I.

Den Woensdag voor Halfvasten-Donderdag werd er in het hôtel Duvillard

ten voordeele van het Oeuvre des Invalides du Travail een groote

weldadigheidsbazar gegeven. De receptievertrekken op de

rez-de-chaussée, drie groote salons in Louis XIV-stijl, die op de kale,

vierkante binnenplaats uitzagen, zouden aan het gewoel der koopers

prijsgegeven worden, want er waren, naar men beweerde, vijf duizend

kaarten aan alle Parijsche kringen verzonden. Het was een groote

gebeurtenis, ja als het ware een manifestatie, dat dit gebombardeerde

hôtel de menigte tot binnentreden uitnoodigde, zijn beide deurvleugels

wijd openzette, de koetspoort aan voetgangers en equipages prijs gaf.

Wel werd er verteld, dat een zwerm politie-agenten de rue

Godot-de-Mauroy en naburige straten bewaakte.

Duvillard was op deze grootsche gedachte gekomen en tegenover zijn

formeelen wensch had zijn vrouw zich bij al de drukte neergelegd ter

wille van de stichting, die zij zoo nonchalant en voornaam presideerde.

Den vorigen dag had de Globe in een mooi, door den directeur Fonsègue,

den administrateur der stichting, geïnspireerd artikel, den bazar

aangekondigd en daarin doen uitkomen hoe edel en edelmoedig dit

initiatief der barones was, die haar tijd, haar geld, ja zelfs haar

hôtel afstond, na de afschuwelijke misdaad, die het paleis bijna in

stof veranderd had. Was dat niet het grootmoedige antwoord van de

hoogere klasse op de vloekwaardige hartstochten der lagere? En welk een

afdoend antwoord was het voor hen, die de kapitalistische bourgeoisie

beschuldigden niets voor de arbeiders, de gewonden en verlamden van de

loonklasse te doen!

De deuren van de salons zouden om twee uur opengaan en eerst om zeven

uur sluiten: vijf volle uren dus zou de verkoop duren. Maar nog om

twaalf uur, toen in de rez-de-chaussée nog niets gereed was en

arbeiders en vrouwen de laatste hand legden aan de versiering der

“stands” en het uitstallen der artikelen, werd, evenals andere dagen,

in de kleine appartementen van de eerste etage een intiem dejeuner

gegeven, waaraan enkele huisvrienden genoodigd waren. De drukte had in

het huis haar toppunt bereikt, doordat dienzelfden ochtend Sanier in de

Voix du Peuple zijn campagne in zake de Afrikaansche sporen weer

opgevat had. In venijnige zinnen vroeg hij of men van plan was het

publiek nog langer bezig te houden met de geschiedenis van die bom en

van dien anarchist, welken de politie niet arresteerde. Ditmaal

beschuldigde hij minister Barroux openlijk tweehonderd duizend francs

aangenomen te hebben, en beloofde eerstdaags de namen der

twee-en-dertig omgekochte senatoren en Kamerleden te zullen

publiceeren. Mège zou dus zeker zijn interpellatie, die bij de

overspanning, waarin Parijs door den anarchistischen schrik verkeerde,

gevaarlijk kon worden, hervatten. Anderzijds vertelde men, dat Vignon

en zijn partij tot een uiterste krachtsinspanning besloten waren, om

van de omstandigheden gebruik te maken om het ministerie te laten

vallen. Alle teekenen voor een onvermijdelijke, vreeselijke crisis

waren aanwezig. Gelukkig zat de Kamer dien Woensdag niet; zij had, daar

zij de Halfvasten vieren wilde, haar zittingen tot Vrijdag verdaagd.

Men had dus twee dagen om zijn maatregelen te nemen.

Eve was dien ochtend nog zachter en kwijnender dan gewoonlijk. Zij was

wat bleek, een droeve onrust lag in haar diepe, mooie oogen. Zij wijtte

dit aan de waarlijk bovenmatige inspanning, welke de voorbereiding van

den bazar van haar gevergd had, maar de waarheid was, dat Gérard haar

sedert vijf dagen vermeed en een nieuw rendez-vous ontweek. Daar zij er

zeker van was, dat zij hem nu zien zou, had zij het gewaagd zich weer

geheel in witte zijde te kleeden, dit jeugdige toilet maakte haar jong;

maar hoe mooi zij ook nog gebleven mocht zijn met haar blanke huid,

haar prachtige taille, haar edel en bekoorlijk gezicht, toch waren haar

zes-en-veertig jaar duidelijk merkbaar aan haar roodachtige tint en het

rimpelig worden van haar lippen, haar oogleden en haar fijne slapen.

Camille was, hoewel zij natuurlijk een der meest gezochte verkoopsters

zijn zou, er hardnekkig bij gebleven een donkerbruine japon aan te

trekken, haar oude-vrouwentoilet, zooals zij het met haar bijtend

lachje noemde. Maar haar lang, boosaardig geitengezicht straalde van

heimelijke vreugde, en haar fijne lippen en groote oogen fonkelden van

zooveel geest, dat zij bijna mooi leek en haar mismaakten schouder deed

vergeten.

In den kleinen, blauw-zilveren salon, waar zij met haar dochter de

gasten ontving, kreeg Eve de eerste teleurstelling, toen zij generaal

Bozonnet, die met zijn neef Gérard komen zou, alleen binnenkomen zag.

Hij vertelde, dat madame de Quinsac zich bij het opstaan minder goed

gevoelde en Gérard als goed zoon bij haar had willen blijven. Maar

dadelijk na het dejeuner zou hij naar den bazar komen. Terwijl Eve

luisterde en haar angst, dat zij Gérard beneden niet tot een verklaring

zou kunnen dwingen, trachtte te verbergen, keek Camille haar met haar

verslindende oogen aan. Eve moest op dat oogenblik wel een heimelijk

voorgevoel hebben, dat een ongeluk haar dreigde, want zij zag haar

dochter ook bleek en onrustig worden.

Dan kwam prinses Rosemonde de Harth als een wervelwind binnenvliegen.

Zij zou ook verkoopen in den “stand” van de barones, die haar om haar

onstuimigheid en haar vroolijkheid, welke zij steeds met zich bracht,

gaarne lijden mocht. Zij droeg een vuurrood zijden japon en zag er met

haar kroeshaar en haar jongensachtige magerheid extravagant uit.

