gerekend worden, dat voor ƒ 25 à ƒ 30 millioen nieuwe belastingen ter
bestrijding van uitgaven voor den gewonen dienst zouden moeten worden
opgelegd, waarin voor een deel zou worden bijgedragen door de
Rijksinkomstenbelasting, waarvan het ontwerp als dankbaar aanvaard
onderdeel van de nalatenschap der vorige Regeering werd overgenomen.
Doch toen ik, na in October 1914 te zijn opgetreden als Minister van
Financiën, den toestand wat meer in bijzonderheden naging, kwam ik tot
de weinig bemoedigende ontdekking, dat, zonder misrekening in de te
verwachten uitgaven, mede in verband met het sociaal program van het
Kabinet, niet ƒ 25 à ƒ 30 millioen aan nieuwe middelen zou moeten worden
gevonden, met inbegrip van de inkomstenbelasting, maar niet minder dan
omstreeks ƒ 60 millioen, nadat de inkomstenbelasting reeds was in
rekening gebracht. Toen ik op 10 December 1914, sprekende in de Tweede
Kamer, dit cijfer noemde, sloeg aan enkele kamerleden waarschijnlijk wel
eenigszins de schrik om het hart. Maar mijn nadere verklaring daarvan
gaf geen aanleiding tot critiek. Het was van hetgeen ik dien dag zeide
haast het eenige, dat niet gecritiseerd werd; alleen werd mij tegemoet
gevoerd, dat ik niet ƒ 60 maar ƒ 70 millioen had moeten noemen, als
bedrag waarin, afgezien van de uitgaven als gevolg van den
oorlogstoestand, voorzien zou moeten worden.
Het is mijn bedoeling niet, hier op den algemeenen toestand van ’s Rijks
kas in te gaan noch op hetgeen door mij werd voorgesteld ter voorziening
van het tekort dat de gewone dienst der Staatsbegrooting bij normale
ontwikkeling der staatswerkzaamheid op sociaal gebied, speciaal ten
aanzien van het onderwijs en het verzekeringswezen en in verband met de
uitgaven voor de verdediging zoowel van Nederlandsch-Indië als van het
moederland en ter verbetering van land- en waterwegen in de komende
jaren, onvermijdelijk zal te zien geven, tenzij het gat wordt gestopt
door invoering van nieuwe en verhooging van bestaande belastingen. Dat
onderwerp ligt buiten het bestek van dit boek. Ik maak er slechts
melding van om de tegenstelling, waarmede ik dit hoofdstuk begon,
eenigszins toe te lichten. Hier heb ik alleen te maken met de uitgaven
van het Rijk als gevolg van den oorlogstoestand en met de wijze waarop
dekking van die uitgaven werd gezocht en gevonden.
Zoodra de oorlog was uitgebroken en het duidelijk was, dat het land voor
ongekend hooge buitengewone uitgaven zou komen te staan, werden de reeds
opgemaakte begrootingen, die eerst ongewijzigd moesten worden ingediend,
herzien en zooveel mogelijk besnoeid. Veel heeft dat niet kunnen baten.
Groote bezuinigingen waren niet aan te brengen. Een der hoofdzaken was,
dat alle uitgaven voor niet periodieke salarisverhoogingen van
ambtenaren werden geschrapt. Een goed jaar later moest, als gevolg van
de toenemende duurte van levensmiddelen, een tegenovergestelde weg
worden bewandeld en moesten duurtetoeslagen worden toegekend. Uit
hetgeen ik in hoofdstuk II opmerkte, is duidelijk gebleken, dat ik geen
groot voorstander daarvan ben en in oorlogstijd veel meer gevoel voor
een politiek, die de prijzen binnen redelijke grenzen houdt. Toen de
maatregelen in deze richting getroffen, de prijsstijging niet voldoende
konden beletten, kon de Regeering den aandrang tot het geven van een
duurtetoeslag niet langer weerstaan. Zulk een toeslag werd toegezegd
door den tijdelijken voorzitter van den Ministerraad bij de behandeling
der Staatsbegrooting voor 1916. Die toezegging werd verwezenlijkt, nadat
ik als minister was afgetreden. De duurtetoeslag der Rijksambtenaren
verhoogt de buitengewone uitgaven van den oorlogstoestand met omstreeks
ƒ 2 millioen.
