III.

Drie dagen verliepen. In het kleine huisje van Neuilly voelde

Guillaume, die, brandend van koorts en ongeduld, aan zijn bed gebonden

was, zich door een nieuwen angst aangegrepen, wanneer de couranten

aankwamen. Pierre had wel getracht die te doen verdwijnen, maar hij

zag, dat zijn broer zich dan nog meer opwond, en zoo moest hij zelf wel

alles voorlezen wat over den aanslag geschreven werd: een buitengewonen

vloed, die niet ophield in de kolommen te blijven vloeien.

Nog nooit had zoo’n overstrooming de pers onder water gezet. De anders

zoo voorzichtige, zoo ernstige Globe werd niet gespaard en bezweek

eveneens onder dezen aanval van reporterswaanzin. Maar vreeselijk om te

zien was het hoe de gewetenlooze bladen, zooals de Voix du Peuple, de

algemeene koorts exploiteerden, de openbare meening schrik aanjoegen,

en het hoofd op hol brachten, alleen maar om een grootere oplaag te

kunnen geven en meer te verkoopen. Iederen ochtend was het een nieuwe

sensatie, een nieuw verhaal, om de menschen te doen rillen en beven. Er

werd verteld, dat baron Duvillard iederen avond dreigbrieven kreeg, dat

men zijn vrouw, zijn dochter, zijn zoon vermoorden, hem zelf worgen,

zijn hôtel in de lucht zou laten springen, zoodat het hôtel dag en

nacht door een schaar agenten in burgerkleeding bewaakt werd. Een

andermaal was er sprake van een buitengewone ontdekking: naast de

Madeleine was een riool, waarin anarchisten waren afgedaald. Zij hadden

de geheele kerk ondermijnd en er vaten met buskruit onder gebracht—het

was een ware vulkaan, waarin de helft van Parijs zou verslonden worden.

Nog een derden keer werd beweerd, dat men het spoor van een ontzaglijke

samenzwering ontdekt had, die geheel Europa van af het binnenland van

Rusland tot achter in Spanje omvatte. Het signaal zou van Frankrijk

uitgaan, er zou drie dagen lang een bloedbad aangericht worden, de

straten van Parijs zouden door geweervuur leeggevaagd worden, de Seine

rood zien. En dank zij dat prachtige en verstandige werk der pers

heerschte overal schrik en ontsteltenis, verlieten de vreemdelingen bij

massa’s hun hôtels. Parijs was nog slechts een krankzinnigengesticht,

waarin zelfs de meest idiote schrikbeelden geloof vonden.

Maar niet dat was het wat Guillaume zoo angstig maakte. Hij maakte zich

slechts ongerust ten opzichte van Salvat, van de nieuwe sporen, waarop

de couranten zich wierpen. Salvat was nog niet gearresteerd, ja zelfs

was er geen enkele aanwijzing, dat men hem op het spoor was. Dan las

plotseling Pierre een berichtje, dat den gewonde deed verbleeken.

“Zoo, het schijnt dat ze tusschen de puinhoopen onder de koetspoort van

het hôtel Duvillard een stuk gereedschap, een priem gevonden hebben, op

het handvat waarvan de naam van Grandidier, een bekend fabrikant,

stond. Die Grandidier moet vandaag voor den rechter van instructie

verschijnen.”

Guillaume maakte een wanhopig gebaar.

“Nu zijn zij op het goede spoor. Salvat heeft natuurlijk dat

gereedschap laten vallen. Hij heeft bij Grandidier gewerkt voor hij een

paar dagen bij mij geweest is.... Door Grandidier zullen zij alles te

weten komen; zij behoeven den draad slechts te volgen.”

Pierre herinnerde zich nu die fabriek, waarover hij in Montmartre had

hooren spreken en waar Thomas, de oudste zoon, die er zijn opleiding

ontvangen had, soms nog ging werken. Maar nog steeds durfde hij niets

verder vragen aan zijn broer, want hij voelde, hoe ernstig, voornaam en

vrij van lage vrees voor zijn eigen persoon diens angst was.

“Je hebt mij juist verteld, dat Thomas gedurende mijn afwezigheid in de

fabriek zou gaan werken voor den nieuwen motor, dien hij zocht en bijna

gevonden heeft,” ging Guillaume voort. “Stel je voor, dat er een

huiszoeking gehouden wordt, dat men hem ondervraagt en dat hij niet

antwoorden wil, om zijn geheim te verdedigen... Hij moet gewaarschuwd,

dadelijk gewaarschuwd worden!”

Zonder hem tijd te laten zijn wensch nader te formuleeren, bood Pierre

aan dat te doen.

“Als je dat wilt, zal ik vanmiddag Thomas in de fabriek opzoeken.

Misschien tref ik dan tevens mijnheer Grandidier en kan ik hooren wat

er bij den rechter van instructie gezegd is en hoe het met de zaak

staat.”

Met tranen in zijn oogen en een warmen handdruk dankte Guillaume hem.

“Ja, ja, Pierre, doe dat, dat is goed en braaf van je.”

“Ik had vandaag nog naar Montmartre willen gaan,” ging Pierre voort.

“Ik heb je er niets van gezegd, maar ik heb een gedachte, die me niet

loslaten wil. Wanneer die Salvat gevlucht is, dan heeft hij daar zijn

vrouw en zijn dochter alleen achter moeten laten. Ik heb ze den ochtend

van den aanslag in zulk een ellendigen toestand aangetroffen, dat ik

niet, zonder dat mijn hart verscheurd wordt, aan die arme, verlaten,

misschien van honger stervende schepsels denken kan. Wanneer de man er

niet meer is, moeten vrouw en kind omkomen.”

Guillaume, die Pierre’s hand in de zijne gehouden had, drukte die nog

inniger en met een bevende stem zeide hij:

“Ja, dat zou goed en braaf zijn... Doe dat, Pierre.”

