opbrengst van ƒ 50 millioen, die van de Verdedigingsbelasting II in
opbrengst op ƒ 30 millioen werd geschat, werd uiteengezet hoe op deze
wijze ieder die in de inkomstenbelasting of in de vermogensbelasting is
aangeslagen, in de oorlogsbelasting zal bijdragen en hoe bij de
voorgestelde regeling de grootste druk absoluut en relatief werd gelegd
op de grootste vermogens, zonder dat deze in een buitensporigen last kon
ontaarden. Opdat die last over 2½ à 3 jaar zou kunnen worden verdeeld,
werd in de beide wetsontwerpen opgenomen, dat zij zouden kunnen worden
voldaan in 10 driemaandelijksche termijnen. Bij de behandeling der
ontwerpen in de Tweede Kamer werden er enkele wijzigingen in gebracht,
die ik, als van niet principieele beteekenis, onvermeld laat. Eén
verandering van beteekenis werd echter aangebracht. Zij was van den heer
de Geer afkomstig en werd door de Regeering overgenomen. De heffing van
de verdedigingsbelastingen over één jaar met bevoegdheid tot betaling in
zoodanige termijnen dat de druk over drie jaar kon worden verdeeld, werd
veranderd in drie buitengewone jaarlijksche heffingen over de
dienstjaren 1916/17, 1917/18, en 1918/19 ieder ongeveer tot ⅓ van het
bedrag der aanvankelijk voorgestelde eenmalige belastingen. Deze
verandering was een verbetering tevens. Daarbij kwam nog duidelijker
uit, hoe de leuze „in eens er af”, zelfs voor zoover er een zoogenaamde
heffing in eens werd opgelegd, inderdaad niet meer dan een leuze was,
die bij toepassing met een voor principieele voorstanders moeilijk
verduwbare hoeveelheid korreltjes zout moest worden genuttigd. Na eene
uitvoerige gedachtenwisseling werden de beide wetsontwerpen in de
vergaderingen van de Tweede Kamer van 27 en 28 Juni zonder hoofdelijke
stemming aangenomen, na verwerping van het voorstel van de
vrijzinnigdemocratische kamerclub tot heffing eener oorlogsbelasting,
welke ƒ 200 millioen zou opbrengen. De Eerste Kamer nam de wetsontwerpen
op 17 Augustus aan, nadat de heer de Vos van Steenwijk had opgemerkt,
dat uit zijn stem voor de Verdedigingsbelasting I geen consequenties
mochten worden getrokken ten aanzien van den aanslag der onroerende
goederen in de jaarlijksche vermogensbelasting.
Volledigheidshalve vermeld ik nog, dat het zooeven bedoelde
wetsvoorstel van de vrijzinnigdemocratische leden van de Tweede Kamer in
Januari 1916 werd ingediend. Het strekte tot heffing van een
oorlogsbelasting tot een bedrag van ƒ 200 millioen. Aangezien dat
voorstel reeds verworpen is, heb ik noch aanleiding noch lust er bij
stil te staan. Het geven van „le coup de pied de l’âne” aan een
gevallene, laat ik gaarne aan anderen over.