Doch ik loop door deze mededeeling op de gebeurtenissen en hun
financieele gevolgen vooruit. De eerste weken van de mobilisatie
brachten natuurlijk verschillende niet periodiek weerkeerende kosten
mede en waren dus de duurste. Vandaar dat zij in de eerste maand op
ongeveer ƒ 20 millioen te staan kwam. Normaal, voor zoover men bij een
zoo buitengewonen toestand van normaal kan spreken, was de uitgaaf voor
het leger omstreeks ƒ 500.000 per dag. Na de eerste maand waren de
kosten van den oorlogstoestand in totaal op omstreeks ƒ 20 millioen per
maand te stellen. Later werden zij hooger, zoowel door de verder gaande
sociale maatregelen, men denke--om slechts een voorbeeld te noemen--aan
de bruinbroodregeling, als door de stijging van verschillende prijzen
en, in verband daarmede, ook door de verhooging der vergoedingen voor
gezinnen van gemobiliseerden. Er moest toen gerekend worden met
omstreeks ƒ 22 millioen per maand. Het zou mij niet verwonderen, als
thans de crisisuitgaven gemiddeld maandelijks het bedrag van ƒ 25
millioen naderen. Rekenend met gemiddeld ƒ 21 millioen per maand over
alle verloopen oorlogsmaanden, komt men er toe, dat de oorlogstoestand
gedurende de twee oorlogsjaren, welke op het oogenblik dat ik dit
schrijf, juist verstreken zijn, de schatkist op een crisis-uitgaaf van
rond een half milliard zijn te staan gekomen.
Dat het zulk een vaart zou loopen, kon men in den aanvang niet
vermoeden, maar wel was het duidelijk dat, waar men voor onbepaalden
tijd voor een ongekend groote extra-uitgaaf stond, maatregelen tot
dekking daarvan niet mochten uitblijven. Te meer was dit noodig, omdat
bij het uitbreken van den oorlog niet alleen ’s Rijks financieele
toestand, zooals ik vermeldde, niet al te sterk was, maar ook over den
toestand van ’s Rijks kas niet te roemen viel. In het voorjaar van 1914
was de uitgifte van een leening door en ten laste van Nederlandsch-Indië
tot een bedrag van ƒ 100 millioen in voorbereiding. De oorlog haalde in
de eerste maanden door dit leeningsplan een streep, zooals hij door
zooveel goede voornemens gedaan heeft. Dit was voor de Nederlandsche
schatkist een tegenvaller. Zoolang Nederlandsch-Indië niet door eigen
leeningsgeld in de dekking zijner buitengewone uitgaven kon voorzien,
steunde het daarvoor op de schatkist van het moederland, welke bij het
uitbreken van den oorlog aan het Ned. Indische Gouvernement ongeveer ƒ
60 millioen had voorgeschoten. In verband daarmede waren er toen
ongeveer ƒ 69 millioen schatkistbiljetten en schatkistpromessen in
omloop, die voor het grootste deel waren geplaatst bij de Nederlandsche
Bank. In totaal was de vlottende schuld toen omstreeks ƒ 84 millioen;
men moest er op rekenen dat die schuld, als zij niet werd
geconsolideerd, met omstreeks ƒ 20 millioen per maand zou stijgen. Die
rekening werd door de feiten geheel bevestigd. Op 1 December was de
vlottende schuld, met inbegrip van de toen uitstaande zilverbons,
gestegen tot ruim ƒ 152 millioen en zij zou nog omstreeks ƒ 7 millioen
hooger zijn geweest, indien niet tot dit bedrag winst was gemaakt op het
zilvergeld, dat ten beloope van ruim ƒ 14 millioen sedert 1 Augustus was
aangemaakt en in omloop gebracht.
Daar het schatkistpapier voor het grootste deel, rechtstreeks of
indirect, bij de Nederlandsche Bank terecht kwam, moest de schatkist,
indien de vlottende schuld niet werd geconsolideerd, allengs meer op de
Bank steunen. Dit mocht de Regeering niet lijdelijk toezien. Indien zij
doorging met in zoo hooge mate gebruik te maken van de diensten der
Bank, zou ’s Rijks financieele toestand bedenkelijk en daarmede ’s lands
veiligheid in groot gevaar zijn geweest, indien ons land onverhoopt in
den oorlog mocht worden betrokken. Hierin moest worden voorzien. Men
behoorde de weerkracht van het land naar alle kanten zoo groot mogelijk
te maken; niet minder dan de militaire moest de financieele weerkracht
gericht zijn op het oorlogsgevaar, waaraan het land blootstond.