Dat huis in de rue des Saules, dat vreeselijke huis van lijden en

ellende, was Pierre steeds in de gedachte gebleven als een afschuwelijk

riool, waarin het oude Parijs met den dood worstelde. En toen hij er in

dien middag weer naar toeging, vond hij dezelfde kleverige vuiligheid

terug, de donkere vochtige trappen in denzelfden verwaarloosden,

troosteloozen en stinkenden toestand. Terwijl ’s winters de mooie

wijken van het centrum droog waren en gereinigd werden, bleven de

wijken der armen somber en vuil onder het voortdurend heen en weer

trappelen der jammerlijke kudde.

Pierre, die de trap der Salvats kende, klom die dadelijk op te midden

van het luide geschreeuw van kinderen, die huilden en plotseling weer

zwegen, om het huis in een doodelijke stilte te doen verzinken. De

gedachte aan den ouden Laveuve, die hier als een hond in een goot

gestorven was, kwam weer in zijn herinnering terug en deed hem

verstijven. Hij rilde, toen hij, boven gekomen, aan de deur klopte en

slechts een diepe stilte antwoordde. Geen geluid, geen ziel...

Toen klopte hij nogmaals en daar er nog geen antwoord volgde, dacht

hij, dat er niemand was. Misschien was Salvat vrouw en kind komen

halen, misschien hadden zij hem naar een ander gat in den vreemde

gevolgd. Doch dat kon hij niet goed gelooven: de armen veranderen niet

gauw van woonplaats, sterven waar zij lijden. En hij klopte voor de

derde maal.

Eindelijk liet zich in de stilte een zacht geluid hooren, het geluid

van kleine voetjes.

“Wie is daar?” vroeg een fijn kinderstemmetje.

“Mijnheer de abbé.”

Weer een stilte. Besluiteloosheid, aarzeling.

“Mijnheer de abbé, die laatst ook geweest is.”

Dat maakte een einde aan de onzekerheid; de deur ging op een kiertje

open en Céline, het kleine meisje, liet den priester binnen.

“Neem me niet kwalijk, mijnheer de abbé; moeder Théodore is uit en zij

heeft mij op het hart gedrukt niemand open te doen.”

Een oogenblik had Pierre zich ingebeeld, dat Salvat zeker hier was.

Maar met één blik had hij vlug het eenige vertrek, waarin de familie

samenhokte, overzien. Madame Théodore was blijkbaar bang voor een

bezoek der politie. Had zij haar vader teruggezien? Wist zij, waar hij

zich schuil hield? Was hij haar beiden komen geruststellen?

“En is je vader er ook niet, beste meid?”

“O neen, mijnheer, hij heeft zaken en is weg.”

“Hoe bedoel je dat?”

“Ja, hij is niet meer komen slapen, wij weten niet waar hij is.”

“Heeft hij werk?”

“Neen, dan zou hij ons geld zenden.”

“Is hij dan op reis?”

“Ik weet het niet.”

“Maar hij heeft toch zeker wel aan moeder Théodore geschreven?”

“Ik weet het niet.”

Pierre vroeg niet verder door; hij schaamde zich een beetje dat kind

van elf jaar zoo uit te hooren. Het was mogelijk, dat zij niets wist,

dat Salvat uit voorzichtigheid niets van zich liet hooren. Haar blond,

zacht en intelligent gezichtje zag er waarheidlievend uit; het bezat

reeds de ernstige uitdrukking, welke bittere ellende aan kinderen

geeft.

“Het spijt mij, dat madame Théodore niet thuis is, ik had haar graag

willen spreken.”

“Maar kunt u niet even op haar wachten, mijnheer?... Zij is naar oom

Toussaint in de rue Marcadet; zij zal wel gauw terug zijn, zij is al

een uur weg.”

Zij maakte een van de stoelen leeg, waarop wat hout lag.

In het onverwarmde, akelig kale vertrek was blijkbaar geen brood

voorhanden. Men voelde de afwezigheid van den man, het verdwijnen van

hem, die de wil en de kracht is, op wien men zelfs na weken van

werkeloosheid rekent. De man gaat uit, trekt de stad door, brengt ten

slotte nog altijd het onmisbare, de broodkorst, terug, die dan gedeeld

wordt en het sterven belet. Maar is de man weg, dan zijn vrouw en kind

geheel verlaten, zonder hulp of steun.

Pierre ging zitten en keek naar dat arme, kleine schepseltje met haar

heldere, blauwe oogen en haar grooten mond, die ten slotte ondanks

alles glimlachte. Hij kon het niet nalaten haar nog verder uit te

hooren.

“En ga je niet naar school, beste meid?”

“Ik heb geen schoenen,” antwoordde zij, ietwat blozend.

Inderdaad zag hij, dat zij oude, aan flarden hangende schoenen had,

waaruit haar kleine, roode teentjes gluren kwamen.

“En bovendien,” ging zij voort, “moeder Théodore zegt, dat je niet naar

school gaat, als je niets te eten hebt.—Moeder Théodore heeft willen

werken, maar zij kon niet door haar oogen, die dadelijk begonnen te

steken en te tranen... Wij weten niet wat wij beginnen moeten; sinds

gisteren hebben we niets meer, en wanneer oom Toussaint ons geen

twintig sous geven kan, is het uit.”

Zij glimlachte nog steeds onbewust, terwijl twee dikke tranen in haar

oogen kwamen. Dit in deze ledige kamer opgesloten, van de gelukkigen

als afgesneden meisje was een zoo hartverscheurende aanblik, dat de

priester zijn woedend verzet tegen de ellende, zijn vurig verlangen

naar sociale rechtvaardigheid weer in zich boven voelde opkomen.

Na een minuut of tien begon hij ongeduldig te worden, want hij bedacht,

dat hij ook naar de fabriek Grandidier moest.

“Ik begrijp niet, dat moeder Théodore nog niet terug is,” zeide Céline.

“Zij praat zeker weer.”

