Voor de kosten van vluchtelingen werd een bedrag van ƒ 5 millioen

gesteld. Wij zagen reeds[27] dat dit wel driemaal zoo veel zal beloopen.

Voor de verschillende sociale oorlogsmaatregelen werd een bedrag van ƒ

60 millioen geraamd, waaronder een som van ƒ 25 millioen voor

voorschotten aan gemeenten. Over dit laatste onderdeel was geen

eenstemmigheid. Er werd aangevoerd, dat door het Rijk niet mocht worden

geleend ter tegemoetkoming aan gemeenten, die leeningsgeld behoefden.

Daartegenover stelde de Regeering zich op het standpunt, dat het veel

beter was ook gemeenten (en provinciën) aan hetgeen deze strikt noodig

hadden, tijdelijk te helpen tegen gelijke rente als het Rijk moest

betalen, dan haar te verplichten tegen hooge rente eigen leeningen te

sluiten, zoo zij daarin al zouden slagen. Veel oppositie vond dit

standpunt ten slotte niet. Het vasthouden daaraan heeft tot het

betrekkelijk gunstig verloop van de credietcrisis voor enkele gemeenten

en provinciën veel bijgedragen. In den eersten tijd, toen er nog groote

terughoudendheid bestond, het geld nog bij lange na niet zoo ruim was,

als het later is geworden, en de onttrekking van een zoo belangrijk

bedrag als de Staat door de leening tot zich trok, de moeilijkheid voor

gemeenten en provinciën om leeningsgeld te vinden, nog vergrootte, is de

hulp van den Staat aan enkele provinciën en aan eenige gemeenten,

waaronder de grootste, zeer te stade gekomen. Het bedrag dat uit de

opbrengst der leening aan provinciën en gemeenten werd toegezegd, beliep

omstreeks half April 1915 zelfs iets meer dan ƒ 31 millioen, daarop werd

tot ten naastebij ƒ 17 millioen uitbetaald. Zoodra echter het geld

ruimer werd, kwam er een gunstige kentering. De provinciën en gemeenten

konden toen voor zich zelf leenen en aan den Staat het haar verstrekte

voorschot teruggeven. Dientengevolge zijn thans de uitstaande

voorschotten tot beneden één millioen gedaald.

[27] Zie bl. 152.

Met het bedrag van ƒ 35 millioen, dat van de ƒ 60 millioen voor kosten

van maatregelen van socialen aard overbleef, nadat de gemeenten daaruit

de voor haar geraamde som als voorschot zouden hebben genoten, zal het

waarschijnlijk gaan als met de som die voor vluchtelingenhulp werd

uitgetrokken. Hoe hoog die uitgaven van socialen aard wel loopen zullen,

is nog niet bij benadering aan te geven. Het zou mij echter niet

verwonderen, als zij per slot van rekening dichter bij de ƒ 70 dan bij

de ƒ 35 millioen zullen blijken te liggen. De mobilisatiekosten werden

tot 1 April 1915 op ƒ 135 millioen geschat. Die schatting is niet ver

van de werkelijkheid gebleven.

Daar de som voor compensatie van belastinginzinking, zelfs als zij

achteraf niet gebleken was aan den zeer voorzichtigen kant te zijn

gesteld, niet terstond noodig was, en de uitgaven voor maatregelen van

socialen aard eerst in de tweede helft van het jaar 1915 grootere

verhoudingen begonnen aan te nemen, kon de opbrengst der leening langer

toereiken dan tot April en was zij tot bestrijding der verschillende

oorlogsuitgaven, waarvan die der mobilisatie het leeuwendeel vormden,

tot omstreeks September 1915 voldoende.