Lachend, vertelde zij een ongeval, waardoor haar equipage bijna in

tweeën gereden was. Toen baron Duvillard en zijn zoon Hyacinthe, zooals

altijd te laat, uit hun kamers kwamen, legde zij dadelijk beslag op den

jongen man en gaf hem een standje, dat hij haar den vorigen avond tot

tien uur vergeefs had laten wachten, ofschoon hij haar stellig beloofd

had, dat hij haar mede nemen zou naar een kroeg in Montmartre, waar,

naar men beweerde, vreeselijke dingen gebeurden. Met een kwijnende

uitdrukking op zijn gelaat antwoordde Hyacinthe, dat vrienden hem

hadden opgehouden bij een spiritistische seance, waarop de heilige

Thérèse verschenen was, om een liefdessonnet te reciteeren.

Maar Fonsègue kwam met zijn echtgenoote, een magere, stille,

onbeteekenende vrouw, met wie hij niet gaarne uitging. Overal kwam hij

zonder haar, maar ditmaal had hij haar moeten medenemen, want zij was

bestuurslid van de instelling, en hij zelf kwam als administrateur, die

zich voor den bazar interesseerde, dejeuneeren. De kleine man met zijn

ondanks zijn vijftig jaar nog bruin haar trad op zijn gewone vroolijke,

luidruchtige manier binnen; hij droeg zijn gekleede jas met de

correctheid van een zakenman, die de zielen, den goeden naam der

conservatieve republiek, waarvan de Globe het orgaan was, beschermen

moest. Wie hem echter kenden, zagen, dat zijn oogleden onrustig

knipten; zijn eerste vragende blik gold Duvillard, blijkbaar wilde hij

gaarne weten hoe hij den nieuwen slag van dien ochtend opnam. Maar toen

hij zag, dat deze heel kalm grapjes met Rosemonde stond te maken, werd

hij zelf ook rustig als een speler, die nooit verloren had, daar hij

zelfs in de uren van het verraad het ongeluk steeds had weten te

overwinnen. En dadelijk begon hij met de barones over administratieve

dingen te spreken.

“Hebt u eindelijk met abbé Froment over dien Laveuve gesproken, dien

hij ons zoo warm aanbevolen heeft? Alle formaliteiten zijn nu vervuld;

hij kan komen, want we hebben sedert drie dagen een bed vrij.”

“Ja, dat weet ik, maar ik weet niet, wat er van abbé Froment geworden

is; in geen maand heeft hij een teeken van leven gegeven. Ik heb hem

daarom gisteren geschreven en gevraagd, of hij vandaag op den bazar wil

komen. Op die manier kan ik hem persoonlijk de goede tijding

mededeelen.”

“Om u die vreugde te laten, heb ik het hem niet langs administratieven

weg laten weten. Een charmant priester, vindt u niet?”

“O, heel charmant. Wij mogen hem graag.”

Duvillard mengde zich nu in gesprek om te zeggen, dat ze niet op

Dutheil behoefden te wachten, want dat hij een telegram van den jongen

afgevaardigde gekregen had, die zich wegens dringende bezigheden

verontschuldigde. Fonsègue, die opnieuw een vragenden blik op den baron

wierp, werd weer ongerust. Maar deze glimlachte en stelde hem gerust

met de half-fluisterend gesproken woorden:

“O, niets bijzonders. Een opdracht van mij, waarover hij mij strakjes

antwoord zal komen brengen.”

En hem dan wat ter zijde nemend.

“Tusschen twee haakjes, vergeet het berichtje niet, waarover ik je

gesproken heb.”

“Welk berichtje? O, ja, die soirée, waarop Silviane gedeclameerd

heeft... Daar wou ik juist over spreken. De lofspraak daarin is wel wat

al te erg.”

Duvillard, zooeven nog zoo kalm met zijn veroverende en minachtende

manieren, werd nu bleek en door wanhoop aangegrepen.

“Maar ik wil beslist, dat het erin komt, waarde vriend. Je zoudt me in

de grootste ongelegenheid brengen, want ik heb het Silviane

uitdrukkelijk beloofd.”

In den angstigen blik van zijn oogen en het beven van zijn lippen was

de geheele angst te lezen van een ouden, verwenden man, die bereid is

het genot, waarvan men hem speent, met iederen prijs te betalen.

“Goed, goed!” zeide Fonsègue, die zich inwendig vroolijk maakte. “Als

het zoo ernstig is, dan zal het berichtje erin komen, dat beloof ik u!”

Daar men niet op Gérard en Dutheil behoefde te wachten, waren alle

gasten aanwezig. Eindelijk begaven zij zich naar de eetkamer, terwijl

beneden de laatste hamerslagen gegeven werden. Eve zat tusschen

generaal Bozonnet en Fonsègue; Duvillard tusschen madame Fonsègue en

Rosemonde, terwijl Camille en Hyacinthe aan het hoofd- en benedeneinde

der tafel zaten. Het déjeuner werd wat haastig en ongeregeld gebruikt,

want tot driemaal toe kwamen dienstmeisjes inlichtingen en orders

vragen. Deuren werden onophoudelijk open en dicht geslagen, de muren

zelf schenen te dreunen onder het ongewone lawaai, waarmede de laatste

voorbereidende maatregelen het huis vervulden. Allen werden door de

koortsachtige opwinding medegesleept; het gesprek sprong van den hak op

den tak, liep nu eens over het bal, dat den vorigen dag op het

ministerie van Binnenlandsche Zaken gegeven was, dan weer over het

volksfeest, dat den volgenden dag plaats hebben zou; steeds echter kwam

men weer terug op den bazar, op den prijs, dien men voor de artikelen

betaald had en waarvoor men ze weer verkoopen zou, op het

waarschijnlijke cijfer van de totale opbrengst.