De Kamerleden, die zich er in hebben verheugd dat de thans door de
Staten-Generaal aangenomen verdedigingsbelastingen bewijzen dat de
Regeering de door mij in December 1914 ontwikkelde bezwaren tegen een
heffing in eens van ƒ 200 à ƒ 300 millioen heeft losgelaten, gun ik dat
genoegen gaarne. Zij zullen mij, na hetgeen ik mededeelde over mijn
aandeel in de voorbereiding daarvan, bovendien van inconsequentie kunnen
betichten. Inderdaad kleven aan de Verdedigingsbelastingen, zooals zij
door de Tweede Kamer aangenomen zijn, nog zeer ernstige fouten. Deze
schuilen niet in de techniek der regelingen maar in het enkele feit, dat
zulke hooge buitengewone belastingen moeten worden geheven in een zóó
onzekeren tijd als wij thans doormaken, met zóó groote schommelingen in
de vermogens. Maar ieder onpartijdig beoordeelaar zal wel inzien en
erkennen, dat de economische bezwaren, welke ik, met het oog op de
kapitalen die in ondernemingen zijn vastgesteld, ontwikkelde in verband
met de te verwachten credietstoornissen, als er weer vrede zijn zal,
aanmerkelijk veel minder wegen bij buitengewone heffingen, die gedurende
drie jaar elk jaar ƒ 25 à ƒ 30 millioen zullen hebben op te brengen, dan
bij een heffing in eens van ƒ 200 à ƒ 300 millioen. Wie dat niet inziet,
zal ik in de enkele regels die ik hier aan dit onderwerp wijden kan,
daarvan niet overtuigen.
Men stond in het begin van het jaar voor de noodzakelijkheid op nieuw ƒ
250 millioen te vinden. Dat dit niet zou gaan zonder eenig bezwaar,
sprak van zelf. Men had te zoeken naar een combinatie van maatregelen,
welke dit in verband met elkander tot een minimum terugbrachten. Daartoe
werden de leening van ƒ 125 millioen, de verdedigingsbelastingen en de
zoo aanstonds met een enkel woord te bespreken oorlogswinstbelasting aan
elkander gekoppeld. Op die wijze werd de benoodigde som voor de eene
helft uit leeningsgeld, voor de andere uit belastingen gevonden. De
belastingen werden bovendien nog gesplitst, zoodat geen enkele tot een
al te buitensporig hoog bedrag behoefde te stijgen. Door de verandering,
welke de verdedigingsbelastingen tijdens de behandeling in de Tweede
Kamer ondergingen, werd die splitsing nog verder doorgevoerd en werd
elke der drie jaar lang te heffen buitengewone verdedingsbelastingen
niet alleen in opbrengst en in heffingspercentage ongeveer getierceerd,
maar geschiedde dit, wegens den jaarlijks nieuwen aanslag, ook met de
fouten, die elke dergelijke belasting onvermijdelijk aankleven en die in
een oorlogstijd met belangrijke economische schommelingen nog heel wat
grooter zijn, dan in normale tijden met vastere vermogens- en
inkomensverhoudingen. Ik aarzel dan ook niet de in toepassing gebrachte
combinatie zoo gelukkig te noemen, als de omstandigheden dit toelieten,
en ik vlei mij tegenover deze laatste financieele operatie van het Rijk
onpartijdig genoeg te staan, om mij bij dit oordeel niet te laten leiden
door ingenomenheid met het aandeel, dat ik in het geestelijk vaderschap
daarvan heb gehad.
Toch meen ik ook deze gelegenheid te baat te moeten nemen, om een woord
van waarschuwing te doen hooren tegen het te ver doorgaan op den weg der
heffingen in eens of in drieën, onder welken naam zij ook ten doop
worden gehouden. Ik zal daartoe niet terugtreden in hetgeen ik
hierboven[28] memoreerde over de economische nadeelen van hooge
heffingen, die geheel of ten deele uit het bedrijfskapitaal van
ondernemingen moeten betaald worden, in verband met de credietbehoefte
der bedrijven, inzonderheid in oorlogstijd. Ook wil ik aannemen dat het
overbodig is, er lang bij stil te staan, dat als heffingen van dien aard
niet zeer exceptioneel blijven, zij de kip met de gouden eieren
slachten. Belastingen moeten uit het jaarlijksch volksinkomen betaald
kunnen worden en betaald worden. Zoodra zij zóó hoog loopen, dat zij het
volkskapitaal aantasten, knagen zij aan ’s lands productievermogen en
brengen zij ’s lands welvaart en ontwikkeling in gevaar. Belastingen die
niet slechts naar het vermogen worden gemeten, maar ook uit het vermogen
moeten worden gekweten, mogen des noods in zeer buitengewone
omstandigheden worden opgelegd, als met ’s lands zelfstandigheid ook het
volksvermogen met gevaar van schending of vernietiging door een
buitenlandschen vijand wordt bedreigd. Zoodra zij buiten die grens
treden en een blijvend of periodiek weerkeerend verschijnsel worden,
tasten zij ’s lands economische toekomst in een harer meest onmisbare
pijlers aan.