Over de gedwongen leening behoef ik gelukkig niet veel te zeggen. Zij

was alleen bedoeld als waarschuwing voor hetgeen te wachten zou staan,

indien de vrijwillige leening niet althans het minimum zou opbrengen dat

terstond noodig was. Hiervoor werd een bedrag van ƒ 150 millioen

gesteld. In de gedwongen leening zouden alleen zij verplicht zijn tot

deelneming die een vermogen hebben van ƒ 75,000 of meer, alsmede de

naamlooze vennootschappen. Voor de laatste was de helft van de

belastbare winst als eventueele verplichte deelneming gesteld; voor de

particuliere personen werd de verplichting tot deelneming uitgedrukt in

een progressief percentage van het bezit, dat voor vermogens van ƒ 75000

tot ƒ 100.000 op 1% en voor vermogens van ƒ 5 millioen en hooger op 7%

werd bepaald. De inschrijvers op de vrijwillige leening kregen

stortingsbewijzen, waarmede aan den eventueelen deelnemingsplicht in de

gedwongen leening zou kunnen worden voldaan. De rente, die voor de

gedwongen leening zou worden vergoed, werd op 4% gesteld.

Het leeningsontwerp werd in de Tweede Kamer met groote meerderheid

aangenomen; de sociaaldemocraten en de vrijzinnigdemocraten, met

uitzondering van den heer van Deventer, stemden tegen. In de Eerste

Kamer werd zij zonder hoofdelijke stemming aangenomen, nadat de heer

Polak had verklaard dat hij en zijn partijgenoot Van Kol er tegen waren.

Den 23sten December werd de Leeningwet 1914 door de Koningin

bekrachtigd.

De gelegenheid tot inschrijving was bij de wet zeer ruim gesteld. Zij

kon geschieden bij betaalmeesters, ontvangers der directe belastingen en

postkantoren. Terstond werden de noodige maatregelen genomen om de

inschrijving in de eerste week van Januari 1915 te kunnen openstellen.

Zij had plaats van 2 tot 11 Januari. Door de Regeering werd een

uitnoodiging tot deelneming verspreid, welke door den heer Cort van der

Linden als tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en door mij als

Minister van Financiën werd onderteekend. Daarin werd met een beroep op

de vaderlandsliefde van het Nederlandsche volk tot algemeene deelneming

aan de leening opgewekt en het vertrouwen uitgesproken, dat het tot de

gedwongen leening niet zou behoeven te komen. Die opwekking vond

algemeen weerklank in de pers, die zich beijverde haar krachtig te

steunen.

Den 28sten December werd voorts door mij als Minister van Financiën een

uitgewerkte bekendmaking omtrent de wijze waarop de obligaties der

Staatsleening bij de Nederlandsche Bank zouden kunnen worden beleend, in

de Staatscourant openbaar gemaakt. Die beleening, waarvoor door de

Nederlandsche Bank een surplus van slechts 5% verlangd werd, was voor de

inschrijvers op de leening zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt.

Toen de inschrijving werd opengesteld, gaf de Koningin het voorbeeld.

Niettegenstaande het Hare Majesteit niet mogelijk was een zoo groote som

in eens los te maken en ook door Haar van het middel der beleening bij

de Nederlandsche Bank zou moeten worden gebruik gemaakt, schreef Zij in

voor een bedrag van 2½ millioen. De Directeur van het Kabinet der

Koningin kwam mij persoonlijk daarvan mededeeling doen. In de eerste

dagen wilde het echter met de inschrijving niet vlotten. Op 8 Januari

was nog slechts voor ƒ 86 millioen ingeschreven. Na overleg met den

President van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die daaromtrent ook

het gevoelen van enkele andere financiers had gevraagd, werd den

volgenden dag door mij een communiqué aan de bladen gezonden, waarin op

het traag inkomen der inschrijvingen werd gewezen. Hoe groot het effect

van dat communiqué is geweest, is niet te zeggen. Zeker zou ook zonder

dat de leening volteekend zijn, maar op het bedrag dat werd

ingeschreven, heeft het ongetwijfeld invloed geoefend.

Er werd geteekend voor ruim ƒ 407 millioen, met het gevolg dat de

inschrijvingen, nadat de kleinere preferente bedragen haar vol bedrag

hadden gekregen, slechts voor 50 pct. konden worden toegewezen.

Aan de inschrijvers was bij de wet toegestaan het hun toegewezen bedrag

in vier termijnen te voldoen, waarvan de eerste op 8 Februari, de

laatste op 7 Juli verviel. Indien het totaal bedrag der leening niet

noodig was geweest, had de laatste termijn onopgevorderd kunnen blijven.

