een bijeenkomst, welke op 30 October 1914, op verzoek van de voorzitters
der Kamerclubs, onder presidium van den Voorzitter van de Tweede Kamer
met hen werd gehouden. De Regeering was daar vertegenwoordigd door den
heer Cort van der Linden als tijdelijken voorzitter van den Ministerraad
en door mij, als Minister van Financiën. In die bijeenkomst werd door de
voorstanders van de heffing in eens hun denkbeeld verdedigd en zetten de
heer Cort van der Linden en ik in hoofdtrekken uiteen, hoe de Regeering
zich voorstelde de oorlogsuitgaven te dekken en waarom zij met het
denkbeeld der heffing in eens niet kon meegaan. Ter vergemakkelijking
van de gedachtenwisseling zegde ik aan het slot dier bijeenkomst toe, de
plannen der Regeering in een Nota uiteen te zetten. Op verzoek van de
voorzitters der verschillende Kamerclubs werd de Nota geheim gehouden,
omdat men het niet gewenscht achtte tot publicatie over te gaan, zoolang
nog niet zou zijn gebleken in hoever toenadering tusschen de Regeering
en de voorstanders van de heffing in eens mogelijk zou zijn. Nadat de
Nota als geheim stuk aan de kamerleden was rondgezonden, had er op 14
November 1914 een tweede vergadering plaats, waar dezelfde personen
tegenwoordig waren. Resultaat daarvan was, dat de termijn van zes jaar,
waarbinnen de voor te stellen leening niet zou kunnen worden
geconverteerd, tot drie jaar werd teruggebracht en dat in het
wetsontwerp, dat op 16 November werd ingediend, uitdrukkelijk werd
bepaald, dat uiterlijk vóór 1 Januari 1920 een voorstel tot herziening
of tot bestendiging der bepalingen omtrent de dekking van rente en
aflossing bij de Tweede Kamer zou moeten worden ingediend. „In verband
met de periodieke verkiezingen van 1917--zoo schreef ik in de Memorie
van Toelichting--kon deze termijn zich niet aansluiten bij dien van de
uitsluiting der conversie.”
Bij de behandeling van het ontwerp-leeningswet in de afdeelingen bleek
men in de Tweede Kamer over dit punt anders te denken en er van de zijde
van die voorstanders der heffing in eens, die tot toenadering tot het
standpunt der Regeering gedurende den oorlogstijd wel geneigd waren,
voorts op gesteld te zijn, dat de opcentenheffing slechts voor drie jaar
zou worden geregeld, zoodat vóór 1 Januari 1917 een voorstel van wet zou
moeten worden ingediend ter bepaling of, na afloop van die drie jaar, de
opcentenheffingen zouden worden bestendigd, herzien of door eene heffing
in eens of op andere wijze vervangen zouden worden. Bij het mondeling
overleg met de Commissie van Rapporteurs verklaarde ik mij bereid, als
bewijs van toenadering van de zijde der Regeering, de verlangde
wijziging in het ontwerp aan te brengen. Ik betwijfel wel eenigszins of
allen die den aandrang op mij oefenden om den termijn van 1 Januari 1920
tot 1 Januari 1917 in te korten, thans--indien zij er ongepraejudiceerd
nog eens over konden oordeelen,--dien aandrang zouden herhalen.
