Artikel 1 van dat zoowel door Frankrijk als door Engeland

mede-onderteekende verdrag bepaalt: „De brievenposterij van onzijdigen

of oorlogvoerenden, welke ook haar ambtelijke of particuliere aard zij,

die op zee op een onzijdig of vijandig schip wordt gevonden, is

onschendbaar.” Dit heeft de geallieerden, met name Engeland, niet belet

de mail van neutrale schepen, die zijn havens aandeden of zijne

territoriale wateren moesten passeeren, aan te houden en te censureeren.

Op verschillende gronden hebben zij gepoogd dit te rechtvaardigen. De

mail werd op de open zee inderdaad geëerbiedigd, maar zij werd

aangehouden, wanneer onze schepen een Britsche haven aandeden of, als

gevolg van de afzetting van het Kanaal door de Britsche marine,

verplicht waren, hun vaart onder de kust in Britsche territoriale

wateren te nemen. Het feit van het aandoen eener Engelsche haven

ontneemt intusschen het neutrale schip niet de onschendbaarheid van de

post, welke het aan boord heeft. Elke staat heeft volkenrechtelijk de

bevoegdheid brieven, die aan zijn postadministratie worden toevertrouwd,

te onderzoeken, onverschillig of zij uit het buitenland komen of niet.

In vredestijd maken beschaafde staten van die bevoegdheid geen gebruik.

Wordt in oorlogstijd wegens de veiligheid van den staat op de post

censuur toegepast, dan heeft men geen recht van beklag, als dit lot ook

de mail treft, die de postadministratie van het censureerende land

passeeren moet, om haar bestemming te bereiken. Doch daarop kon men zich

hier niet beroepen. De mails waarom het hier gaat, worden aan de

Britsche postadministratie _niet_ toevertrouwd. Voor de bevordering

daarvan heeft het schip haar medewerking niet noodig en vraagt het haar

niet. Het geeft die post dan ook niet af; deze wordt hem afgenomen en

komt eerst onder het bereik der Britsche postadministratie en van de

daarmede verbonden censuur, doordien de gezagvoerder de schending van

zijn door internationaal verdrag gewaarborgd recht, bukkend voor

overmacht, lijdelijk moet toezien. Ten opzichte van de mail aan boord

van schepen, die niet een Britsche haven aandoen, maar door den

zeeoorlog gedwongen worden hun vaart door Britsche territoriale wateren

te nemen, staat de zaak niet anders; alleen spreekt hier het zooeven

aangevoerde nog duidelijker.

Ter rechtvaardiging van hun behandeling der neutrale post, welke zij

bemachtigen kunnen, hebben de geallieerden zich voorts er op beroepen,

dat de onschendbaarheid der brievenpost niet geldt voor de pakketpost.

Dit is op zich zelf genomen juist. Wanneer zij daaruit echter afleiden,

dat zij dus ook recht hebben te onderzoeken of niet als brief wordt

verzonden, wat feitelijk een pakket is, verlaten zij op hetzelfde

oogenblik, dat zij die conclusie trekken, den weg van het recht. Het

feit dat kleine pakketten als brief verzonden kunnen worden en ook wel

als brief verzonden worden, zal wel niemand betwisten, maar daarover

gaat het niet. De geallieerden hebben, zonder eenig voorbehoud, het

verdrag geteekend, waarbij de brievenpost onschendbaar werd verklaard.

Door te onderzoeken wat die post inhoudt, schenden zij juist wat op het

papier onschendbaar was en dat in werkelijkheid had moeten blijven. Door

zich hieraan niet te storen, verlaagden zij het door hen geteekend

verdrag tot scheurpapier in het wezen der zaak op geen enkelen anderen

grond, dan dat hun belang het medebracht.

Ging het om een belangenkwestie, dan zou men Engeland het volste gelijk

van de wereld moeten geven. Dat de mail verschillende brieven inhield,

die niet strookten met de politiek der economische isoleering van de

centrale mogendheden, en dat dit nog veel meer het geval was, toen met

haar schending door de geallieerden nog niet behoefde te worden

gerekend, is niet aan twijfel onderhevig. En evenzoo zal het wel juist

zijn, dat bijv. rubber in brieven verzonden werd. Het belang der

geallieerden als oorlogvoerende mogendheid bracht ongetwijfeld mee, dit

tegen te houden; maar dit gaf hun daartoe nog geen recht. Voor zoover

verzending van contrabande per brievenpost betreft, hadden zij

desgewenscht vertoogen kunnen richten tot de neutralen om deze

feitelijke uitbreiding van de onschendbaarheid der brievenpost tegen te

gaan. Overigens hadden zij er in te berusten, dat neutrale landen, juist

omdat zij neutraal zijn, zich niet dienstbaar kunnen maken aan het

oorlogsbelang van een der belligerente partijen.