Deze bepaling verloor, toen de oorlog bleef aanhouden, haar waarde. De

geheele betaling in termijnen bleek weinig noodig. Slechts een zeer

kleine minderheid der inschrijvers maakte daarvan gebruik; in den loop

van Februari werd reeds bijna ƒ 261 millioen gestort.

Ook van de beleening der stukken bij de Nederlandsche Rank werd veel

minder gebruik gemaakt dan verwacht was. Het Verslag der Bank zegt

daarvan: „Wij hadden ons ingericht op het aangaan van een zeer groot

aantal beleeningen, ten einde de stortingen op de inschrijvingen voor

rekening van het publiek te kunnen doen plaats vinden. De uitkomst ook

hiervan is zeer medegevallen in zooverre, dat wij slechts een aantal van

4736 afzonderlijke beleeningen (inclusief voorschotten in

rekening-courant) op deze Staats-obligatiën hebben behoeven te sluiten.

Weliswaar op zich zelve nog een groot aantal, maar bij lange na niet zoo

groot als waarop wij met onze organisatie hadden gerekend.”

De eerste oorlogsleening is een onbetwistbaar succes geweest en een

gerechtvaardigde voldoening voor de Regeering tevens. Zij heeft een

groot vertrouwen van het geldbeleggend publiek in de credietwaardigheid

van den Staat, alsook in de wijze waarop het land in den oorlogstijd

werd geregeerd, aan het licht gebracht.

§ 2. _Verdere maatregelen op financieel gebied._

Toen bij de oorlogsleening van 1914 was gebleken, dat met vertrouwen een

beroep op de geldmarkt mocht worden gedaan, werd spoedig de hand

geslagen aan het inschrijven eener leening ten laste van

Nederlandsch-Indië, opdat het Indische Gouvernement althans een deel van

zijn schuld aan ’s Rijks schatkist zou kunnen afdoen. In Februari 1915

werd het ontwerp ingediend van een 5% leening ten laste van

Nederlandsch-Indië groot ƒ 62½ millioen, af te lossen in 25 gelijke

jaarlijksche termijnen. Aangezien het hier de eerste leening gold, die

door de Oost-Indische kolonie als afzonderlijk rechtspersoon werd

aangegaan, was het zaak zich zoo veel mogelijk te waarborgen, dat dit

beroep op de geldmarkt slagen zou. Daarom werd door den Minister van

Koloniën, in overleg met mij, een overeenkomst getroffen met eenige

bankiers onder leiding van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, welk

consortium een gedeelte der leening overnam en zich de optie voorbehield

voor het overige deel daarvan. Van die optie werd door het consortium

gebruik gemaakt vóór de inschrijving voor het publiek werd geopend. Er

was alle aanleiding zich op die wijze den steun der groote banken, die

zich meer in het bijzonder met koloniale zaken bezig houden, te

verzekeren. Een stok achter de deur, als bij de Staatsleening had dienst

gedaan, kon hier niet worden gebruikt. Hoe het geldbeleggend publiek een

leening ten laste van Nederlandsch Indië zou opnemen, was geheel

onzeker; aangezien daarvoor nog nooit een beroep op de geldmarkt was

gedaan, tastte men te dezen aanzien geheel in het duister. Toch heeft

het gebruik maken van het bankiersconsortium tot eene minder aangename

gedachtenwisseling in de Tweede Kamer aanleiding gegeven. De rede, door

den Minister van Koloniën uitgesproken bij de behandeling van het

ontwerp in de Tweede Kamer, had eenig misverstand doen ontstaan omtrent

den aard der tusschenkomst welke door de bankiers werd verleend. De

Minister had een beroep gedaan op de vaderlandsliefde en wel

inzonderheid op het groote belang van Nederland als koloniale

mogendheid, dat de eerste leening ten laste van het Rijk in de koloniën

een succes zou zijn. Men verweet hem achteraf dat hij daarin te ver

gegaan was en het belang van het land had verward met dat van de groep,

welke de leening had overgenomen. Dit verwijt was ongegrond en getuigde

van kortzichtigheid. De heer Pleyte had beter gedaan, zich met wat meer

terughouding uit te laten, maar overigens waren zijn woorden, zoowel

als de overeenkomst zelve met het bankiersconsortium, volkomen correct.

