Om half twee was Pierre in de rue d’Ulm, waar Bertheroy een vrij groot
huis bewoonde, dat de Staat hem gegeven had, om er een laboratorium in
te richten. De geheele eerste etage was verbouwd tot een groote zaal,
waarin de beroemde scheikundige meermalen een beperkt aantal leerlingen
en bewonderaars ontving, voor wie hij voordrachten hield, proeven deed
en een uiteenzetting gaf van zijn nieuwe ontdekkingen en theorieën.
Bij zulke gelegenheden werden enkele stoelen gezet voor de lange,
massieve, met flesschen en toestellen overvulde tafel. Daarachter stond
de oven, terwijl met glazen fleschjes en allerlei modellen gevulde
vitrines om het vertrek heen liepen. De stoelen waren reeds ingenomen,
hoofdzakelijk door collega’s van den geleerde, enkele jongelieden,
zelfs dames en journalisten. Er heerschte een familiare toon, er werd
met den meester gesproken, als ware men bij hem thuis.
Zoodra Bertheroy Pierre zag, ging hij naar hem toe, drukte hem
vriendschappelijk de hand en bracht hem naar de tafel, om hem een
plaatsje te geven naast François Froment, die reeds eerder gekomen was.
De jonge man was nu bijna aan het einde van het derde jaar aan de École
Normale, die vlak in de buurt was, zoodat hij maar een paar stappen
behoefde te doen, om bij zijn meester te komen, den man, dien hij
eerbiedig als het grootste genie van dien tijd beschouwde. Pierre was
zeer ingenomen met die ontmoeting, want de flinke jongen met zijn
levendige oogen in zijn hoog, intellectueel gezicht had na zijn bezoek
aan Montmartre een zeer prettigen indruk bij hem achtergelaten. De
jonge man begroette met de oprechte expansie der jeugd zijn oom
hartelijk, blij tevens weer iets van zijn vader te hooren.
Bertheroy begon. Hij sprak familiaar, heel eenvoudig en met gelukkige
woordvondsten. Eerst gaf hij een résumé van de reeds door hem gedane
onderzoekingen over en proeven met springstoffen. Lachend vertelde hij,
dat hij meermalen bommen onder handen had, om de geheele wijk in de
lucht te laten vliegen. Maar hij stelde zijn gehoor gerust; hij was
voorzichtig. Ten slotte sprak hij over de bom van de rue
Godot-de-Mauroy, waarover geheel Parijs sedert enkele dagen sprak. De
overblijfselen waren nauwkeurig onderzocht door deskundigen, en ook hem
had men een stuk gebracht, om er zijn meening over te zeggen. De bom
scheen van een tamelijk slecht maaksel; zij was met stukjes ijzer
geladen en met een lont van kinderlijke constructie voorzien. Het
buitengewone was de vreeselijke kracht van de binnenpatroon, welke, hoe
klein zij ook geweest moest zijn, die verschrikkelijke uitwerking gehad
had. Men vroeg zich af welke een onberekenbare vernielingskracht men
krijgen zou, als die lading vertien- of verhonderdvoudigd werd.
Hier begon de moeilijkheid: zoodra men over samenstelling van de
gebruikte springstof redeneerde, werd het probleem door de discussies
verward. Van de drie deskundigen beweerde de een, dat het eenvoudig
dynamiet was, terwijl de beide anderen—zonder het onderling eens te
zijn—aan een mengsel geloofden. Wat hem betreft, hij had, heel
bescheiden, zijn meening niet willen zeggen, de brokstukken, die men
hem voorgelegd had, hadden te weinig sporen behouden dan dat hij ze aan
een analyse had kunnen onderwerpen. Hij wist niets, kon geen conclusie
geven. Maar het was zijn overtuiging, dat men hier te doen had niet een
nieuw explosiemiddel, welks kracht alles wat men tot nu toe gevonden
had, overtrof. Hij vermoedde, dat de een of andere onbekende geleerde
of wel een van die naïeve uitvinders, welke een gelukkige hand bezaten,
in het geheim de formule van dit explosiemiddel ontdekt had. En hier
wilde hij juist op neerkomen, op de talrijke, nog onbekende
springstoffen, op de binnenkort te verwachten ontdekkingen, die hij
voorzag. Hij wees zelfs den weg aan, dien men betreden moest. Volgens
zijn oordeel lag daarin de toekomst. Dan zeide hij in een uitgewerkte,
prachtige peroratie, dat men tot nog toe de explosiemiddelen onteerd
had door ze te gebruiken, om op dolzinnige wijze zijn wraak te koelen
en verwoestingen aan te richten, terwijl er misschien juist de door de
wetenschap gezochte bevrijdende kracht in lag, de hefboom, die de
wereld omhoog heffen en veranderen zou, zoodra men ze getemd en ertoe
beperkt zou hebben, om niets anders te zijn dan de gehoorzame dienaren
des menschen.
Gedurende deze geheele, nauwelijks anderhalf uur lange voordracht
voelde Pierre, hoe François, die naast hem zat, bij het zien van de
wijde horizonten, die de meester opende, beefde en in geestdrift
geraakte. Hem zelf had de voordracht buitengewoon geïnteresseerd, want
hij moest of hij wilde of niet sommige toespelingen begrijpen en zekere
betrekkingen tusschen hetgeen hij gehoord had en dat wat de angst van
Guillaume hem verraden had—het geheim, dat deze zoo bang was
prijsgegeven te zien aan den rechter van instructie—voelen. Toen hij,
alvorens met François weg te gaan, Bertheroy de hand ging drukken,
zeide hij dan ook met een bepaalde bedoeling:
“Het zal Guillaume wel spijten, dat hij u deze wondermooie denkbeelden
niet heeft hooren ontwikkelen.”
