Het was nu reeds ruim een groote maand geleden, dat Guillaume naar zijn
broer in het kleine huisje van Neuilly gevlucht was. Daar zijn pols zoo
goed als genezen was, kon hij al geruimen tijd opstaan en uren lang in
den tuin zitten. Maar hoe graag hij ook naar Montmartre terug wilde, om
de zijnen weer te zien en zijn werk weer te hervatten, toch deden de
berichten uit de couranten hem iederen ochtend zijn vertrek weer
uitstellen. De toestand bleef altijd en eeuwig dezelfde: de politie
verdacht nu Salvat, had hem een avond bij de Halles gezien, maar dan
weer uit het oog verloren: ieder oogenblik kon hij echter gearresteerd
worden. Wat zou er gebeuren; zou hij spreken, zouden nieuwe
huiszoekingen volgen?
Een week lang hadden de couranten zich met niets anders bezig gehouden
dan met de onder de koetspoort van het hôtel Duvillard gevonden priem.
Alle Parijsche reporters hadden de fabriek Grandidier bezocht, de
arbeiders en den patroon ondervraagd, teekeningen gegeven. Sommigen
gingen zelfs zoover persoonlijk op onderzoek uit te gaan, om zelf de
hand op den schuldige te leggen. Men maakte grappen over de onmacht der
politie; er was een heele hartstocht ontstaan voor deze jacht op dien
man; de dagbladen stonden vol van de meest ongerijmde phantasieën, de
schrik verdubbelde zich, want er was met nieuwe bommen gedreigd; Parijs
zou zeker op een goeden dag in de lucht vliegen. De Voix du Peuple
verzon iederen dag een nieuw sensatieverhaal; dreigbrieven,
bedreigingen met brandstichting, wijdvertakte en duistere
samenzweringen. Nog nooit was een zoo belachelijke besmetting van
waanzin over een stad gestreken.
Van af zijn wakker worden wachtte Guillaume met een koortsachtig
ongeduld op de couranten en beefde ieder oogenblik bij de gedachte, dat
hij de arrestatie van Salvat zou lezen. De heftige campagne, die de
bladen voerden, de domheden en de wreedheden, die hij erin vond,
brachten hem buiten zichzelf, het wachten maakte hem
zenuwachtig-overspannen. Men had het net op goed geluk af over de
geheele in den reuk van anarchie staande schaar dichtgetrokken en
verdachten gearresteerd—fatsoenlijke arbeiders en bandieten, dwepers en
nietsdoeners. Het was het vreemdsoortigste samenraapsel, dat de rechter
van instructie Amadieu in een reusachtigen bond van misdadigers
trachtte te veranderen. Op een ochtend las Guillaume zelfs zijn naam,
die genoemd werd naar aanleiding van een huiszoeking bij een talentvol
revolutionnair journalist, met wien hij bevriend was. Zijn hart klopte
van woede, maar was het niet voorzichtiger nog wat geduldig in het
kleine asyl te Neuilly te blijven, daar de politie ieder uur het huisje
in Montmartre kon binnenvallen en hem daar, als zij hem er vond,
arresteeren?
In dezen voortdurenden angst leidden de beide broers een stil en
eenzaam leven. Ook Pierre vermeed het nu uit te gaan en bleef geheele
dagen thuis. Men was nu in het begin Mei; de vroeg ingevallen lente gaf
aan den tuin een jeugdige bekoring en een heerlijke warmte. Maar bij
voorkeur had Guillaume, zoodra hij op mocht staan, zijn tenten
opgeslagen in het vroegere, thans als een groote studeerkamer
ingerichte laboratorium van hun vader. Alle papieren en alle boeken van
den beroemden scheikundige bevonden zich daar nog, en de zoon had er
pas begonnen studies ontdekt, waarvan de opwindende lezing hem van ’s
morgens vroeg tot ’s avonds laat boeide; en zonder dat hij het zich
bewust was, verdroeg hij alleen door dat werken geduldig zijn
vrijwillige opsluiting. Ook Pierre las het grootste gedeelte van den
tijd; maar hoe dikwijls sloeg hij zijn oogen van het boek op en ging
hij geheel op in zijn overpeinzingen, in het Niet, waarin hij steeds
weer terugviel. Uren lang konden de twee broers zonder een woord te
zeggen en gehuld in een diepe stilte zoo tegenover elkaar zitten. Toch
bezaten zij het bewustzijn, de gelukkige en vertrouwen gevende
zekerheid, dat zij samen waren. Dikwijls ontmoetten hun blikken elkaar,
wisselden zij een glimlach, zonder er behoefte aan te gevoelen op een
andere wijze tegen elkaar te zeggen hoe zij weer van elkaar begonnen te
houden. De innige en warme toegenegenheid van vroeger bloeide weer in
hen op, zij voelden het oude huis van hun kindsheid, hun vader en hun
moeder in de rustige lucht, die zij inademden, herleven. De groote
glazen deur zag uit op den tuin en op Parijs, en zij ontwaakten slechts
uit hun lezen en hun lang gepeins, om, dikwijls ongerust, te luisteren
naar het verre gerommel of het luidere lawaai van de groote stad.
Menigmaal braken zij midden in hun gesprek af, wanneer zij iemand boven
hun hoofden heen en weer hoorden loopen. Het was Nicolas Barthès, die,
sedert Théophile Morin hem op den avond van den aanslag had
medegebracht, zijn onderdak niet meer verlaten had. Hij kwam zelden
beneden, waagde zich nauwlijks in den tuin, uit vrees, naar hij zeide,
dat men hem uit een huis in de verte, waarvan de ramen door een
boomgroep gemaskeerd werden, zien en herkennen zou. Deze angst van den
ouden samenzweerder voor de politie kon een glimlachje verwekken,
terwijl dat als een ijsbeer heen en weer loopen, dat hardnekkige
wandelen van den eeuwige gevangene, die voor de vrijheid van anderen
twee derden van zijn leven in alle kerkers van Frankrijk doorgebracht
had, aan het kleine huisje iets roerends melancholiek gaf: het was als
het ware het rhythme van het goede en mooie, van alles, waarop men
hoopte en wat ongetwijfeld nooit komen zou.
Bezoeken kwamen de eenzaamheid der beide broeders slechts weinig
storen. Sedert de wond van Guillaume dichttrok, liet ook Bertheroy zich
minder zien. Een geregeld bezoeker bleef Théophile Morin, wiens
bescheiden belletje om den anderen dag ’s avonds op hetzelfde uur
weerklonk. Hij had voor Barthès, ofschoon hij diens denkbeelden niet
deelde, de vereering, die men voor een martelaar pleegt te hebben. Hij
ging dan altijd een uur naar boven, maar zij praatten blijkbaar niet,
want geen geluid drong uit de kamer door. Wanneer hij een oogenblik in
het laboratorium kwam zitten, werd Pierre steeds getroffen door zijn
uitdrukking van groote moeheid, zijn aschgrauwen baard en haar, zijn
uitgeteerd gelaat. Slechts wanneer er over Italië gesproken werd,
vlamden zijn oogen als gloeiende kolen op. Op een dag, dat hij den naam
van Orlando Prada, den grooten patriot, zijn krijgsmakker in de
legendarische expeditie der Duizend hoorde noemen, werd Pierre diep
getroffen door den vurigen geestdrift, die op zijn dood gelaat
verscheen. Doch dat waren slechts korte bliksemstralen van vreugde,
want weldra kwam de oude professor weer te voorschijn, vond men in hem
slechts den landgenoot en vriend van Proudhon terug, die later een
trouwe leerling van Auguste Comte geworden was. Van Proudhon had hij
den opstand van den arme tegen den rijke, den vurigen drang naar een
rechtvaardiger verdeeling van den rijkdom gehouden.