Verder kon de Regeering in haar toenadering niet gaan. In de Nota,
welke, toen de reden waarom haar aanvankelijke geheimhouding door de
voorzitters der Kamerclubs was verzocht, vervallen was, als bijlage bij
de Memorie van Toelichting bij het leeningsontwerp was gevoegd, werd het
denkbeeld der heffing in eens afgewezen. „Ten slotte nog een kort
woord--zoo schreef ik daar--waarom de Regeering niet heeft kunnen treden
in het denkbeeld, het door de omstandigheden benoodigde geld te vinden
door de heffing in eens van een oorlogsbelasting. Naar hare overtuiging
heeft dat denkbeeld overwegende bezwaren zoowel van practischen als van
meer principieelen aard. Principieel schijnt het niet wel
gerechtvaardigd buitengewone uitgaven, die in het belang van het geheele
volk noodzakelijk zijn, te doen dragen door een betrekkelijk zeer kleine
groep van meervermogenden. Practisch schijnt het ongeraden, om, waar
straks voor maatregelen van socialen aard, voor verbetering van het
volksonderwijs, voor bijlegging van den strijd op onderwijsgebied, voor
de verdediging der koloniën, in één woord voor verhooging van de
volkskracht en van ’s lands weerbaarheid, nieuwe belastingen zullen
moeten worden opgelegd, en daarin het vermogen, zonder twijfel, een
belangrijk deel zal hebben bij te dragen, nu op eenmaal aan de vermogens
een aderlating te doen ondergaan van 275 millioen. Daarbij komt dat zulk
een belasting thans, nu, evenals ook voorheen in oorlogsjaren het geval
was, de vermogens bij uitstek groote schommelingen ondergaan, nu sommige
rijken zoo al niet arm dan toch veel minder rijk worden en verschillende
niet of weinig bezittenden plotseling vermogens vergaren, die nog niet
voor het oog van de belastingambtenaren zichtbaar zijn, een
oorlogsbelasting van een zoo hoog bedrag als noodig is, al bijzonder
ongelijk treffen zou. Velen die onder de omstandigheden toch reeds zwaar
gebukt gaan, zouden daardoor nog dieper zinken en anderen die eerst
thans bezig zijn vermogend te worden en wier draagkracht veel grooter
is, zouden daarvan bevrijd blijven. Aan dat bezwaar is ook niet te
ontkomen door in de eenmalige oorlogsbelasting ook de hoogere
bedrijfsinkomsten te treffen. Zal een oorlogsbelasting als waarom het
hier gaat, voldoende opbrengen, dan zullen alle daarin aangeslagen
vermogens een groot deel van hun opbrengst van een enkel jaar moeten
afstaan en de grootere zelfs sommen moeten betalen, die de opbrengst van
een enkel jaar ver overtreffen. Bij de groote inkomens uit bedrijf kan
hiervan geen sprake zijn. Deze zullen toch slechts voor een relatief
klein deel in de eenmalige oorlogsbelasting aangeslagen kunnen worden.
Haar mede in die belasting trekken, is verklaarbaar als uiting van
rechtvaardigheids- en billjkheidszin; voor de opbrengst der belasting en
dus voor de bepaling van het heffingspercentage der vermogens doet het
weinig ter zake. Vandaar dan ook dat het tot wegneming en zelfs
verzachting van het zooeven ontwikkelde bezwaar zeer weinig kan
bijdragen.”
Voorts werd er nog eens op gewezen, dat de heffing in eens niet zou
strooken met het politiek bestand en dat, al kon de Regeering niet
beletten, dat anderen een principieel debat op het gebied der
financieele politiek zouden ontketenen, zij zelve voor het uitlokken
daarvan de verantwoordelijkheid niet wilde dragen.
Nauwlijks was het leeningsontwerp verschenen, of er werd van
sociaaldemocratische zoowel als van vrijzinnigdemocratische zijde een
groote agitatie daartegen en voor het denkbeeld der heffing in eens
gewekt. Niet alleen de pers dier partijen en enkele kleinere bladen van
liberale richting vergaten, dat er nog oorlogsgevaar was en maakten
propaganda tegen de Regeering en haar voorstel, zonder zich te
bekommeren om de politieke gevolgen, welke die propaganda kon hebben. Er
werden volksvergaderingen belegd, waarin het ontwerp werd gebrandmerkt
als een schandaal, als het begin van een uitputtingspolitiek der
Regeering en met name van den Minister van Financiën jegens de armen.
Mij werd beginselverzaking, heulen met de rechterzijde, loopen aan den
leiband van Dr. Kuyper verweten en meer vriendelijks van dien aard voor
de voeten geworpen.