[28] Zie bl. 365.
Hooge heffingen naar één criterium zijn op zich zelf bedenkelijk, ook al
kleven daaraan de zooeven aangestipte algemeen economische bezwaren
niet. Dit behoort tot de allereerste beginselen der belastingtechniek,
maar het dreigt tot schade voor het land onder den indruk van den
oorlogstoestand te worden vergeten. De oorlogstoestand heeft ons aan
groote cijfers gewend; men spreekt thans over millioenen, zoo niet over
milliarden, als vroeger over tonnen. Waar breedheid van opvatting en
breedheid van zien nu niet juist de meest naar voren komende
karaktertrekken van den gemiddelden Nederlander zijn, heeft dit
ongetwijfeld een lichtzijde. Maar een schaduwzijde heeft het ook. Het
leidt er toe, te meenen, dat men ook wel straffeloos zeer hooge
belastingen naar een enkel criterium kan opleggen. Zeer merkbaar heeft
de oorlog gedrongen in de richting van den _impôt unique_, van de eene
en afdoende belasting die, geheven naar ieders draagkracht, alles
opbrengt wat de Staat van zijn belastingplichtige onderdanen moet
opvragen. Het denkbeeld van den _impôt unique_ heeft altijd veel
aantrekkingskracht gehad voor het groote publiek, waarvan niet kan
worden verwacht dat het in de moeilijkheden der belastingtechniek is
doorgedrongen. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat het telkens
weer opduikt. Het is ook zoo eenvoudig: men belast ieder naar zijn
draagkracht, en daarmede uit. Ja, _als_ men ieders draagkracht naar
kenmerken, welke door den fiscus in theorie kunnen worden gemeten, kon
vaststellen, en _als_ men die theoretisch vastgestelde kenmerken, in
werkelijkheid, des noods met een voor allen gelijke fout benaderen
kon,--ja _dan_ behoefde men zich het hoofd niet te breken met
belastingstelsels. Maar de ervaring van eeuwen heeft geleerd, dat het er
zóó niet mee gesteld is. Men kan wel rekening houden, en men houdt ook
zoo goed mogelijk rekening, met de hoofdfactoren, welke de draagkracht
der belastingplichtigen bepalen, maar die hoofdfactoren worden bij elken
individueelen belastingplichtige doorkruist door een aantal
nevenomstandigheden, welke de belastingwetgever niet in rekening kan
brengen, en die toch op de resultante, de werkelijke draagkracht
overwegenden invloed hebben. Men kan ook wel de hoofdfactoren, waarmede
de belastingwetgever rekent, in de uitvoering meer of minder goed
benaderen; maar de fout die daarbij wordt gemaakt, is bij lange na
niet voor allen gelijk. De een woont voor den belastingambtenaar
in een glazen huisje, de ander in een donkeren kelder. Ook voor de
theoretisch meest rechtvaardige en billijke belasting geldt, dat de
wetgever onvermijdelijk fouten maakt bij haar regeling en de
belastingadministratie, even onvermijdelijk, die fouten nog verergert
bij haar uitvoering. Daarom kleven aan elke belasting, ook aan de
theoretisch beste, groote gebreken; gebreken die minder wegen naar
gelang de opbrengst, welke er door moet worden verkregen, kleiner is,
doch die toenemen in beteekenis, naar gelang men meer van haar verlangt.
Ook al zou een belasting welke naar draagkracht bedoelt te heffen,
wanneer van haar voor ons land ƒ 100 millioen of meer verlangd wordt,
het kapitaal niet aantasten, dan nemen de technische fouten daarvan
zoowel in de regeling als in die uitvoering zulke verhoudingen aan, dat
zij voert tot de grootste ongelijkheden en de grofste onbillijkheden.