Maar de nieuwere tijden vervulden hem met angst en beven; noch zijn
doctrines, noch zijn temperament deden hem iets voelen voor de
revolutionnaire middelen. Comte had hem een onwankelbare zekerheid in
intellectueele wetten gegeven; hij hield zich aan de logica, aan de
heldere, besliste methode van het positivisme, dat alle menschelijke
kennis als het ware hiërarchiseert, de onnoodige metaphysische methoden
verwerpt en overtuigd is, dat het menschelijke, sociale en religieuze
probleem slechts door de wetenschap opgelost kan worden. Maar bij al
zijn bescheidenheid, bij al zijn geresigneerdheid ontbrak aan dat
steeds onwankelbaar gebleven geloof niet een zekere bitterheid, want
niets scheen op redelijke wijze zijn doel tegemoet te gaan: Comte zelf
was ten slotte bij de meest verwarrende mystiek terecht gekomen, de
groote geleerden werden bij het zien der waarheid door angst
aangegrepen, de barbaren bedreigden de wereld met een nieuwe macht, wat
hem in politiek opzicht bijna reactionnair maakte; bij voorbaat legde
hij zich neer bij de komst van een dictator, die wat orde in den chaos
brengen zou, opdat de opvoeding der menschheid verder zou kunnen gaan.
Andere bezoekers waren nog Bache en Janzen, die steeds samen kwamen en
altijd heel laat in den avond. Soms bleven zij tot twee uur in den
ochtend met Guillaume in de groote studeerkamer zitten praten. De
dikke, vaderlijke Bache met zijn in de sneeuw van zijn baard- en
hoofdhaar schuilgaande oogen, sprak langzaam, zalvend en eindeloos,
zoodra hij aan een uiteenzetting van zijn denkbeelden begon. Hij had
slechts eerbied voor Saint-Simon, den baanbreker, die het eerst de wet
van de noodzakelijkheid van den arbeid, al naar gelang van ieders
krachten, opgesteld had. Maar zijn stem klonk ontroerd, wanneer hij
sprak over Fourier. Dat was de ware verwachte Messias van den modernen
tijd, de Verlosser, die het goede zaad der komende wereld uitgestrooid
had, door voor de maatschappij van morgen, zooals zij zonder eenigen
twijfel tot stand komen zou, regelen achter te laten. De wet der
harmonie was uitgevaardigd, de eindelijk bevrijde en gezond toegepaste
hartstochten zouden het raderwerk ervan, de aantrekkelijk geworden
arbeid de levensfunctie worden. Niets ontmoedigde hem: indien slechts
één gemeente een phalanstère [6] vormde, dan zou weldra het geheele
departement, vervolgens de omliggende departementen, eindelijk geheel
Frankrijk volgen. Hij aanvaardde zelfs het werk van Cabet, wiens Icaria
[7] nog niet zoo heel dwaas was.
Hij herinnerde dan aan de motie, die hij in 1871, toen hij in de
Commune zat, voorgesteld had, om de denkbeelden van Fourier toe te
passen op de Fransche Republiek, en hij scheen overtuigd te zijn, dat
de troepen van Versailles, door de communistische gedachte in het bloed
te verstikken, den triomf van het communisme een halve eeuw vertraagd
hadden. Wanneer er tegenwoordig sprake was van dansende tafels, dwong
hij zich tot een lachje, wat niet belette dat hij in den grond der zaak
een verstokte spiritist gebleven was. Sedert hij lid van den
gemeenteraad was, zwenkte hij van de eene socialistische secte naar de
andere, al naar mate zij min of meer zijn oude overtuiging naderden.
Hij ging geheel op in dien drang naar geloof, in die kwellende begeerte
naar het goddelijke, die hem, nadat zij hem eerst God uit de kerken
hadden doen verjagen, dezen nu in den poot van het een of andere
meubelstuk zoeken lieten.
Janzen daarentegen was even stil als zijn vriend Bache praatziek. Nu en
dan liet hij een korten zin hooren, maar deze striemde als een
geeselslag, was scherp als een dolk. Zijn ideeën en theorieën bleven
daardoor dan ook duister, te meer daar de moeite, die het hem kostte
zich in het Fransch uit te drukken, alles wat hij zeide, in een soort
nevel hulde. Hij kwam uit verre streken—een Rus, een Pool, een
Oostenrijker, een Duitscher misschien—niemand kon het met zekerheid
zeggen. In ieder geval was hij een vaderlandslooze, die zijn droom van
bloedige broederschap overal met zich ronddroeg. Wanneer hij met zijn
bleeken, blonden Christuskop een van zijn verschrikkelijke woorden, met
een ijzige koude en zonder een gebaar, van zijn lippen vallen liet,
sprak daaruit nooit iets anders dan de noodzakelijkheid om de volkeren
uit te roeien en de aarde met een jong en beter volk te bezaaien. Bij
iedere meening van Bache, dat de arbeid door politieverordeningen
aangenaam gemaakt, de phalanstère als een kazerne georganiseerd, de
godsdienst als een pantheïstisch of spiritistisch deïsme hervormd moest
worden, haalde hij medelijdend zijn schouders op.
Waartoe dergelijke beuzelarijen, dergelijke huichelachtige
oplapperijen, wanneer het huis ineenstortte en de eenige eerlijke
uitweg was om het naar den grond te werpen, ten einde het flinke huis
met nieuw materiaal opnieuw te kunnen opbouwen? Over de propaganda door
de daad, door bommen, bewaarde hij het stilzwijgen, maakte hij slechts
een gebaar vol oneindige hoop. Blijkbaar keurde hij die goed. De
legende, die van hem een der daders van den aanslag te Barcelona
maakte, verlichtte zijn verleden met den glans van een vreeselijken
roem. Toen Bache op een goeden dag over zijn vriend Bergaz, den reeds
in een diefstal gecompromitteerden coulissier [8], sprak en hem
eenvoudig voor een bandiet uitmaakte, glimlachte Janzen slechts even en
zeide op zijn kalme manier, dat diefstal een gedwongen restitutie was.
En in dien beschaafden, verfijnden man, wiens geheimzinnig leven
misschien misdaden, maar geen enkele lage, gemeene handeling verborg,
voelde men een onverzoenlijken, koppigen theoreticus, die vast besloten
was voor den triomf der idée de wereld in brand te steken.