“Kom, kom!” zeide de geleerde glimlachend. “Resumeer jij maar voor hem
wat ik gezegd heb. Hij zal het best begrijpen, want hij weet er meer
van dan ik.”
François, die in tegenwoordigheid van den beroemden geleerde als een
eerbiedig leerling het zwijgen bewaard had, kon, toen zij samen een
paar passen op straat gedaan hadden, zich niet weerhouden te zeggen:
“Hoe jammer toch dat een man met een zoo breed inzicht, bevrijd van
alle bijgeloof en voor geen waarheid terugdeinzend, zich heeft laten
classificeeren, etiquetteeren en opsluiten in titels en Academies! Wat
zouden wij nog meer van hem houden, als hij minder van de staatsruif at
en zijn ledematen niet zoo door grootkruisen gebonden waren!”
“Wat zal ik je daarvan zeggen?” zeide Pierre verzoenend. “Je moet nu
eenmaal leven! En trouwens ik geloof, dat hij in den grond der zaak van
dat alles vrij is!”
Daar zij bij de École Normale waren, bleef Pierre, die dacht, dat de
jonge man daarheen terug moest, staan. Maar deze keek slechts even naar
het oude gebouw.
“Neen, neen, het is Donderdag, ik ben vrij... We hebben veel vrij,
eigenlijk te veel. Niet, dat ik het niet prettig vind, want daardoor
ben ik in staat dikwijls naar Montmartre te gaan en daar aan mijn oude
tafel te werken. Dáár alleen voel ik mijn hersens heelemaal vrij en
helder.”
François, die zoowel tot de École Polytechnique als tot de École
Normale toegelaten was, had deze laatste gekozen en was in de
wetenschappelijke afdeeling ingeschreven. Zijn vader wilde, dat hij een
beroep en wel dat van onderwijzer koos; later zou het hem, wanneer de
omstandigheden dat veroorloofden, vrijstaan onafhankelijk te blijven en
zich alleen met zijn studies bezig te houden. Hoewel nog heel jong, was
hij nu reeds bijna aan het eind van zijn derde jaar en bereidde hij
zich voor voor zijn laatste examen, dat thans al zijn tijd in beslag
nam. Hij gunde zich geen andere rust dan zijn bezoeken aan Montmartre
en lange wandelingen in den Jardin du Luxembourg.
Werktuigelijk ging François ook nu weer naar dien tuin, waarheen Pierre
hem al pratend volgde. Het was een lente-zachte Februarimiddag, waarop
een bleeke zon op de nog zwarte boomen scheen, een van die eerste mooie
dagen, welke de kleine groene puntjes der seringen doen ontspruiten.
Het gesprek liep over de École Normale.
“Ik moet je eerlijk zeggen,” zeide Pierre, “dat ik den heelen opzet
daarvan niet gelukkig vind. Zeker er wordt uitstekend werk geleverd, en
het eenige middel, om goede leerkrachten te vormen, bestaat blijkbaar
daarin, dat men ze volpropt met al de vereischte kennis. Maar de
verkeerde kant der zaak is, dat niet allen, die voor het onderwijs
opgeleid worden, onderwijzers worden. Velen verstrooien zich over de
wereld, gaan in de journalistiek, doen niets anders dan de kunst, de
litteratuur en de maatschappij bedillen. En die zijn feitelijk
onverdragelijk... Nadat zij eerst slechts bij Voltaire gezworen hebben,
wenden zij zich eensklaps tot het spiritualisme, de mystiek, de laatste
mode der salons. Het dilettantisme en het kosmopolitisme werpen verder
nog een duit in het zakje. Sedert het vaste geloof aan de wetenschap
iets ruws en onelegants geworden is, meenen zij de professorale toga
uit te trekken door een beminlijken twijfel, een opzettelijke
onwetendheid, een aangeleerde onnoozelheid te huichelen. Hun grootste
vrees is naar de École te ruiken; zij zijn op en top Parijzenaars en
nemen, louter om te behagen het air van jonge gedresseerde beren aan.
Vandaar die sarcastische pijlen, die zij op de wetenschap
afschieten—zij, die er aanspraak op maken, alles te weten en die, omdat
het zoo voornaam lijkt, terugkeeren tot het geloof der eenvoudigen, tot
het naïeve en lieflijke idealisme van Jezus in de kribbe.”
“Het portret is een beetje overdreven, maar het is zoo, het is zoo,”
lachte François.
“Ik heb er verscheidene zoo gekend,” ging Pierre, die zich opwond en in
geestdrift geraakte, voort. “En bij allen heb ik dien angst
teruggevonden, om voor onnoozel aangezien te worden, een angst, die
uitloopt op de reactie tegen alle inspanning, tegen al het werk der
eeuw: tot afkeer van de vrijheid, tot wantrouwen tegenover de
wetenschap, tot het loochenen der toekomst. Mijnheer Homais [5] is voor
hen het toppunt van het belachelijke; de vrees, om op hem te gelijken
drijft hen ertoe niets te gelooven of slechts het ongelooflijke te
gelooven. Nu is mijnheer Homais ongetwijfeld belachelijk, maar hij
blijft tenminste op vasten bodem. En waarom zou hij den eerbied voor
het oordeel der wereld niet trotseeren en zelfs waarheden als koeien
zeggen, terwijl zooveel anderen dien trotseeren—ja zich zelfs daarop
beroemen—door neer te knielen voor het absurde? Al is het banaal
geworden, om te zeggen, dat tweemaal twee vier is, daarom blijft het
toch vier. En dat te zeggen is nog minder dwaas en krankzinnig dan
bijvoorbeeld aan de wonderen van Lourdes gelooven.”
