II.

Welk een heerlijke vrede heerschte daar bij den goeden abbé Rose in den

kleinen, op een smallen tuin uitzienden rez-de-chaussée, welken hij in

de rue Cortot bewoonde! Geen geratel van wagens, zelfs niet de

ademhaling van het aan de andere zijde van den heuvel van Montmartre

dreunende Parijs drong door tot de groote stille en de ingesluimerde

rust van een afgelegen provinciestadje.

Het sloeg zeven uur, de schemering was langzaam ingevallen. Pierre zat

in het eenvoudige eetkamertje te wachten, dat de huishoudster de soep

op zou doen. De abbé, die zich ongerust maakte, dat hij hem in een

maand—sedert hij zich met zijn broeder Guillaume in Neuilly had

opgesloten—zoo goed als niet gezien had, had hem den vorigen dag een

brief geschreven en gevraagd te komen eten, om eens kalm over hun zaken

te spreken, want Pierre bleef hem geld voor hun gemeenschappelijke

aalmoezen geven, en sedert de oprichting van hun asyl in de rue de

Charonne hadden zij samen hun liefdadigheidsrekeningen, die zij van

tijd tot tijd controleerden. Na het eten zouden zij erover spreken en

nagaan of er niet iets beters te doen viel. De goede priester straalde

van vreugde over dezen mooien, vreedzamen, goeden avond, dien hij zoo,

met zijn lieve armen zich bezig houdend, doorbrengen zou; dat was

ondanks alle onaangenaamheden, welke zijn ondoordachte naastenliefde

hem reeds bezorgd had, zijn eenig genot, waartoe hij, uit hartstocht,

als tot een zondige zwakheid steeds terugkeerde.

Pierre was blij hem dit genoegen te kunnen doen en vond ook zelf

daardoor een opluchting, een rust van enkele uren in dit zoo eenvoudige

middagmaal, in al die goedheid, welke hun omgaf; hij was nu ver van

zijn vreeselijke marteling. Hij herinnerde zich het vrije bed in het

Asile des Invalides du Travail en dat barones Duvillard hem beloofd had

te zullen wachten tot hij aan abbé Rose gevraagd zou hebben, of hij

niet ergens een groote ellende, die belangstelling verdiende, wist. Hij

begon er dadelijk over, nog vóór zij aan tafel gingen.

“Een groote ellende, die belangstelling verdient? Maar beste jongen,

die verdienen ze allemaal. Als je iemand gelukkig wilt maken, heb je,

vooral wanneer het oude, werklooze arbeiders betreft, keus in

overvloed, vraag je je alleen maar angstig af, wie de uitverkorene zal

zijn, terwijl zooveel anderen in hun hel blijven.”

Toch dacht hij na, wond zich op, nam eindelijk ondanks den smartelijken

strijd van zijn gewetensbezwaren, een besluit.

“Ik weet het al. Dat is beslist de ongelukkigste en bescheidenste van

allen, een oude man van twee-en-zeventig jaar, een schrijnwerker, die

sedert de acht of tien jaar, dat hij van de openbare liefdadigheid

leeft, geen werk meer vinden kan. Zijn naam weet ik niet, iedereen

noemt hem den grooten Oude. Dikwijls blijft hij weken lang van mijn

Zaterdagsche uitdeelingen weg. Wanneer er haast is met de opneming,

zullen we hem moeten gaan zoeken. Ik geloof, dat hij meermalen in het

nachtasyl in de rue d’Orsel slaapt, wanneer plaatsgebrek hem ten minste

niet dwingt achter het een of ander staketsel te gaan liggen. Willen we

vanavond in de rue d’Orsel gaan kijken?”

Zijn oogen schitterden; voor hem waren die bezoeken aan de grootste

ellende, die hij ondanks zijn overvloeiend apostelmedelijden niet meer

durfde maken, zoo had men ze hem verweten en als een misdaad

aangerekend, een orgie, de verboden vrucht.

“Is dat afgesproken, jongen? Alleen dezen éénen keer nog maar! Het is

trouwens de eenige manier, om den grooten Oude te vinden. Je kunt tot

elf uur bij mij blijven... En bovendien zou ik je graag laten zien,

welk een verschrikkelijke ellende daar heerscht. Misschien hebben we

het geluk, dat we den een of anderen armen stakkerd kunnen helpen.”

Pierre glimlachte om dien jeugdigen ijver bij dezen ouden man met zijn

sneeuwwit haar.

“Afgesproken, waarde abbé! Ik vind het heerlijk den heelen avond hier

bij u te blijven en het zal me goed doen u nog eens op een van onze

oude drijfjachten te volgen, waarvan we altijd met een hart vol vreugde

en smart terugkwamen.”

De huishoudster bracht de soep. Maar juist toen de beide priesters aan

de tafel wilden gaan zitten, werd er zacht en bescheiden gebeld, en

toen de abbé hoorde, dat het een buurvrouw, madame Mathis, was, die een

antwoord kwam halen, liet hij haar binnenkomen.

“De arme vrouw had een voorschot van tien francs noodig, om een matras

uit de bank van leening te krijgen,” legde hij Pierre uit. “Ik had ze

niet, maar heb ze van een ander weten te krijgen. Zij woont hier in

huis, in een vreeselijke, heimelijke ellende... Haar inkomsten zijn zoo

klein, dat zij er niet van leven kan.”

“Maar,” vroeg Pierre, die zich den jongen man herinnerde, dien hij bij

Salvat gezien had; “heeft zij geen grooten zoon van twintig jaar?”

“Ja juist... Ik geloof, dat haar ouders rijke provincialen waren. Zij

is, naar men mij verteld heeft, getrouwd met een pianomeester, die haar

te Nantes les gaf en haar geschaakt heeft. Zij is met hem naar Parijs

gekomen, waar hij gauw gestorven is, een treurige liefdesroman. Door

haar meubels te verkoopen en alles bij elkaar te scharrelen, had zij

een rente van nog geen twee duizend francs en kon zij haar zoon op het

gymnasium laten gaan en zelf bescheiden leven. Maar daar zij haar

kapitaaltje in twijfelachtige waarden belegd had, is een groot deel van

haar geld verdwenen en heeft zij nog maar een inkomen van achthonderd

francs. Zij heeft tweehonderd francs huur te betalen, zoodat zij met

vijftig francs per maand moet rondkomen. Anderhalf jaar geleden heeft

haar zoon haar verlaten, om haar niet langer tot last te zijn, en

tracht zijn eigen brood te verdienen, wat hem echter, naar ik geloof,

niet gelukt.”

Madame Mathis kwam binnen, een kleine donkere vrouw met een treurig,

zacht en kwijnend gezicht. Zij droeg altijd dezelfde zwarte japon,

sprak nauwelijks en leefde in de ongeruste afzondering van een arm

schepsel, dat steeds door den storm van het ongeluk getroffen wordt.

Toen abbé Rose haar de fijngevoelig ingepakte tien francs gaf, kreeg

zij een kleur, bedankte hem en beloofde ze terug te zullen geven,

zoodra zij haar maandgeld ontving, want zij was geen bedelares en wilde

niets afnemen van het deel, dat voor hongerlijders bestemd was.

“En heeft uw zoon Victor werk gevonden?” vroeg de abbé.