Wanneer op sommige avonden Théophile Morin in het huisje te Neuilly
Bache en Janzen vond en zij met Guillaume tot heel laat in den nacht
bleven praten, zat Pierre in zijn donker hoekje onbeweeglijk naar hen
te luisteren, zonder ooit aan de discussies deel te nemen. In den
beginne had hij er zich hartstochtelijk voor geïnteresseerd als iemand,
die, krankzinnig gemaakt door zijn behoefte aan waarheid en gemarteld
door zijn twijfel, erover dacht de balans van de denkbeelden der eeuw
op te maken en alle, die tot stand gekomen waren, te bestudeeren, om
daaruit den doorloopen weg, de verkregen voordeelen af te leiden. Maar
dadelijk bij de eerste stappen schrikte hij terug, toen hij ze alle
vier met elkander hoorde redetwisten, zonder dat een verzoening
mogelijk was.
Na het echec, dat hij bij zijn onderzoekingen in Lourdes en Rome en bij
zijn derde poging in Parijs geleden had begreep hij heel goed, dat het
ging om den geest der eeuw, om de nieuwe waarheden, om het onverwachte
Evangelie, welks prediking het aangezicht der aarde veranderen zou. Van
te veel ijver gloeiend, ging hij van de eene overtuiging over tot de
andere en verwierp deze weer, om een derde te omhelzen. In den beginne
had hij zich met Théophile Morin positivist, met zijn broer Guillaume
evolutionnist en determinist, met Bache humanitair communist gevoeld.
Zelfs Janzen, die met een zoo woesten trots aan zijn theoretischen
droom van een onbeperkt individualisme geloofde, had hem een oogenblik
aangetrokken. Maar dan verloor hij den vasten grond onder zijn voeten,
had hij nog slechts de tegenspraken, de chaotische onsamenhangendheid
van de voorwaarts schrijdende menschheid gezien. Het was niets meer dan
een hoop slakken, waarin hij verdwaalde. Het had niets te beteekenen,
dat Fourier uitgegaan was van Saint-Simon: hij verloochende hem toch
gedeeltelijk, en terwijl de leer van den laatste zich verstarde tot een
soort mystiek sensualisme, scheen de leer van den eerste op een niet te
aanvaarden inlijvingscodex uit te loopen.
Proudhon haalde alles neer zonder iets op te bouwen. Comte, die de
methode schiep en de wetenschap haar plaats aanwees door haar tot de
eenige heerscheres te verklaren, had zelfs geen vermoeden van de
sociale crisis, welker vloed alles dreigde mede te sleuren, en stierf,
door de vrouw ter aarde geworpen, als een illuminaat [9] der liefde.
Ook deze beiden traden in den strijd en vochten met de beide anderen;
het algemeene conflict en de verblinding waren zóó groot geworden, dat
de door hen gemeenschappelijk aangebrachte waarheden erdoor
verduisterd, misvormd, onherkenbaar werden. Vandaar de buitengewone
verwarring van het oogenblik: Bache met Saint-Simon en Fourier,
Théophile Morin met Proudhon en Comte, begrepen niets meer van Mège,
den collectivistischen afgevaardigde, vervloekten hem, gingen te keer
tegen hem en het staatscollectivisme, zooals zij trouwens tegen alle
socialistische secten te keer gingen, zonder er zich rekenschap van te
geven, dat deze toch ook van hun meesters uitgegaan waren, wat den
verschrikkelijken, ijskouden Janzen in het gelijk scheen te stellen,
wanneer hij verklaarde, dat het huis niet meer te herstellen viel, dat
het in verrotting en waanzin instortte en met den grond gelijk gemaakt
worden moest.
Op een avond dat Pierre, na het vertrek der drie bezoekers, met
Guillaume alleen bleef, zag hij, dat deze met een somber gezicht en
langzame passen op en neer liep. Hij bleef spreken zonder er zich
rekenschap van te geven, dat zijn broeder alleen nog maar naar hem
luisterde. Hij betuigde zijn afkeer tegen den collectivistischen Staat
van Mège, tegen den dictatuurstaat, die de oude dienstbaarheid nog
strenger invoerde. Alle elkaar wederkeerig verslindende socialistische
secten zondigden door de willekeurige organisatie van den arbeid,
knechtten den individu ten voordeele van de gemeenschap. Daarom was hij
er, daar hij de beide groote stroomingen—de rechten der gemeenschap en
de rechten van den individu—in één bedding leiden moest, ten slotte toe
gekomen, al zijn vertrouwen in het libertaire communisme, in de
anarchie te stellen, de anarchie, waarin, zooals hij droomde, de
individu bevrijd worden en zich zonder eenigen dwang tot zijn eigen
welzijn en dat van anderen ontwikkelen zou. Bestond de eenige
wetenschappelijke theorie niet daarin, dat de eenheden de wereld
scheppen, dat de atomen door de aantrekkingskracht, de vurige, vrije
liefde, het leven verwekken? De onderdrukkende minderheden
verdwenen—niets bleef meer over dan het bevrijde spel der capaciteiten
en krachten van ieder afzonderlijk, wat op zijn beurt weer leidde tot
de harmonie in het al naar gelang van de behoeften en van de werkzaam
zijnde krachten der voorwaarts schrijdende menschheid steeds wisselend
evenwicht.
Hij stelde zich een volk voor, dat, beschermd tegen de voogdijschap van
den Staat, geen meester en bijna geen wet kende—een gelukkig volk,
waarin iedere burger afzonderlijk, nadat hij door de vrijheid de
volkomen ontwikkeling van zijn wezen verkregen had, het met zijn
buurlieden eens werd over de duizenderlei noodzakelijkheden van het
leven. Daaruit ontstond de maatschappij, de in vrijheid samenwerkende
associatie, ontstonden honderden verschillende associaties, die het
sociale leven regelden, maar overigens steeds veranderlijk waren,
tegenstrijdige belangen hadden, ja zelfs vijandig tegenover elkander
stonden, want vooruitgang kon slechts geboren worden uit conflict en
strijd: de wereld was slechts geschapen door den strijd van tegenover
elkaar staande krachten. Dat was alles: geen onderdrukkers, geen rijken
en armen meer; het gemeenschappelijke gebied der aarde met haar
gereedschappen en haar natuurlijke schatten was aan het volk, den
rechtmatigen eigenaar, teruggegeven, die er, wanneer niets abnormaals
meer zijn ontwikkeling tegenhield, op gezonde en logische wijze van
genieten zou.
Dan eerst zou de wet der liefde werken, zou de menschelijke
solidariteit, die onder de menschen de levende vorm van de universeele
aantrekkingskracht is, haar geheele kracht ontplooien, hen nader tot
elkaar brengen en tot een liefderijke familie vereenigen zien. Het was
een mooie, zeer edele en zeer reine droom van de volkomen vrijheid, van
den vrijen mensch in de vrije maatschappij, waartoe een hoogstaande
geest wel komen moest, wanneer hij de andere, geheel door de tyrannie
bevlekte, socialistische secten bestudeerd had. De anarchistische droom
is ongetwijfeld de hoogste en verhevenste. Welk een zaligheid zich aan
de hoop op deze harmonie van het leven over te geven, dat, aan zijn
natuurlijke krachten overgelaten, uit zichzelf het geluk scheppen zou!