Verwonderd keek François den priester aan. Deze bemerkte het en hield
zich wat in. Maar toch braken zich wanhoop en woede baan, wanneer hij
sprak over de intellectueele jeugd, zooals hij zich die in zijn aanval
van vertwijfeling voorstelde. Zooals hij daar in die wijk der ellende
medelijden gehad had met de van honger stervende arbeiders, zoo was hij
hier vol van een smartvolle verachting voor de jonge geesten, aan wie
het tegenover de wetenschap aan moed ontbrak, die tot den troost van
een leugenachtig spiritualisme, tot de belofte van een eeuwig geluk in
den gewenschten, uitbundig geprezen dood terugkeerden. Was de laffe
gedachte het leven niet ter wille van het leven zelf, ter wille van den
eenvoudigen plicht om te bestaan en zijn krachten te geven, niet de
moord zelf op het leven? Steeds vormt het Ik het middelpunt, steeds
eischt het individu gelukkig te zijn door zich en in zich. O, hoe
wanhopig stemde het hem te moeten gelooven, dat deze jeugd, van wie hij
gedroomd had, dat zij dapper de taak aanvaardt de waarheid steeds meer
tegemoet te gaan, dat zij het verleden slechts bestudeerde, om zich van
haar te bevrijden en de toekomst tegen te gaan, hoe wanhopig stemde het
hem te moeten gelooven, dat hij haar uit uitputting en traagheid en
misschien ook ten gevolge van de overspanning van een ten einde
spoedende, door menschenarbeid overladen eeuw in metaphysische
dubbelzinnigheden zou zien terugvallen.
François begon weer te glimlachen.
“Maar u vergist u, als u denkt, dat wij allen op de École zoo zijn... U
schijnt slechts de leerlingen der litteraire afdeeling te kennen en u
zoudt ongetwijfeld van meening veranderen, als u die der
natuurwetenschappelijke afdeeling leerde kennen... Het is ongetwijfeld
waar, dat bij onze litteraire kameraden een reactie tegen dat
positivisme duidelijk merkbaar is, dat het denkbeeld van het beruchte
bankroet der wetenschap hen overal vervolgt. Dat staat natuurlijk in
verband met de leermeesters, die zij hebben, met de neo-spiritualisten
en dogmatische rhetorici, in wier handen zij gevallen zijn. En nog meer
staat het in verband met de mode, met den tijdgeest, die, zooals u zoo
juist hebt opgemerkt, wil, dat de wetenschappelijke waarheid plomp,
zonder gratie en zoo ruw is, dat zij voornamer en fijner besnaarden
geesten onaanneembaar toeschijnt. Een jongmensch, dat op eenigszins
hoogere beschaving aanspraak maakt en in den smaak vallen wil, moet
noodgedwongen aan den nieuwen geest meedoen.”
“O, de nieuwe geest,” riep Pierre uit met een kreet, dien hij niet
onderdrukken kon; “die nieuwe geest bezit niet de onschuld van een
vluchtige mode; hij is een taktiek, en een vreeselijke taktiek, een
reactie van de duisternis tegen het licht, van de slavernij tegen de
bevrijding der geesten, tegen waarheid en gerechtigheid.”
Toen de jonge man hem weer, steeds meer en meer verbaasd aankeek, zweeg
hij. De gestalte van monseigneur Martha was voor hem opgerezen en hij
meende te hooren, hoe deze op den kansel der Madeleine trachtte Parijs
weer te heroveren voor de Roomsche politiek, voor het zoogenaamde
neo-Katholicisme, dat van de democratie en van de wetenschap
aanvaardde, wat hij zich toeëigenen kon, om het dan te verwoesten. Dat
was de beslissende strijd, en al het vergif, dat de jeugd toegediend
werd, kwam van daar. Hij wist heel goed, welke pogingen er in de
geestelijke kweekscholen gedaan werden, om in de waanzinnige hoop
daardoor de nederlaag der wetenschap te bespoedigen, aan deze herleving
van het mysticisme mede te werken. Men zeide, dat monseigneur Martha op
de Katholieke universiteit almachtig was, dat hij zich meermalen tegen
zijn vertrouwde vrienden uitgelaten had, dat er drie generaties
geloovige en gedweeë leerlingen noodig waren, voor de Kerk weer de
souvereine meesteres van Frankrijk zou kunnen zijn.
“Neen, wat de École Normale betreft, vergist u zich beslist,” zeide
François nogmaals. “O, zeker er zijn ongetwijfeld enkele
strenggeloovigen. Maar zelfs in de letterkundige afdeeling is de groote
meerderheid in den grond der zaak skeptisch aangelegd. Voor alles zijn
zij, hoewel zij zich daarover een beetje schamen, onderwijzers en
worden daardoor door de ironie van geëmancipeerde schoolvossen
aangestoken, en, tot oorspronkelijke scheppingen niet in staat, door
een kritischen geest verteerd. Het zou mij dan ook zeer verwonderen,
indien uit hun rangen het verwachte genie te voorschijn kwam. Het ware
te wenschen, dat een barbaarsch genie, zonder geleerdheid, zonder
kritiek, zonder overwegingen en zonder nuances, de eeuw van morgen met
bijlslagen onder een mooi opvlammen van waarheid en werkelijkheid
opensloeg. En wat mijn kameraden der natuurwetenschappelijke afdeeling
betreft, verzeker ik u, dat het neo-Katholicisme, het mysticisme,
occultisme en alle mode-phantasmagorieën op hen geen enkelen invloed
hebben. Zij denken er niet aan van de wetenschap een godsdienst te
maken, blijven zeer toegankelijk voor den twijfel, maar zijn over het
algemeen heldere en krachtige, zekerheid wenschende koppen, die zich
geheel geven aan het onderzoek, welks arbeid zich over het ontzaglijke
veld der menschelijke kennis verbreidt. Zij wankelen niet, zij blijven
overtuigde positivisten, revolutionnisten, deterministen, die van de
waarneming en de ervaring de slotoverwinning over de wereld
verwachten.”