Dit dreigt zoozeer vergeten te worden, dat bij de waardeering, welke ik
in de pers vrij algemeen mocht ondervinden voor mijn poging tot
vernieuwing en versterking van ons belastingstelsel, haast even algemeen
de opmerking was gevoegd, dat ik naar grooter eenvoud had moeten
streven. Helaas is het er bij de belastingheffing zoodanig mede gesteld,
dat men er met eenvoud niet komt, welke bekoring deze ook moge hebben
voor het oog en welke streeling voor het gemoed. Alleen door heffing van
verschillende belastingen naar velerlei kenmerken, kan men elke
afzonderlijke belasting binnen zóó redelijke grenzen houden, dat de
fouten ervan niet te groot worden en kan men bij zorgvuldige combinatie
dier verschillende heffingen een stelsel verkrijgen, waarvan de gebreken
in de onderdeelen elkander ten deele compenseeren en, voor zoover zij
dit niet doen, geen afmetingen aannemen, welke billijkheidshalve niet
toelaatbaar zijn.
Deze overweging heeft mij ook eenigszins huiverig gemaakt voor de
oorlogswinstbelasting. Na hetgeen ik over de oorlogswinsten en het recht
van den staat om daarin in te grijpen in hoofdstuk II[29] zeide, zal het
wel duidelijk zijn, dat die huivering niet voortsproot uit vrees de
oorlogswinsttrekkers in de kosten van den oorlogstoestand te doen
bijdragen. De grondgedachte van de oorlogswinstbelasting is zóó gezond:
zij draagt haar rechtvaardiging zóó duidelijk op het voorhoofd, dat elk
debat daarover geheel overbodig is. Principieel is zij haast volmaakt.
Maar de regeling ervan is zonder groote fouten niet te treffen, en de
benadering der feiten, die benaderd moeten worden, zal slechts zoo
gebrekkig kunnen geschieden, dat het resultaat vol onbillijkheid zijn
moet. Wanneer het hierbij nu gold een belasting, die ƒ 10 of ƒ 20
millioen moest opbrengen en waarbij men zich bepaalde van de
oorlogswinsten die men aanwijzen en aanpakken kan, 5 tot 10% voor den
Staat af te nemen, zou het wel te betreuren zijn, dat daarnaast een
aantal oorlogswinsttrekkers zich aan den greep van den fiscus wisten te
onttrekken, maar zou men zich daarover niet al te warm behoeven te
maken. Maar zulk een kleine oorlogswinstbelasting wilde niemand. Pakt
men de oorlogswinsten aan, dan moet men het flink doen, dan behooren zij
in de kosten van den oorlogstoestand een som bij te dragen die zoden aan
den dijk zet. Flink of niet, moest hier het parool zijn.
[29] Zie bl. 48-53.
Deze overwegingen brachten er mij toe, zoodra ik als Minister van
Financiën optrad, een poging te doen om althans een belangrijk deel der
oorlogswinsten bij de bron te treffen. Daartoe strekte het ontwerp van
wet dat bij Koninklijke boodschap van 2 November 1914 werd ingediend en
dat bedoelde een uitvoerrecht te heffen van 8% over de verkoopwaarde van
uitgevoerde goederen in het land waarheen zij uitgevoerd werden, met een
maximum van 50% van de daarmede te maken winst.
In de Memorie van Toelichting bij dat ontwerp zeide ik o.m.:
„Niettegenstaande den algemeen gedrukten toestand van handel en verkeer,
is de buitenlandsche vraag naar sommige artikelen evenwel zóó groot, dat
de prijs daarvan belangrijk boven het normale peil is gestegen en dat
zij die dergelijke artikelen in voorraad hebben of voortbrengen kunnen,
buitengewone winsten maken.