Zij aarzelde, want zij wist niet wat haar zoon deed, daar zij hem soms

in weken niet zag. Zij antwoordde dan ook slechts:

“Hij is heel goed en houdt veel van mij... Het is zoo jammer, dat wij

geruïneerd werden, voor hij op de École Normale was. Nou heeft hij zijn

examen niet kunnen doen... Hij was zoo’n knappe en ijverige leerling op

het gymnasium.”

“U hebt uw man verloren, toen uw zoon tien was, niet waar?”

Weer kreeg zij een kleur, dacht dat heel haar geschiedenis aan de beide

priesters bekend was.

“Ja, mijn arme man heeft nooit geluk gehad. De tegenslag had hem

verbitterd, zijn denkbeelden werden steeds geëxalteerder en hij is in

de gevangenis gestorven—tengevolge van een vechtpartij in een

volksvergadering, waarbij hij ongelukkigerwijze een politie-agent

wondde... Tijdens de Commune had hij medegevochten... Maar toch was hij

een heel zachtmoedig man, die mij aanbad.”

Tranen waren in haar oogen gekomen. En abbé Rose liet haar gaan met de

troostgevende woorden:

“Laten we hopen, dat u nog plezier van uw zoon zult beleven en dat hij

u alles zal vergoeden wat u voor hem gedaan hebt.”

Madame Mathis verwijderde zich langzaam met een gebaar van eindelooze

triestheid. Zij wist niets van haar zoon, maar zij beefde voor de

verbittering van het harde noodlot.

“Ik geloof niet,” zeide Pierre, toen zij weer alleen waren, “dat de

arme vrouw veel op haar zoon kan rekenen. Ik heb den jongen maar eens

gezien, maar zijn heldere oogen zijn zoo koud en snijdend als een mes.”

“Vindt je?” riep de oude priester verbaasd uit. “Hij leek mij een heel

beleefde jongen, misschien een beetje genotzuchtig, maar onze

tegenwoordige jeugd is nu eenmaal vroeg rijp... Maar laten we aan tafel

gaan, de soep zal koud worden.”

Bijna op hetzelfde uur was het ook aan een ander einde van Parijs, in

den salon van gravin de Quinsac, welken zij achter in den stillen en

triesten rez-de-chaussée van een oud hôtel in de rue de Saint-Dominique

had, langzaam donker geworden. Zij zat daar alleen met markies de

Morigny, den trouwen vriend, aan den haard, waarin juist de gloed van

het laatste blok hout uitdoofde. De dienstbode had de lamp nog niet

gebracht en de gravin vergat te bellen; die toenemende donkerte gaf

eenige verlichting voor haar onrust, maakte den heimelijken angst, dien

zij bang was te veel op haar moe gezicht te zullen toonen, onzichtbaar.

Nu eerst durfde zij spreken.

“Ja beste vriend, ik ben niet erg gerust omtrent de gezondheid van

Gérard. Enfin, je zult hem straks zien, want hij heeft mij beloofd

vroeg thuis te zullen komen en met mij te dineeren. O, zeker, ik weet

heel goed, dat hij er flink en sterk uitziet, maar om hem goed te

kennen, moet men voor hem gezorgd hebben zooals ik. Met hoeveel moeite

heb ik hem niet grootgebracht! Steeds staat hij bloot aan allerlei

kleine kwalen, die bij hem onmiddellijk erger worden... En het leven,

dat hij leidt, is voor zijn gezondheid allesbehalve goed.”

Zij zweeg, zuchtte, durfde niet goed alles bekennen.

“Hij leidt het leven, dat hij leiden kan,” zeide langzaam markies de

Morigny, wiens fijn profiel en voornaam, streng en teer gezicht in

donkerte gedompeld was.

“Wat moest hij doen, nu hij het militaire leven niet heeft kunnen

verdragen en u zelfs tegen de vermoeienissen van den diplomatieken

dienst voor hem opziet. Hem blijft niet anders over dan op den

achtergrond te leven en onder deze afschuwelijke Republiek, die

Frankrijk naar het graf voert, den ondergang af te wachten.”

“Je hebt gelijk, beste vriend, maar juist dat leven van niets-doen

maakt mij zoo bang. Daarin verliest hij al het goede en gezonde, dat

hij nog heeft... Ik zeg dat niet alleen voor al de liaisons, die wij

dulden moeten. De laatste, waarbij ik me zoo moeilijk kon neerleggen,

omdat mijn denkbeelden en mijn geloof er zich zoo tegen verzetten,

heeft, naar het mij voorkomt, een goeden invloed op hem gehad... Maar

nu is hij bijna zes-en-dertig en hij kan toch niet op die wijze, zonder

doel, verder blijven leven. Misschien is hij alleen maar ziek, omdat

hij niets doet, niets is en voor niets deugt.”

Weer begaf haar stem haar even.

“En bovendien, beste vriend... nu je mij dwingt, alles te zeggen, ik

zelf voel me ook niet erg goed... Ik heb in den laatsten tijd flauwtes

gehad, den dokter daarover geraadpleegd... In het kort, iedere dag kan

de laatste zijn.”

Bevend boog Morigny zich naar haar toe en wilde in de steeds toenemende

duisternis haar handen in de zijne nemen.

“Wat, lieve vriendin, jou zou ik moeten verliezen, mijn laatsten afgod!

Ik, die de oude wereld, waartoe ik behoor, ineen heb zien storten en

nog slechts leef in de hoop, dat jij tenminste blijven zoudt om mij de

oogen toe te drukken.”

Zij smeekte hem haar onrust nog niet grooter te maken.

“Neen, neen, kus mijn handen niet; blijf daar in het halfdonker zitten,

waarin ik je nauwlijks zien kan... Dat wij elkander zoo lang zonder

schande en wroeging lief gehad hebben, moet tot aan het graf onze

goddelijke sterkte blijven... En als je me aanraakte, als ik je te

dicht bij mij voelde, zou ik niet tot het einde toe kunnen spreken,

want ik heb nog niet alles gezegd.”

En toen hij weer in zijn zwijgen en roerloosheid teruggevallen was,

ging zij voort:

“Als ik morgen stierf, zou Gérard niet eens het kleine vermogen vinden,

dat hij denkt, dat ik bezit. De lieve jongen heeft mij veel gekost,

zonder dat hij het ooit vermoed heeft. Zeker, ik had strenger en

verstandiger moeten zijn, maar mijn ongeluk is altijd geweest, dat ik

een te zwakke moeder was... Begrijp je nu den angst, waarin ik leef,

zoodra ik eraan denk, dat Gérard, als ik sterf, niet genoeg zal hebben,

daar hij niet in staat is het wonder, dat ik iederen dag herhaal, te

doen, om den bedriegelijken schijn van ons huis op te houden... Ik ken

hem, ik weet hoe zwak en ziekelijk hij ondanks zijn gezond uiterlijk

is. Wat moet er van hem worden? Zal hij niet tot de grootste armoede

vervallen?”

Zij liet nu haar tranen den vrijen loop, haar verscheurd hart bloedde,

als zij zich voor den geest riep wat er van haar aangebeden kind,

waarin hun geslacht en een geheele wereld ineenstortten, na haar dood

worden moest. Onbeweeglijk en diep ontroerd bleef de markies zitten;

hij voelde wel, dat hij geen recht had zijn vermogen aan te bieden, en

begreep op welk een nieuwen val dat ongeluk uitloopen zou.