Nederland stelt zich geen partij in de oorlogspolitiek van de

geallieerden tegen de centrale mogendheden. Het staat tegenover de

economische zijde even onzijdig als tegenover het krijgskundige doel der

oorlogspolitiek van de belligerenten. Zijn handelaars doen met

Duitschers en Oostenrijkers even goed zaken als met Engelschen,

Franschen of Italianen. Zij hebben daarbij niets anders te eerbiedigen

dan de wetten van hun eigen land, de verdragen, waartoe Nederland is

toegetreden, en hun eigen woord. Binnen die perken blijvend, zullen

hunne internationale handels-transacties en de daarop betrekking

hebbende correspondentie nu eens aan een der oorlogvoerenden, dan weer

aan de andere belligerente partij onwelgevallig zijn. Dit geeft aan geen

hunner het recht, die correspondentie te onderzoeken en te belemmeren,

als zij die, met schending van het bij tractaat erkende recht der

neutrale staten gedurende den oorlog ter zee, onder haar machtssfeer

heeft gebracht.

Het strekt der Nederlandsche Regeering en inzonderheid den Minister van

Buitenlandsche Zaken tot eer, dat het haast overbodig is mede te deelen,

dat tegen de schending onzer mail met klem werd geprotesteerd, evenals

dit telkens gebeurde bij schending van bij tractaat gewaarborgde

rechten, van welke zijde zij ook kwam. De schending van de post tastte

het onbetwistbaar recht der neutralen tot het drijven van handel met

alle oorlogvoerende partijen in zijn wortel aan. Daarom moest die

schending hoog opgenomen worden en werd zij ook hoog opgenomen. Het is

plicht van elke neutrale Regeering en van elk neutraal volk dat recht

hoog te houden en tegen elken inbreuk daarop, met de krachten die men

heeft, op te komen en, als men niet krachtig genoeg is om die inbreuken

te verhinderen, daartegen met klem te protesteeren. En dat niet slechts

uit eigen _belang_, maar ook terwille van eigen _waardigheid_, en niet

minder ten bate van de internationale samenleving, die aanstonds hervat

worden _moet!_ Het is al erg genoeg, dat voor de eene helft van Europa

haast de geheele andere helft vijand is, en dat dientengevolge de

begrippen vreemdeling en vijand even dicht tot elkander genaderd zijn

als in de vroegste middeleeuwen het geval was. De oorlog heeft de

volksziel eeuwen achteruit gezet. Wanneer hij bovendien nog moest

teweegbrengen, dat het internationale verkeer als minderwaardig werd

beschouwd en teruggedrongen, zou hij zich aan de beschaving, aan den

menschelijken vooruitgang, zelfs nog meer hebben bezondigd dan door den

reusachtigen menschenmoord, die nu reeds meer dan twee jaren met

toenemende bitterheid en toenemende verfijning voortduurt. Hij zou dan

aan dien vooruitgang een zijner onmisbare economische levenswortels

hebben afgesneden en daarmede Europa in den wedstrijd der volken ten

ondergang hebben gedoemd.

Men meene intusschen niet, dat deze beschouwing zich speciaal tegen de

geallieerden keert. Zij geldt tegenover Duitschland evenzeer als

tegenover Groot-Brittannië. Alleen komt men onwillekeurig meer in

opstand, wanneer men zulke schendingen van het internationale recht der

neutralen in oorlogstijd ziet begaan door een land als Engeland, een

handeldrijvend land bij uitnemendheid, een land bovendien dat zich zelf

en anderen heeft diets gemaakt, dat het ter wille van de vrijheid en het

recht, inzonderheid van de kleine naties, in den oorlog was gegaan.