Het Voorloopig Verslag, dat op 2 December werd vastgesteld en dat naast
détailpunten, op enkele waarvan ik nog terugkom, zooals van zelf spreekt
ook een pleidooi voor de heffing in eens bevatte, werd op 3 December aan
de leden van de Kamer rondgedeeld. Het werd zonder verwijl door mij
beantwoord. De Memorie van Antwoord werd den 4den December aan de Tweede
Kamer ingezonden en den volgenden dag aan de leden rondgedeeld. Tot het
betrachten van dien grooten spoed werd ik geleid door de dubbele
overweging, dat aan de in het land gewekte agitatie zoo spoedig mogelijk
een einde moest komen, en vooral ook dat de inschrijving op de
voorgestelde leening, zoo eenigszins mogelijk in de eerste dagen van het
jaar 1915 zou moeten openstaan, wilde men het meest geschikte oogenblik
daarvoor niet ongebruikt laten voorbijgaan. In het mondeling debat, dat
van 8 tot 11 December duurde, veroordeelde ik de gevoerde agitatie
streng, als misplaatst in den nog altijd zeer gespannen internationalen
toestand. Verder legde ik in die rede vooral den nadruk op den
economischen kant van het moeilijke en voor behandeling in
volksvergaderingen geheel ongeschikte financieele vraagstuk der dekking
van oorlogsuitgaven door leening of door heffing eener eenmalige
oorlogsbelasting. Het door mij in de vergadering van 10 December
geleverde betoog had tot hoofdstrekking er op te wijzen, hoezeer naast
de financieel-technische bezwaren tegen het denkbeeld der heffing in
eens, de verwezenlijking daarvan bedenkelijk zou zijn wegens den last
dien het op een aantal ondernemingen leggen zou. Ik wees er op, dat men
bij dit vraagstuk niet alleen en niet in de eerste plaats mocht denken
aan den rentenier, maar zijn aandacht vooral had te schenken aan de
vermogens die in ondernemingen zijn vastgelegd en waaraan niet een meer
of minder aanzienlijk percentage kan worden onttrokken, zonder de
credietbehoefte van die ondernemingen te vergrooten. In verband daarmede
vestigde ik er de aandacht op, welk een nadeelig gevolg dit zou moeten
hebben, nu de credietbehoefte als gevolg van den oorlogstoestand toch
reeds zoozeer was uitgezet en nu te verwachten was, dat de groote
schommelingen in de conjunctuur na het einde van den oorlog (een einde
dat toen vrijwel algemeen spoediger werd verwacht dan het helaas komen
wil) eerst waarschijnlijk een tijdperk van fictieven opbloei zouden
teweeg brengen, die spoedig op een crisis van ongekende heftigheid zou
moeten uitloopen. Onder zulke omstandigheden de credietbehoefte der
ondernemingen nog te vergrooten door het onttrekken van kapitaal ter
wille van de schatkist, zou--zoo betoogde ik verder--inzonderheid
gevaarlijk kunnen worden voor de ondernemingen, die nog juist op de
grens der winstgevendheid staan en voor welke zulk een nieuwe schok,
vooral in de bewogen tijden, die wij ook op economisch gebied doormaken,
noodlottig zou kunnen worden. Op die wijze trachtte ik duidelijk te
maken, dat de voorstanders der heffing in eens zich de zaak veel te
eenvoudig hadden voorgesteld, de indirecte economische gevolgen daarvan
niet voldoende hadden overwogen en niet hadden bedacht, dat zulk een
heffing, wanneer zij tot omstreeks ƒ 300 millioen zou moeten worden
opgevoerd, wel verre van geheel langs de arbeidersbevolking heen te
gaan, handel en nijverheid voor nieuwe moeilijkheden stellen zou, de
zwakkere ondernemingen zou kunnen doen vallen of tot inkrimping van het
bedrijf noodzaken, en indirect zou kunnen bijdragen tot vergrooting der
werkloosheid, die toen toch al zoo buitengewoon groot was.
Daartegenover stelde ik, dat de onderneming die, uit vrees van te worden
aangeslagen in de gedwongen leening, zelfs als het haar minder
convenieerde, deelnam in de oorlogsleening, daartegenover
staatsobligatiën zou ontvangen, welke zij, zoo noodig, terstond kon
beleenen en dat de ondernemingen aan welke dit in het geheel niet paste,
zich van zelf wel van inschrijving zouden onthouden. In een crisistijd,
zoo was het hoofdpunt van mijn betoog, is het crediet van den staat heel
wat grooter dan dat van particuliere ondernemingen en vooral van de
minder gunstig gestelde daaronder; in zulk een tijd zou het niet
verantwoord zijn, den staat te ontheffen van de noodzakelijkheid een
beroep op de credietmarkt te doen, als daarvan het onvermijdelijk gevolg
zou wezen dat een aantal industrieelen en handelaars gedwongen zou
worden tot voor hen zooveel bezwarender credietoperaties om den voor
afschrijving in eens te zwaren aanslag in de eenmalige oorlogsbelasting
over een grooter of kleiner aantal jaren te verdeelen. Een heffing in
eens kan, ook al gaat zij tot zeer hoog bedrag, economisch verdedigbaar
zijn, als het land in oorlog is of met oorlog bedreigd wordt en het er
om gaat zijn zelfstandigheid te bewaren. Zoolang met zulk een gevaar wel
moet worden gerekend, maar het nog niet voor de deur staat en er kans is
er aan te ontkomen, is zulk een heffing, zoodra zij een matig bedrag te
boven gaat, economisch niet verantwoord, in een crisistijd minder dan
ooit.