“Arme vriendin,” zeide hij eindelijk met een van verzet en smart

bevende stem; “is het al zoover gekomen, dat je aan dat huwelijk, aan

dat afschuwelijke huwelijk met de dochter van die vrouw denkt? Nooit

zou het gebeuren, heb je indertijd gezworen. Liever zou je alles dood

zien gaan. En nu stem je toe, ik voel het!”

Nog steeds weende zij in den donkeren salon voor het uitgegane vuur.

Was dat huwelijk van Gérard en Camille voor haar niet de gelukkige

oplossing, de zekerheid, dat zij haar zoon rijk en gelukkig en voor

haar geheele leven verzekerd achterliet? Maar een laatste verzet rees

in haar op.

“Neen, neen, ik stem niet toe; ik zweer je, dat ik nog niet toestem. Ik

strijd met al mijn krachten... een vreeselijken strijd, waarvan je de

marteling niet begrijpen kunt.”

Maar oprecht voorzag zij haar nederlaag.

“Geloof mij, waarde vriend, dat ik, wanneer ik eenmaal toegeven mocht,

het afschuwelijke van zoo’n huwelijk even goed voel als jij. Het is het

einde van ons geslacht en van onze eer.”

Deze kreet ontroerde hem diep. Ook hij verwachtte in zijn

intransigentie van Katholiek en hoogmoedigen royalist niets anders dan

een laatste instorting. Maar welk een smartvolle gedachte was het voor

hem, dat deze edele, zoo innig en zoo rein beminde vrouw het

jammerlijkste slachtoffer in die catastrophe zijn zou! Nu de duisternis

hen omgaf, waagde hij het voor haar neer te knielen, haar hand te nemen

en te kussen.

Toen de dienstbode eindelijk een brandende lamp binnenbracht, kwam ook

Gérard. De oude salon Louis XVI met het doffe beeldhouwwerk kreeg in

het zwakke licht zijn ouderwetsche bekoring terug. De jonge man

huichelde een groote opgewektheid, om zijn moeder gerust te stellen en

niet al te bedroefd achter te laten, nu hij niet bij haar kon blijven

dineeren. Toen hij haar uitgelegd had, dat een paar vrienden hem

verwachtten, ontsloeg zij hem dadelijk van zijn belofte, blij hem zoo

vroolijk te zien.

“Ga maar jongen, doch vermoei je niet te veel... Morigny zal nu blijven

dineeren en om negen uur komen de generaal en Larombardière. Ik zal mij

heusch niet vervelen.”

En zoo kon Gérard, na nog een oogenblik met den markies gepraat te

hebben, naar het Café Anglais gaan.

Toen hij daar kwam, gingen reeds in bontmantels gehulde vrouwen de trap

op; de zaaltjes vulden zich met vroolijke en weelderig gekleede

gezelschappen, de electrische lampjes straalden, de beweging van de

verblindende prostitutie der hoogere kringen begon de muren te schokken

en te verhitten. In het door den baron besproken cabinet particulier

vond hij een buitengewonen overvloed van alles, prachtige bloemen,

kristal, zilver, als moest een galadiner gegeven worden. De tafel voor

zes couverts was gedekt met een weelde, die een glimlach op zijn lippen

riep; het menu en de wijnkaart beloofden wonderen: het zeldzaamste en

duurste, dat men kiezen kon.

“Chic, hé?” riep Silviane, die er reeds met Duvillard, Fonsègue en

Dutheil was. “Ik wil je invloedrijken criticus eens paf doen staan...

Wanneer je een journalist zoo’n diner geeft, moet hij wel lief zijn,

wat?”

Zij had, om te overwinnen, een extravagant toilet aangetrokken, een

geelzijden japon met oude Alençon-kant, had zich gedecolleteerd en

droeg al haar juweelen: een diadeem in het haar, een rivière om den

hals, armbanden en ringen. Met haar kuisch, door prachtig haar omlijst

madonnagezichtje leek zij op een met de offeranden der geheele

Christenheid bedekte moeder Gods, de jonkvrouwelijke koningin.

“Nou je bent zóó mooi, dat je dit ook staat,” zeide Gérard, die haar

dikwijls plaagde.

“O, jij vindt natuurlijk, dat ik maar een burgermeisje ben en dat een

eenvoudig dinertje en een bescheiden toilet een teeken van meer smaak

geweest zouden zijn,” antwoordde zij, zonder boos te worden. “Maar jij

weet niet, beste jongen, hoe je de mannen vangen moet”

Duvillard gaf haar gelijk; hij was verrukt haar in haar volle glorie,

als een afgodsbeeld opgetooid, te kunnen laten zien. Fonsègue sprak

over diamanten en beweerde, dat het onzekere en wisselvallige waarden

waren, sedert de wetenschap, dank zij de electriciteit, weldra in staat

zou zijn ze tot iets alledaagsch te maken. Dutheil draaide met de

sierlijke bewegingen van een kamenier om de jonge vrouw heen, om een

plooi van de kant recht te leggen of een weerbarstig haarlokje op te

steken.

“Nou, die criticus is ook een ongelikte beer, om zoo op zich te laten

wachten!”

Inderdaad kwam de criticus een kwartier te laat, terwijl hij zich

dadelijk verontschuldigde, dat hij tot zijn groot leedwezen weer om

half tien weg moest, daar hij, of hij wilde of niet, acte de présence

geven moest in een klein theater in de rue Pigalle. Het was een groote,

breedgeschouderde vijftiger met een vol, behaard gezicht. Van de École

Normale had hij een beperkt dogmatisme, een bekrompen schoolgeleerdheid

overgehouden, waarvan niets hem had kunnen afbrengen, noch zijn

herculische pogingen om sceptisch en oppervlakkig te zijn, noch zijn

twintigjarig verkeer in alle Parijsche kringen. Een schoolvos was hij

en een schoolvos bleef hij. Dadelijk bij zijn binnenkomen dwong hij

zich verrukt over Silviane te zijn. Hij kende haar natuurlijk van

gezicht, ja hij had zelfs naar aanleiding van de enkele rollen, waarin

zij opgetreden was, in een paar regels heel minachtend over haar

geschreven. Maar dit mooie, koninklijk gekleede, onder de bescherming

van vier aanzienlijke mannen gepresenteerde jonge meisje maakte indruk

op hem; de gedachte kwam in hem op, dat er niets Parijscher, niets

vrijer van schoolvosserij zijn kon dan haar te steunen door in haar een

talent te ontdekken.

Men zette zich aan tafel. Alles was prachtig, de bediening uitstekend.

Op het sneeuwwitte tafellaken geurden de bloemen, schitterde het

zilverwerk en het kristal, terwijl een overvloed van de zeldzaamste en

duurste schotels geserveerd werd: Russische visch, verboden wild, de

laatste, als eieren zoo groote truffels, primeurs, sappig als in het

volle seizoen. Het was een geldverspilling alleen voor het genot om

dat, wat men op die wijze slechts te eten kreeg, met waanzinnige

prijzen te betalen, voor den roem tot zichzelf te zeggen, dat niemand

meer uitgeven kon.