Aan zulke schendingen van het volkenrecht hebben alle belligerenten

schuld. Daarvan hebben scheepvaart, handel en visscherij zonder

onderscheid te lijden gehad. Met toenemende roekeloosheid werd door alle

oorlogvoerenden van het internationale oorlogsrecht afgeweken. Toch is

er verschil in den aard hunner roekeloosheid. Men kan dat in het kort

aldus uitdrukken: Groot-Brittannië werd steeds roekeloozer tegenover de

handelsbelangen der neutralen, Duitschland had allengs minder ontzag

voor hun leven. Uit menschelijkheidsoogpunt was de Duitsche

roekeloosheid veel erger dan de Britsche. Gezien uit het oogpunt van de

onmisbaarheid van het internationaal verkeer in de moderne samenleving,

was het telkens verder vernielen van onderdeelen van het economisch

fundament der menschelijke beschaving niet minder bedenkelijk. Allen te

zamen drukt den belligerenten de verantwoordelijkheid, dat zij de wereld

teruggebracht hebben in een toestand, waarvan Mephistopheles op nieuw

zou kunnen getuigen:

„Man fragt um’s Was und nicht um’s Wie;

Ich musste keine Schiffahrt kennen.

Krieg, Handel und Piraterie,

Dreieinig sind sie nicht zu trennen.”

Bij de maatregelen, welke door de oorlogvoerenden werden genomen, werden

de bij tractaat geregelde rechten der neutralen allengs minder ontzien

en bleken helaas de wederzijdsche verbittering der belligerenten en de

wederzijdsche zucht om elkander op elke denkbare en uitvoerbare wijze te

benadeelen, meer en meer de overhand te verkrijgen boven het in den

aanvang nog eenigermate medesprekend rechtsbesef, dat eenmaal gesloten

verdragen geëerbiedigd dienden te worden. Alle oorlogvoerenden werden

allengs doof, niet alleen voor elke overweging die niet was ingegeven

door het oorlogsbelang van henzelven of van hunne verbondenen, maar ook

voor elk volkenrechtelijk bezwaar tegen maatregelen, die zij in dat

belang meenden te moeten en dus ook te mogen nemen.

Men heeft hieruit wel de pessimistische conclusie getrokken, dat de

thans woedende krijg bewijzen zou, dat internationale verdragen, als het

er op aankomt, niet meer dan scheurpapier zijn. Gelukkig is voor dat

pessimisme geen reden. Dat het volkenrecht in dezen oorlog sterk is

gehavend, is niet voor tegenspraak vatbaar, maar dit maakt het nog niet

waardeloos. Internationale verdragen zullen, naar te verwachten is, in

de toekomst het uitbreken van oorlog in nog meer gevallen kunnen

voorkomen, dan in het verleden het geval was. Ook in den oorlog zelf

zullen zij in de toekomst worden geëerbiedigd, zoo dikwijls de

machtsverhoudingen tusschen neutralen en oorlogvoerenden zoodanig zijn

zal, dat de onzijdigen door bedreiging met feitelijkheden tegen den

overtreder, de inachtneming van het internationale verdrag kunnen

afdwingen. Wanneer echter, zooals thans, de groote mogendheden van een

geheel werelddeel allen met elkander in oorlog zijn en het in dien

krijg, naar de overtuiging van elk der belligerenten, gaat om eigen

lijfs- of althans om eigen machtsbehoud, zijn verdragen niet in staat

hen te houden binnen de grenzen van in vredestijd gestelde regelen van

volkenrecht, ook al hebben zij zelven tot het stellen dier regelen uit

vrijen wil en uit overweging van het belang van geregelde internationale

rechtsverhoudingen, zoo al niet uit innige rechtsovertuiging

medegewerkt. De oorlog brengt zulk een geweldigen omkeer in den

gemoedstoestand zoowel der regeeringen als der bevolkingen van

krijgvoerende landen teweeg, dat men daar alles geoorloofd waant, wat

den vijand afbreuk kan doen en het haast landverraad zou achten, zich

daarvan te laten weerhouden of daarbij te laten intoomen door

overwegingen van recht, zoolang men door machtigeren daartoe niet wordt

verplicht. Oorlogvoerenden bevinden zich, door het enkele feit dat zij

oorlog voeren, naar eigen overtuiging in den noodtoestand die wetten

verbreekt, de wet van het recht niet minder dan de wet der

menschelijkheid.

De kleine neutrale staten moeten zich zulke schendingen van verdragen

wel laten welgevallen, al laten zij niet na, er tegen te protesteeren.