Hij zelf wond zich nu op en liet in de rustige, zonnige lanen van den
tuin, aan zijn geloof den vrijen loop.
“Kent men de jeugd ooit? Het maakt je aan het lachen, wanneer men ziet
hoe alle soorten van apostelen om haar strijden, haar tot zich trekken,
haar wit of zwart of grijs noemen, al naar mate de kleur, die zij voor
den triomf van hun denkbeelden noodig hebben. De ware jeugd huist in de
scholen, in de laboratoria, in de bibliotheken. Die jeugd werkt, die
jeugd brengt de toekomst, niet de zoogenaamde jeugd der vereenigingen,
manifesten en dergelijke buitensporigheden. Natuurlijk maakt die veel
lawaai, hoort men haar slechts. Maar als u de aanhoudende pogingen, den
hartstocht eens kende van de anderen, die, opgesloten in hun taak,
zwijgen. Zoo ken ik er veel. Zij gaan mede met de eeuw, hebben geen
enkele van haar verwachtingen verworpen en schrijden
steeds—vastbesloten het werk van hun voorgangers voort te zetten—de
nieuwe eeuw, steeds meer het licht, steeds meer de vrijheid tegemoet.
Ga met hen spreken en praat met hen over het bankroet der wetenschap!
Zij zullen de schouders ophalen, want zij weten heel goed, dat de
wetenschap nooit de harten meer ontvlamd, nooit wonderdadiger
veroveringen gemaakt heeft. Laat men de scholen, de laboratoria, de
bibliotheken sluiten, den maatschappelijken bodem geheel veranderen—dan
eerst zou men kunnen vreezen, dat de dwaling weer opnieuw opschoot, de
dwaling, die zoo zoet is voor zwakke harten en bekrompen hersens!”
Maar zijn mooie geestdrift werd onderbroken. Een groote, blonde jonge
man bleef staan, om François de hand te drukken. Tot zijn verbazing zag
Pierre, dat het de zoon van baron Duvillard, Hyacinthe, was, die hem
overigens zeer correct groette. De jongelieden tutoyeerden elkaar.
“Wat, jij in onze oude wijk, in de provincie?”
“Ja, ik moet achter het Observatorium, bij Jonas, zijn... Ken je Jonas
niet? God, een geniaal beeldhouwer, die er bijna in geslaagd is de
materie te onderdrukken. Hij heeft “De Vrouw” gemodelleerd, niet langer
dan een vinger—niets dan ziel, zonder de ignobele gemeenheid der
vormen, en toch geheel de Vrouw in haar essentieel symbool. Het is
grootsch, het is verpletterend. Het is een schoonheidsleer, een
godsdienst!”
François keek hem glimlachend aan. De lange, nauwsluitende jas en zijn
opgemaakt gezicht met het gesoigneerde hoofd- en baardhaar gaven hem
geheel het uiterlijk van een hermaphrodiet.
“En jij? Ik dacht, dat je aan het werk was, dat je eerstdaags een
gedicht zou publiceeren?”
“Och, beste kerel, het scheppen kost mij zooveel moeite! Een vers kost
mij weken... Ja, ik heb een klein gedichtje gemaakt: Het einde der
Vrouw. Je ziet, dat ik niet zoo exclusief ben als men wel zegt, want ik
bewonder Jonas, die nog aan de noodzakelijkheid van het bestaan der
Vrouw gelooft. Zijn excuus is die ruwe, materieele beeldhouwkunst! Maar
lieve hemel, wat heeft men in de poëzie de Vrouw misbruikt! Wordt het
heusch geen tijd haar daaruit te verjagen, om den tempel eindelijk eens
te reinigen van het vuil, waarmede haar gebreken als vrouw haar
bezoedeld hebben? Hoe walgelijk is die vruchtbaarheid, het moederschap
en al wat erbij komt! Als we allen rein en fijngevoelig genoeg waren,
om er geen een meer aan te raken, en ze allen onvruchtbaar zouden
sterven! Dat zou tenminste een fatsoenlijk einde zijn, niet waar?”
En met deze woorden, die hij op zijn gewone, kwijnende manier gezegd
had, ging hij heupwiegelend verder.
“Ken je hem?” vroeg Pierre.
“Ja, ik heb op het Lyceum Condorcet alle klassen met hem doorloopen.
Een zeldzaam grappig type! Een luilak, die tot in zijn dassen toe
geurde met de millioenen van zijn vader en zich aanstelde, alsof hij er
zijn neus voor optrok; hij poseerde als een revolutionnair en zeide,
dat hij de bom, die de wereld in de lucht zou laten vliegen, met zijn
sigaret aansteken zou. Schopenhauer, Nietzsche, Tolstoi en Ibsen
vereenigd! En nu ziet u wat er van hem geworden is: een zieke en een
hansworst!”
“Het is een verschrikkelijk symptoom, dat juist de zonen der gelukkigen
en bevoorrechten uit verveling en moeheid ten gevolge van de
aanstekelijke vernielingswoede, het slooperswerk beginnen willen.”
François was doorgeloopen tot den vijver, waarin kinderen een heel
eskader bootjes lieten varen.