Toen Guillaume zweeg, scheen hij als uit een droom te ontwaken. Hij
keek Pierre eenigszins angstig aan, want hij was bang te veel gezegd en
hem gegriefd te hebben. Pierre was ontroerd en een oogenblik als door
hem overwonnen; maar dadelijk daarop voelde hij de tegenspraak, de
vreeselijke, alle hoop doodende, praktische tegenspraak in zich
oprijzen. Waarom had de harmonie niet in de eerste dagen der wereld,
bij de geboorte der maatschappij gewerkt? Hoe had de tyrannie, door de
volkeren aan de onderdrukkers over te leveren, kunnen triompheeren? En
zelfs wanneer men ooit dat onoplosbare probleem alles te verwoesten, om
alles opnieuw te beginnen, verwezenlijken kon—wie kon beloven, dat de
aan dezelfde wetten gehoorzamende menschheid niet weer denzelfden weg
inslaan zou. Per slot van rekening was zij thans dat, wat het leven van
haar gemaakt had, en niets bewees, dat het leven haar niet weer tot
hetzelfde maken zou. Opnieuw beginnen, o ja! Maar dan voor iets anders!
En was dat andere werkelijk in den mensch—moest men den mensch zelf
niet veranderen? Ongetwijfeld gaat het langzaam, moet men lang wachten,
wanneer men weer uitging van het punt waar men was, om de begonnen
evolutie voort te zetten, maar welk een gevaar schuilt erin, welk een
vertraging zal het geven, wanneer men terug gaat, zonder te weten langs
welken weg men te midden van den chaos der puinhoopen der verloren tijd
inhalen moet!
“Laten we naar bed gaan,” zeide Guillaume glimlachend. “Ik lijk wel
dwaas, om je lastig te vallen met al die dingen, welke je niets
interesseeren.”
Pierre wilde zijn hart voor zijn broeder openen, den vreeselijken
strijd, die daarin gevoerd werd, laten zien, maar nog hield een gevoel
van schaamte hem ervan terug: zijn broeder kende van hem niets dan de
leugen van den geloovigen, aan zijn geloof trouwen priester. En zonder
te antwoorden ging hij naar zijn kamer.
Toen Guillaume en Pierre den volgenden avond in de groote studeerkamer
zaten te lezen, kwam tegen tien uur de oude dienstbode zeggen, dat
Janzen er met een vriend was. Het was Salvat. Alles ging eenvoudig in
zijn werk.
“Hij wou je zien,” legde Janzen aan Guillaume uit. “Ik heb hem ergens
ontmoet en toen hij hoorde, dat je gewond was en je ongerust maakte,
heeft hij mij gesmeekt hem naar je toe te brengen. Maar voorzichtig is
anders.”
“Mijnheer Froment,” zei eindelijk Salvat, die er verlegen en beschroomd
bij bleef staan; “het heeft mij vreeselijk gespeten, toen ik hoorde in
welke onaangenaamheden ik u gebracht heb, want ik zal nooit vergeten
hoe goed u eens voor mij geweest bent, toen alle anderen mij de deur
wezen.”
Hij wiegelde op zijn eene been, terwijl hij zijn ouden hoed van zijn
eene hand in de andere deed.
“Daarom stond ik erop u zelf te zeggen, dat ik bij die heele
geschiedenis maar van één ding berouw heb—n.l. dat ik op een avond,
toen u u omkeerde, een patroon van u gestolen heb, want dat kan u in
moeilijkheden brengen... En ik wil u ook zweren, dat u van mij niets te
vreezen hebt, want ik zal me liever twintigmaal laten guillotineeren
dan uw naam te noemen... Dat is alles wat ik u zeggen wilde.”
Hij viel weer in zijn verlegen zwijgen terug, terwijl zijn trouwe
honde-oogen, zijn droomerige, liefdevolle oogen met een uitdrukking van
eerbiedige vereering op Guillaume rusten bleven. Pierre keek hem nog
steeds aan; zijn binnenkomen had een vreeselijk visioen voor zijn geest
geroepen: het ongelukkige modiste-loopmeisje, het aardige, blonde kind,
dat met een opengereten buik onder de koetspoort van het hôtel
Duvillard lag. Was het mogelijk, dat die krankzinnige, die moordenaar
daar stond en vochtige oogen had?
Ontroerd was Guillaume den man de hand gaan drukken.
“Ik weet heel goed, Salvat, dat je geen slecht mensch bent; maar wat
voor een vreeselijke domheid heb je uitgehaald, beste kerel?”
Zacht en zonder boos te worden glimlachte Salvat.
“O mijnheer Froment, als het nog eens gedaan moest worden, zou ik het
doen. U weet, dat het nu eenmaal mijn idee is. En ik zeg u
nogmaals—afgezien van u is alles in orde. Ik ben tevreden.”
Hij wilde niet gaan zitten, maar bleef nog een oogenblik met Guillaume
staan praten, terwijl Janzen, alsof de zaak hem absoluut niet
interesseerde, in een boek met platen zat te bladeren. Hij keurde een
dergelijk gevaarlijk en onnoodig bezoek af. Guillaume hoorde Salvat uit
omtrent wat hij op den dag van den aanslag gedaan had: zijn dolle jacht
dwars door Parijs, hoe hij als een geslagen hond rondgedwaald had met
zijn bom, die hij eerst in zijn gereedschapstasch en onder zijn
boezeroen gestoken had, hoe de koetspoort van het hôtel Duvillard dicht
was, hoe de deurwaarders hem belet hadden de Kamer binnen te gaan, hoe
hij er bij den Cirque te laat aan gedacht had een hekatombe van
bourgeois te offeren, en hoe hij eindelijk, als aangetrokken door de
kracht zelf van het noodlot, weer voor het hôtel Duvillard
terechtgekomen was. Zijn gereedschapstasch lag op den bodem der Seine;
hij had die er in een plotselingen aanval van haat tegen den arbeid,
die zelfs niet in staat was hem en de zijnen te voeden, weggeworpen en
alleen de bom gehouden, om tevens zijn handen vrij te hebben.
Dan schilderde hij zijn vlucht, de achter hem de geheele wijk
schokkende, vreeselijke ontploffing, zijn vreugde en zijn verbazing,
toen hij zich heel ver weg in de rustige straten, waar men nog van
niets wist, terugvond. Sedert een maand leefde hij nu op goed geluk af,
zonder te weten waar en hoe, dikwijls sliep hij onder den blooten
hemel, terwijl hij niet alle dagen te eten had. Op een avond had de
kleine Victor Mathis hem honderd sous gegeven. Ook andere kameraden
hielpen hem, gaven hem een nacht onderdak en lieten hem bij het minste
gevaar vluchten. Tot nu toe had een geheele stille medeplichtigheid hem
uit de handen van de politie gehouden. Naar het buitenland vluchten?
Hij had er wel een oogenblik over gedacht, maar zijn signalement zou
natuurlijk overal zijn en aan de grenzen werd op hem geloerd. Zou hij
niet juist door een vlucht zijn arrestatie verhaasten? Parijs was een
oceaan, nergens liep hij minder gevaar. Trouwens hij bezat noch den wil
noch de energie om te vluchten; hij was op zijn manier een fatalist,
die niet de kracht in zich voelde Parijs te verlaten en wachtte in den
wakenden droom, die hem medevoerde, tot hij gearresteerd zou worden.
“En heb je het gewaagd je dochter, je kleine Céline nog eens op te
zoeken?” vroeg Guillaume.
Salvat maakte een onbestemd gebaar.
