Tot besluit nog een enkel woord over hetgeen na den vrede zal moeten

geschieden tot ontwarring van den toestand, dien de worsteling der

groote mogendheden heeft gebracht. Ik zal hierbij kort zijn, al was het

alleen omdat de oorlogswerkelijkheid met alle voorspellingen heeft

gespot en ons heeft geleerd voorzichtig te zijn met het uitspreken van

verwachtingen ook omtrent de liquidatie van de crisis, welke als gevolg

van den krijg intrad. Alleen enkele hoofdlijnen, waarlangs de ontwarring

daarvan naar alle waarschijnlijkheid zal loopen, kan men aangeven,

zonder gevaar al te zeer mis te tasten.

Dat na den oorlog op economisch gebied alles weer worden zal zooals het

daarvóór was, gelooft wel niemand. Een zóó geweldige gebeurtenis als

over Europa is gekomen, laat haar sporen op elk gebied na. De nog steeds

woedende krijg kan met maar al te veel recht van zichzelf getuigen:

„Es kann die Spur von meinen Erdentagen

Nicht in Aeonen untergehn.”

In het groot zal het aldus zijn ten aanzien van de verhouding der volken

van Europa; op bescheidener schaal kan het niet anders wezen met de

toestanden, die in neutraal gebleven landen werden teweeggebracht en met

de maatregelen, welke tot ordening daarvan getroffen moesten worden.

Men heeft zich afgevraagd, welk karakter die maatregelen hadden. Ware

dat onbevooroordeeld geschied, dan zou het stellen dier vraag nut hebben

gehad, daar het antwoord daarop dan tevens een aanwijzing had kunnen

geven over het vermoedelijke lot dier regelingen. Maar het geschiedde

juist niet onbevooroordeeld, doch met politieke bedoelingen. Daardoor

werd het waardeloos. Men was ook met zijn karakteriseering te spoedig

klaar. De staatsinmenging in het economisch leven in den oorlogstoestand

is van sociaaldemocratischen aard, zoo kon men bij meer dan één

gelegenheid hooren;--de moeilijkheden, welke men bij die inmenging heeft

ondervonden, bewijzen dat ons volk niet rijp is voor toepassing der

sociaaldemocratische leerstellingen,--aldus werd uit de oppervlakkig

gestelde premisse afgeleid.

Op die wijze rekent men met de sociaaldemocratie en hare theorieën wat

heel gemakkelijk af. Ook naar mijne meening is de hedendaagsche

maatschappij niet rijp voor toepassing der sociaaldemocratische leer en

zal deze nog heel wat moeten worden herzien en gelouterd, wil zij in de

toekomst ooit voor toepassing vatbaar worden. Maar dat ligt geheel

buiten mijn onderwerp. Ik herinner er slechts aan, om er aanstonds aan

toe te voegen dat de regeeringsmaatregelen in den crisistijd en de

daarbij ondervonden moeilijkheden geheel langs het vraagstuk der

verwezenlijkingsmogelijkheid van de sociaaldemocratische theorieën

heengaan.

Sociaaldemocratisch zijn de maatregelen, welke moesten worden genomen

ter beheersching van den oorlogstoestand, niet; een socialistische trek

is daarin wèl. Het particulier initiatief en de vrijheid van handelen

der enkelingen werden in den oorlogstijd op een aantal punten ingeperkt.

Daardoor werd de verhouding van het socialistisch en het

individualistisch element in onze volkshuishouding in dien zin

gewijzigd, dat het eerste ten koste van het laatste werd versterkt.