„Het is billijk dat zij die in zulk een bevoorrechte positie verkeeren,
althans een deel der winsten, die zij maken, aan de schatkist afstaan.
Te meer is daartoe aanleiding nu dezelfde omstandigheden, welke die
gelukkige exporteurs zulke voordeelen bezorgen, den Staat tot het doen
van buitengewoon zware uitgaven nopen.
„Vandaar dat de heffing van een uitvoerrecht, dat onder gewone
omstandigheden geheel in strijd zou zijn met gezonde begrippen van
handels- en financieele politiek, thans alleszins is gerechtvaardigd.
Dit is evenwel slechts het geval onder de voorwaarde dat de heffing op
tweeërlei wijze aan de noodige beperking zij gebonden. In tijd behoort
de heffing beperkt te zijn tot zoolang er oorlogsgevaar bestaat of
althans een normale toestand nog niet is teruggekeerd. In omvang moet de
heffing begrensd zijn, omdat zij aan den uitvoer van een aantal
artikelen, die niet in prijs zijn gestegen (dit aantal is thans heel wat
kleiner dan het in het laatst van 1914 was) en welker uitvoer toch reeds
ongewone bezwaren ondervindt, geen nieuwe hinderpalen in den weg mag
leggen.”
In de afdeelingen van de Tweede Kamer werd het ontwerp, blijkens het
Voorloopig Verslag, bedolven onder een stortvloed van theoretische en
practische bezwaren. Onder gewone omstandigheden zou mij dit geen
aanleiding hebben gegeven daarmede op de vlucht te gaan. In het land
vierde toen echter de agitatie tegen het leeningsontwerp en voor de
heffing in eens hoogtij. Het was niet gewenscht de Regeering in den
persoon van den Minister van Financiën nog meer kwetsbaar te maken door
de heffing der uitvoerrechten op oorlogswinstgoederen door te zetten en
daardoor gevaar te loopen een nieuwe agitatie te ontketenen. Er moest
rust komen, ook om het resultaat van de oorlogsleening niet in de
waagschaal te stellen. Van daar dat ik aan de Koningin machtiging
verzocht het ontwerp in te trekken. Nadat ik die machtiging bekomen had,
geschiedde de intrekking op 8 Januari 1915.
Had de Tweede Kamer bij gelegenheid der schriftelijke behandeling van
het uitvoerrecht op oorlogswinstgoederen zich wat minder afwerend
gedragen, ’s Rijks schatkist zou thans een groot aantal millioenen
rijker of, beter gezegd, minder arm hebben kunnen zijn.
Na die ervaring liet ik de oorlogswinsten voorloopig met rust. Ik had de
handen vol aan de herziening en versterking van ons belastingstelsel,
een arbeid dien ik mij had opgelegd om het onmisbare financieele
fundament te construeeren voor hetgeen den Staat in de komende jaren te
wachten staat, wil hij de ontwikkeling van ’s lands welvaart en kracht
naar eisch steunen en bevorderen. Intusschen werd het trekken van
oorlogswinsten door verschillende groepen der bevolking steeds
duidelijker zichtbaar en steeg, begrijpelijkerwijze, het algemeene
verlangen, dat de Staat in den vorm van belasting een deel daarvan tot
zich trekken zou.
Dit gaf mij aanleiding in September 1915 aan Hare Majesteit voor te
stellen een commissie te benoemen tot het onderzoeken op welke wijze
eene tijdelijke belasting kan worden ingericht, welke ten doel heeft
buitengewone vermeerdering van inkomen, als direct of indirect gevolg
van den oorlogstoestand te treffen, met opdracht haar verslag met de
noodige wetsvoorstellen uit te brengen aan den Minister van Financiën.