Daar viel haar iets in.

“Als u het goed vindt, mijnheer de abbé, dan zal ik u bij oom Toussaint

brengen. Het is hier vlak bij, alleen even den hoek om.”

“Maar je hebt geen schoenen, kindlief.”

“O, dat hindert niet, ik kan zoo best loopen.”

“Wijs mij dan den weg maar even,” zeide hij opstaande. “Dan kan ik

gelijk een paar schoenen voor je koopen.”

Céline kreeg een vuurroode kleur en volgde hem gauw, nadat zij als

goed, klein huisvrouwtje zorgvuldig de deur gesloten had.

Voor madame Théodore bij haar broer Toussaint aanklopte om twintig

sous, was zij op het denkbeeld gekomen eerst haar geluk te beproeven

bij haar zuster Hortense, die met een ambtenaar, den kleinen

Chrétiennot, getrouwd was en op den boulevard Rochechouart vier kamers

had. Maar dat was een pijnlijke stap, waartoe zij eerst bevend besloten

had bij de gedachte, dat Céline sinds den vorigen dag niets gegeten

had.

De oudste broer Toussaint was vijftig jaar en een zoon uit het eerste

huwelijk. Later was zijn vader hertrouwd met een jong naaistertje, dat

hem drie dochters, Pauline, Léonie en Hortense geschonken had. Dat gaf

de verklaring waarom Pauline, de oudste, tien en Hortense, de jongste,

achttien jaar jonger was dan Toussaint. Na den dood van zijn vader, had

Toussaint korten tijd voor zijn stiefmoeder en zijn drie zusters moeten

zorgen. Het ergste daarbij was, dat hij, hoe jong ook nog, zelf reeds

een vrouw en een kind had. Gelukkigerwijze echter wist de ijverige en

intelligente schoonmoeder zich te redden. Zij ging weer als arbeidster

terug naar het atelier, waar Pauline reeds als leerlinge was, en bracht

daar ook Léonie. Maar Hortense, die bedorven, mooier en fijner was,

liet zij langer op school. Later, toen Pauline met den metselaar

Labitte en Léonie met den werktuigkundige Salvat getrouwd was, maakte

Hortense, die als winkeljuffrouw bij een confiseur in de rue des

Martyrs in dienst was, kennis met den ambtenaar Chrétiennot, die, daar

zij weigerde zijn maîtresse te worden, met haar trouwde. Léonie was

enkele weken na haar moeder aan typhus gestorven. Pauline, door haar

man verlaten, leefde met haar zwager Salvat, wiens dochtertje haar

“moeder” noemde, en stierf bijna van honger. Alleen Hortense droeg ’s

Zondags een lichte zijden japon, woonde in een nieuw huis en was een

bourgeoise—maar ten koste van een helleleven en vreeselijke

ontberingen.

Madame Théodore kende heel goed de moeilijkheden, waarin haar zuster

verkeerde, wanneer het einde der maand naderde, zoodat zij dan ook met

vreezen en beven een poging, om iets van haar te leenen, waagde.

Bovendien verweet Chrétiennot, die langzamerhand door zijn eigen

middelmatigheid verbitterd was, zijn vrouw, sedert haar schoonheid

verwelkte, de oorzaak te zijn van zijn mislukt bestaan, en wilde haar

familie, voor wie hij zich schaamde, niet meer zien. Toussaint was nog

een fatsoenlijk werkman, maar die Pauline, die madame Théodore, welke

onder de oogen van het kind met haar zwager Salvat leefde, die van de

eene werkplaats naar de andere ging, die dolleman, van wien geen enkele

patroon iets wilde weten—al die ongeregelde verhoudingen, al die

ellende waren den correcten, ijdelen, door de levensomstandigheden

verbitterden kleinen ambtenaar een doorn in het oog. Hij had dan ook

Hortense verboden haar zuster te ontvangen.

Toch voelde madame Théodore, toen zij de met een looper belegde trap

van het huis op den boulevard Rochechouart opging, een zekeren trots in

zich opkomen bij de gedachte, dat een zuster van haar in al die luxe

woonde. De kamers, die zevenhonderd franc kostten en op de binnenplaats

uitzagen, lagen op de derde verdieping. De meid, die altijd tegen vier

uur terug kwam, om voor het middageten te zorgen, was er reeds. Zij

liet de bezoekster, die zij kende, doorloopen, hoewel het haar wel

eenigszins verbaasde, dat zij het waagde zoo slecht gekleed te

verschijnen. Maar reeds op den drempel van den kleinen salon bleef

madame Théodore verwonderd staan, toen zij haar zuster Hortense

snikkend en terneergeslagen zitten zag in een der blauwe

rips-fauteuils, waarop zij zoo trotsch was.

“Wat heb je? Wat is er?”

Hoewel pas twee-en-dertig jaar was zij reeds lang de mooie Hortense

niet meer. Zij zag er nog steeds uit als een blonde, groote, slanke pop

met aardige oogen en mooi haar. Maar zij, die vroeger zoo netjes en

proper was, begon zich te verwaarloozen, droeg peignoirs, die

twijfelachtig zindelijk waren, haar oogen kregen roode randen, haar

huid verlepte. Twee op elkaar volgende bevallingen—twee meisjes,

waarvan de oudste negen en de jongste zeven was—hadden haar schoonheid

ten gronde gericht. Bovendien betreurde de hoogmoedige en trotsche

vrouw eveneens haar huwelijk, want zij had vroeger zichzelf voor een

schoonheid gehouden, die het paleis en de karossen van een

sprookjesprins waardig was.

Haar wanhoop was zóó groot, dat zij er zich zelf niet over verwonderde

haar zuster te zien binnenkomen.

“Ben jij het? Als je eens wist wat een pech we nou weer hebben bij al

die andere beroerdigheden!”

Onmiddellijk dacht madame Théodore aan de kleine, Lucienne en Marcelle.

“Zijn je dochtertjes ziek?”