“Dit is nu nog maar een hansworst... Maar hoe kan men deze mystiek,
deze herleving van het spiritualisme, welke door de doctrinairen van
het beruchte bankroet der wetenschap gepropageerd wordt, werkelijk als
ernst beschouwen, wanneer men ziet hoe het na een zeer korte evolutie
uitloopt op dergelijke dolzinnigheden in litteratuur en kunst? Enkele
jaren van invloed zijn voldoende geweest en het satanisme, het
occultisme en al dergelijke afdwalingen staan in vollen bloei—afgezien
er nog van, dat Sodom en Gomorrha, naar het heet, zich met het nieuwe
Rome verzoend hebben. Aan de vruchten kent men den boom, niet waar? En
lijkt het niet, alsof wij in plaats van getuige te zijn van een
renaissance, van een het verleden terugbrengende, diepe sociale
beweging, eenvoudig een voorbijgaande reactie, die door heel wat
oorzaken verklaard kan worden, bijwonen? De oude wereld wil niet
sterven, verzet zich in een laatste stuiptrekking en schijnt voor een
uur weer te herleven, alvorens door den buiten zijn oevers getreden
stroom der menschelijke kennis, die steeds grooter golven vormt,
meegesleurd te worden. Dat is de toekomst, dat is de nieuwe wereld, die
de ware jeugd zal wekken—de jeugd, die werkt, die men niet kent, die
men niet hoort... Maar luister eens scherp toe, misschien zult u haar
dan hooren, want wij zijn hier in haar woning: de groote stilte, die
ons omgeeft, is het gevolg van den vlijt der vele jonge koppen, die
zich over de werktafel, het boek, de geschreven bladzijde buigen en de
waarheid dagelijks meer veroveren.”
Met een breed gebaar wees François aan de andere zijde van den Jardin
du Luxembourg naar de instituten, de lycea, de hoogescholen, de
juridische en geneeskundige faculteit, het Institut met zijn vijf
Académies, de tallooze bibliotheken en musea, het geheele gebied van
den intellectueelen arbeid, dat een reusachtig veld van het onmetelijke
Parijs uitmaakt. Pierre was bewogen, werd in zijn loochening geschokt.
Hij meende inderdaad uit de schoollokalen, uit de sectiekamers, uit de
laboratoria, uit de bibliotheken, uit de studeerkamers zelfs, het
geweldige, doffe geluid van den arbeid van al die druk bezige hersens
te hooren. Het was niet het stootende, ademlooze sidderen, het
lawaaiige dreunen der fabrieken, waarin het handwerk zich aftobt en
prikkelt. Maar ook hier klonk de zucht even mat, was de inspanning even
moorddadig, de vermoeiende arbeid even vruchtbaar. Was het dus waar,
dat de intellectueele jeugd steeds in haar zwijgende smidse staat, geen
enkele hoop laat varen, geen verovering opgeeft en in volle vrijheid
van geest de waarheid en gerechtigheid van morgen met de onoverwinlijke
hamers van waarneming en ervaring smeedt?
François keek op de klok van het Paleis van Justitie.
“Ik ga naar Montmartre. Loopt u nog een eind mede?”
Pierre nam de uitnoodiging aan, te meer daar de jonge man eraan
toevoegde, dat hij eerst zijn broer Antoine in het Musée du Louvre
halen wilde. Op den helderen namiddag heerschte in de bijna ledige
zalen der schilderijengalerij, wanneer men van de lawaaierige en drukke
straten komt, een warme, voorname rust. Er waren slechts copiisten, die
in een diepe, slechts door de stappen van enkele ronddwalende
vreemdelingen gestoorde stilte werkten. Antoine zat aan het einde der
Primitievenzaal, waar hij met iets als vrome toewijding een studie naar
Mantegna teekende. Maar bij die Primitieven wekte niet de mystiek, de
ideëele vlucht, welke de mode erin ziet, zijn hartstocht op, maar
integendeel—en wel met volle recht—de oprechtheid der naïeve realisten,
hun bescheiden eerbied voor de natuur, de tot in de kleinste
bijzonderheid afdalende eerlijkheid, waarmede zij haar zoo getrouw
mogelijk trachtten weer te geven. Heele dagen lang was hij ijverig
bezig ze te copieeren, ze te bestudeeren, om van hen de strengheid van
teekening, de hooge oorspronkelijkheid, die zij aan hun oprechtheid van
eerlijke kunstenaars te danken hebben, te leeren kennen.
Pierre werd door de reine vlam, welke dit ingespannen werken in de
lichtblauwe oogen van Antoine gebracht had, getroffen. Het gewoonlijk
in zacht gepeins verzonken gelaat van den blonden kolos was als verhit
en gloeide koortsachtig; het hooge torenvormige voorhoofd, dat hij van
zijn vader geërfd had, maakte den indruk van een citadel, die ten volle
gewapend was voor de verovering der waarheid en der schoonheid. De
geheele geschiedenis van den achttienjarige bestond hierin: in zijn
derde studiejaar had een weerzin tegen de klassieke studiën zich van
hem meester gemaakt, zijn hartstocht voor het teekenen bracht zijn
vader ertoe hem van het lyceum te nemen, waar hij absoluut geen
vorderingen maakte; daarna bracht hij zijn dagen door, om zichzelf te
zoeken, om de diepe oorspronkelijkheid, waarvan het gebiedende
bewustzijn zoo luid in hem gesproken had, in zichzelf los te maken. Hij
had het met kopergravures en met etsen geprobeerd. Maar al heel gauw
was hij teruggekeerd tot de houtsnede en bleef daarbij,
niettegenstaande deze, door de industrieele procedé’s verlaagd, in
discrediet geraakt was. Was hier niet een geheele kunst te verbreeden,
haar nieuw leven te schenken?