“Neen, hoe zou ik? Zij is bij moeder Théodore. Vrouwen komen altijd
terecht. En bovendien waarom zou ik het doen? Met mij is het uit, ik
kan voor niemand iets doen. Het is alsof ik al dood ben.”
Toch kwamen er tranen in zijn oogen.
“De arme kleine! Ik heb haar, vóór ik weg ging, aan mijn hart gedrukt.
Als ik haar en die vrouw niet van honger had zien krepeeren, zou ik
misschien nooit op de gedachte gekomen zijn.”
Dan zeide hij eenvoudig, dat hij bereid was om te sterven. Hij had de
bom bij baron Duvillard neergelegd, omdat hij hem goed kende en wist,
dat hij de rijkste van de bourgeois was, wier voorvaderen bij de
Revolutie het volk bedrogen hadden door alle macht en al het geld tot
zich te trekken. Thans hielden zij het hardnekkig vast, wilden zelfs de
kruimels ervan niet teruggeven. Van de Revolutie maakte hij zich op
zijn manier een voorstelling, als ongeletterde, die zijn wijsheid uit
couranten en volksvergaderingen gehaald had. Hij sprak over zijn
eerlijkheid, terwijl hij met zijn vuist op zijn borst sloeg, en duldde
vooral niet, dat er aan zijn moed getwijfeld werd, omdat hij ontvlucht
was.
“Ik heb nooit iemand bestolen, en wanneer ik me niet bij de smerissen
aangeef, dan doe ik dat alleen, omdat ze best de moeite nemen kunnen
mij te zoeken en te arresteeren. Er valt aan mijn schuld niet te
twijfelen, sedert ze die priem hebben en mij kennen, dat weet ik heel
goed. Maar daarom behoef ik nog niet zoo dom te zijn om alles voor hen
voor te kauwen. Wanneer het morgen niet is, zal het overmorgen zijn,
want ik begin er genoeg van te krijgen als een dier nagezeten te worden
en niet meer te weten hoe ik eigenlijk leef.”
Janzen bladerde niet langer in het plaatjesboek, maar keek hem
nieuwsgierig aan. Een minachtend glimlachje speelde in zijn koude
oogen.
“Je vecht, je verdedigt je, je doodt de anderen en tracht zelf niet
gedood te worden. Dat is de oorlog,” zeide hij in zijn stootend
Fransch.
Deze woorden vielen in een diep zwijgen. Salvat scheen het niet gehoord
te hebben en stamelde in groote phrases zijn geloofsbelijdenis: hij had
zijn leven geofferd, om de ellende eindelijk te doen ophouden; hij had
het voorbeeld gegeven van een groote daad en was er zeker van, dat
andere helden daaruit ontstaan zouden, om den strijd voort te zetten.
Maar bij deze volkomen oprechte overtuiging, bij zijn
verlossingsdweperij kwam ook de trots martelaar, de vreugde een der
stralende en vereerde heiligen der ontstaande revolutionnaire Kerk te
zijn.
Zooals hij gekomen was, ging hij weg. Toen Janzen hem medegenomen had,
was het alsof de macht, die hem gebracht had, hem ook weer medevoerde
in het onbekende donker. Toen eerst stond Pierre op en zette de groote
glazen deur van de studeerkamer wijd open; hij had het benauwd en
voelde een plotselinge behoefte aan versche lucht. Het was een zachte,
maanlooze nacht, waarin slechts het wegstervend lawaai van het aan den
rand van den horizont daar in de verte onzichtbaar liggende Parijs
opsteeg.
Zooals hij meestal deed, begon Guillaume langzaam op en neer te loopen.
Dan sprak hij weer, opnieuw vergetend, dat zijn broeder een priester
was.
“De arme kerel! Hoe begrijpelijk is die daad van geweld en hoop. Zijn
geheel verleden van nutteloozen arbeid en steeds toegenomen ellende is
er een maar al te goede verklaring voor. Daarbij komt nog de
besmettelijke kracht der idee, daarbij komen nog de volksvergaderingen,
waarin men zich met woorden bedwelmt, de geheime onder-onsjes met
kameraden, waarin het geloof versterkt en de geest verhit wordt... Dit
is er een, dien ik goed meen te kennen. Hij is een goed, sober, braaf
werkman. De ongerechtigheid heeft hem altijd verbitterd. Langzamerhand
heeft het verlangen naar geluk hem alle begrip der werkelijkheid doen
verliezen, waarvan hij ten slotte een afschuw gekregen heeft. Is het
dan zoo te verwonderen, dat hij in den droom leeft, een droom van
verlossing, die tot moord en brandstichting overgaat?... Toen ik hem
daareven zoo voor mij zag staan, meende ik een van de eerste
Christelijke slaven van het oude Rome te zien. De geheele
onrechtvaardigheid van de oude heidensche maatschappij, die in
doodsstrijd worstelde onder het bederf van geld en ontucht, drukte op
zijn schouders, verpletterde hem. Hij keerde uit de katakomben terug,
waar hij te midden van het donker met zijn ongelukkige broeders woorden
van bevrijding en verlossing gefluisterd had. De dorst naar het
martelaarschap verteerde hem, hij spuwde de Caesars in het gelaat,
beleedigde de goden, opdat eindelijk de aëra van Jezus een einde maken
zou aan de slavernij. En hij was bereid onder de tanden van de wilde
dieren te sterven.”
Pierre antwoordde niet dadelijk. Reeds vroeger was het hem opgevallen,
dat de geheime propaganda, het militante dogma der anarchisten een
zekere overeenkomst met die van de Christelijke sectarissen in den
beginne bezaten. Dezen zoowel als genen, wierpen zich in een nieuwe
hoop, opdat eindelijk gerechtigheid ten deel vallen zou aan de
nederigen. Het heidendom verdween ten gevolge van de uitputting der
zinnen, ten gevolge van het vurige verlangen naar iets anders, naar een
rein en hooger staand geloof. Deze droom van het Christelijk paradijs,
dat het hiernamaals met al zijn compensaties opende, was de nieuwe
hoop, die volgens de regelmaat der geschiedenis op het voor haar
bestemde uur kwam. Thans, nu achttien eeuwen die hoop uitgeput hadden,
nu de lange proef genomen en de eeuwige slaaf gedupeerd was, geeft de
arbeider zich weer over aan een nieuwe hoop, om het geluk op deze
wereld terug te brengen, want de wetenschap bewijst hem iederen dag
meer, dat het geluk in het hiernamaals een leugen is. Laat dit ook weer
een illusie zijn, maar moge zij jong en levend in den zin van de
veroverde waarheid hernieuwd worden! Het is niets dan de eeuwige strijd
van den arme en den rijke, de eeuwige strijdvraag of er meer
gerechtigheid en minder lijden heerschen zal. Maar de samenzwering der
ongelukkigen is nog altijd dezelfde, nog steeds is het dezelfde
mystieke exaltatie, dezelfde waanzin, om een voorbeeld te geven en
bloed te vergieten.