Op het oogenblik dat hij zijne geïncrimineerde rede in de Kamer hield,

was de leening nog niet in haar geheel overgenomen. Bovendien sprak het

van zelf, dat hij niet mocht gewagen van het gegarandeerd zijn der

leening, hetzij dan voor het geheel hetzij voor een grooter of kleiner

deel. Het karakter van dergelijke garanties brengt mede, dat zij niet

publiek mogen worden gemaakt anders zou de waarborg het succes der

leening bederven; in stede van het te steunen. Zulke garanties blijven

dan ook steeds binnenskamers; daaraan wordt hoogstens eerst à posteriori

ruchtbaarheid gegeven. Ook al zou Nederlandsch-Indië er rechtstreeks

geen gulden schade bij hebben geleden, als de leening eens niet was

geslaagd, en al zou het volle nadeel van zulk een fiasco op het

consortium zijn neergekomen, dan nog zou zulk een niet-slagen voor het

crediet der koloniën zóó nadeelig zijn geweest, dat de Minister van

Koloniën het volste recht had het groote algemeen belang van het

welslagen der leening te doen uitkomen. Dit was niet alleen zijn recht,

maar zelfs zijn plicht, consortium of geen consortium. Dat hij door de

woorden, welke hij daarbij koos, bij sommigen misverstand wekte, is te

betreuren geweest, maar dat is dan ook alles.

De eerste Indische leening is een groot succes geweest. Het volle bedrag

daarvan werd in Nederland ingeschreven en de deelneming in

Nederlandsch-Indië was haast even groot als die in het moederland. De

Nederlandsche Bank had zich, evenals de Javasche Bank, bereid verklaard,

de obligaties van de Nederlandsch-Indische leening op overeenkomstige

wijze te beleenen, als met de obligaties der staatsleening was geschied.

In zijn verslag over het boekjaar 1914/15 zegt het bestuur van de

Nederlandsche Bank, na een mededeeling te hebben gedaan over de

opengestelde beleeningsmogelijkheid en het resultaat der inschrijving te

hebben vermeld: „Dit succes van een eerste leening van ons schoone

Nederlandsch-Indische Rijk is niet genoeg te waardeeren, omdat daarmede

op schitterende wijze het vertrouwen in de financieele kracht en de

levensvatbaarheid van dit Koloniale Rijk is uitgesproken.”

Voor een eerste leening had men het bedrag niet grooter durven nemen,

maar men wist dat het niet toereikend was. Het Nederlandsch-Indische

gouvernement stond niet alleen bij de Nederlandsche schatkist in het

krijt. Daar deze, in verband met de stortingen op de staatsleening, geen

behoefte had aan kasmiddelen en zelfs eenige maanden bij de

Nederlandsche Bank credit stond, werd slechts ongeveer de helft van de

opbrengst der Nederlandsch-Indische leening gebruikt tot aflossing van

schuld aan het moederland. In den loop van het jaar namen de

kasbehoeften van het Nederlandsch-Indische gouvernement geleidelijk weer

zoodanig toe, dat het aan de schatkist evenveel schuldig werd als vóór

de leening van Maart 1915 het geval was geweest. Daar het bovendien nog

voor verschillende buitengewone uitgaven geld behoefde, werd in het

najaar begonnen met de voorbereiding van een tweede koloniale leening.