Voor een klein deel is hierin voor ons land een verhaasting te zien van

de ontwikkeling, welke de beschaafde volken sedert een kleine halve eeuw

bezig zijn door te maken. Voor zoo ver dit het geval is, zullen de

regelingen voor den oorlogstijd, met meer of minder wijzigingen, naar

alle waarschijnlijkheid ook na den vrede in stand blijven. Voor een

tweetal daarvan staat dit nu reeds vast. De noodregelingen op het gebied

der arbeidsbemiddeling en der werkloosheidsverzekering zijn reeds in

blijvende ordeningen overgegaan. Enkele noodwetten op ander gebied

zullen vermoedelijk eveneens tot blijvende wettelijke maatregelen

leiden, hoewel het onwaarschijnlijk is, dat de gelijkenis tusschen de

blijvende voorziening en de noodregeling daar zoo groot zal zijn als in

de zooeven bedoelde gevallen. Zoo zal de Beurswet wel niet worden

opgeheven, zonder dat een regeling van veel minder diep ingrijpend

Regeeringstoezicht op de effectenbeurs er voor in de plaats treedt. Ook

op andere punten zal de groote vrijheidsbeperking gedurende den

oorlogstoestand wel niet plaats maken voor volledig vrijheidsherstel,

maar voor eene gematigde vrijheidsbegrenzing.

Grootendeels echter heeft de Europeesche oorlog niet

ontwikkelingstendenzen versterkt, maar het economisch leven tot

toestanden uit het verleden teruggevoerd, die waarlijk niet in de lijn

van den maatschappelijken vooruitgang liggen, maar dezen tijdelijk

hebben stil- en zelfs achteruit gezet. Dit geldt vooral voor het

internationale handelsverkeer, dat zoo geducht geleden heeft en tot

haast middeleeuwsche verhoudingen teruggebracht werd. De internationale

verkeerstoestanden, als gevolg van den economischen strijd der

geallieerden tegen de centrale mogendheden, en de politiek der

uitvoerverboden, welke in verband daarmede veel dieper moest ingrijpen

dan anders in den oorlogstijd het geval zou zijn geweest, zijn

allesbehalve verschijnselen van voortschrijdende maatschappelijke

beschaving. Zij zijn de meest kenmerkende symptomen van tijdelijken

terugtred op dien weg.

Wie twijfelt aan de verdwijning daarvan, wanneer de krijg eindelijk voor

vredestoestanden zal plaats maken, twijfelt aan den maatschappelijken

vooruitgang zelf. Het kan zeker niet verwonderen dat, onder den indruk

van de wassende volkerenhaat en volkerenverdelging, sommigen in een

toestand van algeheele vertwijfeling zijn gekomen, en de toekomst der

menschheid donker inzien. Het zou daarmede intusschen treurig zijn

gesteld, als zulk eene vertwijfeling zich van de meerderheid der

bevolking meester maakte. Hoe ernstig de tijden ook zijn; hoe beschamend

het woeden van een krijg als sedert meer dan twee jaren wordt gestreden,

met al zijn gruwelen, al zijn haat en al zijn ellende, voor de eeuw der

beschaving ook moge wezen; hoezeer daaruit de zwakheid der door

opvoeding verworven eigenschappen moge blijken tegenover menschelijke

oerdriften, wanneer deze tijdelijk niet meer worden in toom gehouden,

maar veeleer verheerlijkt,--toch zou het nóg erger wezen, indien de

oorlog het geloof aan den menschelijken vooruitgang dempen zou. Meer dan

ooit is thans vertrouwen in de toekomst noodig, omdat alleen onverzwakte

idealen de kracht kunnen geven, niet slechts tot vernieuwing van hetgeen

door den krijg aan menschelijkheid te loor ging, maar ook tot opvoering

der samenleving tot een hooger peil dan vóór den oorlog werd bereikt.

Daartoe is vóór alles noodig, dat het internationale verkeer niet

slechts worde hersteld, maar na den vrede op hechter grondslag weder

worde opgebouwd.