De criticus stond verbaasd, hoewel hij het air aannam van iemand, die

aan alle feesten gewend is; hij werd dienstvaardig, beloofde zijn

steun, verbond zich tot meer dan hij feitelijk gewild had. Verder was

hij heel opgewekt, vond geestige woorden, overdreef zelfs zijn goede

luim door ruwe grappen. Maar toen na het wild en de oude Bourgonje, de

Champagne verscheen, geraakte hij in vuur en kwam, zonder dat hij er

zich tegen verzetten kon, zijn ware natuur weer boven. Men had het

gesprek op Polyeucte gebracht, op de rol van Pauline, die Silviane voor

haar debuut in de Comédie-Française wilde spelen. Deze wonderlijke

gril, die hem een week geleden woedend gemaakt had, scheen hem nu nog

slechts een vermetele poging, die zij overwinnend doorstaan zou, als

zij zijn raad wilde opvolgen. Nu was hij op zijn stokpaardje, hield een

heel betoog over de rol, beweerde, dat geen enkele tragedienne tot nog

toe die rol goed begrepen had, dat Pauline in den beginne slechts een

braaf burgermeisje was en dat het mooie van haar bekeering bij de

ontknooping juist lag in het wonder, in de genade, die van haar een

goddelijke figuur maakte. Dat was niet de opvatting van Silviane, die

van af de eerste verzen in haar de ideale heldin uit de een of andere

symbolische legende zag. Hij sprak eindeloos door, zij deed, alsof zij

overtuigd was, en hij was verrukt over een zoo mooie en zoo gewillige

leerling. Doch toen het tien uur sloeg, verliet hij haastig het

geurige, gloeiend-heete vertrek, om zijn plicht in de rue Pigalle te

gaan doen.

“Jezus, kinderen, wat heeft die kerel mij verveeld!” riep Silviane uit.

“Hij lijkt wel idioot met zijn Pauline als burgermeisje. Als ik hem

niet noodig had, dan zou ik hem eens eventjes de waarheid gezegd

hebben... Waarachtig, het is te gek! Schenk mij een glas champagne in,

ik moet me wat opvroolijken.”

Terwijl uit de gangen en uit de cabinets particuliers gelach en geluid

van kussen klonk, nam nu het feest tusschen de vier mannen en dit met

diamanten opgetooide, gedecolleteerde, half naakte meisje een zeer

intiem karakter aan. Onder het raam, op den boulevard, bewoog zich de

stroom van rijtuigen en voetgangers, de koortsachtige genotzucht, het

geschacher met liefde.

“Neen, het raam niet open zetten, je zult me nog verkouden maken,”

zeide Silviane tegen Fonsègue, die naar het venster ging. “Heb je het

zoo warm? Ik vind het hier heel lekker... Zeg, beste Duvillard, laat

nog wat champagne komen. Het is verbazend zoo’n dorst als ik van dien

criticus gekregen heb!”

Het was benauwd warm in de verblindende warmte der lampen, in den

steeds drukkender wordenden geur der bloemen en der wijnen. Een

onweerstaanbare drang om dronken te worden, om op een gemeene manier

pleizier te maken zooals in vroegere dagen, maakte zich van haar

meester: een paar glazen champagne deden de rest: zij werd door een

overmoedige, luidruchtige, verdoovende vroolijkheid aangegrepen. Nooit

nog hadden zij haar zoo grappig gezien, zoodat zij zelf ook pret

begonnen te krijgen. Daar Fonsègue naar de courant terug moest, gaf zij

hem een zoen—een dochterlijke zoen, zooals zij zeide, omdat hij altijd

respect voor haar gehad had. Toen zij alleen met de drie anderen bleef,

nam zij in het geheel geen blad meer voor haar mond, wat hen nog meer

prikkelde en opwond. Naarmate zij meer dronken werd, kwam haar

schaamteloosheid steeds meer te voorschijn; haar madonnagezichtje, haar

ideaal-rein uiterlijk, waaronder zich de meest perverse, de

monsterachtigste courtisane openbaarde, was haar grootste prikkel,

zooals zij heel goed wist. Vooral wanneer zij dronken was, had zij, met

haar onschuldige blauwe oogen en haar leliereinheid, duivelsche

phantasieën, die de mannen razend maakten.

Duvillard liet haar dan ook kalm dronken worden, spoorde haar zelfs tot

drinken aan, want hij koesterde het heimelijke plan haar naar huis te

brengen, en wanneer de dronkenschap haar aan hem overleverde, bij haar

te blijven. Maar zij doorzag hem en zeide glimlachend:

“Ik snap je wel, dikkerd! Je denkt, dat ik vanavond liever voor je zal

zijn, omdat ik zoo vroolijk ben. Maar dan vergis je je, mijn hoofd is

nog helder... Je zult mij niet aanraken voor je me in de Comédie hebt

laten debuteeren.”

Duvillard, dien zij nu sedert zes weken speende, dwong zich tot een

lachje; hij hoopte nog steeds, dat hij, wanneer hij maar geduldig

wachtte, haar wel naar bed zou brengen. Gérard, dien zij in een

herinnering aan de verliefde luim, welke zij al eens voor hem gehad

had, vriendelijk toelonkte, liet zich in zijn gebroken wilskracht

geheel door zijn begeerte naar een gelukkigen nacht beheerschen,

terwijl Dutheil, die steeds op een gelegenheid loerde, welke haar aan

hem overleveren zou, zich opwond bij de gedachte, dat, als hij handig

wist te manoevreeren, eindelijk de beurt aan hem komen zou.

Toen zij merkte, dat zij zoo begeerd werd, verzon zij allerlei

onmogelijke geschiedenissen, deed hun verhalen, waaruit een

verwonderlijk vuile phantasie bleek. En zij vonden haar in haar

schitterend toilet als van een jonkvrouwlijke koningin onbetaalbaar.

Toen zij genoeg champagne gedronken had en half dol was, viel haar

plotseling iets in.

“Zeg eens kinderen, we blijven toch niet hier, het wordt vervelend. We

moeten wat doen... Weet je wat, jullie moesten tot besluit van den

avond met me naar het Cabinet des Horreurs gaan. Ik wil La Chemise

hooren, het lied, dat Legras zingt. Heel Parijs loopt er heen.”

Maar ditmaal verzette Duvillard zich.

“Neen, dat gaat niet. Dat lied is het vuilste, wat je denken kan. Nooit

ga ik daar met je heen.”

Zij scheen hem niet te hooren; maar was al opgestaan en maakte lachend

voor een spiegel haar kapsel in orde.

“Ik heb in Montmartre gewoond en wil er weer naar terug. En bovendien

wil ik weten of die Legras dezelfde Legras is, dien ik vroeger gekend

heb, o, al heel lang geleden... Vooruit met de geit!”

“Maar we kunnen je toch in zoo’n toilet niet in die kroeg brengen,

lieve kind! Stel je voor dat je daar gedecolleteerd en met al je

diamanten binnenkomt! Ze zullen je uitfluiten... Gérard, zeg haar toch,

dat zij verstandig moet zijn!”