Hij droomde ervan zijn eigen teekeningen in hout te snijden, het brein
te zijn, dat leven verwekte, en de hand, die uitvoerde, om nieuwe
uitwerkingen van goede kracht van visie en uitdrukking te verkrijgen.
Om zijn vader, die eischte, dat al zijn zoons een beroep zouden
uitoefenen, te gehoorzamen, verdiende hij zijn dagelijksch brood door
houtsneden voor geïllustreerde bladen te maken. Maar naast dit gewone
werk had hij reeds eenige platen van buitengewoon krachtige en
levensware uitdrukking gemaakt: copieën naar de werkelijkheid,
tooneelen uit het dagelijksch leven, die een voor een zoo jongen man
verbijsterend meesterschap verrieden.
“Wil je dat in hout snijden?” vroeg François, toen zijn broeder de
copie weer in zijn portefeuille deed.
“Neen, dit is maar een les, om bescheiden en eerlijk te leeren zijn.
Het tegenwoordige leven is zoo heel anders.”
Op straat begon Antoine tegen Pierre, die voor de broers een steeds
grootere sympathie voor zich voelde opkomen, over zijn kunstdroom te
spreken.
“De kleur is een macht, een hooge bekoring; men kan zeggen, dat zonder
haar geen volkomen levenswaarheid bestaat. Toch—en dat is vreemd—is zij
voor mijniet onontbeerlijk. Het is mij alsof ik met wit en zwart het
leven even krachtig, even beslist kan weergeven; ik verbeeld mij zelfs,
dat ik zulks zonder de bedriegelijke huichelarij der kleuren nog
ernstiger, nog essentieeler maken kan... Maar welk een taak. Kijk eens
naar het groote Parijs, dat wij doorgaan! Ik zou het tegenwoordige
oogenblik in enkele tooneelen, in enkele typen willen vastleggen, die
als het ware eeuwige getuigen zouden kunnen zijn. En dat zou ik heel
nauwkeurig, heel naïef willen doen, want de uitdrukking der eeuwigheid
ligt slechts in de eenvoudige onschuld van den kunstenaar, die
deemoedig en geloovig tegenover de altijd mooie natuur staat. Ik heb al
een paar figuren, ik zal ze u laten zien... O, als ik het zou durven
wagen het hout onmiddellijk met de graveerstift aan te grijpen, zonder
eerst mijn hartstocht door het teekenen af te korten!
“Trouwens ik maak alleen maar een potloodschets; de stift kan dan nog
gelukkige invallen, onverwachte kracht en fijnheden uitvoeren. Vandaar
dat de teekenaar en de graveur in mij slechts één persoon vormen,
zoodat ik alleen maar mijn houtsneden uitvoeren kan. De teekeningen
zouden, wanneer zij door een ander gesneden werden, zonder leven zijn.
Wanneer men een schepper van wezens is, ontspringt het leven evenzeer
uit de vingers als uit de hersenen.”
Toen zij met hun drieën beneden aan den Montmartre-heuvel waren en
Pierre met de tram naar Neuilly terug wilde gaan, vroeg Antoine, in
wien de hartstocht koortsachtig brandde, of hij den beeldhouwer Jahan
kende, die voor den Sacré-Cœur werkte. En op Pierre’s ontkennend
antwoord:
“Ga u dan een oogenblik mee naar boven; het is een jongen met een
groote toekomst. U moet het ontwerp van een engel, dat zij geweigerd
hebben, eens zien.”
Toen ook François dezen engel prees, besloot de priester mede te gaan.
Jahan had boven op den heuvel, onder de door den bouw van de Basilica
noodzakelijk geworden barakken in een loods een atelier kunnen
inrichten, dat groot genoeg was om daarin den reusachtigen engel uit te
voeren. De drie bezoekers troffen hem aan in zijn werkkiel, terwijl hij
toezicht hield op het werk van zijn twee helpers; zij waren bezig het
blok steen, waaruit de engel ontstaan moest, af te houwen. Jahan was
een flinke kerel van zes-en-dertig jaar met een grooten, bruinen baard,
een sterken, gezonden mond en mooie, schitterende oogen. Hij was een
geboren Parijzenaar, had de École Normale bezocht en bezat een
hartstochtelijk temperament dat hem voortdurend onaangenaamheden
bezorgde.
“Zoo, komt u naar mijn engel zien, waarvan men in het
aartsbisschoppelijk paleis niets weten wil. Daar is hij.”
Het een meter hooge beeld, waarvan de klei reeds aan het drogen was,
bezat een prachtige vlucht met zijn twee groote ontplooide vleugels.
Het naakte lichaam was dat van een slanken, krachtigen jongeling met
een van vreugde stralend gezicht en scheen als door verrukking omhoog
gedragen te worden.
“Zij vonden mijn engel te menschelijk. En waarachtig, zij hadden
gelijk... Een engel is het moeilijkste wat men zich denken kan. Je
weifelt reeds omtrent het geslacht—is het een jongen of een meisje?
Wanneer bovendien het geloof ontbreekt, dan moet men wel het eerste het
beste model nemen en copieeren... Toen ik dezen maakte, trachtte ik mij
een mooi kind voor te stellen, waaraan vleugels groeiden en dat door de
bedwelming der vlucht in de vreugde der zon omhoog gedragen wordt. Dat
heeft hun aanstoot gegeven, zij hebben iets godsdienstigers gewild en
toen heb ik dat prutswerk daar gemaakt. Je moet toch leven.”