Voor uitvoerverboden zal er in den vredestijd geen plaats meer zijn, het

streven moet integendeel zijn gericht op een veel grooter en veel

intenser internationaal verkeer dan vóór den oorlog bestond. Voor de

neutraal gebleven landen en speciaal voor een zóó handeldrijvend land

als Nederland--bij het schrijven van deze nabetrachting ga ik er van

uit, dat het gelukken zal ons land tot het einde toe, door de branding

heen, in neutraal vaarwater te blijven sturen--ligt hier een groot

arbeidsveld open. Er wacht ons een even zware als loonende taak in

dienst der Europeesche ontwikkeling. Begrijpelijk, maar toch niet

getuigend van ruimte van blik, is het bij maar al te velen door den

oorlog gewekte gevoel, als zou voortaan het streven moeten gericht zijn

op het zich zooveel mogelijk onafhankelijk maken van het buitenland voor

de vervulling van zijn economische behoeften, op het zich zooveel

mogelijk opsluiten binnen eigen grenzen, het zooveel mogelijk zich zelf

genoeg zijn. Wanneer men beschouwingen van dien aard hoort uit kringen,

die niet gewoon zijn zich met dergelijke vraagstukken bezig te houden,

verbaast men zich niet. Maar wanneer men bespeurt, dat zij ingang vinden

ook in kringen, waarin men onbevangen moest oordeelen, staat men niet

slechts verbaasd, maar kan men bovendien een gevoel van ernstige

bezorgdheid niet van zich afzetten bij de gedachte, dat zulk een

kleinmoedigheid de houding van volk en Regeering in de toekomst zou

kunnen bepalen.

Natuurlijk is het in een, gelukkig voorbijgaanden, tijd, waarin het

internationale verkeer op allerlei wijze wordt bemoeilijkt en gestremd,

heel lastig, dat niet alles waaraan men behoefte heeft, binnenslands

wordt voortgebracht, maar het zou toch wel het toppunt van

kortzichtigheid zijn, de houding van volk en Regeering in de toekomst

niet te richten op het normale internationale verkeer, maar te doen

bepalen door de moeilijkheden van een kortstondig tijdperk van algeheele

ontwrichting van dat verkeer en daarmede van het gansche economische

leven.

Ten aanzien van dit punt schreef ik in de Memorie van Toelichting bij

het, na mijn aftreden ingetrokken, ontwerp van wet houdende Grondslagen

van het stelsel van ’s Rijks belastingen:

„Wanneer men den blik naar de toekomst richt, blijkt spoedig genoeg, dat

het minder dan ooit, inzonderheid voor een land met een ligging, een

geschiedenis en een ontwikkelingsrichting als het onze, zaak kan zijn,

zich in zich zelven op te sluiten. Waar zooveel oude handelsrelaties

verbroken zijn, zooveel nieuwe relaties, als de oorlog voorbij zal zijn,

zullen moeten worden aangeknoopt, en waar in zooveel gevallen het

aanknoopen van rechtstreeksche relaties tusschen handelaren uit landen,

die nog kort te voren met elkander in oorlog waren, door de opgewekte

gevoelens en gevoeligheden zal worden bemoeilijkt, daar is voor onzen

handel een breed terrein van werkzaamheid geopend, waarop hij niet

alleen voordeelig werkzaam zal kunnen zijn voor zich zelven, maar te

gelijk een bij uitstek nuttige rol zal kunnen vervullen als

verbindingsschakel bij het weder aanknoopen van internationale banden,

die rechtstreeks niet zoo gemakkelijk zouden kunnen worden hersteld. Of

de Nederlandsche handel en de Nederlandsche industrie van die

verandering in de omstandigheden oordeelkundig partij zullen weten te

trekken, moet worden afgewacht. Veel zal er daarbij van afhangen of de

leidende persoonlijkheden op het gebied van handel en nijverheid in ons

land, een deel van hun energie zullen verspillen aan uitingen van

alouden naijver tusschen onze groote koopsteden, dan wel, in stede

daarvan, eendrachtig zullen willen samenwerken, om van den toestand

zooveel mogelijk partij te trekken niet alleen voor den handel zelven en

in het algemeen belang van het land, maar te gelijk ten bate van handel

en verkeer met verschillende buitenlandsche staten, welke daardoor

gemakkelijker en spoediger hun onmisbaar internationaal element zullen

terugkrijgen, dan wanneer zij alleen op zich zelven zijn aangewezen.