Gérard, dien de gedachte van zoo’n dolle onderneming eveneens hinderde,

wilde tusschenbeide komen, maar zij sloot hem met haar reeds

gehandschoende hand den mond en herhaalde met de vroolijke

eigenzinnigheid van de dronkenschap.

“Als ze ons uitfluiten, zal het nog lolliger zijn... Laten we

opschieten!”

Nu trok Dutheil, die glimlachend luisterde, galant haar partij.

“Maar beste baron, iedereen gaat naar het Cabinet des Horreurs. Ik ben

er met heel voorname dames geweest en speciaal voor La Chemise, dat

volstrekt niet gemeener is dan iets anders!”

“Hoor je wat Dutheil zegt, dikzak?” riep Silviane triomphantelijk uit.

“En hij is afgevaardigde. Hij zou zijn eervolle positie niet graag

compromitteeren.”

Toen Duvillard zich in zijn wanhoop, om zich op zoo’n plaats met haar

te vertoonen, bleef verzetten, werd zij niet boos, maar integendeel nog

vroolijker.

“Doe jij maar wat je wilt, dikzak! Ik heb je niet noodig. Ga jij maar

met Gérard weg en tracht elkaar te troosten. Ik ga er met Dutheil naar

toe. Jij wilt wel met me meegaan, nietwaar Dutheil?”

Maar dat was niet de ontknooping, die de baron wenschte. Hoewel de

angst hem niet verliet, moest hij zich wel bij de luim van dit

verschrikkelijke meisje, welks geur alleen reeds hem dol maakte,

neerleggen. Hij vond slechts één uitweg—hij liet Gérard, die in een

laatste opwelling van zijn waardigheid hardnekkig weigerde van de

partij te zijn, niet gaan. Hij nam zijn beide handen, hield hem terug

en smeekte hem op een zoo bijzonderen toon hem dien vriendendienst te

bewijzen, dat de minnaar van de vrouw, de verloofde van de dochter

eindelijk gedwongen was den echtgenoot en vader zijn zin te geven.

Silviane, die het heele tooneeltje gevolgd had, amuseerde zich dol en

lachte tranen. Plotseling liet zij zich gaan, verried haar gril voor

Gérard en zeide met een toespeling op zijn liaison met de barones.

“Kom, ga toch mee kerel; dat ben je hem werkelijk wel verplicht!”

Duvillard deed alsof hij het niet hoorde. Dutheil zeide, om hem gerust

te stellen, dat er in een hoek van het Cabinet des Horreurs een soort

loge was, waarin je je wat verdekt kon opstellen. Gelukkig stond het

rijtuig van Silviane, een groote gesloten landauer te wachten; de

koetsier, een mooie, flinke kerel, zat onbeweeglijk op den bok. In draf

reden zij weg.

Het Cabinet des Horreurs was een vroeger failliet gegaan café op den

boulevard Rochechouart. Het smalle, onregelmatige zaaltje met de

donkere hoeken lag gedrukt onder een laag, berookt plafond. Men kon

zich geen smakeloozer versiering denken: op de muren had men eenvoudig

de gemeenste, vuilste en meest schreeuwende affiches geplakt. Achterin

was voor een piano een soort estrade gemaakt, waarop een deur, die door

een gordijn gemaskeerd was, uitkwam. Verder waren er slechts banken,

zonder bekleeding of kussens, waarlangs gewone kroegtafeltjes stonden,

waarop de glazen smerige kledderige plekken achterlieten. Geen kunst,

geen luxe, zelfs geen zindelijkheid! Vleermuizen zonder bollen

verhitten de door menschelijken adem en pijpenrook gevormde atmospheer.

Onder dien sluier zag men zwetende, rood-opgeblazen gezichten, terwijl

de scherpe uitwaseming van al die opgehoopte menschen den roes, het

geschreeuw, waarmede het publiek zich bij ieder nieuw lied opzweepte,

deed toenemen. Men had die estrade slechts behoeven op te slaan, dezen

Legras er maar met een paar meiden op behoeven te zetten en hem er zijn

repertoire van liederlijke vuiligheden laten zingen, en na dien avond

was het reusachtige succes gekomen, stroomde heel Parijs erheen en

verdrong zich in dat verdachte koffiehuis, dat de kleine renteniers,

uit den omtrek, zoolang zij daar slechts hun partijtje domino mochten

spelen, niet tot bloei hadden kunnen brengen.

Het was de geilheid van het onreine, de onweerstaanbare

aantrekkingskracht van het walgelijke en liederlijke. Het genotzuchtige

Parijs, de bourgeoisie, die meesteresse was van het geld en van de

macht, waarvan zij langzamerhand beu werd, doch die zij niet loslaten

wilde, stroomde er slechts om gemeenheden en beleedigingen in haar

gezicht geslingerd te krijgen. Gehypnotiseerd door de verachting,

voelde zij bij haar naderend verval den drang, dat men haar in het

gezicht spuwde. Welk een verschrikkelijk symptoom: deze veroordeelden

van morgen wierpen zich uit eigen beweging in de modder, verhaastten

vrijwillig hun ontbinding—deze dorst naar het onreine bracht daar in de

uitwerpselen van die kroeg mannen, die voor ernstig en respectabel

doorgingen, teere, heerlijke vrouwen, die geurden van gratie en luxe.

Aan een der tafeltjes vlak bij de estrade zat stralend met woest

fonkelende oogen en bevende neusvleugels de kleine prinses de Harth.

Zij vond het heerlijk eindelijk haar vurige nieuwsgierigheid naar de

onderste lagen van Parijs te kunnen bevredigen, terwijl de jonge

Hyacinthe, die er zich bij neergelegd had haar te begeleiden wel zoo

goed was zich niet al te zeer te vervelen. Zij hadden aan een tafeltje

vlak naast zich een zoogenaamden Spanjaard, den coulissier Bergaz

gevonden. Deze was hun voorgesteld door Janzen en bezocht trouw de

feesten der prinses. Verder wist men niets van hem, zelfs niet of hij

het geld, dat hij dikwijls met handen vol uitgaf, werkelijk op de Beurs

verdiende. Hij was altijd gemaakt-elegant gekleed en had met zijn

groote, slanke gestalte, zijn rooden, genotzuchtigen mond en zijn

vurige roofdieroogen iets gedistingeerds over zich. Het heette, dat hij

een liederlijke kerel was. Dezen avond zat hij in gezelschap van twee

jongelui: Rossé, een kleinen donkeren Italiaan met stijf haar, die als

model naar Parijs gekomen was, en Sanfaute, een Parijzenaar, een

bleeke, zedelooze slungel zonder baard, die zijn blond haar, dat in

lokken over zijn magere wangen viel, als een meisje kapte.

“O,” vroeg Rosemonde koortsachtig nieuwsgierig aan Bergaz, “jij kent

hier alle menschen, wijs mij de beruchtste individuen eens aan, en

vertel me eens, of er bijvoorbeeld geen dieven of moordenaars zijn.”

Hij lachte spottend en hield haar wat voor den gek.

“Maar u kent iedereen, mevrouw... Dat kleine, teere en rose vrouwtje is

een Amerikaansche, de echtgenoote van een consul, die zeker dikwijls

bij u geweest is. Die andere daar, die groote, majestueuze brunette, is

een gravin, die u iederen dag in haar equipage in het Bois de Boulogne

tegenkomt. En die magere achteraan, wier oogen gloeien als die van een

wolvin, is de vriendin van een zeer voornamen, om zijn strengheid van

zeden bekenden hoogwaardigheidsbekleder.”