Bij die voorbereiding drong ik aanvankelijk aan op de keuze van een 4½

pct. rente, in verband met de verlaging van den rentestand als gevolg

van de geldruimte. Mij werd echter verzekerd, dat een 4½% leening in

Indië weinig aftrek vinden zou en geen aanbeveling verdiende. Toen ik

als Minister van Financiën aftrad, was over de rente van 5% al

overeenstemming verkregen. Besloten werd, na hetgeen de eerste maal over

het consortium voorgevallen was, niet op nieuw van de tusschenkomst van

een garandeerende bankiersgroep gebruik te maken, maar daartegenover de

inschrijving bij verschillende bankierskantoren open te stellen en, door

hun een extra-provisie toe te kennen over de bedragen welke bij hen

ingeschreven werden, de belangstelling van den geldhandel bij de tweede

Indische leening te prikkelen. Zij werd geregeld bij de wet van 8 Juni

1916 en beliep ƒ 80 millioen; een op zich zelf hoog cijfer, maar dat met

het oog op de behoeften van Nederlandsch-Indië toch niet hoog genoeg

was. Het zal zeker niet zoo heel lang duren, vóór er een derde Indische

leening zal moeten volgen. Ook de tweede Indische leening was een groot

succes. De inschrijvingen uit Nederlandsch-Indië waren minder hoog dan

de eerste maal, namelijk iets beneden ƒ 22 millioen; daarentegen werd in

Nederland tot een bedrag van bijna ƒ 124 millioen ingeschreven.

Volledigheidshalve heb ik de Indische leeningen niet met stilzwijgen

willen voorbijgaan, hoewel zij met den oorlogstoestand slechts in een

zeer los verband staan. Ik keer nu tot de Nederlandsche schatkist terug.

Aangezien de opbrengst der leening 1914 in September 1915 aan militaire

en sociale oorlogsuitgaven was opgebruikt, moest op nieuw aan het vinden

van geldmiddelen ter bestrijding der kosten van den steeds voortdurenden

toestand van gewapenden vrede worden gedacht.

In de Memorie van Toelichting bij het door mijn opvolger aan het

Ministerie van Financiën ingetrokken ontwerp van wet houdende

Grondslagen van het stelsel van ’s Rijks belastingen, dat bij

Koninklijke boodschap van den 23sten October 1915 aan de Tweede Kamer

werd aangeboden, nam ik hieromtrent, alsmede omtrent de nieuwe bepaling

der dekking van de leening 1914, welke voor 1 Januari 1917 moest zijn

ingediend, het volgende op: „Ter voldoening aan het voorschrift van

artikel 38 der Leeningwet 1914 is in het ontwerp ook geregeld, in hoever

de krachtens die wet geheven opcenten ook na het jaar 1917 zullen worden

bestendigd, of door eene heffing in eens of op andere wijze zullen

worden vervangen.

„De heffing in eens kon daarbij geen dienst doen. Ondergeteekende acht

het onnoodig de verschillende argumenten, door hem bij de behandeling

der Leeningwet 1914 ter bestrijding van dit denkbeeld aangevoerd, hier

opnieuw uiteen te zetten. En dit te meer, omdat, naar hij meent te mogen

aannemen, zelfs de meest overtuigde voorstanders der heffing in eens

zich wel niet meer aan de illusie zullen overgeven, dat zulk een heffing

de leening 1914 nog zou kunnen vervangen. Nu de oorlog zooveel langer

duurt dan over het algemeen verwacht werd en het reeds vaststaat, dat

met de leening van 1914 de buitengewone kosten van den oorlogstoestand

niet geheel zullen zijn te dekken, zal het denkbeeld eener heffing in

eens overwogen _kunnen_ en misschien wel _moeten_ worden, als de tijd

gekomen zal zijn de vraag te bespreken der dekking van de buitengewone

defensie- en crisisuitgaven, die uit de leening 1914 niet meer konden

worden bestreden. Het zal wel overbodig zijn te verzekeren, dat

ondergeteekende de vraag der dekking van die hoogere uitgaven boven

hetgeen uit de leening 1914 is te vinden, niet uit het oog verliest. Hij

meent echter, dat het de voorkeur verdient thans daaromtrent nog geen

voorstellen te doen en zelfs nog geen denkbeelden te opperen. Immers zal

het vraagstuk der dekking dier hoogere buitengewone uitgaven ten nauwste

samenhangen met het bedrag, waartoe zij zullen oploopen. Aangezien nu

hieromtrent nog zelfs bij benadering niets is te bepalen of met grond te

ramen, zou elk thans geopperd denkbeeld gevaar loopen door den loop der

omstandigheden te worden ter zijde gesteld.