Doch hetzij de handel de taak, die thans voor hem is weggelegd, met alle

energie zal aanpakken, hetzij het aloude spel van naijver tusschen onze

koopsteden daarbij opnieuw storend zal inwerken, Regeering en

Staten-Generaal moeten alles vermijden, wat handel en industrie in het

vervullen van die taak zou kunnen bemoeilijken.”

Men heeft helaas geen reden de toekomst met volle gerustheid te gemoet

te zien, vooral niet, wat het laatst door mij aangeroerde punt betreft.

Toch kan ik niet aannemen, dat de politiek der zelfgenoegzaamheid, van

het zich economisch onafhankelijk willen maken, wortel zal schieten in

een koloniaal Rijk als Nederland, met een roemrijk verleden op het

gebied van handel en verkeer, dat elke vergelijking tart. Het is te

voorzien, dat in de thans oorlogvoerende rijken, ook na den vrede, de

door den krijg gewekte haat en nijd nog geruimen tijd het gezond

economisch oordeel vertroebelen zullen. Welke maatregelen noodig zullen

zijn, om alsdan ons land te behoeden voor het lot van economisch te

worden plat gedrukt, is thans zelfs nog niet in breede trekken aan te

geven. Dat zal in hoofdzaak afhangen van het resultaat van den krijg en

van de mate der vertroebeling van het economisch inzicht bij hen, die

als overwinnaars uit ’t strijdperk zullen treden. Maar dit eene zou ik

wel willen uitschreeuwen: men wachte zich bovenal voor de zooeven door

mij aangestipte politiek der economische zelfgenoegzaamheid. Mocht zij

onverhoopt gevolgd worden, dan zou het tijdelijk verweer tegen te

verwachten maatregelen van gewezen belligerenten, welke ook voor

neutraal gebleven handelsvolken zeer lastig zullen kunnen wezen,

geschieden ten koste van ’s lands welvaart en bloei tot in een verre

toekomst.

Maar hoe het hiermede ook moge gaan,--aan het in stand houden der

uitvoerverboden denkt niemand. Dit wil intusschen niet zeggen, dat

zoodra er weer vrede in Europa zijn zal, onze grenzen zonder meer zullen

kunnen worden opengesteld. Na het sluiten van den vrede zal ook

Nederland een liquidatietijdperk moeten doormaken, dat--naar het zich

laat aanzien--volk, regeering en wetgever voor nog grootere economische

vraagstukken plaatsen zal dan de oorlog reeds deed. De vraag van de

centrale mogendheden naar levensmiddelen zal alsdan niet minder zijn dan

thans, en het ophouden van de economische oorlogspolitiek der

geallieerden zal voor ons land in de eerste maanden over het algemeen

geen verlichting brengen, veeleer het tegendeel. Wel zal het

havenverkeer in Rotterdam naar alle waarschijnlijkheid vrijwel terstond

zijn oude beteekenis hernemen en zullen alle takken van het

verkeerswezen, die met den doorvoerhandel in verband staan,

dientengevolge zeer spoedig weer tot bloei komen. Maar tegenover dat

voordeel is een groote verzwaring der moeilijkheden voor het volk in

zijn geheel te duchten. Een plotselinge openzetting der grenzen zou het

land er aan bloot stellen, in enkele weken als het ware te worden

leeggezogen.

Daaraan valt dus zelfs niet te denken; het zou de levensmiddelen nog ver

in prijs doen stijgen boven hetgeen daarvoor reeds moet worden betaald.