“Dat weet ik, dat weet ik,” viel zij hem boos in de rede, “maar de

anderen, degenen, voor wie je juist hier komt?”

Zij deed allerlei vragen en zocht naar angstaanjagende, mysterievolle

gezichten. Ten slotte trokken twee jonge mannen, die in een hoek zaten,

haar aandacht: de een nog heel jong met een bleek en gemaakt-deftig

gezicht, terwijl men van den anderen niet kon zeggen hoe oud hij was;

hij droeg een ouden, toegeknoopten paletot, die zelfs zijn boord

verborg, en zijn pet was zoo diep in zijn oogen getrokken, dat men van

zijn gezicht alleen een stuk van zijn baard zag. Zwijgend zaten zij

voor hun glas bier, dat zij langzaam uitdronken.

“Als je hier verkleede bandieten komt zoeken, dan tref je net al heel

slecht,” zeide Hyacinthe lachend. “Met dien armen bleeken, jongen, die

wel niet iederen dag wat te eten zal hebben, ben ik nog op het

gymnasium geweest.”

“Wat, heb je Mathis op het gymnasium gekend?” vroeg Bergaz verbaasd.

“Ja, hij heeft daar gestudeerd...”

“Zoo, heb je Mathis gekend? Een merkwaardige jongen, die het

tegenwoordig heel beroerd heeft... Maar dien anderen, die bij hem zit,

ken je dien niet?”

Hyacinthe keek den man met de in zijn oogen gedrukte pet aan en wilde

reeds neen knikken, toen Bergaz hem plotseling een stoot met zijn

elleboog gaf, ten teeken dat hij zwijgen moest.

“Stil, daar heb je Raphanel,” zeide hij heel zacht, als ter verklaring.

“Zoodra hij er is, ruik je de politie.”

Raphanel was ook een van die vage en verdachte anarchistische figuren,

die Janzen, om de voorbijgaande revolutionnaire passie der prinses te

streelen, bij haar geïntroduceerd had. Deze, een kleine, vroolijke man

met een poppengezichtje en een kinderneus, die schuil ging tusschen

dikke wangen, ging door voor een hartstochtelijken dweper en eischte in

volksvergaderingen met groot lawaai brandstichting en moord. Het

vreemde echter aan hem was, dat hij, hoewel reeds verschillende malen

aan groot gevaar blootgesteld, nog steeds den dans had weten te

ontspringen, terwijl zijn makkers achter slot en grendel kwamen. Deze

begonnen zich daarover te verwonderen.

Onmiddellijk drukte hij de prinses vroolijk de hand, ging, zonder dat

het hem gevraagd werd, naast haar zitten en begon dadelijk te schelden

op die vuile bourgeoisie, die zich op deze verdachte plaatsen verdrong.

Verrukt moedigde Rosemonde hem aan, terwijl men om hem heen boos begon

te worden. Bergaz keek hem met zijn doordringende oogen en zijn

wantrouwend glimlachje aan als een verschrikkelijk man, die handelt en

de anderen liet praten. Nu en dan wisselde hij een blik van

verstandhouding met Rossé en Sanfaute, zijn beide zwijgende luitenants.

Deze twee behoorden hem blijkbaar met lichaam en ziel toe en volgden

hem trouw naar alle orgieën, naar alle aanslagen, waar hij hen beliefde

te brengen. Zij alleen buitten de anarchie uit, beoefenden haar tot aan

het einde, gebruikten de wreede logica der consequenties. Hyacinthe,

die in zijn overspannenheid wel van ontucht droomde, maar er zich niet

aan waagde, was erg jaloersch op de lokkenpracht van Sanfaute, ofschoon

hij deed, alsof het iets heel gewoons was, waar hij reeds lang

geblaseerd van was.

Intusschen waren op de estrade, in afwachting van Legras en zijn Fleurs

du Pavé, achtereenvolgens twee zangeressen opgetreden, een dikke, die

onnoozele romances zong met gemeene toespelingen, en een magere met

ruwe refreinen, die als klappen in het gezicht striemden. Zij had te

midden van een storm van toejuichingen haar laatste lied gezongen, toen

plotseling het vroolijk gestemde, lachlustige publiek opnieuw

losbarstte: Silviane was in de kleine loge verschenen. Toen zij daar

half naakt, in haar geelsatijnen japon op een ster gelijkend, en

stralend van juweelen in het volle licht stond, ging er een vreeselijk

gejouw, gelach, geschreeuw en gefluit op. Maar het lawaai werd nog

grooter, vloeken vlogen door de lucht, toen men achter haar Duvillard,

Gérard en Dutheil in rok en witte das zag.

“Wat hebben we je nu gezegd?” prevelde Duvillard, die de heele

geschiedenis zeer onaangenaam vond, terwijl Gérard in het donker

trachtte te blijven.

Maar zij maakte glimlachend en verrukt front naar het publiek en

ontving den storm met haar uitgelaten, rein madonnagezichtje zooals men

op de hooge zee de levenwekkende lucht inademt. Hier was zij thuis, dit

was haar geboortelucht.

“Nou wat dan?” antwoordde zij den baron, die wilde, dat zij ging

zitten. “Ze zijn vroolijk—dat is toch heel aardig... Ik amuseer me

kostelijk.”

“Zeker, het is heel aardig,” zeide Dutheil, die ook deed alsof hij zich

hier thuis gevoelde. “Zij heeft groot gelijk.”

Te midden van het niet ophoudende lawaai was de kleine prinses de Harth

opgestaan, om beter te kunnen zien. Dan gaf zij Hyacinthe een duw.

“Zeg, daar heb je je vader met die Silviane. Kijk eens, kijk eens...

Wat een brutaliteit om zich hier met haar te vertoonen.”

Hyacinthe weigerde te kijken. Het interesseerde hem absoluut niet; zijn

vader leek wel idioot: alleen een kwajongen kon zoo op een meisje

verliefd worden. Zijn minachting voor de vrouw werd beleedigend.

“Je zoudt mij bijna boos maken,” zeide Rosemonde, die bijna op zijn

knie ging zitten. Zij was vastbesloten zich dien avond, onder

voorwendsel hem een kop thee te offreeren, door hem thuis te laten

brengen en hem bij zich te houden. “Jij bent een kwajongen met je

aanstellerij niets van ons te willen weten... Je vader heeft gelijk,

dat hij van haar houdt. Zij is heel knap, ik vind haar aanbiddelijk.”

Nu grinnikte Hyacinthe en zeide met een toespeling op Silviane’s

algemeen bekende perversiteit:

“Wil ik het haar soms gaan zeggen?... Papa zal jullie wel aan elkaar

voorstellen. Jullie zoudt een aardig paartje vormen.”

Toen Rosemonde de toespeling begreep, begon zij eenvoudig te lachen.

“Neen, neen, ik ben wel nieuwsgierig naar alles, maar zoover is het nog

niet met me.”

“Maar zoover zal het wel komen. Je moet alles kennen.”

“Lieve hemel, ja! Wie weet?”