“Maar,” zeide Pierre eindelijk, “je kan het toch niet eens zijn met die
bandieten, met die moordenaars, wier woeste gewelddaden mij met
afgrijzen vervullen. Gisteren heb ik je laten praten, toen droomde je
van een groot, gelukkig volk, van de ideale anarchie, waarin ieder
wezen bij de vrijheid van alle wezens vrij zal zijn. Maar welk een
gruwel, wat komen je verstand en je hart in opstand, wanneer de theorie
in propaganda en praktische uitvoering overgaat. Wanneer jij het
denkend brein bent—wat voor een vervloekte hand is er dan werkzaam, die
kinderen doodt, deuren inslaat en laden leegt? Neem jij die
verantwoordelijkheid op je? Komt de mensch, die je bent, je opvoeding,
je beschaving, het geheele sociale atavisme, dat je achter je hebt,
niet in verzet bij de gedachte aan stelen en moorden?”
Guillaume bleef plotseling rillend voor zijn broeder stilstaan.
“Stelen, moorden! Neen, neen, dat weet ik niet! Maar we moeten alles
zeggen, de geschiedenis van het vreeselijk uur, dat wij thans
doormaken, vaststellen. Een waanzin waait door de wereld, maar de
waarheid is, dat men al het noodige gedaan heeft, om dezen in het leven
te roepen. De eerste, nog onschuldige daden der anarchisten zijn zoo
gewelddadig onderdrukt, de politie heeft de enkele arme drommels, die
in haar handen gevallen zijn, zóó ruw mishandeld, dat langzamerhand een
ware woede ontstaan is, die tot de vreeselijke vergeldingsmaatregelen
aanleiding gegeven heeft. Denk toch eens aan de vaders, die mishandeld
en in de gevangenis geworpen werden, aan de moeders, aan de kinderen,
die op de straat van honger crepeerden, aan de krankzinnige wrekers,
die iedere op het schavot stervende anarchist achterlaat. De vrees der
bourgeois heeft de woestheid der anarchisten in het leven geroepen. En
weet je eigenlijk wel, waaruit de misdaad van een Salvat bestaat? Uit
onze eeuwen van schaamteloosheid en zonde, uit alles, wat de volkeren
geleden hebben, uit al de tegenwoordige kankergezwellen, die ons
wegvreten, uit de genotzucht, uit de minachting voor den zwakke, uit
het vreeselijke schouwspel, dat onze verrottende maatschappij biedt.”
Hij begon weer op en neer te loopen en ging, als dacht hij hardop,
voort:
“Wat heb ik moeten denken, welk een strijd heb ik moeten voeren, om te
komen waar ik nu ben! Ik was slechts een positivist, een geleerde, die
geheel en al opging in waarnemingen en proeven, die niets toegaf dan
het vastgestelde feit. In wetenschappelijk en sociaal opzicht
aanvaardde ik de eenvoudige en langzame evolutie, die de menschheid
verwekt, zooals het menschelijk leven zelf verwekt is. Toen echter
moest ik—eerst in de geschiedenis van den aardbol, dan in die van de
maatschappijen—aan den vulkaan, aan den plotselingen ondergang, aan de
plotselinge uitbarsting, die iedere geologische phase, iedere
historische periode gekenmerkt hebben, een plaats inruimen. Zoo komt
men tot de meening, dat nooit een vooruitgang tot stand gekomen is
zonder hulp van verschrikkelijke catastrophes. Iedere schrede
voorwaarts heeft milliarden levens gekost. Onze beperkte gerechtigheid
komt daartegen op; wij noemen de natuur een wreede moeder, maar indien
wij den vulkaan ook al niet verontschuldigen, zoo moeten wij hem toch,
wanneer hij uitbarst, als van te voren gewaarschuwde geleerden
aanvaarden... En dan, en dan... Ach, misschien ben ik ook maar een
dweper als de anderen... Ik heb mijn ideeën.”
En met een breed gebaar gaf hij te kennen welk een sociale droomer hij
was naast den nauwgezetten, methodischen, tegenover de
natuurverschijnselen zoo bescheiden geleerde. Voortdurend was zijn
streven erop gericht alles tot de wetenschap terug te brengen en het
was zijn grootste verdriet, dat hij niet wetenschappelijk in de natuur
de gelijkheid, ja zelfs niet de rechtvaardigheid vaststellen kon,
waarnaar hij in maatschappelijk opzicht zoo verlangde. Hij was er
wanhopig onder, dat het hem niet gelukken mocht de logica van den man
der wetenschap in overeenstemming te brengen met de liefde van den
hersenschimmigen apostel. In dat dualisme speelde zijn groot verstand
een rol op zichzelf, terwijl zijn kinderhart van algemeen geluk, van
broederschap tusschen louter gelukkige volkeren droomde: voortaan
zouden er geen misdaden, geen oorlog meer zijn, was de liefde slechts
de eenige meesteres der wereld.
Maar Pierre, die naast het groote, open raam was blijven staan en zijn
blik gericht hield op Parijs, waaruit het laatste grommen van Parijs
opsteeg, werd door den overstroomenden vloed van zijn twijfel in zijn
wanhoop medegesleept. Deze broeder, die met zijn geloof van geleerde en
apostel in zijn huis gevallen was, deze mannen, die van alle einden der
moderne gedachtenwereld hier samen kwamen, om te redetwisten, deze
Salvat eindelijk, die de verbittering van zijn waanzinnige daad met
zich bracht—dat alles was te veel. Hij, die tot dusverre zwijgend en
zonder een gebaar te maken naar allen geluisterd had, die zich voor
zijn broeder schuil gehouden had achter de mooie leugen van den
priester, hij voelde plotseling zoo’n bitterheid in zijn hart
opstijgen, dat hij niet langer liegen kon. En in een uitbarsting van
woede en smart ontsnapte zijn geheim hem.
“O Guillaume, jij mag je droom hebben, ik heb mijn wond in mijn borst,
die mij weggevreten en bijna leeggehaald heeft. Maar zie je dan niet
in, dat je anarchie, dat je droom naar een rechtvaardig geluk, waaraan
Salvat met bomaanslagen werkt, de finale waanzin is, die alles wegvagen
zal? De eeuw eindigt te midden van puinhoopen. Nu reeds meer dan een
maand luister ik naar jullie. Fourier heeft Saint-Simon ten gronde
gericht, Proudhon en Comte rukken Fourier om; allen hoopen
contradicties en onsamenhangendheden op, laten niets achter dan een
chaos, waarin men geen keuze durft doen. Socialistische secten schieten
als paddestoelen op; de verstandigste daarvan voeren tot een dictatuur,
de andere zijn slechts gevaarlijke hersenschimmen. En aan het einde van
zulk een ideeënstorm staat niets dan anarchie, jouw aanslagen, die de
oude wereld den genadeslag geven en haar in stof veranderen willen.
“... O, ik heb deze laatste catastrophe, dezen broedermoordwaanzin, den
onvermijdelijken klassenstrijd, waarin onze beschaving ten ondergaan
moest, voorzien en verwacht. Alles wees erop: de ellende in de laagste,
de zelfzucht in de hoogste klassen, het kraken van het oude
menschelijke gebouw, dat op het punt staat onder te veel misdaden en al
te veel lijden in te storten. Toen ik naar Lourdes ging, wilde ik zien,
of de God der eenvoudigen het verwachte wonder wrochten, het geloof der
eerste tijden aan het volk, dat door zooveel lijden in opstand kwam,
teruggeven zou. En naar Rome ben ik gegaan in de naïeve hoop, daar den
nieuwen, voor onze democratieën noodigen godsdienst te vinden, den
eenigen godsdienst, die de wereld vrede geven kan door haar terug te
brengen tot de broederschap der gouden eeuw. Maar hoe onnoozel was dat
van mij! Zoowel hier als daar raakte ik slechts den bodem van het Niets
aan.