Reeds aanstonds werd aan de Staten-Generaal een oorlogscrediet gevraagd
van 50 millioen, dat den 3den Augustus 1914 verleend werd; den 7den
Augustus werd dit verhoogd met ƒ 5 millioen voor Marine en den 16den
October met op nieuw ƒ 50 millioen voor het Departement van Oorlog; dat
was eerst het begin.
Zelfs al ware te voorzien geweest, dat de toevloed van goud uit het
buitenland zoo groot zou worden, als het geval is geweest--en dat kon
door niemand worden voorzien--,zelfs dan zou men met het laten oploopen
der vlottende schuld niet verantwoord zijn geweest. Zoo zag de Regeering
het terecht in. De geleidelijke verbetering in den toestand van de
Nederlandsche Bank, die van September 1914 af was waar te nemen, mocht
haar niet weerhouden, de medewerking der Staten-Generaal te vragen voor
haar voorstel tot consolidatie der vlottende schuld.
Dat voorstel was niet het product van een invallende gedachte, en het
vasthouden daaraan niet toe te schrijven aan stijfhoofdigheid van een
enkelen regeeringspersoon. Het was het resultaat van herhaalde
uitvoerige besprekingen in den Ministerraad en met leidende personen uit
de bankwereld. Reeds in September 1914 had in het gebouw, waarin het
Ministerie van Binnenlandsche Zaken destijds tijdelijk was
ondergebracht, een vergadering plaats, welke geleid werd door den
tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en waarin ook de Minister
van Financiën en ik tegenwoordig waren. Daartoe waren met den president
van de Nederlandsche Bank en den president van de Nederlandsche
Handel-Maatschappij, vertegenwoordigers van de geheele „haute finance”
uitgenoodigd. Van regeeringszijde werd daar met een enkel woord de
toestand, die trouwens aan de heeren volkomen bekend was, ter inleiding
uiteengezet. Bij de bespreking die volgde, kwam het denkbeeld der
heffing in eens, dat toen nog niet was gelanceerd geworden, niet ter
tafel. Wel werd door eenige bankiers in overweging gegeven een leening,
des noods een gedwongen leening, te sluiten voor korten termijn bijv.
voor twee of drie jaar en de financiën definitief te regelen, zoodra de
oorlogstoestand zou voorbij zijn. Dat denkbeeld, dat later in de Kamer
ook eenige voorstanders bleek te hebben, werd van de zijde van de
Regeering terstond afgewezen. Dit kon wel niet anders. Ware men er op
ingegaan en had Nederland een korte leening van drie jaren gesloten, dan
had het terstond na het einde van den oorlog, wanneer, gelijk algemeen
werd en wordt voorzien, er van alle kanten een buitengewoon sterke vraag
op de geldmarkt zal opkomen, een beroep op die markt moeten doen. Het
oorlogsgevaar zou dan geweken zijn en het in oorlogstijd geldend motief
voor het, zoo noodig, uitschrijven eener gedwongen leening, dat de
schatkist ter wille van de veiligheid van het land het geld, waaraan zij
behoefte heeft, _moet_ krijgen, had dan geen dienst meer kunnen doen.
Het effect van het volgen van dien raad zou geweest zijn, dat na den
oorlog de bankiers den toestand geheel zouden hebben beheerscht en dat
de Regeering dan met handen en voeten aan de „haute finance” zou zijn
gebonden geweest. Hiermede bedoel ik niet, dat de financiers die dezen
raad gaven, het waren er slechts zeer enkelen, hun advies uit eigen
belang gaven. Ik wil gaarne aannemen, dat dit daarbij niet medesprak en
dat zij de zaak alleen anders inzagen dan de Regeering. Deze echter zag
haar in, gelijk ik hier aangaf, en liet daarom aanstonds blijken, dat
zij die oplossing niet wenschte te aanvaarden.