Naast en in aansluiting aan dit economisch betoog wees ik op de groote
moeilijkheid om de aanslagen in een eenmalige oorlogsbelasting tot een
zoo hoog bedrag, als noodig was, zonder groote misslagen en groote
onbillijkheden te regelen. Om het argument, dat de leening met een
daaraan verbonden opcentenheffing tot een bedrag van meer dan ƒ 26
millioen gedurende 15 jaar, den staat buiten de mogelijkheid zou stellen
zijn taak op sociaal gebied in de toekomst naar behooren te vervullen,
afdoende te weerleggen, ontvouwde ik aan het slot mijner rede de
hoofdtrekken van een plan van belastinghervorming, dat de schatkist
jaarlijks ongeveer ƒ 60 millioen meer inkomsten zou doen trekken. Dat
plan kon ik, vóór het een jaar verder was, uitgewerkt aan de
Staten-Generaal voorleggen.
Mijn rede kenmerkte zich zeker niet door groote vriendelijkheid jegens
de voorstanders van de heffing in eens, maar men bedenke dat zij werd
uitgesproken onder den indruk van de tegen het regeeringsvoorstel
gewekte agitatie en van verontwaardiging over de lichtvaardige wijze,
waarop in een tijdperk van oorlogsgevaar een zoo bij uitstek moeilijk
financieel vraagstuk in volksvergaderingen was gebracht, waarbij de
Regeering, wier taak waarlijk al zwaar genoeg was, niet alleen een spaak
in het wiel werd gestoken, maar zij bovendien, juist terwijl zij het
algemeen vertrouwen zoo hoog noodig had, bij een groot deel der
bevolking verdacht werd gemaakt.
Vooral mijn verklaring dat van mij voorbereiding van een heffing in eens
ter vervanging van de oorlogsopcenten niet te verwachten zou zijn, gaf
ontstemming. De voorstanders van zulk een heffing zagen daarin van de
zijde van de Regeering een terugkomen op het gesloten compromis,
krachtens hetwelk de opcenten slechts voor drie jaar werden vastgesteld
en vóór 1 Januari 1917 een nieuw dekkingsvoorstel moest worden gedaan.
Reeds den volgenden dag had ik gelegenheid dit punt in een antwoord aan
den heer Tydeman, die hoewel hij in de leeningskwestie aan de zijde der
Regeering stond, mij te weinig meegaandheid had verweten, nader toe te
lichten en te doen uitkomen, dat indien mijn ministerieele levensdraad
niet ontijdig werd doorgesneden, het mijn taak zou zijn het nieuwe
voorstel, dat vóór 1 Januari 1917 moet worden ingediend, voor te
bereiden en daarvoor de verantwoordelijkheid te dragen. Aangezien ik
voorzag, dat de groote credietstoornissen, die ik voor de eerste jaren
na het einde der vijandelijkheden vreesde en nog vrees, vóór den tijd
niet tot de geschiedenis zouden behooren, achtte ik mij verplicht de
Kamer te waarschuwen, dat mijn toegeven op het punt der wettelijke
mogelijkheid om reeds in 1917 de opcenten door een heffing in eens te
vervangen, niet mocht worden opgevat als de opwekking eener gegronde
verwachting, dat een voorstel tot die vervanging van mij zou uitgaan.
Evenwel voegde ik er aanstonds aan toe, dat een voorstel om een deel der
oorlogslasten, mits het niet te groot zijn zou, door een buitengewone
oorlogsbelasting te dekken, bij mij niet op tegenstand zou stuiten.