Tot voorzitter werd benoemd Dr. D. Bos, het bekende en betreurde lid van
de Tweede Kamer. Als leden werden aangewezen, naast eenige
hoofdambtenaren der belastingen en leden van de Eerste en de Tweede
Kamer, gekozen uit de verschillende politieke groepen, een aantal
personen uit alle hoofdtakken van ’s lands bedrijfsleven. De Regeering
hoopte op die wijze niet alleen een wetsontwerp te zullen verkrijgen,
waarbij met de eigenaardigheden der verschillende soorten van
oorlogswinsten zou zijn rekening gehouden, maar ook een eenigszins
betrouwbare raming te ontvangen van de te verwachten opbrengst der voor
te stellen heffing. Ten aanzien van het tweede deel is zij bedrogen
uitgekomen. Ook de Staatscommissie voor de oorlogswinstbelasting heeft
zich aan zulk een raming niet gewaagd. Het cijfer dat daarvoor in de
Memorie van Toelichting bij het tweede leeningsontwerp gesteld wordt,
maakt er geen aanspraak op, een eigenlijk ramingscijfer te zijn. Ik zou
dit niet zeggen, als het niet van mijzelven afkomstig was en dus ook
voorafging aan de indiening van het verslag der Staatscommissie aan den
Minister van Financiën. Dat cijfer werd aldus gevonden. Er is ƒ 250
millioen noodig; daarvan wordt ƒ 125 millioen gevonden uit leening; ƒ 80
à ƒ 85 millioen uit de beide verdedigingsbelastingen, dus de
oorlogswinstbelasting moet ƒ 40 à ƒ 45 millioen opbrengen. Of zij zoo
vriendelijk zijn zal, die opdracht te vervullen, zal de toekomst moeten
leeren.
Bij mijn aftreden was de Staatscommissie met haar onderzoek nog niet
gereed. Den 23en Februari diende zij haar verslag aan mijn opvolger in.
De secretaris der commissie, de heer J. M. J. Schepper, die een
verdienstelijke commentaar op de Wet op de Oorlogswinstbelasting het
licht deed zien, schrijft over hetgeen er met het ontwerp der
Staatscommissie voorviel, het volgende: „De Minister bracht in het door
de Staatscommissie als vrucht van haren arbeid aangeboden ontwerp geen
groote wijzigingen. Naast een paar veranderingen van redactioneelen of
louter formeelen aard, werd het tarief gewijzigd. De Staatscommissie had
het bedrag der belasting op 25 pct. gesteld, met een algemeenen aftrek
van ƒ 1000, en bij natuurlijke personen een degressie voor de
inkomstenvermeerderingen beneden ƒ 20.000 tot 10 pct. toe. De Minister
kon zich met de degressie niet vereenigen, maar stelde den algemeenen
aftrek op ƒ 2000 (Bij de Nota van Wijzigingen, die de Memorie van
Antwoord vergezelde, is voor inkomsten- of winstvermeerderingen beneden
ƒ 2500 de aftrek op ƒ 1000 gesteld en het tarief op 10%). Verder werd
het percentage verhoogd en op 30 bepaald, om het Rijk in de gelegenheid
te stellen aan de gemeenten wier financiën tengevolge van den
oorlogstoestand in de war zijn, uit de opbrengst dezer belasting een
uitkeering te doen. Den 10den Maart werd het aldus gewijzigde ontwerp
bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Den 18^{en} Mei nam
de Tweede Kamer het ontwerp zonder hoofdelijke stemming aan, nadat het
nog eenige wijziging had ondergaan. Den 21^{en} Juni werd het--eveneens
zonder hoofdelijke stemming--door de Eerste Kamer goedgekeurd en
daarna door de Koningin bekrachtigd”. Zoo kwam de Wet op de
Oorlogswinstbelasting van 22 Juni 1916 tot stand.
