoorde hij naast zich niets
meer dan de gesprekken tusschen den generaal en Massot over taktiek,
kader en recruteering, dan hun discussie over de noodzakelijkheid van
een bloedbad voor geheel Europa. O, wanneer zou deze jammerlijke
menschheid, die in de parlementen en in veldslagen niets dan vechten en
elkaar vernietigen wil, eindelijk tot ontwapening overgaan, om naar de
geboden van gerechtigheid en rede te luisteren?
De verwarring ten opzichte van de moties van orde scheen eeuwig te
duren; het was een regen van moties, die liepen van de zeer heftige van
Mège tot de strenge van Vignon. Het ministerie aanvaardde slechts een
eenvoudig overgaan tot de orde van den dag en werd verslagen; de motie
van Vignon werd eindelijk met een meerderheid van vijf-en-twintig
stemmen aangenomen. Een gedeelte van de rechterzijde had zich met de
linkerzijde en de socialisten vereenigd. Een lang aangehouden lawaai,
dat uit de zaal opsteeg en op de tribunes overging, begroette dit
resultaat.
“Ziezoo, nu hebben wij een ministerie-Vignon,” zeide Massot, toen hij
met den generaal en Pierre wegging. “Maar Monferrand heeft er zich toch
aardig uitgewerkt. Als ik Vignon was, zou ik maar goed uit mijn oogen
kijken.”
’s Avonds had in het kleine huisje te Neuilly een in al zijn eenvoud
roerend afscheid plaats. Nadat Pierre treurig, maar volkomen
gerustgesteld, thuis gekomen was, had Guillaume besloten den volgenden
dag weer naar Montmartre terug te gaan. En daar ook Nicolas Barthès
vertrekken moest, zou het kleine huisje weer in zijn vroegere
troostelooze eenzaamheid terugzinken.
Théophile Morin, aan wien Pierre de treurige tijding had medegedeeld,
was gekomen; en toen de vier mannen zich om zeven uur aan tafel zetten,
wist Barthès nog niets. Den geheelen dag had hij met zijn zwaren stap
van een gevangen leeuw in zijn kamer op en neer geloopen; hij leefde in
dit door een vriend aangeboden asyl als een heldhaftig groot kind, dat
zich nooit om verhoudingen van het heden noch om de bedreigingen van de
toekomst bekommert. Zijn leven was altijd een grenzenlooze hoop
geweest, die zich steeds te pletter liep tegen de hoeksteenen der
werkelijkheid. Al wat hij liefgehad had, al wat hij door vijftig jaren
van gevangenisstraf en verbanning meende bereikt te hebben—de allen
gelijk makende vrijheid—de broederlijke republiek—mocht ingestort zijn
en aan zijn droom het hardste démenti gegeven hebben, toch was zijn
geloof, het reine geloof van zijn jeugd, dat zeker was van de toekomst,
gebleven. Een hemelsch glimlachje speelde om zijn lippen, wanneer de
jongeren, de dwepers met hem spotten en hem een goeden ouden kerel
noemden. Hij zelf begreep niets van de nieuwe secten, maakte zich boos
over haar gebrek aan menschelijkheid; trotsch en stijfhoofdig bleef hij
bij zijn denkbeeld de wereld door het eenzijdige begrip van louter van
nature goede, vrije en broederlijk gezinde menschen te hervormen.
Dien avond was hij onder het eten, nu hij zich door werkelijke vrienden
omgeven voelde, heel opgewekt en toonde de onschuld van zijn ziel door
de volkomen zekerheid, waarin hij verkeerde, dat hij ondanks alles zijn
ideaal in de naaste toekomst verwezenlijkt zou zien. Dan vertelde hij
kostelijke geschiedenissen over zijn verschillende gevangenissen;
wanneer hij praten wilde, was hij een gezellig verteller. Hij kende
alle gevangenissen, Sainte-Pélagie, Mont-Saint-Michel, Belle-Ile-en-Mer
en Clairvaux, lachte nog over sommige herinneringen en schilderde het
asyl, dat hij overal in zijn vrij geweten gevonden had.
De drie mannen, die naar hem luisterden, waren verrukt,
niettegenstaande de angst bij de gedachte, dat deze eeuwige gevangene,
deze eeuwige balling weer opnieuw op moest staan en zijn stok weer
opnemen om verder te gaan, hun hart samenkneep.
Eerst bij het dessert sprak Pierre. Hij vertelde hoe de minister hem
ontboden had en Barthès acht-en-veertig uur gaf om over de grens te
gaan, als hij niet gearresteerd wilde worden. De oude man met zijn lang
wit haar, zijn arendsneus en zijn nog altijd jeugdig schitterende oogen
stond ernstig op en wilde dadelijk vertrekken.
“Wat, beste jongen, je weet dat alles sedert gisteren en je hebt me
toch bij je gehouden en mij aan het gevaar blootgesteld je, door in je
huis te blijven, nog meer te compromitteeren... Je moet het me niet
kwalijk nemen, ik dacht niet aan de moeilijkheden, waarin ik je bracht,
ik meende, dat alles zoo goed ging... Maar ik dank Guillaume en ik dank
jou voor de rustige dagen, die je aan den ouden zwerver, den ouden
dwaas, die ik ben, gegeven hebt!”
Ze smeekten hem nog tot den volgenden ochtend te blijven, maar daarvan
wilde hij niets hooren. Tegen middernacht ging er een trein naar
Brussel; dien kon hij nog makkelijk halen. Zelfs weigerde hij beslist,
dat Morin met hem mede zou gaan. Morin was niet rijk en had zijn
bezigheden: zou hij hem zijn tijd ontnomen hebben, terwijl het toch zoo
eenvoudig was, dat hij alleen ging? Hij keerde als een wandelende Jood
der vrijheid, dien zijn legendarisch martelaarschap eeuwig door de
wijde wereld drijft, naar de verbanning terug.
Toen hij om tien uur in de kleine, ingeslapen straat van zijn
gastheeren afscheid nam, stonden er tranen in zijn oogen.
“Ik ben niet jong meer; ditmaal is het uit! Ik zal niet meer
terugkeeren; mijn gebeente zal daar ergens in een hoekje rusten.”
Maar nadat hij Guillaume en Pierre liefdevol een kus op hun wangen
gedrukt had, richtte zijn ontembaar en trotsch wezen zich weer op, kon
hij een laatsten kreet van hoop niet onderdrukken.
“Kom, wie weet, morgen is het misschien reeds de dag van den triomf. De
toekomst behoort aan hem, die haar maakt en haar verwacht!”
Hij was reeds lang uit het gezicht verdwenen, toen zij nog zijn
krachtigen, flinken stap langzaam hoorden wegsterven in de verte, in
den helderen nacht.