Toen generaal Bozonnet den naam van den rechter van instructie Amadieu

noemde, zeide Eve, dat zij hem niet te dejeuneeren had durven vragen,

omdat zij wist hoe druk hij het had, maar dat zij toch hoopte, dat hij

ook zijn obool zou komen brengen. Fonsègue plaagde Rosemonde met haar

japon van vuurroode zijde en beweerde, dat zij reeds in de vlammen der

hel brandde, wat haar, daar het satanisme op dat oogenblik een passie

van haar was, in den grond der zaak aanging. Duvillard gedroeg zich

volkomen correct tegenover de stille madame Fonsègue, terwijl

Hyacinthe—om zelfs de prinses te overbluffen—in uitgekozen woorden de

magische operatie vertelde, waardoor men een reinen man, na hem van

alle manlijkheid ontdaan te hebben, in een engel veranderde. Camille

was zeer gelukkig en opgewekt en wierp nu en dan een brandenden blik op

haar moeder, die steeds onrustiger werd naarmate zij voelde, dat haar

dochter steeds agressiever werd en vastbesloten was tot een openlijken

oorlog zonder genade.

Tegen het einde van het dessert hoorde de moeder, hoe Camille zeer luid

op haar uitdagenden en doordringenden toon zeide:

“O, praat mij niet over die geschminkte, als communie-bruidjes gekleede

oude dames, die nog met een pop schijnen te spelen. Ik walg ervan!”

Zenuwachtig stond Eve op en excuseerde zich.

“Neem mij niet kwalijk, dat ik u wat haast... Je weet werkelijk niet,

of dit een dejeuner is... maar ik ben bang, dat men ons geen tijd zal

laten een kop koffie te gebruiken.”

De koffie werd rondgediend in den blauw-zilveren salon, waarin een

wondermooie mand met gele rozen geurde. Deze hartstocht voor bloemen

van de barones veranderde het hôtel in een voortdurende lente.

Duvillard nam dadelijk Fonsègue, terwijl zij beiden hun kopje dampende

koffie nog in de hand hadden, mee naar zijn studeerkamer, om een sigaar

te rooken en vrij te kunnen spreken; de deur bleef echter wijd open

staan en men hoorde hun stemmen door elkaar klinken. Generaal de

Bozonnet, die blij was in madame Fonsègue een ernstige en geduldige

vrouw te hebben, die naar hem luisterde, zonder hem in de rede te

vallen, vertelde haar de zeer lange geschiedenis van de vrouw van een

officier, die haar man in 1870 in alle slagen gevolgd had. Hyacinthe

dronk geen koffie; hij noemde die minachtend een drank voor conciërges.

Hij maakte zich een oogenblik vrij van Rosemonde, die een glaasje

kummel dronk, en ging naar zijn zuster:

“Zeg eens even, dat was ook dom wat je daarnet er voor mama uitgooide.

Mij kan het niet schelen, maar ten slotte gaan de anderen het ook

merken, en ik zeg je, gedistingeerd is het niet.”

Camille keek hem met haar donkere oogen strak aan:

“Wees zoo goed je niet met mijn zaken te bemoeien!”

Hij schrok, voelde, dat er een onweer op til was en ging met Rosemonde

naar den grooten rooden salon ernaast, om haar een nieuwe schilderij te

laten zien, die zijn vader den vorigen dag gekocht had. De generaal,

dien hij riep, volgde met madame Fonsègue.

Moeder en dochter waren nu een oogenblik alleen. Als gebroken leunde

Eve tegen een wandtafeltje. Het geringste verdriet maakte haar moe en

mat en in haar naïef en volmaakt egoïsme kon zij bij de minste

aanleiding in tranen uitbarsten. Waarom haatte haar dochter haar zoo?

Waarom trachtte zij met zooveel hardnekkigheid haar laatste

liefdesgeluk, waaraan zij met haar geheele hart hing, te vernietigen?

Diep bedroefd en meer wanhopig dan verbitterd keek zij haar aan, en op

het oogenblik, dat het jonge meisje ook naar den rooden salon wilde

gaan, kwam zij op het ongelukkige denkbeeld haar terug te houden, om

een opmerking over haar toilet te maken.

“Maar beste kind, waarom kleedt je je toch zoo hardnekkig als een oude

vrouw? Je ziet er heusch niet voordeelig door uit.”

In haar teedere oogen van gevierde en aangebeden mooie vrouw was

duidelijk het medelijden met dit leelijke en mismaakte schepseltje, dat

zij nooit goed als haar dochter had kunnen erkennen, te lezen. De eene

schouder hooger dan de andere, de lange armen van een bultenaar, een

profiel van een zwarte geit—hoe was het mogelijk, dat zoo iets

monsterachtigs voortgekomen was uit haar koninklijke schoonheid, de

schoonheid, die zij haar geheele leven lang zelf lief gehad, met

eerbiedige vroomheid verzorgd had, die de eenige godsdienst was, voor

welken zij ooit iets gevoeld had. Haar verdriet en haar schaamte, dat

zij zoo’n kind had, beefden in haar stem.

Camille bleef plotseling stokstijf staan, als had een zweepslag haar

midden in haar gezicht gestriemd. Dan kwam zij naar haar moeder toe, en

nu begon de vreeselijke verklaring tusschen die beiden met deze

eenvoudige, halfgefluisterde woorden:

“U vindt, dat ik mij slecht kleed... Dan moet u zich eens wat meer met

mij bemoeien, ervoor zorgen, dat mijn toiletten naar uw smaak zijn en

mij uw geheim om mooi te zijn, leeren.”

Reeds had Eve spijt over haar uitval; zij had een afschuw van disputen

met beleedigende woorden. Zij wilde er zich aan onttrekken, vooral op

dit oogenblik, nu men haar beneden voor den bazar wachtte.

“Kom beste meid, maak geen scène, nu allen het kunnen hooren... Ik heb

je lief gehad...”

Met een ingehouden, maar vreeselijk lachje viel Camille haar in de

rede:

“U hebt mij lief gehad... Maar, arme mama, zeg toch niet zulke komische

dingen! Hebt u ooit iemand lief gehad? U wilt, dat men u lief heeft;

maar dat is heel wat anders. Maar uw kind, een kind... Weet u eigenlijk

wel hoe men een kind lief heeft?... U hebt mij altijd aan mijn lot

overgelaten, omdat u mij te leelijk vondt en bovendien geen dagen en

nachten genoeg hadt om u zelf lief te hebben... Neen, moeder, lieg maar

niet; u beschouwt me ook nu nog altijd als een monster, dat u afkeer

inboezemt en u hindert.”