Plotseling hield het lawaai op, iedereen ging weer zitten, slechts de

vurige pols van het publiek klopte nog koortsachtig. Legras was op de

estrade gekomen. Het was een dikke, bleeke jonge man in een fluweelen

jasje, met een rood, zorgvuldig geschoren gezicht, harde oogen en den

gulzigen mond van mannen, die zich door vrouwen laten aanbidden,

terwijl zij haar terroriseeren. Het ontbrak hem niet aan talent en hij

zong zuiver met een doordringende, buitengewoon pathetische metaalstem.

Zijn repertoire, zijn Fleurs du Pavé verklaarden volkomen zijn succes.

Het waren liederen, waarin het vuil en het lijden van de laagste

volkslagen, de geheele afzichtelijke wonde van de maatschappelijke hel

huilde en haar kwaal in gemeene woorden vol bloed en vuur uitspuwde.

De piano preludeerde; dan zong Legras La Chemise, het vreeselijke lied,

dat heel Parijs trok. Met zweepslagen werd het laatste stuk linnen van

het arme meisje, het prostitutie-vleesch, verscheurd en afgerukt. De

geheele ontucht van de straat werd er in al haar vuilheid en haar

scherp vergif tentoongesteld. En de misdaad der bourgeoisie schreeuwde

luid ten hemel achter dat door de modder gesleepte, in het massagraf

geworpen, vertrapte, onteerde, onbedekte vrouwenlichaam. Maar meer nog

dan in de woorden lag de brandende beschimping in de wijze, waarop

Legras dit den rijken, den gelukkigen, den mooien dames, die zich hier

ophoopten om naar hem te luisteren, in het gezicht slingerde. Onder de

lage zoldering, midden in de dikke pijpenrook, in den verblindenden

gloed van het gaslicht gooide hij er zijn verzen als fluimen uit. Het

was als een orkaan van gloeiende minachting. Toen hij klaar was,

heerschte er een krankzinnige geestdrift, de dames veegden niet eens

zooveel beleedigingen af, maar applaudiseerden als razenden. Het

publiek stampte, schreeuwde zich heesch, wentelde zich als bezeten in

zijn eigen vuil.

“Bravo! Bravo!” herhaalde de prinses met haar scherpe stem.

“Wonderbaar, wonderbaar!”

Maar vooral Silviane, wier dronkenschap, sedert zij zich in dezen wit

gloeiend gestookten oven opwond, erger werd, klapte als razend in haar

handen en schreeuwde luid.

“Hij is het, het is mijn Legras! Ik moet hem een zoen geven. Hij heeft

me zoo gelukkig gemaakt!”

Duvillard werd ten slotte boos en wilde haar met geweld medenemen. Zij

klampte zich vast aan den rand der loge en schreeuwde nog harder,

zonder echter boos te worden, integendeel zij bleef heel vroolijk.

Duvillard moest wel aan het onderhandelen gaan. Zij wilde zich wel naar

huis laten brengen, maar eerst moest zij Legras, haar ouden vriend,

omhelzen. Dat had zij zich gezworen.

“Wachten jullie in het rijtuig. Ik kom dadelijk weer bij jullie.”

Toen het publiek eindelijk wat kalmer werd, zag Rosemonde, dat de loge

verlaten was; en nu haar nieuwsgierigheid bevredigd was, dacht zij

eraan zichzelf door Hyacinthe naar huis te laten brengen. Deze had

onverschillig geluisterd en praatte nu met Bergaz, die beweerde in het

Noorden gereisd te hebben, over Noorwegen. O, de fjorden, de ijsmeren,

de reine, lelieachtige, kuische koude van den eeuwigen winter! Daar

slechts, zeide Hyacinthe, kon hij zich de vrouw en de liefde, den

sneeuwblanken kus begrijpen.

“Willen we er morgen naar toe gaan?” riep de prinses met haar brutale

levendigheid. “Dan maken we daar onze huwelijksreis. Ik laat mijn hôtel

in den steek en vertrek met de Noorderzon.”

Dan voegde zij eraan toe, dat zij het natuurlijk uit de grap zeide.

Maar Bergaz wist, dat zij er best toe in staat was en had bij de

gedachte, dat zij haar klein hôtel misschien zonder een bewaker achter

zou laten, een vluggen blik gewisseld met Sanfaute en Rossé, die nog

steeds zwijgend en glimlachend bij hen zaten. Wat een mooie slag was er

dan te slaan! Wat een prachtige gelegenheid, om weer iets terug te

krijgen van den gemeenschappelijken rijkdom, die door de infame

bourgeoisie gestolen was.

Raphanel begon, nadat hij Legras toegejuicht had, met zijn kleine,

grijze en doordringende oogen door de zaal te loeren. De twee mannen,

Mathis en de andere, de slecht gekleede, van wien men slechts een stuk

van zijn baard zag, hielden ten slotte zijn aandacht vast. Zij hadden

niet gelachen, zij hadden niet in hun handen geklapt, zij zaten daar

als zeer moede menschen, die uitrusten en overtuigd zijn, dat de beste

manier om te verdwijnen was je in een groote menigte te begeven.

Plotseling wendde Raphanel zich tot Bergaz.

“Achterin zit de kleine Mathis. Wien heeft hij bij zich?”

Bergaz maakte een ontwijkend gebaar: hij wist het niet. Maar hij

verloor Raphanel nu niet meer uit het oog, zag, dat deze deed, als

interesseerde hem de zaak verder niet, zijn glas bier uitdronk en dan

afscheid nam met de schertsende woorden, dat een dame op hem wachtte in

het bureau der omnibussen. Zoodra hij verdwenen was, stond Bergaz op,

sprong over de banken, duwde de menschen op zijde, en baande zich een

weg naar den kleinen Mathis, wien hij iets influisterde. Onmiddellijk

stond deze van zijn tafeltje op, nam zijn makker mede en bracht hem

door een zijdeur naar buiten. Het was alles zoo vlug in zijn werk

gegaan, dat niemand deze vlucht bemerkte.

“Wat is er toch?” vroeg de prinses aan Bergaz, toen deze weer kalm

tusschen Rossé en Sanfaute kwam zitten.

“Niets—ik wou alleen Mathis, die wegging, goeden dag zeggen.”

Rosemonde zeide, dat zij Mathis’ voorbeeld wilde volgen. Dan eerst

bleef zij nog een oogenblik zitten praten over Noorwegen, daar zij zag,

dat alleen de gedachte aan de eeuwige sneeuw en de groote, reinigende

koude, Hyacinthe opwond. In zijn gedicht La fin de la Femme, de dertig

versregels, die hij nooit wilde afmaken, droomde hij zich als laatste

decor een bevroren dennenbosch. Zij was opgestaan en herhaalde haar

vorige scherts, dat zij hem naar huis wilde medenemen, om onder een kop

thee het reisplan op te maken, toen Bergaz, die naar haar luisterde,

zonder echter de deur uit het oog te verliezen, plotseling

onwillekeurig uitriep:

“Mondésir! Ik wist het wel!”

Bij de deur vertoonde zich een kleine, gespierde man met een stevigen

rug. Zijn rond gezicht met het bultige voorhoofd en de stompe neus had

iets militair-hards. Men had hem voor een onderofficier in politiek

kunnen houden. Hij keek de zaal rond, scheen echter teleurgesteld te

zijn.