“Neen, zij zijn met een buurvrouw op den boulevard aan het wandelen...

Maar ik ben weer zwanger! Eerst dacht ik het, dat het een verlating

was, maar het is nu de tweede maand al. Toen ik het daarnet na het

dejeuner aan Chrétiennot vertelde, is hij vreeselijk woedend geworden

en heeft hij mij met allerlei gemeene woorden toegeschreeuwd, dat het

mijn schuld was. Alsof het alleen van mij afhangt!... Ik heb er het

meeste last van!”

Weer begon ze te snikken. Zij bleef doorstamelen, vertelde van haar

schrik, want zij hadden vast besloten geen derde kind meer te hebben.

Goddank, dat hij wist, dat zij niet in staat was hem te bedriegen; zij

was zoo slap en indolent, dacht alleen maar aan haar rust.

“Lieve Hemel, jullie zult dat kind, evenals de twee andere, wel

grootbrengen,” zeide madame Théodore eindelijk.

Onmiddellijk droogde de woede de tranen van Hortense. Zij stond op en

riep:

“Jij bent ook een mooie! Je kan wel zien, dat je niet met onze beurs

behoeft rond te komen? Waarvan moeten wij het kind groot brengen, nu

het toch al zoo moeielijk is het eind van de maand te halen?”

Zij vergat haar armzaligen bourgeois-trots, die haar er gewoonlijk toe

bracht te zwijgen of zelfs te liegen, legde haar armoede, het

vreeselijke geldgebrek, dat jaar in jaar uit aan haar knaagde, bloot.

De huur alleen was al zevenhonderd francs. Van de drie duizend francs,

die haar man verdiende, bleven dus nauwlijks tweehonderd francs per

maand over. Hoe kon je daarvan met je vieren eten, je kleeden, je stand

ophouden? De man moest zijn rok, mevrouw een nieuwe japon hebben, de

meisjes versleten een paar schoenen per maand, waarbij nog allerlei

andere uitgaven kwamen, waarop je niet bezuinigen kon. Ja, je kon eens

wat minder eten of drinken, maar daartegenover stond, dat er weer

avonden waren, dat je in ieder geval een rijtuig hebben moest. In het

kort het waren de ondragelijke levensomstandigheden van den kleinen

ambtenaar, die al even beroerd waren als de zwarte ellende van den

arbeider, het was de valsche uiterlijke schijn, de leugenachtige luxe,

alles, wat de intellectueele trots om niet aan een bankschroef of op

een stelling te werken, aan jammer en lijden verbergt.

“Enfin, je zult de kleine niet wurgen,” herhaalde madame Théodore.

Hortense liet zich weer in haar fauteuil vallen.

“Neen, zeker niet, maar alles is nu uit. Twee waren al te veel en nu

komt het derde. Lieve God, wat moet er van ons worden? Wat moet er van

ons worden?”

Haar peignoir was open gegaan, en weer begonnen de tranen uit haar

roode oogen te stroomen.

Madame Théodore vond het zeer onaangenaam, dat zij het met haar vraag

om een leening zoo slecht trof; toch waagde zij het eindelijk en vroeg

twintig sous. Maar dat bracht Hortense’s wanhoop tot het uiterste.

“Op mijn woord, ik heb geen centime in huis. Daarnet heb ik voor de

kinderen tien sous van de meid geleend. Eergisteren heb ik op de bank

van leening op een ringetje tien francs gekregen. En zoo is het altijd

tegen het eind van de maand... Chrétiennot krijgt vandaag zijn

traktement en komt vroeg thuis om mij het geld voor het middageten te

brengen. Ik beloof je, dat ik je morgen wat zal sturen, als ik kan.”

Maar op dat oogenblik kwam de meid, die wist, dat mijnheer niets van de

familie van zijn vrouw hebben moest, binnenvliegen.

“Madame, madame, ik hoor mijnheer de trap opkomen.”

“Ga gauw weg,” riep Hortense uit. “Anders zou ik weer een scène

krijgen... Als ik kan, morgen, dat beloof ik je.”

Madame Théodore moest zich in de keuken verstoppen, om niet door

Chrétiennot gezien te worden. Zij keek den mageren, kleinen man met

zijn ijdel, smal gezicht en zijn grooten, gesoigneerden baard na; hij

was als altijd correct gekleed en droeg een nauwsluitende overjas. Zijn

veertien bureaujaren hadden hem al uitgedroogd, en zijn hartstocht, om

uren lang in een café in de buurt te zitten, gaf hem den genadeslag.

Langzaam en als met lood in haar schoenen ging madame Théodore terug

naar de rue Marcadet, waar de Toussaint’s woonden. Ook van den kant van

haar broer verwachtte zij niet veel, want zij wist in welke

moeilijkheden het huisgezin gekomen was. Het vorige najaar had

Toussaint een aanval van een beroerte gehad, het begin van een

verlamming, die hem gedurende bijna vijf maanden aan zijn stoel

gekluisterd had. Tot dat oogenblik was hij een uitstekend werkman

geweest, die niet dronk en zijn drie kinderen—een dochter, die haar

man, een schrijnwerker, naar Havre gevolgd was, een jongen, die in

Tonkin gesneuveld was, en nog een jongen, Charles, die pas uit dienst

gekomen was en zijn oud beroep van werktuigkundige uitoefende—een goede

opvoeding gegeven had. Maar de ziekte van vijf maanden had het weinigje

geld, dat zij op de Spaarbank geplaatst hadden, opgemaakt, en

Toussaint, die weer zoo goed als beter was, moest, zonder een sou, zijn

leven opnieuw beginnen, als was hij twintig jaar.