De oorlogswinstbelasting is, zooals wel van zelf spreekt, alleen bedoeld
als heffing in oorlogstijd. Nadat de oorlogstoestand zal zijn geëindigd
moet een wetsvoorstel worden ingediend, om haar te doen vervallen. Op de
bijzonderheden harer regeling ga ik niet in. Haar beginsel wordt
algemeen als rechtvaardig erkend en haar uitwerking is met veel zorg en
met veel kennis van zaken geschied. Toch heb ik op de boven aangevoerde
gronden geen onbeperkt vertrouwen in de billijkheid harer werking, noch
in het bedrag dat zij zal opbrengen. De oorlogswinsten der
vennootschappen zal zij weten te vinden en te treffen; daarentegen vrees
ik dat een groot deel der oorlogswinsten van particuliere handelslieden,
industrieelen en landbouwers door haar niet zullen worden bereikt. Wordt
dit vermoeden bewaarheid, dan zal zij leiden tot ontstemming en zal haar
opbrengst onder den invloed van dat gebrek staan. Ware dit niet het
geval, dan zou het zooeven genoemde cijfer van ƒ 40 à ƒ 45 millioen
waarschijnlijk wel meer dan verdubbeld, zoo niet verdrievoudigd kunnen
worden. Niemand zal het meer toejuichen dan ik, indien de uitkomst mijne
niet al te hoog gestemde verwachtingen zal beschamen.
De oorlogstoestand is nog niet ten einde. Nog steeds verlangt hij van
het Rijk offers, die, in stede van geleidelijk lager te worden,
voortdurend klimmen. Hoe lang dat nog zal duren, en hoe hoog die offers
zullen stijgen, kan niemand zeggen. Maar zelfs al mocht dit meevallen en
al mochten de buitengewone belastingen, die reeds wet zijn geworden of
die de Staten-Generaal hebben gepasseerd, veel meer opbrengen dan waarop
gerekend wordt, dan nog zal er meer geld noodig zijn, veel meer geld dan
kan worden opgebracht door de belastingen uit mijn algemeen
herzieningsplan, welke thans bij de Staten-Generaal in behandeling zijn.
Wat de krijg, als hij eindelijk zal zijn geëindigd, over Europa en
inzonderheid over ons land brengen zal--wie zal het zeggen? Te dien
aanzien staan wij allen voor een groot vraagteeken. Slechts zooveel is
zeker, er zal een tijdperk aanbreken van haast onbegrensde
mogelijkheden, maar ook van haast onbegrensde gevaren. Of door Nederland
die mogelijkheden begrepen, die gevaren omzeild zullen worden,
zal--indien wij buiten den oorlog mogen blijven--in de eerste plaats
afhangen van de energie onzer industrieelen, zeevaarders, boeren en
handelaars, en wel vooral van de jongeren onder hen, die nog hun
ganschen mannen-leeftijd voor zich hebben. Naast energie zal breedheid
van inzicht en opvatting in de naaste toekomst meer dan ooit noodig
zijn.
Maar opdat Nederland met grooter kracht zal te voorschijn komen uit de
geweldige omwenteling, welke de oorlog bezig is over Europa te brengen,
zal daarnaast ook noodig zijn, dat de Staat het zijne tot ontwikkeling
en verhooging van de volkskracht bijdrage. Daartoe zal hij geld, veel
geld behoeven. Aan alle regeeringen van de komende jaren, uit welke
partij zij zullen voortkomen, door welke beginselen zij zullen worden
gedragen, zal de Nederlandsche Maagd steeds als een harer eerste eischen
stellen: „faites moi de bonnes finances!”
’s Lands toekomst hangt af in de eerste plaats van het inzicht, den durf
en de energie, van het kennen en kunnen zijner zonen, maar daarnaast
ook van hetgeen de Staat, door zwakkeren te steunen, overmachtigen in
toom te houden en regelend, ordenend en helpend op te treden, er toe kan
bijdragen, om de kracht, die in de lagere lagen des volks al te vaak
sluimert en verdrukt wordt, en onder dien druk al te vaak in verkeerde
richting wordt geperst, tot volle ontplooiing te doen komen en haar er
toe te leiden zich dienstbaar te maken aan de verhooging van Neerlands
welvaart en Neerlands bloei.
NABETRACHTING.