Nu was het uit, nu moest de scène ten einde gespeeld worden, in een

koortsachtig fluisteren, van aangezicht tot aangezicht, met op elkaar

geklemde tanden.

“Ik beveel je te zwijgen, Camille! Ik kan een dergelijke taal niet

dulden!”

“Ik behoef niet te zwijgen, wanneer u tracht mij te kwetsen. Als ik er

verkeerd aan doe mij als een oude vrouw te kleeden, dan komt dat

misschien, omdat een ander zoo belachelijk is zich als een jong meisje,

als een bruid te kleeden.”

“Als een bruid, ik begrijp je niet.”

“O, u begrijpt mij heel goed... Maar ik wil toch, dat u het weet:

iedereen vindt mij niet zoo leelijk als u, naar het schijnt, mij wil

laten gelooven.”

“Als je leelijk bent, dan komt dat, omdat je je slecht kleedt. Iets

anders heb ik niet gezegd.”

“Ik kleed mij zooals ik wil, en ongetwijfeld goed, daar men van mij

houdt zooals ik ben.”

“Zoo, houdt iemand van je? Dan moet hij het maar zeggen en met je

trouwen.”

“Dat gebeurt ook, dat gebeurt ook! Dat zal een heele opluchting voor u

zijn! En dan kunt u me nog als bruid zien ook!”

Haar stemmen werden onwillekeurig luider. Camille hield even op, haalde

adem en ging dan weer met een fluisterende, fluitende stem door.

“Gérard zal u dezer dagen om mijn hand komen vragen.”

Bleek en met strakke oogen keek Eve haar aan; zij scheen het niet

begrepen te hebben.

“Gérard... Waarom zeg je me dat?”

“Natuurlijk omdat Gérard mij liefheeft en met mij trouwen zal... U

drijft mij tot het uiterste, u zegt steeds weer, dat ik leelijk ben, u

behandelt mij als een monster, waarvan niemand iets weten wil. Dan moet

ik mij toch verdedigen, moet ik u de waarheid zeggen, om u te bewijzen,

dat niet iedereen uw smaak heeft.”

Er volgde een stilte; de strijd scheen door dat vreeselijke, dat

plotseling tusschen haar oprees, geëindigd te zijn. Maar nu stonden

niet meer moeder en dochter tegenover elkaar, doch twee mededingsters,

die leden en streden.

Eve haalde diep adem en keek angstig rond, of niemand binnenkwam, die

haar zou kunnen zien of hooren. Dan vastberaden:

“Je kan niet met Gérard trouwen.”

“En waarom niet?”

“Omdat ik het niet wil, omdat het onmogelijk is.”

“Dat is geen reden. Zeg me de reden.”

“De reden is, dat het huwelijk onmogelijk is. Dat is alles.”

“Neen, de reden zal ik u zeggen, omdat u mij ertoe dwingt... De reden

is, dat Gérard uw minnaar is... Maar wat beteekent dat, daar ik het

weet en hem toch hebben wil?”

En haar vlammende oogen voegden er aan toe: “En juist daarom wil ik hem

hebben!” Haar lange marteling mismaakt te zijn, haar woede, dat zij van

haar kinderjaren af haar mooie moeder zoo gevierd en aangebeden gezien

had, doorschokte haar en wreekte zich in een boosaardigen triomf.

Eindelijk ontroofde zij haar dan toch den minnaar, dien zij haar zoo

lang benijd had.

“Ongelukkige,” stamelde Eve zwak en in haar hart getroffen. “Je weet

niet wat je zegt en wat je me doet lijden.”

Maar zij moest weer zwijgen en glimlachen, want Rosemonde kwam zeggen,

dat men beneden naar haar vroeg. De deuren van het hôtel zouden geopend

worden en zij moest in haar “stand” zijn. Ja, zij kwam dadelijk naar

beneden... Zij hield zich vast aan een wandtafeltje, dat achter haar

stond, om niet te vallen.

“Zeg,” ging Hyacinthe tegen zijn zuster zeggen, “het is idioot, om

zoo’n ruzie te maken. Je zoudt beter doen naar beneden te gaan.”

Camille zond hem ruw weg.

“Ga zelf en neem de anderen mede. Het is beter, wanneer wij geen last

van hen hebben.”

Hyacinthe keek zijn moeder aan als een zoon, die wist en het

belachelijk vond. Dan haalde hij, geërgerd haar zoo weinig krachtig te

zien tegen zijn heks van een zuster, zooals hij haar noemde, zijn

schouders op, liet haar beiden aan haar dwaasheid over en nam de

anderen mede naar beneden. Men hoorde Rosemonde lachend weggaan,

terwijl de generaal, die een nieuw verhaal begonnen was, madame

Fonsègue begeleidde. Maar toen moeder en dochter zich alleen waanden,

drongen andermaal stemmen tot haar ooren door, de stemmen van Duvillard

en Fonsègue. De vader was er altijd nog, die haar kon hooren.

Eve voelde, dat zij weg had moeten gaan. Maar zij vond er de kracht

niet toe; na het woord, dat haar als een zweepslag getroffen had, en in

de wanhoop, waarin de vrees haar minnaar te verliezen, haar wierp, was

haar dat onmogelijk.

“Gérard kan niet met je trouwen, hij heeft je niet lief.”

“Hij heeft me wel lief.”

“Je verbeeldt je, dat hij je lief heeft, omdat hij uit medelijden

vriendelijk voor je geweest is... Hij heeft je niet lief.”

“Hij heeft mij lief... Hij heeft mij lief, in de eerste plaats, omdat

ik niet dom ben, zooals zooveel anderen, en vooral heeft hij mij lief,

omdat ik jong ben.”

Dat was een nieuwe wonde, en uit den wreeden spot, waarmede zij

toegebracht werd, klonk de triompheerende vreugde eindelijk deze

schoonheid, waaronder zij zoo geleden had, te zien verwelken.