Madame Théodore vond haar schoonzuster alleen in het eenige, zeer

zindelijke vertrek, dat het echtpaar bewoonde; daarnaast was een klein

kabinet, waar Victor sliep. Madame Toussaint was ondanks haar zorgen en

haar vasten een dikke flinke matrone met een rond gezicht met kleine,

heldere oogjes. Zij was een fatsoenlijke, praatzieke, eenigszins

snoepachtige vrouw, die geen ander gebrek had dan dat zij graag lekkere

potjes klaar maakte. Voordat de andere haar mond open had kunnen doen,

begreep zij reeds het doel van haar bezoek.

“Je komt al op een heel ongelukkig oogenblik, we hebben geen sou.

Eergisteren is Toussaint pas naar de fabriek terug kunnen gaan en nu

moet hij vanavond al om een voorschot vragen.”

Zij keek madame Théodore eenigszins wantrouwend en weinig sympathiek

aan.

“En heeft Salvat nog steeds geen werk?”

Ongetwijfeld voorzag madame Théodore de vraag, want zij loog heel

rustig.

“Hij is niet meer te Parijs; een vriend van hem heeft hem meegenomen,

om in België te werken; ik verwacht, dat hij ons eerstdaags wel wat

zenden zal.”

Maar madame Toussaint bleef wantrouwend.

“Des te beter, dat hij niet in Parijs is! Wij hebben met al die

bommengeschiedenissen aan hem gedacht; we zien hem voor gek genoeg aan,

om zich daarin te mengen.”

De ander vertrok geen spier. Al mocht zij iets vermoeden, dan hield zij

het toch voor zich.

“En hebt gij heelemaal geen werk?”

“Och, wat zou ik met mijn arme oogen doen? Naaien gaat niet meer.”

“Ja, dat is zoo, wij arbeidsters raken gauw afgetakeld. Toen Toussaint

hier aan zijn stoel gebonden was, heb ik mijn oude vak van

linnennaaister weer willen opvatten. Maar dat kan je denken, ik bedierf

alles en ik schoot niet op... Het eenige, wat ik nog doen kan, is een

beetje het huishouden bij anderen te gaan doen. Waarom ga jij dat ook

niet doen?”

“Ik heb het geprobeerd, maar het wou niet lukken.”

Langzamerhand kwam madame Toussaint’s goed hart weer boven en werd bij

het zien van die groote ellende geroerd. Zij vroeg haar te gaan zitten

en zeide, dat zij haar wat geven zou, als Toussaint een voorschot

meebracht. Dan begon zij haar geschiedenissen te vertellen, want zoodra

er iemand was om te luisteren, kon zij haar kletszucht niet bedwingen.

Het onvermijdelijke verhaal, waarop zij weer terugkwam, dat zij steeds

opnieuw begon, waarbij zij altijd weer in geestdrift geraakte, was de

geschiedenis van haar zoon Charles, van het dienstmeisje van den

wijnhandelaar, waarmede hij zoo dom geweest was naar bed te gaan, en

van het kind, dat hij bij haar had. Voor Charles soldaat werd, was hij

een heel ijverig werkman en een goed zoon geweest, die altijd zijn

geheele loon thuis bracht. Zeker hij was een goed werkman gebleven,

maar de lust tot werken was toch wel eenigszins verdwenen door den

dienst. Niet dat hij ernaar terug verlangde, want hij sprak over de

kazerne als over een gevangenis, maar de gereedschappen wogen nu

eenmaal zwaarder in zijn hand, toen hij ze weer moest opnemen.

“Ach ja, Charles mag zoo aardig en lief voor ons zijn, als hij wil,

maar financieel kan hij niets meer voor ons doen. Ik wist, dat hij

volstrekt geen zin had om zoo gauw te trouwen om de lasten, die het

meebrengt. En bovendien is hij zeer voorzichtig met meisjes. En nu

moest die stommiteit gebeuren—die Eugénie, die hem bediende, wanneer

hij aan den overkant een borrel ging drinken. Natuurlijk deed hij het

niet, om met haar te trouwen, maar toch bracht hij haar sinaasappelen,

toen zij in het ziekenhuis bevallen is. Een echte slet, die er al eens

met een anderen man van door geweest is... Maar het kind is en blijft

er. Charles heeft het bij een min op het land gedaan en betaalt het

kostgeld. Een echte ruïne voor ons, telkens weer nieuwe onkosten. In

het kort, alle ongelukken zijn tegelijk op ons hoofd neergekomen.”

Madame Toussaint was zoo al een half uur aan het spreken, toen zij

plotseling ophield, want zij zag madame Théodore bleek worden van het

wachten.

“Begin je ongeduldig te worden? Toussaint zal wel dadelijk thuis zijn.

Willen we misschien naar de fabriek gaan?”

Zij besloten te gaan, maar zij bleven onder aan de trap nog wel een

kwartier staan praten met een buurvrouw, die pas een kind verloren had.

Eindelijk verlieten zij het huis, toen een stem haar terugriep.

Het was Céline, die nieuwe schoenen aan had en gulzig in een broodje

hapte.

“Moeder, moeder, dat is de abbé van den laatsten keer... Kijk eens wat

hij voor mij gekocht heeft!”

Toen madame Théodore de schoenen en het broodje zag, begreep zij alles.

Zij begon te beven en dank te stamelen, toen Pierre, die de kleine

volgde, haar aansprak. Madame Toussaint kwam ook dadelijk naderbij,

stelde zich voor, maar vroeg toch niets voor zichzelf, blij als zij was

om het buitenkansje van haar schoonzuster, die het nog zooveel

moeilijker had dan zij. Toen zij zag, hoe de priester deze laatste tien

francs in haar hand drukte, zeide zij, dat zij graag wat geleend zou

hebben, maar dat zij het onmogelijk kon, en begon dan weer het verhaal

over de beroerte van Toussaint en Charles’ ongeluk.

“Zeg moeder,” viel Céline haar in de rede, “de fabriek, waar vader

gewerkt heeft, is immers hier in de straat. Mijnheer de abbé moet er

een boodschap doen.”

“De fabriek van Grandidier?” vroeg madame Toussaint. “Daar gaan we

juist naar toe, we zullen mijnheer den abbé den weg wel wijzen.”