“Ik heb wel gezegd, dat het naar de politie ruikt,” zeide Bergaz, die

zijn uitroep van daareven wilde doen vergeten, kalm. “Daar heb je er al

een, Mondésir, een kranige kerel, die in dienst onaangenaamheden gehad

heeft... Zie hem eens ruiken als een hond, die het spoor bijster is.

Ach, beste jongen, als ze je gezegd hebben, dat hier wild is, dan kan

je lang zoeken... De vogel is gevlogen.”

Toen Rosemonde Hyacinthe overgehaald had haar thuis te brengen, stapten

zij lachend in het coupétje, dat op haar stond te wachten, want zij

hadden den landauer van Silviane met den onbeweeglijk en statig op den

bok zittenden koetsier gezien, terwijl Duvillard, Gérard en Dutheil nog

steeds op het trottoir stonden. Meer dan twintig minuten wachtten zij

nu reeds in het half donker van dien buitenboulevard, waarop de lage

prostitutie en de gemeenste ondeugden der armenwijken rondzwierven.

Dronken kerels waren tegen hen aangeloopen, schimmen van deernen, die

fluisterend en onder de vloeken en slagen van haar souteneurs op en

neer liepen, streken langs hen heen. Paren zochten het donker der

boomen op, bleven op banken zitten. Zoo was de geheele wijk: verdachte

huizen, smerige gemeubileerde kamers, de ellendige kamers van de

ontucht, die geen ramen in de vensters, geen lakens op de matrassen

hebben. De walging van die laag-gezonken, tot aan den vroegen morgen in

die zwarte modder van Parijs krioelende menschheid omgaf hen, maar noch

de baron, noch Gérard, noch Dutheil wilden weggaan. Hun hardnekkige

hoop deed hen hier blijven; ieder van hen nam zich voor, dat hij het

langst zou wachten en Silviane naar huis brengen en haar voor zich

hebben, daar zij te dronken was, om zich te verzetten.

Eindelijk werd Duvillard ongeduldig en zeide tot den koetsier.

“Jules, ga eens hooren, waarom madame niet terugkomt!”

“En de paarden dan, mijnheer?”

“Daar zullen wij wel op letten.”

Er begon een fijne motregen te vallen. Het wachten scheen tot in de

eeuwigheid te duren. Een onverwachte ontmoeting bracht echter eenige

afleiding. Zij meenden een schim, een magere hoer in een zwarten rok

langs zich te zien gaan. Doch dan herkenden zij tot hun verbazing een

priester.

“Wat, u mijnheer Froment?” riep Gérard uit. “Op dit uur? En in deze

wijk?”

Zonder zijn verwondering te laten blijken, dat hij hen zelf hier vond,

en zonder te vragen wat zij hier deden, legde Pierre hun uit, dat hij

zich met abbé Rose bij een bezoek aan een nachtasyl verlaat had. O, al

de vreeselijke ellende, welke naar die verpeste slaaplokalen kwam, waar

hij bijna flauw gevallen was van den stank. Alles, wat daar in een

zware sluimering, als op den grond neergevallen dieren, van uitputting

en wanhoop ineen stortte, om vergetelheid te zoeken voor de gruwelen

van het leven!

Vergeefs hadden Pierre en abbé Rose in dien hoop ongelukkigen naar den

grooten Oude, den vroegeren schrijnwerker, gezocht, om hem uit de goot

op te visschen en den volgenden dag naar het Asile des Invalides du

Travail te brengen. Hij had zich ’s avonds wel aangemeld, maar geen

plaats meer gevonden—want deze hel was nog een uitverkoren plaats. Hij

zou nu ergens tegen een paal geleund staan of achter een staketsel

liggen. Wanhopig was abbé Rose weer naar de rue Cortot teruggegaan,

terwijl Pierre een rijtuig zocht om naar Neuilly te rijden.

De motregen bleef vallen en werd koud. Eindelijk kwam Jules terug en

onderbrak het verhaal van Pierre, die aan den baron en de beide anderen

het vreeselijke, wat hij gezien had, schilderde.

“En waar is madame, Jules?” vroeg Duvillard, ongerust, hem alleen te

zien.

Onverstaanbaar en eerbiedig, zonder eenige andere ironie te laten

blijken dan dat zijn linker mondhoek wat scheef trok, antwoordde de

koetsier met zijn kleurlooze stem:

“Madame laat zeggen, dat zij niet naar huis gaat en dat zij het rijtuig

ter beschikking van de heeren stelt, als de heeren willen, dat ik hen

naar huis rijd.”

Dat was te veel, de baron werd boos. Wat, hij had zich naar deze kroeg

laten medenemen, hij had hier staan wachten in de hoop van haar

dronkenschap gebruik te maken, en nu moest hij toezien, dat zij zich

juist in die dronkenschap Legras om den hals wierp! Neen, neen, hij had

er genoeg van, hij zou haar die schandelijke beleediging betaald

zetten. Hij hield een rijtuig, dat voorbij kwam, aan, duwde er Gérard

in en zeide:

“Jij moet mij thuis brengen.”

“Maar zij stelt toch haar landauer tot uw beschikking!” riep Dutheil,

die reeds getroost was en in den grond der zaak over de geheele grap

lachen moest. “Er is hier best plaats voor drie... Gaat u liever in dat

aapje? Nou, zooals u zelf wilt!”

Hij stapte vroolijk in, strekte zich op de kussens uit en de twee

groote koetspaarden draafden lustig voort, terwijl de baron in het

hevig schuddende oude rijtuig aan zijn woede lucht gaf, zonder dat

Gérard hem met een enkel woord in de rede viel. Zij, die hij met

goedheid overladen had, die hem nu reeds bijna twee millioen gekost

had, had hem die beleediging aangedaan, hem, hem, die de meester was,

die over het geld en de menschen beschikte! Zij had het gewild—hij was

nu vrij. En hij ademde diep als iemand, die uit het bagno komt.

Pierre keek de beide rijtuigen een oogenblik na. Dan ging hij onder de

boomen loopen, om wat tegen den regen beschermd te zijn en te wachten,

tot een ander rijtuig voorbijkwam. Zijn arme, strijdende ziel begon tot

ijs te verstijven, alles drong erin binnen: de geheele afschuwelijke

nacht van Parijs, alle ontucht en troosteloosheid, die daar snikte, de

prostitutie uit hoogere kringen, die tot de laagste was afgedaald.

Bleeke vrouwenschimmen slopen steeds nog rond, op zoek naar brood; daar

streek een schaduw langs hem heen en een stem fluisterde hem in:

“Zeg aan uw broer, dat de politie Salvat op het spoor is en dat hij

ieder oogenblik gearresteerd kan worden.”

De schim verdween reeds weer, maar Pierre meende bij het licht van een

lantaarn het kleine, droge, bleeke en gemaakt-deftige gezicht van

Victor Mathis te zien. En tegelijkertijd zag hij in de vreedzame kamer

van abbé Rose het zachte, zoo treurige gezicht van madame Mathis, die

nog slechts van de laatste bevende hoop op haar zoon leefde,

verschijnen.

De drie steden: Parijs · 第 18 / 35 题