“Jeugd, moeder, ja, u weet niet meer wat dat is... Al mag ik niet mooi

zijn, jong ben ik; ik ruik nog lekker, heb heldere oogen, frissche

lippen. Bovendien heb ik zooveel en zoo lang haar, dat ik me daarmede

zou kunnen kleeden, als ik dat wilde... Kom, je bent nooit leelijk,

wanneer je jong bent, maar wanneer je niet jong meer bent, arme mama,

dan is het uit. Het helpt niet of je al mooi geweest bent, alles in het

werk stelt, om het nog te zijn... er blijft niets over dan puinhoopen,

schande en walging.”

Zij zeide het zoo scherp, dat iedere zin als een messteek in het hart

van haar moeder drong. Tranen kwamen in de oogen van de ongelukkige,

zoo diep gewonde vrouw. Ja, het was waar, zij stond machteloos

tegenover de jeugd, zij leed slechts, omdat zij ouder werd, omdat zij

voelde, hoe de liefde haar verliet, nu zij gelijk was aan een te rijpe,

van haar tak gevallen vrucht.

“Nooit zal de moeder van Gérard haar toestemming tot een huwelijk met

jou geven.”

“Hij zal haar overreden, dat is zijn zaak... Ik heb twee millioen, en

met twee millioen doe je heel wat.”

“Wil je hem dan bezoedelen, zeggen, dat hij je om je geld trouwt?”

“Neen, neen, Gérard is een heel fatsoenlijke en nette jongen. Hij heeft

mij lief, hij trouwt met me om me zelf... Maar hij is nu eenmaal niet

rijk, heeft ondanks zijn zes-en-dertig jaar geen gevestigde positie, en

dan is het zoo gek niet om een vrouw te nemen, die je met het geluk

rijkdom brengt... Want, versta me goed, mama, ik breng hem het geluk,

de wederkeerige, van de toekomst zekere liefde.”

Nogmaals stonden zij oog in oog tegenover elkaar. De verschrikkelijke

scène, telkens onderbroken en weer opgevat, scheen geen einde te kunnen

nemen; het was een drama van moorddadige heftigheid, maar gedempt,

zonder lawaai, gesproken met verstikte stemmen. Geen van beiden wilde

wijken, hoewel zij met al die open deuren ieder oogenblik overvallen

konden worden, hoewel het personeel steeds binnen kon komen en de stem

van den vader vroolijk naast haar klinken bleef.

“Hij heeft je lief, hij heeft je lief... Dat zeg jij... Hij heeft het

je nooit gezegd.”

“Hij heeft het me wel twintigmaal gezegd. Hij zegt het telkens, als we

alleen zijn.”

“Ja, zooals aan een klein meisje, dat men een plezier wil doen... Nooit

heeft hij tegen je gezegd, dat hij met je trouwen wil.”

“Hij heeft het me den laatsten keer, dat hij hier was, nog gezegd. De

zaak is beklonken—ik verwacht, dat hij eerstdaags mijn hand zal

vragen.”

“Je liegt, je liegt, ongelukkige. Je wilt me pijnigen. Je liegt, je

liegt!”

Eindelijk barstte haar smart in dezen kreet van protest uit; zij wist

niet meer, dat zij moeder was, dat zij tot haar dochter sprak... alleen

de verliefde, beleedigde, door een mededingster geprikkelde vrouw bleef

nog over.

“Mij, mij heeft hij lief,” bekende zij snikkend. “Den laatsten keer

heeft hij het mij gezworen, gezworen, versta je, dat hij je niet lief

had en nooit met je trouwen zou.”

Camille begon scherp te lachen en nam een spottend-medelijdende houding

aan.

“Mama, ik heb heusch met je te doen. Je bent nog zoo’n echt kind... Ja

heusch, u bent het kind. Laat u, die toch zooveel ervaring heeft, u nog

beetnemen door de verzekeringen van een man? Gérard is de kwaadste niet

en daarom zweert hij u alles wat u wilt.”

“Je liegt! Je liegt!”

“Kom, wees nou verstandig. Dat hij niet meer komt, dat hij vandaag niet

op het déjeuner verschenen is, vindt alleen zijn oorzaak hierin, dat u

hem de keel uithangt. Hij laat u zitten, mama, u moet den moed hebben u

dat goed voor te houden. Hij blijft vriendelijk, omdat hij goed

opgevoed is en niet weet hoe hij met u breken moet. In het kort, hij

heeft medelijden met u.”

“Je liegt! Je liegt!”

“Vraag het hem dan zelf als een goede moeder, die u zijn moest. Spreek

openlijk met hem, vraag hem vriendschappelijk wat hij van plan is te

doen. En wees u op uw beurt ook vriendelijk. Begrijp toch, dat, wanneer

je hem lief hebt, je hem mij dadelijk zoudt moeten geven in zijn

belang. Geef hem zijn vrijheid terug en je zult zien, dat hij slechts

mij lief heeft!”

“Je liegt, ongelukkig kind. Je wilt me martelen en dooden.”

In haar woedende radeloosheid herinnerde Eve zich, dat zij de moeder

was, dat zij deze onwaardige dochter een bestraffing toedienen moest.

Zij vond geen stok en rukte nu uit de mand gele rozen, die haar beiden

met haar sterken geur bedwelmden, een handvol van de langgesteelde,

doornige rozen en sloeg daarmede Camille in haar gezicht. Een droppel

bloed kwam te voorschijn op de linkerslaap, dicht bij het ooglid.

Onder dien slag sprong het jonge meisje, vuurrood en als krankzinnig,

met haar hand omhoog als gereed, om ook te slaan, naar voren.

“Moeder, pas op... Ik zweer je, dat ik je als de eerste de beste deerne

zal afranselen... En begrijp mij goed, ik wil Gérard, ik zal met Gérard

trouwen, ik zal hem u ontnemen door een schandaal te maken, als u hem

niet goedschiks geeft.”

Na haar woede-daad was Eve als gebroken en wanhopig op een fauteuil

neergevallen. In haar drang naar een gelukkig leven en een egoïstisch

genot om geliefkoosd, gevleid en aangebeden te worden, kwam al haar

afschuw voor scènes terug. Camille daarentegen toonde, dronken door

haar wreedheid, dreigend, verslindend, meedoogenloos eindelijk haar

hardvochtige en zwarte ziel in haar volle naaktheid. Er ontstond een

angstaanjagend zwijgen, waarin men opnieuw de vroolijke stem van

Duvillard uit de studeerkamer hoorde komen.