Maar het is niet genoeg uitvoerverboden te stellen of te verlengen; men

moet ze handhaven ook. Thans worden de belastingcommiezen aan de grenzen

daarin bijgestaan door militie en landweer. Hoe zal het daarmede gaan,

als er gedemobiliseerd zal worden? Natuurlijk heeft de Regeering dit wel

onder de oogen gezien. Ik wijs er slechts op, om te doen zien hoeveel

moeilijker alsdan de toestand reeds alleen in dit opzicht zijn zal. En

daarbij zal het niet blijven. Zoodra de oorlog voorbij zijn zal, zullen

de centrale mogendheden die nu van de overzeesche markten zijn

uitgesloten, daarop als koopers aanvallen, vooral wat levensmiddelen en

grondstoffen voor de nijverheid betreft. Dat zulk een plotselinge

verhooging der vraag de prijzen, inzonderheid van het broodkoren, zullen

doen stijgen, is niet twijfelachtig. Niet dat zulk een prijsstijging

komen zal, alleen hoever zij zal gaan, is onzeker.

Mogelijk is dat het vrijkomen van scheepsruimte een invloed in

tegengestelde richting zal doen gelden; maar hierop rekene men niet te

veel. Als de Duitsche en Oostenrijksche handelsschepen weer in de vaart

zullen zijn en de koopvaardijvloten der geallieerden niet meer voor een

deel voor oorlogsdoeleinden zullen worden in beslag genomen, zal het

aanbod van scheepsruimte wel veel grooter zijn dan thans; maar dezelfde

oorzaak, die de prijzen op de overzeesche markten in de hoogte zal

drijven, zal ook de vraag naar scheepsruimte voor het vervoer der

begeerde goederen reusachtig doen toenemen. Het is niet onwaarschijnlijk

dat die beide factoren bij de bepaling der scheepsvrachten elkander

vrijwel in evenwicht zullen houden en dat bij de belangrijke

vermindering der handelsvloot als gevolg van den zeeoorlog en van den

stilstand in een groot deel van den scheepsbouw in de oorlogvoerende

landen, de vrachten nog jaren hoog zullen blijven.

Hoe lang onder die omstandigheden de uitvoer van levensmiddelen, welke

hier te lande worden voortgebracht, zal moeten geregeld en beperkt

blijven, is van te voren niet te zeggen. Waarschijnlijk is, dat er wel

ten minste een jaar mee zal heengaan, eer de export, die geleidelijk

verruimd zal moeten worden, weer geheel vrijgelaten zal kunnen worden.

Uit hetgeen ik zooeven schreef over de te verwachten prijsstijging

speciaal van overzeesche voedingsartikelen en grondstoffen volgt tevens,

dat de N. O. T. niet aanstonds bij den vrede het bijltje er bij zal

kunnen neerleggen. Ook daarbij zullen zich echter moeilijkheden

voordoen, die terdege onder de oogen zullen moeten worden gezien. Zoodra

er vrede zijn zal, zullen de gewezen belligerenten er zich niets meer

van aantrekken, wat er met van elders hier te lande aangevoerde goederen

geschiedt. Ik wil aannemen, dat de N. O. T. contracten zoodanig zijn

gesteld, dat uitvoer van goederen, die gedurende den oorlog onder N. O.

T.-verband werden ingevoerd, de importeurs aan verlies hunner

bankgarantie zal blijven blootstellen. Maar hoe zal het dan gaan met den

nieuwen invoer van goederen, waaraan ons land behoefte heeft en die dus

hier zullen moeten blijven? Zal men daarbij de N. O. T. plotseling

kunnen missen? En zoo neen, zal dan niet de eigen Regeering tegenover de

N. O. T. eenigszins de rol moeten spelen, die thans de belligerenten,

met name de geallieerden, tegenover haar vervullen? En voorts: zal de

Regeering dan plotseling hare handen kunnen aftrekken van den eigen

aankoop en invoer van broodkoren en veevoeder? Ook dat zal niet gaan.