Het was een honderd pas verder. Pierre liep met de twee vrouwen en het

kind wat langzaam, daar hij trachten wilde madame Théodore over Salvat

aan het praten te krijgen.

Maar dadelijk werd zij voorzichtig. Zij had hem niet meer teruggezien,

hij moest met een kameraad voor werk naar België gegaan zijn. De

priester meende daaruit te moeten opmaken, dat Salvat het niet gewaagd

had naar de rue des Saules terug te komen; zijn aanslag deed alles ten

gronde gaan: het verleden vol werk en hoop, het heden met vrouw en

kind.

“Kijk, mijnheer, daar hebt u de fabriek,” zeide madame Toussaint. “Mijn

schoonzuster behoeft niet meer te wachten, nu u haar zoo flink geholpen

hebt... Ik dank u uit haar en uit onzen naam.”

Madame Théodore en Céline bedankten ook en bleven kijken hoe Pierre de

fabriek binnenging. Er waren toch ook wel aardige en goede priesters,

vonden zij.

De fabriek Grandidier besloeg een groote ruimte. Aan de straatzijde zag

men slechts een gebouw van baksteen met smalle vensters en een groote

deur, waardoor men op een diepe binnenplaats keek. Dan volgde een rij

afzonderlijke gebouwen, werkplaatsen, loodsen en tallooze daken,

waarboven twee groote schoorsteenen uitstaken. Dadelijk bij het

binnenkomen hoorde men het trillen van de machines, het doffe lawaai

van den arbeid, de geheele ijverige, onrustige oorverdoovende

bezigheid, waaronder de grond zelfs beefde.

Thans vervaardigde de fabriek voornamelijk rijwielen. Toen Grandidier,

die leerling van de École des arts et des métiers te Châlons geweest

was, haar overnam, stond de fabriek heel wankel; zij werd slecht

bestuurd en was stil blijven staan bij het maken van motoren met behulp

van verouderde machines. Grandidier, een man met een vooruitzienden

blik, had zijn ouderen broeder, die administrateur aan den Bon Marché

was, als vennoot genomen en nam aan dezen uitstekende rijwielen voor

honderdvijftig francs te leveren. Op die wijze ontstond er een

levendige handel: de Bon Marché lanceerde het populaire rijwiel de

Lisette, het “rijwiel voor allen”, zooals de annonces zeiden. Maar

Grandidier streed nog steeds, hij had de overwinning nog niet behaald,

want door de geheel nieuwe inrichting der fabriek had hij zich diep in

de schuld moeten steken. Iedere maand kwam er een vernieuwing, een

vereenvoudiging, die groote bezuinigingen aanbracht. Voortdurend hield

hij zijn oogen open en hij droomde er nu van weer tot de kleine motoren

terug te keeren, daar hij den nabijen triomf der automobielen voorzag.

Pierre, die Thomas Froment te spreken gevraagd had, werd door een ouden

werkman naar een kleine, houten werkplaats gebracht, waar hij den

jongen man in werktenue en met door ijzervijlsel zwart geworden handen

vond. Hij was bezig een machinedeel pasklaar te maken en niemand zou in

dezen zoo aandachtig en dapper zijn zwaar werk verrichtenden kolos den

schitterenden leerling van het lycée Condorcet vermoed hebben, waar de

drie broeders den naam Froment beroemd gemaakt hadden. Maar als

vertrouwde medewerker van zijn vader wilde hij niets anders zijn dan de

hamerende arm, de uitvoerende kracht. Hij was sober, geduldig, stil,

had zelfs geen maîtresse, zeide, dat hij later, wanneer hij een goede

vrouw ontmoette, wel trouwen zou.

Toen hij Pierre zag, werd hij ongerust, liet hij zijn werk in den

steek, vloog naar hem toe.

“Vader is toch niet erger?”

“Neen, neen... Hij heeft in de courant gelezen van de priem, die

gevonden is in de rue Godot-de-Mauroy en heeft zich toen ongerust

gemaakt bij de gedachte, dat er hier een huiszoeking zou kunnen plaats

vinden.”

Gerustgesteld, glimlachte Thomas.

“Zeg maar aan vader, dat hij gerust kan slapen. In de eerste plaats ben

ik nog niet zoo ver als ik wel graag willen zou. En bovendien is hij

nog niet gemonteerd. De afzonderlijke deelen heb ik thuis en eigenlijk

weet niemand precies wat ik hier doen kom. De politie mag komen zoeken,

zij zal niets zien, ons geheim loopt geen gevaar.”

Pierre beloofde die woorden letterlijk aan Guillaume over te brengen,

om hem van iedere vrees te bevrijden. Toen hij echter Thomas trachtte

uit te hooren, om te weten hoe het met de zaak stond, wat men in de

fabriek over den gevonden priem dacht en of men al vermoeden begon te

krijgen op Salvat, werd Thomas weer gesloten en gaf slechts

eenlettergrepige antwoorden. Was de politie nog niet geweest? Neen.

Maar de werklui hadden toch zeker wel den naam van Salvat genoemd? Dat

natuurlijk wel, want iedereen kende zijn anarchistische denkbeelden. En

wat had Grandidier gezegd, toen hij van den rechter van instructie

terugkwam? Hij wist het niet, had hem nog niet gezien.

“Maar daar is hij juist... De arme man, zijn vrouw heeft vanmorgen weer

een aanval gehad!”