De moeder was zacht begonnen te huilen, toen Hyacinthe den kleinen

salon kwam binnen vliegen. Toen hij de beide vrouwen zag, haalde hij

medelijdend-minachtend zijn schouders op.

“Zoo, hebben jullie nu je zin? Hadt je niet beter gedaan dadelijk naar

beneden te gaan? Je weet toch, dat iedereen naar jullie vraagt. Het

wordt te gek. Ga nou gauw mee.”

Misschien zouden Eve en Camille, in haar behoefte om elkaar nog meer te

kwetsen en nog meer te lijden, hem nog niet gevolgd hebben, als

Duvillard en Fonsègue, die hun sigaar gerookt hadden, niet uit de

studeerkamer gekomen waren, om ook naar beneden te gaan. Eve moest

opstaan en met droge oogen glimlachen, terwijl Camille voor den spiegel

haar haar in orde bracht en met de punt van haar zakdoek den kleinen

rooden droppel, die aan haar slaap parelde, afveegde.

In de drie reusachtige, met tapijten en groene planten versierde salons

beneden verdrong zich reeds een dichte menigte. De “stands” waren met

roode zijde gedrapeerd, wat aan de verschillende artikelen een

schitterende omlijsting gaf. Geen bazar had met de duizenderlei hier

opgehoopte voorwerpen kunnen wedijveren, want men vond er van alles:

van schetsen van meesters en autographen van beroemde schrijvers tot

schoentjes en kammen toe. Dit pêle-mêle op zichzelf was reeds een

aantrekkelijkheid, geheel afgezien van het buffet, waar mooie, blanke

handen champagne schonken, van de twee loterijen, een orgel en een met

een pony bespannen Engelsch wagentje. Een zwerm van bekoorlijke jonge

meisjes, die zich midden in het gewoel bewogen, verkocht de loten. Maar

zooals Duvillard wel voorzien had, werd het groote succes van den bazar

voornamelijk gevormd door de verrukkelijke rilling, welke de dames

kregen bij het gaan onder de koetspoort, waar de bom gesprongen was. De

toegebrachte schade was reeds grootendeels hersteld, maar de schilders

waren nog bezig.

Toen barones Eve eindelijk met haar dochter Camille naar beneden ging,

om haar plaats in haar “stand” in te nemen, vond zij de verkoopsters

reeds koortsachtig bezig, onder leiding van prinses Rosemonde, die bij

dergelijke gelegenheden buitengewoon listig en roofzuchtig was. Zij

bestal de koopers met de grootste onbeschaamdheid.

“Ben je daar eindelijk!” riep zij. “Pas maar goed op, want er zijn hier

een boel koopsters, die een goeden slag trachten te slaan. Ik ken ze,

zij loeren op gelegenheidskoopjes, halen de etalages door elkaar en

wachten, tot men het hoofd er bij verliest, om dan minder duur te

koopen dan in gewone winkels... Maar ik zal ze fatsoenlijk afzetten,

wacht maar!”

Eve, die een zeer slechte verkoopster was en er zich mede vergenoegde

in haar “stand” te tronen, moest met de anderen mede lachen. Dan dwong

zij zich ertoe Camille een paar raadgevingen te geven, welke deze

glimlachend en gehoorzaam aanhoorde, maar de ongelukkige vrouw bezweek

bijna bij de angstaanjagende gedachte, dat zij daar tot zeven uur

blijven en zonder haar hart lucht te geven, voor al die menschen lijden

moest. Het was dan ook een groote verlichting voor haar, toen zij abbé

Pierre Froment zag, die op een roodfluweel tabouretje naast den “stand”

op haar zat te wachten. Doodmoe kwam zij naast hem zitten.

“O, mijnheer de abbé, u hebt mijn brief dus gekregen... Ik heb een

goede tijding voor u en wilde u het genoegen laten die zelf aan uw

protégé, dien Laveuve, dien u mij zoo warm aanbevolen hebt, te

brengen... Alle formaliteiten zijn vervuld; u kunt hem morgen naar het

Asile laten transporteeren.”

Verbijsterd keek Pierre haar aan.

“Laveuve—maar die is dood!”

Nu verwonderde zij zich op haar beurt.

“Wat, is hij dood?... Maar waarom hebt u ons dat niet laten weten? Als

u eens wist wat voor moeite we ons gegeven hebben, wat we er allemaal

voor hebben moeten doen!... Weet u zeker, dat hij dood is?”

“Hij is dood, mevrouw... Een maand geleden is hij gestorven.”

“Al een maand! Maar dat konden wij niet weten. U hebt niets van u laten

hooren... Lieve hemel, hoe vervelend, dat hij dood is... nu moeten we

alles weer ongedaan maken.”

“Hij is dood, mevrouw. Het is waar, ik had u moeten waarschuwen... Maar

wat is er aan te doen? Hij is dood.”

Dat steeds weer terugkomende woord “dood”, de geschiedenis van dezen

“doode”, met wien zij zich nu sedert een maand bezig hield, deed haar

rillen en bracht haar heelemaal tot wanhoop. Het klonk haar in het oor

als een omen van den kouden dood, waarin zij zich in de doodswade van

haar laatste liefde voelde nederdalen. Pierre moest daarentegen ondanks

zichzelf bitter over zooveel wreede ironie glimlachen. O, deze hinkende

naastenliefde, die altijd komt, wanneer de menschen reeds dood zijn.

De priester bleef op het bankje zitten, toen de barones opstaan moest,

daar zij den rechter van instructie Amadieu komen zag. Hij was zeer

gehaast, wilde maar even acte de présence geven en iets koopen, vóór

hij naar het paleis van Justitie terugging. Maar de kleine Massot, de

verslaggever van den Globe, die om de “stand” heen sloop, zag hem ook

en vloog, tuk op inlichtingen, naar hem toe. Hij liet hem niet los en

onderwierp hem aan een formeel verhoor, om te weten, hoe het stond met

dien Salvat, dien men beschuldigde de bom onder de koetspoort gelegd te

hebben. Was het niet een uitvinding der politie, zooals sommige bladen

beweerden? Of was het werkelijk het goede spoor en zou de politie hem

eindelijk arresteeren? Maar Amadieu gaf ontwijkende antwoorden en zeide

terecht, dat de zaak hem nog niet aanging, dat hij er zich eerst mede

te bemoeien had, wanneer die Salvat gearresteerd was en hij met de

instructie belast werd. Maar in zijn sluw-gewichtige manier van doen,

in zijn correcte houding van mondain magistraat waren allerlei

aanduidingen te lezen, als was hij reeds op de hoogte van de kleinste

bijzonderheden en als beloofde hij voor de eerstvolgende dagen de

grootste gebeurtenissen. Dames vormden een kring om hem, een zwerm van

knappe, van nieuwsgierigheid koortsachtige vrouwen verdrong zich om de

geschiedenis van dien bandiet, welke haar het kippenvel deed krijgen.