“Daar, waar ik zoo vurig het heil der anderen hoopte te vinden, verloor
ik mijzelf slechts—als een schip, dat recht in het water zinkt, en
waarvan nooit meer een wrak teruggevonden wordt. Eén band slechts
verbond mij nog met de menschen, de naastenliefde, die op den langen
duur misschien de wonden verbinden, heelen en genezen kon; maar dat
laatste ankertouw is nu ook doorgesneden: de naastenliefde staat
nutteloos en belachelijk tegenover de hooge, verheven gerechtigheid,
die zich opdringt, die voortaan niemand meer tegenhouden kan. Het is
uit—ik ben in mijn afschuwelijke innerlijke troosteloosheid niets meer
dan asch, dan een ledig graf. Ik geloof aan niets, niets, aan niets
meer.”
Pierre had zich hoog opgericht en breidde zijn beide armen uit, als
wilde hij het Niet van zijn hart en van zijn brein daaruit laten
vallen. En tot in het diepst van zijn hart geschokt bij het zien van
dezen woesten loochenaar, van dezen wanhopigen nihilist, die zich aan
hem openbaarde, ging Guillaume huiverend naar hem toe.
“Wat zeg je daar, Pierre? Jij, dien ik voor zoo vast en zoo rustig in
je geloof hield! Jij, de bewonderenswaardige priester, de heilige, dien
deze heele parochie vereert? Ik wilde niet met jou over je geloof
spreken—en jij loochent alles, gelooft aan niets!”
Weer breidde Pierre langzaam zijn armen in het ledige uit.
“Er bestaat niets—ik heb getracht alles te weten en niets anders
gevonden dan de vreeselijke smart over dit Niet, dat mij verplettert.”
“O, Pierre, wat heb je moeten lijden! Droogt de godsdienst dan nog meer
uit dan de wetenschap, dat ze je zoo verwoest, terwijl ik nog een oude
dwaas vol hersenschimmen gebleven ben!”
Hij nam Pierre’s beide handen en drukte die. Een angstig makend
medelijden greep hem aan bij het zien van deze groote, vreeselijke
gestalte—deze gestalte van den ongeloovigen priester, die over het
geloof van anderen waakte, die in de hautaine droefheid over zijn
leugen kuisch en eerlijk zijn dienst waarnam. Hoe moest die leugen op
zijn geweten drukken, dat hij op die wijze, in zoo’n débâcle van zijn
geheele wezen biechtte! Een maand geleden zou hij het in de dorheid van
zijn hoogmoedige eenzaamheid nooit gedaan hebben! Heel veel dingen
moesten hem door zijn ziel gegaan zijn, dat hij zoo spreken kon: zijn
verzoening met zijn broeder, de gesprekken, die hij iederen avond
hoorde, het vreeselijke drama, waarin hij betrokken was, zijn gedachte
over den met de ellende strijdenden arbeid, de onbewuste hoop, die de
intellectueele jeugd van morgen weer in zijn hart opwekte. Huiverde in
zijn overdreven loochening niet een nieuw geloof?
Guillaume begreep hem; hij voelde, dat in zijn broeder, nu hij zijn
lang volgehouden, grimmig zwijgen varen liet, een onbevredigde
teederheid trilde. Hij liet hem dicht bij het raam op een stoel plaats
nemen en ging dan, zonder zijn handen los te laten, naast hem zitten.
“Maar ik wil niet, dat je lijdt, beste jongen. Ik laat je niet meer
alleen, ik zal voor je zorgen. Want ik ken je veel beter dan jij jezelf
kent. Jij hebt nooit anders geleden dan door den strijd van je hart
tegen je rede, en op den dag, dat tusschen deze beide vrede zal zijn,
dat je liefhebben zult wat je begrijpt, zal je lijden ophouden.”
En zachter ging hij met een oneindige teederheid voort:
“Kijk eens, onze arme moeder en onze arme vader zetten hun
verschrikkelijken strijd in jou voort. Jij was nog te jong, je kon niet
alles weten. Ik, ik wist hoe ellendig zij waren—hij ongelukkig door
haar, die hem voor een verdoemde hield—zij ongelukkig door hem, wiens
ongeloof haar kwelde. Toen een ontploffing hem in deze kamer zelf
doodde, heeft zij daarin een straf Gods gezien, is hij het zondige,
door het huis ronddwalende spook gebleven! En toch, welk een edel man
was hij, welk een goed en groot hart had hij, welk een naar waarheid
dorstende arbeider was hij! Hij wilde niets dan liefde en het geluk van
allen!... Sedert wij hier ’s avonds zitten, heb ik een gevoel, alsof
hij terugkeert; zijn schim omgeeft ons, hij is om en in ons opnieuw
ontwaakt. Maar ook zij, de vrome, aan smarten zoo rijke vrouw,
herleeft, is steeds om ons, baadt ons in haar liefde, weent en wil ons
maar niet begrijpen. Misschien zijn zij het, die mij zoo lang hier
gehouden hebben, die ook op dit oogenblik aanwezig zijn, om jouw handen
in de mijne te leggen.”
Inderdaad meende Pierre den ademtocht van waakzame teederheid, die
Guillaume voor hem opriep, over hen beiden te voelen strijken. Het
verleden, hun jeugd herleefde.
“Jij moet ze verzoenen, Pierre, want zij kunnen zich slechts verzoenen
in jou. Jij hebt zijn voorhoofd, dat sterk is als een niet in te nemen
toren, en je hebt haar mond, haar oogen, vol niet te verwezenlijken
teederheid. Tracht ze tot overeenstemming te brengen door dezen
eeuwigen honger naar liefde, overgave en leven, waaraan je ten gronde
gaat, omdat je hem niet hebt kunnen stillen, eenmaal overeenkomstig je
verstand te bevredigen. Jouw vreeselijke ellende heeft geen andere
oorzaak. Keer tot het leven terug, heb lief, geef je geheel, wees een
man!”
“Neen, neen,” riep Pierre wanhopig uit. “De dood van den twijfel is
over mij heen gestreken en heeft alles verdroogd en vernietigd; in dit
koude stof kan niets meer herleven. Het is de totale onmacht!”
“Maar zoover, tot zoo’n absolute verloochening kan het toch niet met je
gekomen zijn,” ging Guillaume, wiens broederhart bloedde, voort.
“Niemand komt zoover, zelfs de meest gedesillussionneerde heeft nog
zijn hoekje van chimères en hoop. De naastenliefde, de barmhartigheid,
het van de liefde te verwachten wonder loochenen, neen zoover ga ik
niet! Maar waarom zou ik, nu je jouw wond voor mij bloot gelegd hebt,
jou mijn droom, mijn wanhoopswaanzin, die mij in het leven houdt, niet
vertellen? Zullen de geleerden dan de laatste droomende groote kinderen
zijn? Zal het geloof weldra alleen nog maar in de laboratoria der
chemici opgroeien?”