Een casus belli leveren zij alleen dan op, wanneer zij tevens een

ernstige schending der souvereiniteit inhouden. Zoover is het gelukkig,

hoe hinderlijk, vaak zelfs ergerlijk die schendingen ook zijn geweest,

voor ons land niet gekomen. Het is bij protesten gebleven en het kon

daarbij blijven. Bij velen heeft dat een gevoel van wrevel gewekt.

Begrijpelijk, maar ongegrond. Waar het recht de macht aan het woord moet

laten, hebben de kleine naties daarvoor wel te buigen. Door echter,

zonder onderscheid te maken tusschen de belligerente partijen, telkens

te protesteeren, wanneer het volkenrecht ten nadeele van Nederland werd

geschonden, diende onze Regeering niet alleen het belang van het land

als handeldrijvende en zeevarende natie, kwam zij niet alleen op voor de

waardigheid en de hoogheid van den staat, maar vervulde zij tevens voor

haar deel de taak, die aan de neutralen in deze reuzenworsteling is

weggelegd. Zij hielp er toe mede, het rechtsgeweten der oorlogvoerenden

niet geheel te doen inslapen en daarmede tevens de kiemen te bewaren,

waaruit straks een nieuw en, laat ons hopen, hechter gebouwde regeling

van het voor de menschelijke beschaving onmisbaar volkerenverkeer tot

ontwikkeling zal komen.

* * * * *

Doch ik moet nog, met een enkel woord althans, in herinnering brengen

hoe het met onzen handel onder al die moeilijkheden van den

oorlogstoestand gegaan is. Dat daardoor onze buitenlandsche handel zeer

werd gehandicapt, spreekt wel van zelf. Enkele onderdeelen daarvan

werden geheel stopgezet of sterk verminderd. Dit werd nog verergerd,

toen de belligerenten verschillende neutrale kooplieden gingen keuren

en, al naar gelang deze al dan niet ook met den vijand handel dreven,

hen op blanke of zwarte lijsten plaatsten. Die lijsten op zich zelf zijn

een negatie van het recht van den neutrale om zaken te doen met alle

oorlogvoerenden en een niet onbedenkelijke poging om verder te reiken

dan het eigen rechtsgebied en om, naast den eigen onderdaan, ook den

vreemdeling „the trading with the enemy” te verbieden. Zoowel de

goederen- als de geldhandel worden door die lijsten belemmerd, niet

alleen voor het heden, maar ook voor de toekomst. Daarbij komt voor den

effectenhandel in buitenlandsche fondsen nog een speciale moeilijkheid.

De oorlogvoerende staten verlangen bij de uitbetaling der coupons hunner

schulden waarborgen dat de stukken niet toebehooren aan onderdanen van

vijandige naties. Dit geeft heel wat oponthoud en ongerief, zoowel voor

de beleggers zelven als voor de bankiers en commissionnairs. Bovendien

heeft de politiek der economische isoleering van de centrale mogendheden

er toe gevoerd, niet alleen hun invoer van goederen te fnuiken, maar ook

hen te belemmeren in het zich verschaffen van geld of crediet door

verkoop van buitenlandsche effecten. Met deze financieele isoleering

begon Engeland niet aanstonds; er zijn dan ook zeker heel wat

Amerikaansche fondsen over de Amsterdamsche beurs voor Duitsche rekening

naar Amerika verkocht. Een tusschenkomst die volkomen geoorloofd was,

maar die toch ook weer geleid heeft tot maatregelen van de Britsche

regeering, waarbij het recht voor het belang van Engeland als

belligerent moest wijken. De aanhouding van groote waarden door

Groot-Brittannië, op vermoeden dat daarbij vijandelijke belangen

betrokken waren, en de toenemende moeilijkheid voor den internationalen

geld- en effectenhandel hebben er ten slotte toe geleid, dat zelfs een

financieele afdeeling van de N. O. T. moest worden in werking gesteld.

Dit bewijst genoegzaam, hoe ook de Nederlandsche geld- en effectenhandel

zwarigheid ondervond van de economische oorlogspolitiek van de

geallieerden, met name van Groot-Brittannië.

Het is moeilijk een algemeen oordeel te vellen hoe de handel onder den

oorlog gevaren is. De groote geld- en effectenhandelaars behoeven zeker

geen medelijden; zij zullen daar ook wel niet om vragen. De kleinere

commissionnairs zijn er over het algemeen heel wat slechter aan toe. De

provinciale bankiers ondervinden den gunstigen terugslag van de welvaart

in den boerenstand.