Dat was een treurige geschiedenis, die Pierre reeds van Guillaume

gehoord had. Grandidier had uit liefde een buitengewoon mooi meisje

getrouwd, dat tengevolge van het verlies van een jongetje en

kraamvrouwenkoorts sedert vijf jaar krankzinnig was. Hij had er niet

toe kunnen overgaan haar in een gesticht te doen, maar was met haar

blijven wonen in een paviljoen, waarin de ramen, die op de binnenplaats

uitzagen, steeds gesloten bleven. Nooit zag men haar, nooit sprak hij

met iemand over haar. Men vertelde, dat zij als een zacht, meegaand

kind en nog heel mooi was met haar prachtig blond haar. Doch meermalen

had zij vreeselijke aanvallen, moest hij met haar worstelen, haar

urenlang in zijn beide armen houden, opdat zij haar hoofd niet tegen de

muren te pletter loopen zou. Men hoorde dan vreeselijk gegil, waarna

even later alles weer in een doodelijke stilte terugviel.

Op dat oogenblik kwam Grandidier, een knappe veertiger met een energiek

gezicht, een dikke snor en heldere oogen, de kleine werkplaats, waar

Thomas bezig was, binnen. Hij hield veel van dezen laatste en had hem

zijn leertijd verlicht door hem als zijn zoon te behandelen. Thomas

mocht komen werken als hij lust had en zooveel gebruik maken van de

machines als hij zelf wilde. En hoewel Grandidier heel goed wist, dat

hij zich voornamelijk bezighield met kleine motoren, waarin hij zelf

ook zoo’n groote belangstelling toonde, legde hij de grootste discretie

aan den dag en wachtte rustig zonder te vragen.

Thomas stelde den priester voor.

“Mijn oom, abbé Pierre Froment, die eens naar me komt kijken.”

De gewone beleefdheidsphrases volgden.

“Zeg eens, Thomas,” zeide hij dan; “ik heb je mijn onderhoud met den

rechter van instructie nog niet verteld. Wij staan daar goed

aangeschreven, anders hadden we al de smerissen van de prefectuur al op

ons dak gehad. Ik moest hem verklaren, hoe die met mijn naam gemerkte

priem in de rue Godot-de-Mauroy gevonden kon zijn. En ik heb heel goed

begrepen, dat hij dacht, dat de dader van den aanslag hier had moeten

werken... Ik heb dadelijk aan Salvat gedacht. Maar ik verklik niemand.

Hij heeft mijn werkboekje. Ik heb hem over Salvat alleen verteld, dat

hij verleden jaar herfst drie maanden in de fabriek gewerkt heeft en

zich daarna niet meer heeft laten zien. Laat hij hem nu maar gaan

zoeken!... O, die rechter! Een blond, zeer gesoigneerd, mondain

mannetje, dat met kattenoogen in deze geschiedenis speurt.”

“Is dat niet mijnheer Amadieu?” vroeg Pierre.

“Precies. De man schijnt erg in zijn nopjes over het geschenk, dat die

anarchistische bandieten hem met hun aanslag gegeven hebben.”

Angstig luisterde de priester. Dat was het, waar zijn broeder zoo bang

voor geweest was; dat was het eindelijk gevonden goede spoor, de eerste

goede draad. Hij keek Thomas aan om te zien, of die ook ongerust was.

Maar hetzij, dat de jonge man niets wist van den band, die Salvat aan

zijn vader bond, hetzij dat hij een groote zelfbeheersching bezat, de

jonge man lachte eenvoudig om het portret van den rechter.

Terwijl Grandidier naar het machinedeel, waarmede Thomas bijna klaar

was, keek en zij er samen lang over praatten, ging Pierre naar een

openstaande deur, om een blik te werpen in de groote machinekamer

ernaast. De priester hoorde drie arbeiders, die aan een fonteintje hun

handen kwamen wasschen, praten. Zijn aandacht werd onmiddellijk

geboeid, toen hij een van hen een ander Toussaint en den derde Charles

hoorde noemen. Dat waren vader en zoon. Toussaint was een gezette man

met breede schouders en pezige armen, wien men zijn vijftig jaar pas

aanzag, wanneer men naar zijn rond, gerimpeld, gegroefd en door het

werk weggevreten gezicht zag, dat omgeven was door een grijzenden

baard, dien hij alleen Zondags kamde. Zijn rechterarm was door de

verlamming reeds aangetast en maakte veel langzamere bewegingen.

Charles, het sprekend evenbeeld van zijn vader, had een dikke zwarte

snor en was met zijn sterke spieren, die duidelijk onder de blanke huid

te zien waren, in de volle kracht van zijn zes-en-twintig jaren. Ook

zij spraken over de bom van hôtel Duvillard, over den gevonden priem en

over Salvat, die nu door allen verdacht werd.

“Alleen een bandiet kon zoo’n streek uithalen,” zeide Toussaint. “Ik

wil met die anarchie niets te maken hebben. Maar de bourgeois mogen wel

oppassen, anders laat men ze gewoon in de lucht vliegen. Dat gaat hen

aan; zij hebben het zelf gewild.”

Op den bodem van die onverschilligheid lag een lang verleden van

ellende en onrechtvaardigheid. De oude man had alle hoop opgegeven, was

het strijden moede; wat hem betrof, mocht de wereld, waarin honger den

ouden, lam geworden werkman dreigde, ten gronde gaan.

“Ik heb die anarchisten nog al eens hooren praten,” zeide Charles; “en

ze zeggen waarachtig dikwijls zeer ware en verstandige dingen... Kijk

eens vader, jij werkt nu al meer dan dertig jaar—en is het nu niet

afschuwelijk, dat het heel goed mogelijk is, dat je, zoodra je ziek

bent, als een uitgeknepen citroen weggegooid wordt. En wanneer ik

bedenk, dat het met mij precies eender gaan kan... Verdomme, als dat

alle menschen gelukkig maken kan, dan heb ik bliksems veel lust met hun

omverwerpen van de maatschappij mede te doen.”

Uit zijn woorden sprak niet de heilige hartstocht, maar slechts de

zucht om een beter leven te hebben; de kazerne had hem reeds

gedeclasseerd en uit zijn verplichten diensttijd had hij een

voorstelling van gelijkheid, van den strijd om het bestaan, een drang

om het hem wettig toekomend deel van het genot te nemen, medegebracht.