Er werd in die bijeenkomst voorts nog heel wat gesproken over het
bedrag, dat geleend zou moeten worden. De Regeering, die de bijeenkomst
had belegd om bij de leidende persoonlijkheden uit de financieele wereld
haar licht op te steken, had op dat oogenblik nog geen gevestigde opinie
omtrent het bedrag dat geleend zou moeten worden. Alleen zooveel stond
reeds toen wel vast, dat de uit te schrijven leening niet lager dan ƒ
150 à ƒ 200 millioen zou moeten zijn. Ook de groote bankiers waren in
September 1914 met zulk een som nog niet vertrouwd. Zij wezen er op, hoe
steeds in veel kleinere leeningen van den Nederlandschen staat voor een
aanzienlijk bedrag door buitenlandsche huizen was ingeschreven. Nu die
medewerking ontbrak, zou het al veel zijn, als binnenslands omstreeks ƒ
40 millioen zou zijn te plaatsen. Toen het bleek, dat de in de eerste
plaats deskundigen zulk een weinig bemoedigenden kijk op den toestand
hadden, werd hun ook gevraagd, wat zij verwachtten van het uitschrijven
eener gedwongen leening, indien een vrijwillige niet mocht slagen.
Zooals van zelf spreekt, waren allen het er over eens, dat het voor het
staatscrediet hoogst bedenkelijk zijn zou, als het tot een gedwongen
leening zou moeten komen. Hieromtrent maakte ook de Regeering zich niet
de minste illusie. Als stok achter de deur werd daarentegen de
gedwongen leening niet ondienstig geoordeeld. Maar zelfs met dat
dreigement als prikkel tot deelneming, durfde men de opbrengst eener uit
te schrijven leening niet op hooger dan omstreeks ƒ 60 millioen
begrooten. Bij de beoordeeling van dit advies vergete men intusschen
niet, dat het gegeven werd in September 1914, onder den verschen indruk
van de heftige crisis, die de geldmarkt in Augustus had doorgemaakt.
Ieder onzer heeft in den oorlogstoestand, en vooral in de eerste maanden
daarvan, zeer snel geleefd.
Toen ik op 24 October 1914 den heer Bertling als Minister van Financiën
had vervangen, werden de verdere besprekingen ter voorbereiding van de
eerste oorlogsleening door mij gevoerd, waarbij ik voortdurend werd
bijgestaan door den tegenwoordigen Minister van Financiën, den heer Mr.
A. van Gijn, destijds Thesaurier-Generaal. Er werd overleg gepleegd ook
met vertegenwoordigers van de kleinere bankinstellingen, met name met
die van provinciale kantoren, alsmede met de directies van de grootere
levensverzekeringmaatschappijen. Bovendien werd nog herhaaldelijk
overlegd zoowel met den president van de Nederlandsche Bank als met dien
der Nederlandsche Handel-Maatschappij. Al die besprekingen stemden de
Regeering allengs wel optimistischer over het resultaat, dat van een
groote oorlogsleening was te verwachten, maar hetgeen ik hier laat
volgen uit de Nota, welke door mij op 6 November 1914 aan de Kamer werd
overgelegd, bewijst toch wel dat ik--en de geheele Regeering met
mij--omtrent den te verwachten uitslag zeer in onzekerheid verkeerde.
„Het oordeel van de verschillende geraadpleegde groepen was, wat de
kansen eener geheel vrijwillige leening aangaat, vrij eenstemmig.
Daarentegen oordeelden de vertegenwoordigers der bankinstellingen, die
meer over het geheel land verspreid zijn, vrij optimistisch over eene
leening, die door wettelijken dwang zou worden gesteund. Van de grootere
levensverzekeringmaatschappijen kreeg ondergeteekende den indruk, dat
indien het mogelijk zal blijken, dat deze op niet te bezwarende wijze
een deel harer reserves zullen kunnen beleenen, een niet onbelangrijke
medewerking van die zijde voor zulk eene leening is te verwachten.
„Uit een en ander meent ondergeteekende te mogen afleiden, dat de kans
op het slagen eener vrijwillige leening toch niet geheel uitgesloten is
te achten, wanneer het geldbeleggend publiek beseft, dat indien de
leening niet vrijwillig wordt genomen, de deelneming daaraan onder
alsdan minder gunstige voorwaarden zal worden opgelegd. Onder deze
omstandigheden meent de Regeering het uitschrijven eener vrijwillige
leening althans te moeten beproeven. Echter moet zij in dat geval toch
aan den wetgever terstond de machtiging vragen het deelnemen aan eene
leening aan de meervermogenden op te leggen, indien of voor zoover de
vrijwillige leening niet mocht slagen.”