In de Eerste Kamer, waar de heer Polak de heffing in eens verdedigde,
maakte de heer Drucker, niet tot mijne verwondering maar wel tot mijn
groote voldoening, zich van het standpunt dat de vrijzinnigdemocraten in
de Tweede Kamer hadden ingenomen, geheel los. Deze afgevaardigde die,
vóór hij van de Tweede Kamer naar de Eerste was overgestapt, op een
wijze die ook buiten de kringen zijner partijgenooten hoog werd
gewaardeerd, het voorzitterschap van de vrijzinnigdemocratische
Kamerclub had bekleed, eindigde zijne rede aldus: „Onze mannen behoeven
gelukkig nog niet te staan in de loopgraven en onderwaterzettingen, om
de ellende van den oorlog aan den lijve te gevoelen. Onze vrouwen
behoeven geen gesneuvelden te beweenen of gewonden te verplegen, maar
laten wij Nederlanders, die nog de betrekkelijke weldaden van den vrede
genieten, onze vaderlandsliefde toonen, doordat wij de Regeering, die in
deze maanden de eer van het land hoog heeft gehouden en op
voortreffelijke wijze onze economische belangen heeft behartigd, in
staat stellen haar werk tot handhaving van onze zelfstandigheid en
onzijdigheid, tot opbeuring van ons maatschappelijk leven, tot steun van
zwakken en noodlijdenden, krachtdadig voort te zetten.”
De heer Drucker, die de in het land tegen het leeningsvoorstel gewekte
agitatie niet minder sterk veroordeelde dan ik, had mij evenwel
toegevoegd, dat ik beter had gedaan tegenover de voorstanders der
heffing in eens minder agressief op te treden en de mogelijkheid van een
toekomstig vergelijk meer open te laten. De heer van Nierop, die evenals
de heer Drucker het ontwerp tegenover de agitatie voor de heffing in
eens had in bescherming genomen en zich aan de zijde der Regeering had
geschaard, had zich wat het laatste punt betreft, in gelijken geest
uitgelaten. Dit gaf mij aanleiding dit punt nog wat uitvoeriger te
bespreken dan ik in de Tweede Kamer had gedaan. „Het kan zijn--zeide ik
in mijn antwoord--dat ik mij iets te kras heb uitgelaten. Wanneer ik een
enkele maal zondig naar een van beide kanten, overkomt het mij meer, dat
ik zondig naar de zijde van het mij te kras uitdrukken dan het
omgekeerde. Maar men heeft mij bovendien iets veel krassers laten
zeggen, dan ik gezegd heb; vandaar dat een gedeelte van de oppositie,
die tegen deze uiting in de Tweede Kamer is gekomen, niet ging tegen
hetgeen ik gezegd heb, maar tegen hetgeen men mij in den mond heeft
gelegd. Ik heb niet gezegd dat ik nooit zou komen tot het voorstellen
van een heffing in eens. Neen, zoo voorzichtig ben ik toch ook nog wel.”
Daarop resumeerde ik in het kort, wat ik in de Tweede Kamer had betoogd
over de door mij voor de eerste jaren na den oorlog verwachte
credietstoornissen, om dit deel van mijn antwoord aldus te eindigen: „En
nu heb ik gedacht, dat ik juist zou handelen in den geest van
overtuigde voorstanders van een heffing ineens, door hun te zeggen: ik
ben door overweging van het voor en tegen tot de conclusie gekomen, dat
in de eerste jaren, in de periode van groote economische schommelingen,
waarvan niemand kan zeggen waartoe zij zullen leiden, het niet de tijd
is om op te leggen een heffing in eens. Daarom, als gij, besliste
voorstanders van een heffing in eens, meent, dat dit denkbeeld op
financieel gebied alles overheerschend zijn moet, maak dan duidelijk,
dat ik, ten gevolge van mijn opvatting, op dit punt--misschien op andere
wel--niet meer uw vertrouwen heb, dan zal ik plaats maken voor een
ander. Ik had gehoopt, dat men dit zou zien in het licht, waarin ik het
nu stel en ik meen nu wel duidelijk gemaakt te hebben, dat er niet de
minste agressieve bedoeling lag in hetgeen ik toen gezegd heb.