Het was de onvermijdelijke stap van de eene generatie naar de andere:

de vader, teleurgesteld in zijn verwachting van de broederrepubliek,

was sceptisch en vol minachting voor alles geworden; de zoon, na het

schijnbare bankroet der vrijheid voor het geweld gewonnen, stond op het

punt zich bij het nieuwe geloof aan te sluiten.

Maar toen de derde, een brave kerel, boos werd en schreeuwde, dat men

Salvat, als hij het gedaan had, onmiddellijk zonder vorm van proces

naar de guillotine moest sturen, gaf Toussaint hem ten slotte gelijk.

“Ja zeker, ik vind het ook, ook al is hij met een zuster van me

getrouwd... Maar toch zou het me sterk verwonderen, als hij het gedaan

had... Hij is niet slecht, hij zou geen vlieg kwaad doen.”

“Wat zal ik je zeggen?” merkte Charles op. “Wanneer ze je tot het

uiterste drijven, dan wordt je woedend.”

Alle drie hadden zich flink gewasschen; Toussaint, die den patroon

gezien had, bleef op hem wachten, om hem een voorschot te vragen.

Toevallig ging Grandidier, na Pierre hartelijk de hand gedrukt te

hebben, zelf naar den ouden werkman, dien hij hoogachtte, toe. Hij

luisterde naar hem en gaf hem op een kaartje een paar woorden voor den

kassier mede, hoewel hij zeer sterk tegen het voorschotsysteem gekant

was. De arbeiders voelden geen sympathie voor hem; hielden hem, ondanks

zijn werkelijke goedheid, voor hardvochtig, omdat hij meende zijn

positie als patroon krachtig te moeten verdedigen en in niets toe te

kunnen geven, als hij zichzelf niet ten gronde wilde richten. Hoe kan

men, waar de concurrentie zoo fel is en het kapitalistische stelsel een

zoo vreeselijken strijd noodzakelijk maakt, zelfs de gerechtvaardigde

eischen van den arbeider inwilligen?

Een diep medelijden greep Pierre aan, toen hij, na met Thomas eerst nog

precies afgesproken te hebben, wat hij zijn vader antwoorden zou,

Grandidier in de richting zag gaan van het gesloten paviljoen, waar hem

het vreeselijke drama van zijn hart wachtte. Was er onder de armen, die

van honger stierven, onder de arbeiders, onder de door den arbeid

overwonnenen, die hem vervloekten en benijdden, één, die ongelukkiger

en beklagenswaardiger was?

Toen Pierre weer op straat kwam, zag hij daar tot zijn verwondering

madame Toussaint en madame Théodore nog staan met de kleine Céline. Nog

steeds wachtten zij op Toussaint, die eindelijk, gelukkig met zijn

voorschot, naar buiten kwam. Dadelijk vertelde hij madame Théodore de

geschiedenis van den priem en zeide, dat hij, evenals trouwens al zijn

kameraden, van meening was, dat Salvat dien aanslag wel gepleegd kon

hebben. Zij werd heel bleek en protesteerde er tegen, zonder te laten

merken wat zij wist of wat zij vermoedde.

“Ik zeg je nogmaals, dat ik hem niet meer gezien heb. Hij moet ergens

in België zijn. Hij een bom gooien? En je zegt zelf, dat hij te goed is

en dat hij geen vlieg kwaad zou doen.”

Toen Pierre met de tram naar Neuilly terugging, verzonk hij in een diep

gepeins. De drukte van de arbeiderswijk, het gedreun van de machine

klonk nog in zijn ooren. En voor de eerste maal, sedert hij zoo door

zijn zieleangst gefolterd werd, werd hem de noodzakelijkheid van den

arbeid duidelijk als een noodlot, dat zich openbaarde als gezondheid en

kracht. Hier ontdekte hij eindelijk een vasten bodem, dat was de

kracht, die staande houdt en redt. Was dat het eerste glanzen van een

nieuw geloof? Maar welk een hoon! Deze onzekere, hopelooze arbeid

leidde tot de eeuwige onrechtvaardigheid! Steeds loerde de ellende op

den arbeider, wurgde hem bij de minste werkeloosheid en slingerde hem,

zoodra de ouderdom kwam, als een gecrepeerden hond in de goot!

Te Neuilly vond Pierre Bertheroy aan het bed van Guillaume. De oude

geleerde had hem juist verbonden en scheen nog niet geheel gerust

omtrent de complicaties, die de wond zou kunnen veroorzaken.

“Maar je houdt je ook niet kalm. Ik vind je altijd in een opgewonden

koortsachtigen toestand, die fataal voor je is. Heusch je moet je

rustig houden, jongen, en je door niets laten kwellen.”

Een paar minuten later zeide hij, voor hij wegging:

“Stel je voor, dat ze me naar aanleiding van die bom in de rue

Godot-de-Mauroy zijn komen interviewen. Die journalisten verbeelden

zich, dat je alles weet. Ik heb hem geantwoord, dat het heel

vriendelijk van hem zou zijn als hij zelf mij een paar inlichtingen

over de gebruikte springstof gaf... Dat is waar ook, ik geef morgen in

mijn laboratorium een college over explosiemiddelen. Kom jij ook

luisteren, Pierre, dan kon je het aan Guillaume oververtellen; hij zal

het wel interessant vinden.”

Op een wenk van zijn broer nam Pierre de uitnoodiging aan. Toen zij

weer alleen waren en Pierre hem verteld had, dat Salvat verdacht werd

en de rechter van instructie op het goede spoor was, werd Guillaume

opnieuw door een hevige koorts aangegrepen. Zijn hoofd viel op het

kussen en met gesloten oogen stamelde hij als in een nachtmerrie:

“Dat is het einde... Salvat gearresteerd—Salvat ondervraagd... Zooveel

werk, zooveel hooge verwachtingen... alles weg!”

De drie steden: Parijs · 第 13 / 35 题