Maar hoe zal dan de geleidelijke liquidatie hebben te geschieden? Ik

werp de vragen slechts op; haar beantwoording zal behooren tot de taak

der Regeering. Het enkele opwerpen daarvan is wel voldoende om te doen

zien, dat er nog een bij uitstek moeilijk tijdperk zal zijn te

doorworstelen, vóór men weer komen zal in het beloofde land van het

onbelemmerde handelsverkeer. En wie zal zeggen of de nieuwe crisis, die,

indien niet alle voorteekenen bedriegen, na de kortstondige periode van

koortsachtig aankoopen op de internationale markten, als gevolg van de

geweldige verstoring in het economisch leven welke heeft plaats

gegrepen, niet zal kunnen uitblijven, niet zóó spoedig zal intreden en

niet zóó hevig van aard zijn zal, dat zij de Regeeringsinmenging nog

langer noodzakelijk zal doen blijven dan anders het geval zou wezen? Wie

durft, na een ontwrichting der verschillende volkshuishoudingen op een

schaal die al wat de geschiedenis tot nu toe te zien gaf, ver achter

zich laat, voorspellen, hoe diep die terugslag van de oorlogsellende

inwerken zal, voor welke nieuwe, vooruit niet te bepalen zwarigheden zij

volk en Regeering zal stellen?

Hoe het met een en ander gaan zal en welke maatregelen van tegenweer

daartegen genomen zullen moeten worden, ligt thans nog grootendeels in

het duister. Alleen zooveel staat vast, dat men zich niet mag vleien,

met het einde van den oorlog de moeilijkheden te boven te zullen zijn;

zij zullen dan voor een deel veranderen van karakter, maar in het

liquidatietijdperk van den oorlogstoestand zullen zij zeker niet minder

groot zijn dan thans. Gestadige en vooruitziende waakzaamheid blijft

daarom geboden.

Daarbij zullen ook minder omvattende, maar op zich zelf hoogst

belangrijke regelingen, zoowel op juridisch als op sociaal-economisch

gebied, noodzakelijk zijn. Om slechts een tweetal voorbeelden hiervan te

noemen: hoe zal het gaan met de verstrekking van levensmiddelen tegen

verlaagde prijzen? Op welke wijze zal de overheid zich geleidelijk van

dit gebied terugtrekken? En ook: op welke wijze zal worden voorkomen,

dat contracten, wier vervulling gedurende den oorlog uit overmacht werd

opgeschort, niet na afloop daarvan op eene zoodanige wijze zullen

herleven, dat zij nieuwe beroering in de zakenwereld brengen? Ik stip

dit een en ander slechts aan; er op ingaan doe ik niet.

Het tijdperk van zeer verhoogde overheidsinmenging in het economisch

leven als gevolg van den oorlogstoestand zal, als het zwaard eindelijk

in de scheede zal zijn gestoken, niet aanstonds voorbij zijn. Hoe lang

die inmenging zal moeten duren en hoe zij geleidelijk binnen de perken

der normale regeeringsbemoeiing zal worden teruggeleid, zal moeten

worden afgewacht. Dat terugleiden zal even noodig zijn, als het

tijdelijk nog blijven optreden van de overheid op het terrein der

economische defensiepolitiek, ook wanneer de krijg zal zijn

uitgestreden. Daartoe zal niet minder kracht en niet minder inzicht in

de economische verhoudingen vereischt worden dan gedurende den oorlog

het geval was. Dit overwegende, wordt men onwillekeurig herinnerd aan de

strekking van het gebed, waarmede gedurende vele jaren de vergaderingen

van Amsterdams Gemeenteraad werden geopend, en waarin den Hemel werd

afgesmeekt dat Hij der Overheid zou schenken: wijsheid, kracht en

voorzichtigheid!

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 39 / 40 段