Intusschen was ongeveer een maand voordat deze Nota aan de Tweede Kamer
werd gezonden, de Regeering verrast door het denkbeeld, door Dr. Bos in
de Octoberaflevering van de _Vragen des Tijds_ opgeworpen en in de
November-aflevering van dat tijdschrift nader uiteengezet, dat de
oorlogsuitgaven niet zouden worden bestreden uit een leening, maar uit
een heffing in eens. Voor alle leden van het Kabinet was dit een
verrassing; niemand hunner wist of kon vermoeden, dat een zoo radicaal
van haar eigen voornemens omtrent de dekking der oorlogsuitgaven
afwijkend denkbeeld in het publiek zou worden geworpen. Toen het eenmaal
was gelanceerd, kreeg het terstond grooten aanhang. Met uitzondering van
de vrij-liberalen, grepen alle groepen van de linkerzijde het aan, en er
werd terstond, vooral door vrijzinnigdemocraten en sociaaldemocraten,
een krachtige propaganda voor gemaakt. De leuze „in eens er af” werkte
aanstekelijk en haar zegetocht onder een groot deel van het publiek werd
niet weinig bevorderd, toen een onzer grootste industrieelen, die ook op
politiek een bekende figuur is, de heer D. W. Stork, zich bij haar
aansloot.
Er was evenwel een zeer belangrijk onderscheid niet alleen tusschen de
wijze waarop de heer Stork het denkbeeld aanprees en de agitatie, welke
ten gunste daarvan door vrijzinnigdemocraten en sociaaldemocraten werd
gewekt; ook hetgeen er mee beoogd werd, was bij den heer Stork
hemelsbreed verschillend van wat Dr. Bos en de democraten wilden. De
heer Stork meende, dat men de vermogenden wel in eens voor de
oorlogsuitgaven kon en mocht laten opkomen, maar dat men hen
daartegenover dan ook in de eerste 10 jaar niet met nieuwe belastingen
zou moeten bespringen. Hij gaf voor de vermogenden de voorkeur aan het
in eens worden uitgebraden boven het „être brulés à petit feu”. In dien
gedachtengang vond hij steun bij den oud-president van den Hoogen Raad
Mr. Eyssell, die zijn denkbeeld aanprees op een wijze, welke zelfs den
heer Stork wel het hoofd zal hebben doen schudden.
Lijnrecht daartegen in ging hetgeen de democratische voorstanders van de
heffing in eens daarmede bedoelden. Zij zagen daarin het middel om van
de oorlogslasten in eens af te komen en zoodoende de baan vrij te houden
tot het opleggen ook en in de eerste plaats aan de vermogenden, van de
lasten welke opgelegd zullen moeten worden ter bestrijding van de kosten
der sociale maatregelen, die in het belang der arbeidende klasse en der
volksontwikkeling in de toekomst noodig zullen zijn.
Indien de Regeering in de noodzakelijkheid was gekomen tusschen die
beide standpunten te kiezen, zou zij zich zeker niet aan de zijde van
den heer Stork hebben geplaatst. De regeling van de dekking der lasten
van den oorlogstoestand moest, ook naar haar oordeel, in de eerste
plaats aan dezen eisch voldoen, dat zij de medewerking van den Staat aan
de maatschappelijke ontwikkeling, voor zoover deze daartoe geroepen is,
zoo min mogelijk mocht belemmeren. Te dezen aanzien was er
eenstemmigheid tusschen de Regeering en de democratische voorstanders
van de heffing in eens, al was er verschil over enkele der maatregelen,
welke daartoe van staatswege zouden moeten worden getroffen. De vraag
was echter, of de dekking der oorlogsuitgaven door een in betrekkelijk
korten termijn af te lossen leening niet uit financieel-technisch
oogpunt de voorkeur verdiende en of daardoor de bevolking in haar geheel
niet meer zou worden gebaat, dan door eene heffing in eens van ƒ 200 à ƒ
300 millioen, hoe aanlokkelijk het denkbeeld van zulk een heffing voor
de groote meerderheid, die er niet in zou hebben bij te dragen, ook
wezen mocht. Geheel in overeenstemming met het oordeel mijner
ambtgenooten heb ik tegen de sterk opkomende strooming ten gunste eener
heffing in eens, aan de dekking der kosten van den oorlogstoestand door
een leening op niet te langen termijn vastgehouden. Ik zal niet in den
breede terugtreden in den daarover gevoerden strijd. De hoofdpunten
daarvan moet ik echter in herinnering brengen.