Met een handgebaar wees hij op een andere maquette, aan de uitvoering
waarvan zijn helpers juist begonnen waren: een correcten engel met
symmetrischen ganzevleugels, een lichaam, dat noch op een jongen, noch
op een meisje geleek, en een banalen kop, welke de door de traditie
voorgeschreven onnoozele uitdrukking toonde.
“Wat zal ik je zeggen?” ging hij voort. “Die geheele kerkelijke kunst
is tot de afschuwelijkste banaliteit vervallen. Men gelooft niet meer,
men bouwt kerken als kazernes, men versiert ze met Onze Lieve Heeren en
Madonna’s, waar je bij zoudt kunnen huilen. Het genie kan slechts
opbloeien uit den socialen bodem; de groote kunstenaar kan slechts
voortkomen uit het geloof van zijn eeuw... Zoo ben ik bijvoorbeeld de
kleinzoon van een boer uit Beauce en opgegroeid bij mijn vader, die
naar Parijs gekomen is, om zich in de rue de la Roquette als
marmerbewerker te vestigen. Ik zelf ben ook als werkman begonnen, mijn
geheele jeugd heb ik onder het volk doorgebracht, zonder dat ook maar
het denkbeeld bij mij opgekomen is een voet in de kerk te zetten... Wat
moet er van de kunst worden in een tijd, die niet meer aan God noch aan
de schoonheid gelooft? Men moet wel overgaan tot het nieuwe geloof, en
dat is het geloof in het leven, in den arbeid, in de vruchtbaarheid,
aan alles wat werk en leven schept...”
Hij viel zich plotseling in de rede, om uit te roepen:
“Zeg, ik heb weer aan mijn beeld der Vruchtbaarheid gewerkt en ik ben
er aardig tevreden over... Ga eens mee kijken!”
Hij stond er op hen mede te nemen naar zijn eigen atelier, dat hij
dicht bij het huisje van Guillaume had. Men kwam er door de rue du
Calvaire, die straat, welke eigenlijk niet meer dan een als een ladder
zoo steile, eindelooze trap is. De deur kwam uit op een der kleine
portalen en na eenige treden bevond men zich in een groot, met
maquetten, pleisterbeelden, schetsen overvuld vertrek. Op een voetstuk
stond het beeld der Vruchtbaarheid, waaraan hij bezig was, in vochtige
doeken gewikkeld. Toen hij deze eraf genomen had, kwam zij te
voorschijn met haar krachtig ontwikkelde heupen, haar buik, waaruit een
nieuwe wereld ontstaan zou, haar door de voedende en verlossende
gezwollen boezem van echtgenoote en moeder.
“Nou,” riep hij met een gelukkig lachje; “ik zou zoo denken, dat het
kind van deze niet zoo’n uitgemergeld en verpieterde jongen zal zijn
als de bleeke aesthetici van tegenwoordig en dat hij ook niet bang zal
zijn eveneens kinderen te maken!”
Maar terwijl Antoine en François het beeld bewonderden, werd Pierre’s
aandacht voornamelijk in beslag genomen door een jong meisje, dat de
deur van het atelier voor hen geopend had en dadelijk daarna weer met
een vermoeid uiterlijk aan een klein tafeltje in een boek was gaan
zitten lezen. Het was Lise, Jahan’s twintig jaar jonger zusje, dat na
den dood van haar ouders bij haar broer was komen inwonen. Teer en zwak
van gezondheid, had zij een zeer zacht gezicht, dat door prachtig
aschblond haar omlijst was. Zij kon zich slechts met moeite
voortbewegen en ook haar geest was achterlijk en kinderlijk naïef
gebleven. In den beginne had haar broeder er veel verdriet over gehad,
maar thans was hij aan haar onnoozelheid gewend geraakt, en daar hij
zelf steeds druk in de weer en vol nieuwe plannen was, moest hij haar
wel wat verwaarloozen, liet hij haar als een vleiend kind in zijn huis
leven, zooals zij dat zelf verkoos.
Pierre had opgemerkt met welk een zusterlijke geestdrift Lise Antoine
ontving. En onmiddellijk zag hij, hoe deze, toen hij Jahan met zijn
Vruchtbaarheid geluk gewenscht had, naast het jonge meisje ging zitten,
zich met haar bezig hield, haar allerlei dingen vroeg en naar het boek,
dat zij las, keek. Sedert een half jaar was er tusschen hen een reine,
teere band ontstaan. Hij kon haar van uit den tuin van zijn vader op de
place du Tertre zien door het groote glazen dak van het atelier, waarin
zij haar onschuldig meisjesleven leefde. In den beginne had zij zijn
belangstelling opgewekt, omdat hij haar daar altijd alleen, bijna
verlaten zag; later, toen hij kennis gemaakt had en haar tot zijn
verrukking zoo eenvoudig en bekoorlijk gevonden had, was het
hartstochtelijke verlangen in hem opgekomen haar door liefde tot begrip
en leven te wekken; hij wilde de geest en het hart zijn, die
bevruchten. Wat de broeder niet had kunnen zijn, werd hij voor de teere
plant, die zoozeer een zorgvuldige verpleging, zon en liefde noodig
had. Reeds was hij erin geslaagd haar te leeren lezen, een taak,
waarvoor alle onderwijzeressen teruggeschrikt waren. Zij luisterde naar
hem, begreep hem. Haar mooie heldere oogen in haar onregelmatig gelaat
werden langzamerhand door een vlam van geluk verlevendigd. Dit was het
wonder der liefde: de adem van den jongen geliefde, die zijn geheele
wezen gaf, schiep de vrouw. Weliswaar bleef haar gezondheid zoo teer,
dat men altijd bang was haar in een zachten zucht te zien verscheiden,
ook kon zij nog niet loopen, daar haar voeten te zwak waren, maar zij
was niet meer de kleine wilde, het kwijnende bloempje van de vorige
lente.