„Ik wil hier intusschen wel dit bijzeggen--ik heb dat ook gezegd aan den
heer Tydeman--, dat wanneer het mogelijk mocht zijn te komen tot een
overleg, ik dit zeer zou toejuichen. In 1917 zullen ongeveer 30 millioen
zijn afgelost. Er blijven dan een, laat ons zeggen, 250 millioen
over--het bedrag doet er niet toe--en indien er nu, behoudens een
degelijke herziening van het middel der opcenten, waar ik mij met geen
enkel woord tegen heb verklaard, een billijke regeling zou kunnen worden
gevonden, waarbij men een matig bedrag zou dekken door een heffing in
eens--het moet bescheiden afmetingen hebben, want anders vervallen wij
weer in dezelfde moeilijkheid--,dan zou ik de eerste zijn om dit toe te
juichen.”
Behalve over de hoofdkwestie: leening of heffing in eens, liepen de
debatten in de Tweede Kamer ook over enkele punten die op zich zelf van
groot belang waren, maar die toch tegenover de hoofdzaak op den
achtergrond raakten. Ik breng daarvan alleen in herinnering de
gedachtenwisseling over het gekozen rentetype en de samenstelling van
het bedrag van ƒ 275 millioen, waarop de oorlogsleening werd gesteld.
Tegen de rente van 5% werd van verschillende zijden bezwaar gemaakt. Men
vreesde als gevolg van de omstandigheid dat de Staat tegen een zoo hooge
rente leende, een nadeeligen terugslag op den interest, die voor
leeningen ten behoeve van particuliere instellingen en personen zou
worden verlangd, en dat inzonderheid ook het hypothecair crediet
daardoor in moeilijkheid zou komen. Bovendien meende men dat de
spaarbanken zouden worden leeggezogen. Van de zijde der Regeering werd
niet ontkend, dat de rente hoog was gesteld en dat daarvan eenigen
invloed in ongunstige richting op het particuliere crediet was te
verwachten. Ik bracht echter tegen de voorstellingen, welke daaromtrent
uit de Kamer waren gegeven, in het midden, dat men den invloed dien de
Staatsleening op den algemeenen rentestand hebben zou, overschatte en
dat deze door nog een aantal andere factoren wordt bepaald. Reeds in den
loop van 1915 bleek, dat dit juist gezien was. Natuurlijk zou de
Regeering ook liever een 4½% dan een 5% leening hebben voorgesteld.
Gegeven den stand van de geldmarkt in de laatste maanden van 1914 en
gehoord de adviezen uit zeer verschillende kringen van deskundigen,
mocht zij ter wille van het welslagen der vrijwillige leening de rente
niet beneden 5% stellen. Er was voor het staatscrediet te veel aan
gelegen, dat het ultimum remedium van de gedwongen leening niet in
toepassing zou behoeven te komen.
Het bedrag der vrijwillige leening werd van enkele zijden te hoog
geacht. Voor zoover dit hieruit voortsproot, dat men een te
optimistischen kijk had op den vermoedelijken duur van den oorlog,
spreek ik er niet over. Niemand onzer heeft zich niet op een of ander
punt in zijn verwachtingen ter zake van den oorlog bedrogen gezien. Van
beteekenis daarentegen was de vraag, of ook geleend mocht worden ter
goedmaking van mindere opbrengst van belastingen als gevolg van den
oorlogstoestand. De Regeering stelde zich op het standpunt, dat zulk een
vermindering van inkomsten als gevolg van de zeer buitengewone
omstandigheden, ten aanzien van het dekkingsvraagstuk geheel op één lijn
staat met verhooging van uitgaven als resultaat van diezelfde
omstandigheden. Hiertegenover werd in het Voorloopig Verslag opgemerkt,
dat het bedenkelijk is te leenen voor toekomstige jaartekorten. In het
algemeen is voor zulk een bedenking alleszins reden. Maar een
financieele toestand als door den oorlog werd in het leven geroepen en
de invloed daarvan ook op de belastingen waren zoo geheel exceptioneel,
dat hier niet mocht gesproken worden van leenen voor toekomstige
jaartekorten. Men had hier te doen met leenen tot dekking van een der
vele effecten van den oorlogstoestand. Als te verwachten inzinking der
belastingopbrengst gedurende de jaren 1914-1917 werd een bedrag van ƒ 73
millioen gesteld. Dit was aan den veiligen kant gehouden. Als gevolg van
de vrij spoedige en zeer verblijdende opleving van het bedrijfsleven,
is die vermindering belangrijk minder geweest dan gevreesd werd. Zij
zal, tenzij nieuwe stoornissen haar vergrooten over het genoemde tijdvak
wel beneden de helft van het in November 1914 geraamde bedrag blijven.