Tegenover de belemmeringen van den overzeeschen handel staat, dat de

export naar Duitschland in allerlei voedingsmiddelen zich sterk

ontwikkeld heeft. Niet alleen land- en tuinbouw en enkele fabrieken van

voedings- en genotmiddelen, maar ook sommige kringen uit den groothandel

hebben daarvan profijt getrokken. Ten gevolge van de economische

politiek der geallieerden tegenover Duitschland steeg daar de vraag naar

producten van onzen bodem zoodanig, dat onze exporthandel er

aanmerkelijk veel hoogere prijzen kon maken dan in Engeland of

Frankrijk. Het gevolg hiervan is een sterke overhelling van dien handel

in Duitsche richting. Dat is niet toe te schrijven aan sympathie of

antipathie, maar aan zuiver economische oorzaken. Men kan het den

boeren, fabrikanten en handelaren, voor zoover zij goederen uit te

voeren hebben, niet kwalijk nemen, dat zij die daarheen zenden waar zij

er de hoogste markt voor vinden. Het is echter niet te miskennen, dat

het tijdelijk verwaarloozen van de Engelsche en Fransche markt voor de

toekomst niet zonder bedenking is. Gelukkig komen er organisaties om het

hierin liggend gevaar zooveel mogelijk te keeren.

Aan het opmaken van een balans van den stilstand of achteruitgang in den

eenen en de verlevendiging in den anderen tak van handel, durf ik mij

niet wagen. Men zal wel niet ver van de waarheid af zijn, wanneer men

aanneemt, dat over het algemeen de groothandel niet al te slecht is

weggekomen. De tusschenhandel en meer nog de kleinhandel hebben het

minder goed gehad. Vooral in den aanvang was het hiermede droevig

gesteld. Maar toch heeft zich zelfs voor de grossiers en de winkeliers

de toestand langzamerhand ten goede gekeerd in een mate als waarop men

aanvankelijk niet had durven hopen. Na hetgeen ik daaromtrent reeds

opmerkte bij de bespreking van het middenstandscrediet in hoofdstuk

IV[26] behoef ik daarop hier niet meer terug te komen.

[26] Zie bl. 218/9.

De handel heeft zeker niet zulk een gulden tijd gehad als de landbouw.

Onder de kooplieden, dit geldt zoowel voor den geld- en den

effectenhandel als voor den goederenhandel, hebben over het algemeen de

grooten de meeste baat gevonden en zijn er heel wat kleineren, die

moeten worstelen om het hoofd boven water te houden. De oorlog heeft

over het algemeen de bedrijfsconcentratie in de hand gewerkt en zal,

naar het zich laat aanzien, in deze richting nog lang nawerken. Alles

bij elkaar genomen is er, zoo al geen stof tot juichen dan toch wel tot

tevredenheid over den toestand van den handel, nadat meer dan twee jaren

van oorlogstoestand zijn doorgemaakt.

* * * * *

Neemt men alle takken van ons volksbestaan, welke ik in dit hoofdstuk de

revue liet passeeren, bij elkaar, dan is er ongetwijfeld reden om van

geluk te spreken.

De klippen zijn wij echter nog niet voorbij. Wij leven nog in een zeer

bijzonderen tijd, die ook voor het economisch leven ongekende gevaren in

zijn schoot kan bergen, niet slechts gedurende den oorlogstoestand, maar

ook als er eindelijk weer vrede op aarde zijn zal. Daarom zij men zoo

voorzichtig niet te voorbarig juichtonen aan te heffen. De toekomst is

daarvoor veel te onzeker. Terecht waarschuwt de heer Posthuma daartegen

aan het slot van zijn Economische Nota, die den toestand in het begin

van het jaar 1916 beschrijft. Maar toch stemt het tot blijdschap, dat

hij zonder overdrijving kon neerschrijven: „Vat men de indrukken van het

geheele economische leven te zamen, dan is de slotsom dat er, de

omstandigheden in aanmerking genomen, alleszins reden tot dankbaarheid

bestaat.”