„Slechts meent ondergeteekende ten aanzien van dit hoogst belangrijke

punt te mogen en te moeten opmerken, dat--naar hij hoopt--de

omstandigheden zullen veroorloven met een voorstel tot regeling daarvan

te wachten, totdat het geheel der kosten van den oorlogstoestand zal

zijn te overzien. Mocht echter de toestand van gewapende neutraliteit

nog langer duren dan tot het voorjaar van 1916, dan staat te vreezen dat

een tweede voorstel tot bestrijding der kosten van den oorlogstoestand

zal moeten worden gedaan, zonder dat dit het karakter van eindvoorstel

zal kunnen dragen.

„Met het hier aangeroerde probleem staat tevens in verband het

onderzoek, waarmede de bij Koninklijk besluit van 5 October 1915 n^{o}.

1, ingestelde Staatscommissie zich thans bezig houdt, omtrent de wijze

waarop eene tijdelijke belasting kan worden ingericht, welke ten doel

heeft buitengewone vermeerdering van inkomen of van vermogen als direct

of indirect gevolg van den oorlogstoestand te treffen.”

Hieruit bleek wel reeds, dat het in mijn voornemen lag voor te stellen,

de verdere oorlogslasten ten deele uit leening en ten deele uit een

heffing in eens te dekken. In dien geest werden in December 1915

voorstellen voorbereid, welke in Januari 1916 om advies naar den Raad

van State werden gezonden. Wachten tot de oorlog zou zijn geëindigd,

bleek helaas niet mogelijk. Die voorstellen waren bij mijn aftreden nog

niet van den Raad van State terug ontvangen, doch werden met enkele

wijzigingen, meer nog in de toelichting dan in de ontwerpen zelf, door

mijn opvolger overgenomen. Daarbij werd voorzien in een bedrag, dat

geschat werd op ƒ 250 millioen, waarvan ongeveer ƒ 200 millioen zou

noodig zijn voor de bestrijding der uitgaven van den oorlogstoestand tot

in den zomer van 1916, en omstreeks ƒ 50 millioen zou kunnen strekken

tot dekking van de tekorten op de staatsrekeningen over 1914 en volgende

jaren, indien de uitgaven voor den oorlogstoestand na Augustus of

September 1916 zouden kunnen ophouden, een stille hoop die helaas niet

verwezenlijkt is.

Van die som zou ƒ 40 à ƒ 45 millioen zijn te vinden uit een

oorlogswinstbelasting, omstreeks ƒ 80 millioen uit een (gesplitste)

heffing in eens en ƒ 125 millioen uit een tweede oorlogsleening. Bij de

voorbereiding der tweede oorlogsleening heb ik aanvankelijk het

voornemen gehad, een leeningsvoorstel van wijder strekking met conversie

der oude leeningen van lager rente-type uit te werken, in den geest van

denkbeelden, die in het najaar van 1914 door enkele financiers waren

ontwikkeld. Na een uitvoerig onderhoud hierover met de presidenten van

de Nederlandsche Bank en de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die mij