Een tot het uiterste gespannen ontroering doorschokte hem: een heftige
strijd werd in zijn brein en in zijn hart gevoerd; dan overwon de
innige liefde voor zijn broeder: hij gaf aan het groote medelijden, dat
zich van hem meester gemaakt had, toe en begon te spreken. Maar hij was
nog dichter bij Pierre komen zitten, sloeg zijn arm om zijn middel,
drukte hem tegen zich aan; en in deze omarming biechtte hij op zijn
beurt, terwijl hij zijn stem liet dalen als was hij bang, dat iemand
zijn geheim afluisteren zou.
“Waarom zou jij het niet mogen weten? Zelfs mijn zoons weten er niets
van, maar jij bent een man, jij bent mijn broeder, en daar je geen
priester meer bent, biecht ik aan mijn broer. Daardoor zal ik nog meer
van je gaan houden en misschien zal het jou goed doen.”
Toen vertelde hij hem zijn uitvinding, een nieuwe springstof, een kruit
van een zóó buitengewone kracht, dat de uitwerking ervan onberekenbaar
was. En voor dat kruit had hij een bijzonder oorlogswerktuig, bommen,
die door een speciaal vervaardigd kanon weggeslingerd werden en aan het
leger, dat er gebruik van zou maken, een verpletterende overwinning
verzekerden. Het vijandelijke leger zou in enkele uren totaal
vernietigd zijn, de belegerde steden bij het geringste bombardement in
stof vallen. Lang had hij gezocht, getwijfeld, berekeningen gemaakt en
proeven genomen; maar thans was alles gereed: de juiste formule van het
kruit, de teekeningen voor het kanon en de bommen, een kostbaar
dossier, dat op een veilige plaats verborgen was. En na maanden van
pijnlijk nadenken had hij besloten zijn uitvinding aan Frankrijk te
geven, om het de overwinning in den komenden oorlog met Duitschland te
verzekeren. Toch voelde hij geen enghartige vaderlandsliefde in zich,
integendeel, hij had een zeer breede, internationale opvatting omtrent
de toekomstige libertaire beschaving. Maar hij geloofde in de zending
van Frankrijk, hij geloofde vooral in Parijs, het brein van de
hedendaagsche en toekomstige wereld, waaruit alle wetenschap, alle
gerechtigheid ontspruiten zouden. Reeds was bij den sterken adem der
Revolutie de idee van vrijheid en gelijkheid uit de wereldstad
opgestegen, en ook van haar genie, van haar moed zou de finale
bevrijding uit moeten gaan. Parijs moest overwinnen, wilde de wereld
gered worden.
Dank zij Bertheroy’s voordracht over de springstoffen had Pierre alles
begrepen. De matelooze grootschheid van dit plan, van dezen droom greep
hem aan. In het bliksemen en donderen der bommen zou zich voor het
overwinnende Parijs een buitengewoon lot openen. Maar ook was hij
getroffen door den adel, dien de nu reeds een maand durende angst van
zijn broeder in zijn oogen aannam. Deze had slechts gebeefd uit vrees,
dat zijn uitvinding door den aanslag van Salvat wereldkundig zou
worden. De kleinste indiscretie kon alles in gevaar brengen; zou dat
kleine gestolen bommetje, waarover de geleerden zich verbaasden, zijn
geheim niet openbaar maken? Hij wilde zijn eigen weg kiezen, want hij
voelde de noodzakelijkheid in het geheim te handelen, totdat de dag zou
komen. Tot op dat oogenblik zou het geheim rusten in de aan de hoede
van Grootmoeder toevertrouwde schuilplaats, van Grootmoeder, die de
noodige orders had en wist wat zij te doen had, wanneer hij zelf door
een plotseling ongeval verdwijnen zou. Hij verliet zich op haar als op
zijn eigen moed, en niemand zou de hand erop leggen, zoolang zij er als
zwijgende hoedster over waken zou.
“Nu je mijn hoop en mijn angst kent, zal je me kunnen helpen,” zoo ging
Guillaume voort; “zal je mijn plaats kunnen innemen, wanneer ik mijn
taak niet tot het einde zou kunnen afmaken... Tot het einde afmaken,
tot het einde afmaken! Sedert ik hier opgesloten ben en nadenk en door
ongerustheid en ongeduld verteerd word, zijn er uren, dat ik den weg
niet duidelijk meer voor mij zie. Die Salvat, die ongelukkige, aan
wiens misdaad wij allen schuld hebben en die als een wild dier vervolgd
wordt! Die waanzinnige, nooit verzadigde bourgeoisie, welke zich liever
zal laten verpletteren door den val van het oude, wankele huis dan de
geringste reparatie erin te dulden! Die hebzuchtige, afschuwelijke,
voor de kleinen zoo harde, voor de verlatenen zoo beleedigende pers,
die geld slaat uit algemeene rampen en bereid is den toch al
besmettelijken waanzin aan te wakkeren, ten einde haar oplaag te
vertiendubbelen. Waar is de waarheid, de gerechtigheid, de logische,
gezonde hand, die men met den bliksem bewapenen moet? Zal het
overwinnende, de volkeren beheerschende Parijs de verwachte rechter, de
verwachte redder zijn? O, deze angst, wanneer men de meester van het
wereldnoodlot meent te zijn, en dan te moeten kiezen, te moeten
beslissen!”
Hij was opgestaan; een hevige rilling, woede en vrees, dat zooveel
menschelijke ellende de verwezenlijking van zijn droom beletten zou,
doorhuiverde hem. En te midden van de diepe stilte, die nu ontstond,
dreunde het kleine huisje door een regelmatigen, aanhoudenden stap.
“Ja, de menschen redden, ze liefhebben, ze allen gelijk en vrij
willen,” prevelde Pierre bitter. “Hoor, daar heb je boven ons hoofd
weer den stap van Barthès! Hij geeft je antwoord uit de eeuwige
gevangenis, waarin zijn liefde voor de vrijheid hem geworpen heeft!”
Maar Guillaume had zijn zelfbeheersching weer teruggekregen, ging met
de geestdrift van zijn geloof weer terug naar zijn broer en nam als een
groote broer, die zich geheel gaf, zijn jongeren broeder in zijn
liefderijke, redding brengende armen.
Tranen rezen weer op in de oogen van Pierre; die innige liefde
doordrong hem en hief hem op.
“O, wat zou ik je graag gelooven, een genezing beproeven! Het is waar,
dat er reeds een onbestemd ontwaken in mij plaats gegrepen heeft. Maar
herleven, neen! Dat zou ik niet kunnen; de priester in mij is dood, een
ledig graf!”
Een zoo hevig snikken doorschokte hem, dat ook Guillaume’s oogen zich
met tranen vulden. Arm in arm, dicht tegen elkaar aangedrukt, weenden
de beide broeders lang in dit huis, waarin de vader en de moeder
terugkeerden en wederom rondspookten, in afwachting, dat hunne schimmen
weer verzoend en aan den vrede der aarde teruggegeven zouden worden.
Door de openstaande deur drong het zachte donker van den tuin, terwijl
daar in de verte, aan den horizont, Parijs ingeslapen was in de
vreeselijke, onbekende duisternis, onder den rustigen, met sterren
bezaaiden hemel.