Toen Amadieu van prinses Rosemonde voor twintig francs een doosje

sigaretten, dat misschien dertig sous waard was, gekocht had, maakte

hij zich vlug uit de voeten.

Inmiddels was Massot, die Pierre herkend had, dezen de hand gaan

drukken.

“Die Salvat zal al een heel eind weg zijn, wanneer hij goede beenen

heeft, denkt u ook niet, mijnheer de abbé?... Ik moet altijd om de

politie lachen.”

Maar op dat oogenblik kwam Rosemonde met Hyacinthe naar hem toe.

“Mijnheer Massot, u komt overal, u moet beslissen... Het Cabinet des

Horreurs [10] in Montmartre, de kroeg, waar Legras zijn Fleurs du Pavé

zingt...”

“Is een vreeselijke plaats, prinses. Ik zou er niet graag met een

huzaar heengaan.”

“Maak nu geen gekheid, mijnheer Massot; ik spreek in vollen ernst. Een

fatsoenlijke vrouw kan er heel goed in gezelschap van een heer

heengaan, niet waar?”

En zonder hem tijd tot een antwoord te laten, wendde zij zich tot

Hyacinthe:

“Zie je nu wel, dat mijnheer Massot niet neen zegt. Je gaat er vanavond

met mij heen, dat is afgesproken!”

Zij vloog al weer weg, om aan een oude dame voor tien francs een pakje

naalden te verkoopen, terwijl de jonge man met zijn geblaseerde stem

slechts zeide:

“Zij lijkt wel niet wijs met haar Cabinet des Horreurs!”

Massot haalde wijsgeerig zijn schouders op. Een vrouw moest zich nu

eenmaal amuseeren. Toen Hyacinthe zich verwijderd had en met zijn

perverse minachting tusschen de mooie, loten verkoopende meisjes

rondliep, veroorloofde hij zich te prevelen:

“De jongen heeft het hard noodig, dat een vrouw een man van hem maakt.”

Doch dan viel hij zichzelf in de rede en zeide, zich weer tot Pierre

wendend:

“Kijk, daar heb je Dutheil... Wat kletste Sanier vanochtend toch, dat

Dutheil vanavond in Mazas zou slapen?”

Inderdaad drong Dutheil zich haastig en glimlachend door de menigte

heen, om bij Duvillard en Fonsègue, die nog altijd bij den “stand” der

barones stonden te praten, te komen. Onmiddellijk wuifde hij met zijn

hand ten teeken van overwinning, om te zeggen, dat hij in de delicate

opdracht, waarmede men hem belast had, geslaagd was. Het ging om niets

minder dan om een vermetele manoeuvre, ten einde de opneming van

Silviane in de Comédie-Française te verhaasten. Zij was op het

denkbeeld gekomen den baron ertoe te bewegen een invloedrijk criticus

tot een diner in het Café Anglais uit te noodigen. Deze zou, zoo

beweerde zij, wanneer hij haar had leeren kennen, de administratie wel

dwingen de deuren wijd voor haar open te zetten. Het was geen

gemakkelijke taak den criticus die uitnoodiging te doen aannemen, want

hij ging voor een knorrig en streng heer door. Dutheil had dan ook drie

dagen al zijn diplomatie moeten gebruiken en al zijn invloeden in het

vuur brengen. Maar nu straalde hij: hij had overwonnen.

“Vanavond, waarde baron, vanavond om half acht. Bliksems, het heeft mij

meer moeite gekost dan er een premieleening door te krijgen.”

Hij lachte met de vroolijke onbeschaamdheid van een pretmaker, die

weinig last van zijn politiek geweten had. Zelfs had hij veel pleizier

in zijn toespeling op de nieuwe publicatie van de Voix du Peuple.

“Maak geen gekheid,” fluisterde Fonsègue heel zacht, die het aardig

vond Dutheil wat bang te maken. “Het staat heel slecht.”

Dutheil werd heel bleek en zag reeds den commissaris van politie en

Mazas voor zich. Maar in zijn volkomen en naïef gemis aan iederen

moreelen zin, stelde hij zich dadelijk gerust en begon weer te lachen.

Lieve hemel, het leven was toch zoo mooi!

“Kom,” antwoordde hij vroolijk, terwijl hij in de richting van

Duvillard knipoogde; “daar heb je mijn beschermer!”

Deze had hem dankbaar de hand gedrukt en gezegd, dat hij een aardige

jongen was. En zich tot Fonsègue wendende:

“Zeg, je moet vanavond ook van de partij zijn. Ja, je moet, want ik

wil, dat Silviane een imponeerenden indruk maakt. Dutheil zal de Kamer

vertegenwoordigen, jij de journalistiek en ik de financiën.”

Hij viel zich plotseling in de rede, daar hij Gérard, die zich langzaam

en met een ernstig gezicht een weg door al de vrouwenrokken baande,

zag. Hij riep hem met een gebaar.

“Gérard, je moet me een dienst bewijzen.”

Dan vertelde hij waar het om ging—dat de invloedrijke criticus de

uitnoodiging aangenomen had, dat het diner over Silviane’s toekomst

beslissen zou, dat al haar vrienden verplicht waren zich om haar te

scharen.

“Ik kan niet,” antwoordde de jonge man verlegen; “ik dineer bij mijn

moeder, die zich vanochtend niet al te lekker voelde.”

“Je moeder is te verstandig, om niet te begrijpen, dat er dingen van

buitengewoon en exceptioneel belang zijn. Ga weer naar huis terug,

vertel haar het een of ander, zeg haar, dat het geluk van een vriend op

het spel staat.”