Nadat met de Nederlandsche Bank in beginsel was overeengekomen over eene
gemakkelijke beleenbaarheid van de uit te geven obligaties, werd een
wetsontwerp opgemaakt tot het aangaan van een leening van ƒ 275 millioen
tegen een rente van 5%, welke zou worden geamortiseerd in 15 jaar en
binnen 6 jaar niet convertabel zijn zou. Ter bestrijding van de uitgaven
voor rente en aflossing van die leening zou jaarlijks, gedurende 15
jaar, noodig zijn ƒ 26½ millioen, boven en behalve hetgeen zal moeten
worden opgebracht tot dekking van het tekort op den gewonen dienst.
De moeilijkheid waarvoor de Regeering ten aanzien van de wijze van
dekking dezer ƒ 26½ millioen was geplaatst, was vooral hierom zoo groot,
omdat men onder den indruk van het oorlogsgevaar, dat vooral in 1914
zwaar drukte, zonder eenige afspraak gekomen was tot een politiek
bestand, en dat men door die dekking voor te stellen op een wijze, welke
het volgen van een principieele lijn in de belastingpolitiek zou
aanduiden, onvermijdelijk tot principieele debatten aanleiding zou
hebben gegeven. De Regeering mocht van haar zijde zulk een debat,
waardoor het bestand zou zijn verbroken, niet uitlokken.
„Deze overweging--zoo zeide ik in de zooeven aangehaalde Nota--heeft de
Regeering tot het inzicht geleid, dat zij voor de dekking van de thans
noodige leening geen nieuwe belastingen moest voorstellen, maar zich
moest bepalen tot opcentenheffing, gedurende het tijdvak, waarvoor de
leening loopen zal. Zij is voornemens voor te stellen, dat geheven
zullen worden 20 opcenten op alle directe belastingen zonder
onderscheid, op de successiebelasting, den wijnaccijns en den
suikeraccijns. Wat den suikeraccijns betreft echter met dien verstande,
dat de hoofdsom daarvan zal worden verlaagd van ƒ 27 tot ƒ 22.50,
waardoor het bedrag voorloopig gelijk blijft en toch voldaan wordt aan
de bedoeling der wet op het zoogenaamde „suikerpotje”, zoodat voortaan
hetgeen het gedistilleerd meer zal opbrengen dan ƒ 25,2 millioen, onder
de gewone middelen zal worden gebracht. Eene algemeene opcentenheffing
op de zegelrechten stuit af op practische bezwaren. Daartegenover ligt
het in de bedoeling 50 opcenten te heffen op het zegel voor
buitenlandsche effecten. Wanneer voorts op de registratierechten, de
hypotheekrechten en op de invoerrechten, den accijns op het geslacht en
den gedistilleerd-accijns 10 opcenten worden geheven, zullen deze
opcenten, bijeengenomen, voldoende opleveren voor rente en aflossing der
leening. Ruim de helft zal dan worden opgebracht door de directe
belastingen en het successierecht.
„Ondergeteekende ontveinst zich allerminst, dat tegen zulk eene wijze
van dekking allerlei bezwaren zijn aan te voeren. Men houde echter in
het oog, dat het hier geen opcenten geldt tot dekking van een tekort op
de gewone jaarlijksche begrooting, maar opcenten, die voor 15 jaar
vastliggen, en die ook zullen worden geheven van belastingen, die voor
de heffingen, waarop zij thans zullen rusten, in de plaats zullen
komen.”
Met dit laatste werd vooral gedoeld op de inkomstenbelasting, welke voor
de bedrijfsbelasting zou in de plaats komen. Aan de bovenstaande
verklaring van de beweegredenen, die tot het voorstellen van dit
opcentenstelsel hadden geleid, werd nog eens uitdrukkelijk toegevoegd,
dat ik een andere wijze van dekking zou hebben voorgesteld, als ik er
niet mede had moeten rekenen, dat mijn eigen belastingdenkbeelden
principieele strijdvragen zouden hebben doen ontbranden en als ik mij
niet verplicht had geacht, zooveel mogelijk naar politieke kleurloosheid
te streven.
De opcentenregeling werd, als gevolg van het overleg met de Tweede
Kamer, in dien zin veranderd en verbeterd, dat de opcenten op de
invoerrechten, den accijns op het geslacht en het successierecht
vervielen en daartegenover die op de bedrijfsbelasting (later op de
Rijksinkomstenbelasting) en de vermogensbelasting van 20 op 33 gebracht
werden.