Ik deed gelukkig geen vergeefsch beroep op de natie in al haar

geledingen, toen ik, sprekende in de tegelijk zoo rustige en ernstige,

maar toch ook innerlijk zoo bewogen vergadering van 3 Augustus 1914, aan

het slot mijner rede zeide:

„Wanneer dan ieder van zijn standpunt, gelijk de Regeering hoopt van het

hare te doen, onder deze moeilijke omstandigheden wel tracht te voorzien

in de gevaren die dreigen, maar aan den anderen kant het hoofd koel te

houden en zijn kalmte te bewaren, dan ben ik overtuigd, dat de bronnen

van welvaart waarover Nederland beschikt, ons in staat zullen stellen

aan deze heel zware economische crisis het hoofd te bieden.”

Wat ook de toekomst nog moge brengen, reeds nu heeft de uitkomst

bewezen, dat ik omtrent de levenskracht van ons volk mijne verwachtingen

niet te hoog gespannen had. Zeker, wij kunnen nog voor nieuwe crisissen

te staan komen, maar die van 1914/5 heeft Nederland glansrijk doorstaan

en overwonnen. Men mag en moet dit zeggen, trots de slagen die hier en

daar vielen, trots de moeilijkheden waarin het oploopen der prijzen

breede lagen van de bevolking bracht. Dat resultaat dankt Nederland aan

de onmisbare samenwerking van vele en velerlei krachten, die met groote

energie en volharding aan alle kanten tegelijk de schouders er onder

hebben gezet. Natuurlijk werden er fouten gemaakt; natuurlijk zijn er

leemten, zelfs groote leemten aan te wijzen; natuurlijk is niet ieder

tevreden; natuurlijk zijn er die goede redenen tot klagen hebben; maar

als men er zich in terugdenkt, wat men in Augustus 1914 had te vreezen,

zich voorstelt, hoe het had kunnen worden, en ziet hoe het in

werkelijkheid geworden is, mogen allen, die daartoe hun beste krachten

gaven, groote voldoening gevoelen over hetgeen met vereende krachten

werd bereikt, al heeft niemand het recht zich de verdienste ervan toe te

zeggen, dat het gegaan is zooals het ging. Hieraan wordt niets te kort

gedaan door het feit, dat het verkregen resultaat mede, zoo niet

grootendeels, tevens te danken is aan factoren, die buiten onze macht

staan en waaraan men zich had te onderwerpen. De conjunctuur is voor

Nederland gunstig geweest; dit stemt tot grooten dank. Door aller

samenwerking is van die conjunctuur gemaakt, wat er van te maken was;

dit stemt tot voldoening. Het Nederlandsche volk heeft in den

oorlogstoestand wel is waar enkele minder gunstige eigenschappen

vertoond, maar daarnaast blijk gegeven van een hoogst verblijdende

levenskracht. Dit wekt vertrouwen in ’s lands toekomst.

HOOFDSTUK VI.

DE OORLOGSTOESTAND EN DE SCHATKIST.

§ 1. _De Staatsleening 1914._

Toen de oorlog uitbrak, was de economische toestand van het land goed;

de toestand van ’s Rijks schatkist slecht. Zoo kan men met een enkel

woord uitdrukken, hoe het in Augustus 1914 hier te lande gesteld was.

Nederland had een tijdperk van groote welvaart doorgemaakt, doch

terzelfder tijd had men geworsteld met voortdurende tekorten op de

Staatsbegrooting. Wel is waar werden die geraamde tekorten in

werkelijkheid telkens ingehaald en was er, met uitzondering van het jaar

1908, waarin de opbrengst der belastingen onder den invloed stond van de

pas doorgemaakte crisis, een zoodanig grootere opbrengst der middelen

boven de raming, dat het geraamde tekort in een werkelijk overschot

omsloeg, maar dit gunstige kasresultaat werd alleen bereikt, doordien

tot het jaar 1913 toe, de Staatsbegrooting nog niet werd gedrukt door de

verschillende uitgaven op sociaal gebied, die bij groot verschil in

uitgangspunt over hetgeen op dit terrein te doen valt, bij groot

verschil ook ten aanzien van den omvang en den aard der maatregelen,

waarom het gaat, algemeen noodzakelijk werden geacht. Waren de

ouderdomsrenten volgens de Invaliditeitswet-Talma--om slechts één

voorbeeld te noemen--in plaats van op 9 December met 1 Januari 1913

begonnen, dan zou het overschot op den dienst van 1913 ten bedrage van

omstreeks ƒ 4 millioen, zijn omgeslagen in een tekort van ƒ 6 à ƒ 7

millioen.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 34 / 40 段