En toen Gérard al zwak begon te worden, voegde hij er aan toe:

“Ik heb je noodig, beste jongen, ik heb een man uit de hooge kringen

noodig. Je weet welk een groote macht de hooge kringen op het tooneel

vormen. Als Silviane die op haar hand heeft, is haar overwinning

verzekerd.”

Gérard beloofde te zullen komen en bleef dan nog een oogenblik met zijn

oom, generaal de Bozonnet, staan praten, die dit gekrioel van vrouwen,

waarin hij als een oud, afgetuigd schip ronddreef, heel aardig vond.

Nadat hij madame Fonsègue voor haar welwillendheid, om naar hem te

luisteren, bedankt had door voor honderd francs een autogram van

monseigneur Martha van haar te koopen, raakte hij verdwaald onder den

zwerm jonge meisjes, die hem elkaar als het ware toewierpen. Toen hij

eruit kwam, had hij zijn handen vol loten.

“Jongen, ik raad je aan je niet onder die jonge dames te wagen. Je

laatsten sou zou je erbij inschieten!... Kijk, mademoiselle Camille

roept je!”

Inderdaad wachtte deze op Gérard, sedert zij hem gezien had. Zij

glimlachte uit de verte tegen hem, en toen hun oogen elkaar ontmoetten,

moest hij wel naar haar toe gaan, ofschoon hij op hetzelfde moment den

wanhopigen blik van Eve, die hem ook smeekend riep, op zich voelde

rusten. Camille, die merkte, dat haar moeder geen oog van haar af had,

overdreef dadelijk haar vriendelijkheid als verkoopster en maakte van

de kleine vrijheden, die de liefdadigheidskoorts toestond, gebruik,

stopte de zakken van den jongen man vol met allerlei kleine voorwerpen,

gaf hem andere in zijn handen, die zij tusschen de hare drukte—en dat

alles met een jeugdigen overmoed, met een luid, frisch gelach, dat de

andere, haar mededingster, martelde.

Eve leed er zeer onder, wilde naar hen toegaan, hen scheiden. Maar

juist op dat oogenblik werd zij tegengehouden door Pierre, die op een

denkbeeld gekomen was, dat hij, alvorens den bazar te verlaten, aan

haar oordeel onderwerpen wilde.

“Nu Laveuve dood is en u zooveel moeite gegeven hebt voor het bed, dat

nog vrij is, zou ik u willen vragen zoo goed te willen zijn er nog niet

over te beschikken, voor ik abbé Rose gesproken heb. Ik zie hem

vanavond, en hij, die zooveel ellende kent, zal zoo blij zijn er

tenminste één te kunnen verlichten en een van zijn armen naar het Asile

te kunnen brengen.”

“Natuurlijk,” stamelde de barones; “ik zal zoo gelukkig zijn... zooals

u wilt... Ik zal nog wachten... Ongetwijfeld, ongetwijfeld, mijnheer de

abbé!”

Heel haar arm, lijdend wezen beefde. Zij wist niet meer wat zij zeide,

zij kon haar hartstocht niet overwinnen, liet den pastoor staan en

merkte niet eens, dat hij daar stond, toen Gérard, gehoor gevend aan

het smartelijke smeeken van haar blik, erin slaagde het jonge meisje te

ontsnappen, om eindelijk naar de moeder te gaan.

“Wat kom je toch weinig, lieve vriend!” zeide zij hardop en

glimlachend. “We zien je bijna niet meer!”

“O, ik voelde mij niet lekker,” antwoordde hij vriendelijk.

Hij ziek! Vol moederlijke bezorgdheid keek zij hem aan, en het kwam

haar inderdaad voor dat zijn correct, knap mannegezicht ondanks de

trotsche, voorname uitdrukking wat bleeker was, dat de edele buitenkant

het onherstelbaar innerlijk verval minder verborg. Ja hij met zijn

aangeboren goedheid moest wel lijden onder zijn onnut, mislukt leven,

onder al het geld, dat hij aan zijn arme moeder kostte, wat hem ten

slotte wel tot dit huwelijk met dit rijke, mismaakte meisje, dat hij

was gaan beklagen, drijven zou. Zij voelde, dat hij zelf zóó zwak was,

als een wrak door een storm zóó heen en weer geslingerd werd, dat haar

hart volschoot en zij, nauwlijks fluisterend, vurig smeekte te midden

van deze menigte, die alles hooren kon.

“Als jij lijdt—ik niet minder!... Gérard, we moeten elkaar spreken, ik

wil het.”

“Neen, laten we nog wat wachten!” stamelde hij verlegen.

“Het moet, Gérard. Camille heeft me je plannen verteld. Je kunt niet

weigeren me te zien. Ik wil je spreken.”

Bevend trachtte hij nogmaals de wreede verklaring te vermijden.

“Maar daar is het onmogelijk; ze kennen het adres.”

“Nu, dan morgen om vier uur in het kleine restaurant van het Bois de

Boulogne, waar we al eens meer geweest zijn.”

Hij moest het beloven en zij namen afscheid. Camille draaide zich om en

keek naar hen. Een groote menigte vrouwen belegerde den “stand” en de

barones begon op haar nonchalante manier te verkoopen, terwijl Gérard

zich weer bij Duvillard, Fonsègue en Dutheil voegde, die door het

vooruitzicht op het diner zeer opgewonden waren.

Pierre had het gesprek gedeeltelijk gehoord. Hij kende de geheimen van

het huis, de marteling, de physiologische en moreele ellende, die door

den glans van zooveel rijkdom en macht verborgen werd. Het was een

steeds dieper invretende, vergiftigde wond: een knagende ziekte

verteerde vader, moeder, zoon en dochter, bij wie alle maatschappelijke

banden losgeraakt waren. Om de salons te kunnen verlaten, moest Pierre

zich een weg banen door de menigte der koopsters, die uit den triomf

van den bazar een manifestatie wilden maken. En daar ergens in de

verte, in het diepe donker rende Salvat onophoudelijk voort, terwijl

Laveuve, de doode, als het ware een kaakslag van bittere ironie in het

aangezicht der bedriegelijke, lawaaierige barmhartigheid was.

De drie steden: Parijs · 第 17 / 35 题