Jahan, vol verbazing over het wonder, was naar de jonge lui gekomen.
“Nu, doet je leerling je geen eer aan? Ze leest al heel vloeiend en
begrijpt de mooie boeken, die je voor haar medebrengt, heel goed.
Waarachtig, ze leest me tegenwoordig iederen avond voor.”
Zij sloeg haar reine oogen op en keek Antoine met een glimlach van
oneindige dankbaarheid aan.
“O, ik zal alles kunnen en alles doen, wat hij mij leert.”
Allen begonnen zachtjes te lachen. Toen de drie bezoekers eindelijk
afscheid namen, bleef François voor een maquette, die tijdens het
drogen gesprongen was, staan.
“Een mislukt ontwerp,” zeide de beeldhouwer. “Ik wou een Barmhartigheid
maken, een bestelling voor de een of andere instelling. Maar al mijn
zoeken hielp niets—wat ik vond was zoo banaal, dat ik de klei heb laten
barsten. Maar toch zal ik er weer aan dienen te beginnen.”
Weer buiten kwam Pierre op het denkbeeld naar de basilica van den
Sacré-Cœur te gaan in de hoop daar abbé Rose te zullen aantreffen. Hij
ging dus met de twee broers de rue Gabrielle op en kwam weer op de
trappen van de rue Chappe, die zij opliepen. Toen zij boven voor de met
haar woud van stellingen in den helderen hemel oprijzende kerk kwamen,
vonden zij daar Thomas, die door de rue Lamarck, waar hij aan een
gieter een opdracht wou gaan geven, van de fabriek huiswaarts ging.
“Wat ben ik blij,” riep hij, die gewoonlijk zoo stil en in zichzelf
gekeerd was, stralend van geluk uit. “Ik geloof, dat ik voor onzen
kleinen motor... Zeg aan vader, dat alles goed gaat en dat hij gauw
beter worden moet.”
Bij den blijden uitroep hadden François en Antoine zich in een
plotselinge, gelijktijdige opwelling tegen hun broeder aangedrukt. Zoo
stonden zij daar alle drie tot één dappere groep vereenigd; zij hadden
slechts één hart, dat bij de gedachte, dat de vader zich verheugen, dat
een goede tijding van hen hem helpen zou weer gauw beter te worden, van
één vreugde klopte. Pierre, die ze nu kende, ze op hun waarde schatte
en van hen begon te houden, werd diep getroffen door deze drie zoo
sprekend op elkander gelijkende kolossen, die zoodra hun kinderliefde
opvlamde, zich dadelijk nauwer verwant gevoelden en zoo tot een
heldhaftige phalanx vereenigd werden.
“U moet tegen hem zeggen, dat wij op hem wachten en dat wij op het
eerste teeken bij hem zullen zijn.”
Alle drie drukten den priester krachtig de hand. En toen hij hen
nakeek, terwijl zij zich verwijderden in de richting van het huisje,
waarvan de tuin boven den muur van de rue Saint-Eleuthère zichtbaar
was, meende hij een fijne silhouette, een blank, door de zon bestraald
gezichtje onder een zwarte haarkroon te onderscheiden, ongetwijfeld
Marie, die naar het uitloopen der seringen keek.
Onbeweeglijk bleef Pierre op dezelfde plaats staan. De meest
tegenstrijdige gevoelens en gedachten maakten zich van hem meester en
maakten hem zoo verward, dat het hem onmogelijk was duidelijk in
zichzelf te lezen. Nu wendde hij zijn blikken naar de stad. Het
onmetelijke Parijs ontrolde zich aan zijn voeten, een in het helder
rose van den lenteavond teer en doorzichtig Parijs. De eindelooze
huizenzee teekende zich heel duidelijk af, zoodat men de schoorsteenen
en de kleine, zwarte strepen der ramen bijna bij millioenen tellen kon.
In de stille lucht deden de monumenten aan voor anker liggende schepen
denken, aan een op zijn vaart tegengehouden eskader, welks lange masten
in de afscheid nemende zon glansden. Nooit nog had Pierre de groote
afdeelingen van dezen menschelijken oceaan zoo duidelijk onderscheiden:
daar beneden in het Oosten en Noorden de werkstad met de snuivende
rookende fabrieken; in het Zuiden, aan de overzijde der rivier, de
stille, rustige stad der studie en van den geestelijken arbeid.
Daarentegen heerschte de hartstocht van den handel overal, voornamelijk
echter in het centrum, terwijl in het Westen, in den langzamerhand
bloedrooden brand der ondergaande zon, de stad der gelukkigen en der
machtigen haar ophooping van paleizen uitbreidde.
Toen voelde Pierre uit de diepte van het Niet, waarin hij door het
verlies van zijn geloof gevallen was, de heerlijke frischheid, de nog
onduidelijke komst van een nieuw geloof opstijgen. Zelfs zijn
verwachtingen zou hij niet onder woorden hebben kunnen brengen, maar
reeds te midden van de ruwe fabrieksarbeiders was het handwerk hem
ondanks de ellende en de vreeselijke onrechtvaardigheid, waartoe het
leidde, als iets noodzakelijks en verlossends toegeschenen. En zie, nu
had de intellectueele jeugd, die hij opgegeven had, die generatie van
morgen, welke naar zijn meening verdorven in de dwaling en in de
vroegere verrotting teruggevallen was, zich vol mannelijke beloften aan
hem geopenbaard, vast besloten het werk der ouderen voort te zetten en
door de wetenschap de waarheid en de gerechtigheid te veroveren.