dat denkbeeld ontrieden, liet ik het los. Daartegenover had ik het

succes, dat de beide heeren hun aanvankelijk ongunstig advies over het

kiezen van het 4½% rentetype voor de nieuw uit te schrijven leening na

ons onderhoud wijzigden en een schriftelijk rapport ten gunste van een

leening van ƒ 125 millioen tegen een rente van 4½% uitbrachten, onder

voorwaarde dat die vrijwillige leening op nieuw door de machtiging van

den wetgever tot het uitschrijven van een gedwongen leening zou worden

gesteund, voor het geval zij niet mocht slagen. Na dat advies werd met

den vereischten spoed aan de uitwerking van het leeningsontwerp

begonnen, waarbij de leeningwet 1914 grootendeels werd gevolgd. Er was

echter een groote moeilijkheid te overwinnen. Op 23 October 1915 waren

een aantal belastingvoorstellen bij de Kamers ingezonden, die, als zij

werden aangenomen, den belastingdruk voor de bestrijding der gewone

Rijksuitgaven met ongeveer ƒ 60 millioen per jaar zouden vergrooten. Het

ging niet wel aan, daarnaast nog een nieuwe belastingverhooging voor te

stellen voor rente en aflossing van de nieuwe leening. De oplossing van

deze moeilijkheid werd in deze richting gezocht en gevonden, dat rente

en aflossing zouden geschieden uit het leeningfonds 1914, dat bij de

Leeningwet van dat jaar was gevormd en waarin de opbrengst der

oorlogsopcenten worden gestort. De aflossing der nieuwe leening werd

behoudens een kleine jaarlijksche amortisatie van een ¼% per jaar,

verschoven tot na de aflossing der leening 1914, dus waarschijnlijk tot

het jaar 1929.

Het leeningfonds wordt op die wijze bezwaard met een nieuwen last van

ten naastebij ƒ 6 millioen. Mocht de opbrengst der opcenten, of der

andere belastingen die daarvoor in de plaats zullen komen, niet

voldoende zijn om het leeningfonds in staat te stellen, rente en

aflossing van beide leeningen te bekostigen, dan zal het ontbrekende

uit de gewone middelen aan dit fonds worden vergoed.

Kort na mijn aftreden kwam het tweede oorlogsleenings-ontwerp van den

Raad van State terug en werd het, na hier en daar te zijn gewijzigd, aan

de Tweede Kamer ingediend. Het ontmoette ditmaal geen principieelen

tegenstand en werd, na een spoedige behandeling in de beide Kamers der

Staten-Generaal, den 17den Maart 1916 tot wet verheven. De inschrijving

werd opengesteld van 27 tot 29 Maart. Het succes was ook ditmaal groot.

Er werd ingeschreven voor een bedrag van niet minder dan ruim ƒ 185

millioen. Een nieuw en afdoende bewijs van het ongeschokt vertrouwen van

het geldbeleggend publiek in de credietwaardigheid van den

Nederlandschen Staat en in het bijzonder ook in de leiding van ’s lands

zaken in den oorlogstijd door de aan het bewind zijnde Regeering.

De heffing in eens werd gesplitst in twee belastingen. De eene bestond

uit: _a._ een duplicaat heffing der vermogensbelasting over het

dienstjaar 1916/7, _b._ een buitengewone progressieve heffing van de

vermogens volgens een progressieschaal, die bij een vermogen van ƒ

50.000 begon en dan 0.2 pCt. van het vermogen boven ƒ 50.000 bedroeg, en

die bij een vermogen van ƒ 10 millioen omstreeks 3½% van het geheele

vermogen uitmaakte; voorzichtigheidshalve was er aan toegevoegd dat de

belasting niet hooger zou kunnen stijgen dan 6% van het vermogen. De

vennootschappen zijn in deze oorlogsbelasting niet opgenomen; het

onroerend goed wordt er in aangeslagen naar zijn verkoopwaarde. De

andere oorlogsbelasting was een duplicaat-heffing van de

inkomstenbelasting over het dienstjaar 1916/7. Daar de beide belastingen

de bepaalde bestemming hadden, te dienen ter bestrijding van een deel

der kosten van de verdediging van ’s lands souvereiniteit en

neutraliteit, noemde ik ze, in overeenstemming met hetgeen ik in de

Memorie van Toelichting bij het ontwerp van wet houdende Grondslagen van

het stelsel van ’s Rijks belastingen, over de bestemmingsheffingen had

ontwikkeld: Verdedigingsbelasting I en Verdedigingsbelasting II. Hoewel

tegen de bestemmingsheffingen in het algemeen tal van bezwaren werden

ontwikkeld, is het wel eigenaardig dat men tegen de eerste

bestemmingsheffingen, welke aan de Staten-Generaal werden voorgelegd,

geen bezwaren wegens haar karakter als zoodanig inbracht. Men zal het

mij wel ten goede houden, dat ik daarover in stilte een oogenblik heb

geglimlacht.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 37 / 40 段