In de tweede plaats kon de N. O. T., na de verruiming der omschrijving

van haar doel, haar tusschenkomst ook verleenen ter vergemakkelijking

van den uitvoer van Nederlandsche producten. Voor den uitvoer naar

Duitschland, dat aan Nederlandsche producten, inzonderheid aan onze

voortbrengselen van landbouw en veeteelt groote behoefte heeft, was zulk

een tusschenkomst weinig noodig. Maar toen de geallieerden den

economischen oorlog ook in dien zin toespitsten, dat zij den invoer

binnen hun gebied van waren, die verdacht konden worden van Duitschen

oorsprong te zijn, met alle middelen tegengingen en in verband daarmede

voor de producten van neutrale landen het gedekt zijn door een

vertrouwbaar certificaat van oorsprong verlangden, lag ook hier voor de

N. O. T. een veld van werkzaamheid open. Bij deze aangelegenheid moest

zij in voortdurende verbinding staan met het Ministerie van Financiën,

dat in het begin van 1915 een uitgewerkte regeling omtrent de afgifte

van certificaten van oorsprong trof en openbaar maakte.

In de derde plaats behoefde de N. O. T. zich, na de verruiming van haar

statutair doel, in haar werkzaamheid niet te beperken tot goederen, die

door een der oorlogvoerenden tot absolute of tot conditioneele

contrabande waren verklaard. Bij de gestadige uitbreiding welke--zooals

wij in de vorige paragraaf zagen--het begrip conditioneele contrabande

kreeg, werd het onderscheid tusschen vrij goed en contrabande allengs

moeilijker. Bovendien moest rekening gehouden worden met het verbod aan

Britsche onderdanen om handel te drijven met den vijand. Dien ten

gevolge waren voor invoer van Britsche goederen, ook al stonden zij niet

op de steeds aangroeiende contrabande-lijsten, waarborgen noodig dat zij

hier zouden blijven. De tusschenkomst van de N. O. T. kon reeds uit

dezen hoofde niet tot de contrabande-goederen beperkt blijven, en bij

het voortdurend scherper worden der economische oorlogsmaatregelen, die

steeds grootere belemmeringen voor den neutralen handel met zich

brachten, was zij wel genoodzaakt consignatie van alle soorten van

goederen aan haar adres te aanvaarden.

Zoowel omtrent den werkkring als omtrent de beteekenis die de N. O. T.

voor den handel in den oorlogstijd gehad heeft en nog heeft, zijn vaak

de grofste misvattingen aan den dag gekomen. Zij heeft zich niet

opgeworpen als makelaar voor den internationalen handel; ook

expediteursdiensten bood zij niet aan en heeft zij niet verricht. Zij is

niet meer en heeft niet meer willen zijn, dan een bij de belligerenten

vertrouwen verdienend en vertrouwen inboezemend adres, waarheen van

buitenaf goederen konden worden toegezonden, waaromtrent zekerheid werd

verlangd, dat zij niet naar elders zouden worden uitgevoerd, maar

binnenslands zouden worden verbruikt. Zulk een algemeen

consignatiekantoor voor den internationalen handel zou in vredestijd een

onding en een sta-in-den-weg zijn; in oorlogstijd was het, zoo men wil,

ook een kwaad, maar dan een noodzakelijk kwaad dat, als kind der

omstandigheden geboren wegens zijn onmisbaarheid met den dag groeide en

spoedig een veel grooteren omvang kreeg dan zelfs de oprichters hadden

verwacht. Begonnen met een bureau van een paar kamers en met een klein

personeel, breidde zij zich spoedig zoodanig uit, dat het ééne huis na

het andere, vooral in de Parkstraat en omgeving in Den Haag gehuurd

moest worden en dat het personeel tot omstreeks 1000 aangroeide. De N.

O. T. heeft aan Nederlands handel en nijverheid onschatbare diensten

bewezen, die over het algemeen niet op haar juiste waarde zijn gesteld.

Niettegenstaande de statuten der maatschappij zoowel het drijven van

zaken voor eigen rekening als elk winstbejag uitdrukkelijk uitsluiten en

het overschot der inkomsten, nadat het gestorte vennootschappelijk

kapitaal, dat slechts een betrekkelijk zeer klein bedrag uitmaakt, 4 pct

rente zal hebben genoten, bestemd is voor het Kon. Nat. Steuncomité

(zooals in hoofdstuk III § 1 werd medegedeeld, droeg de N. O. T. aan het

Kon. Nat. Steuncomité in totaal reeds ƒ 600.000 af), kan men telkens

hooren, dat zij schatten verdiende en een goudmijn was voor hare

aandeelhouders. Deze averechtsche voorstelling is te verklaren uit de

groote achterdocht, die het publiek helaas maar al te zeer geneigd is

aan den dag te leggen ten aanzien van dingen, welke het niet goed

begrijpt, vooral als daarbij invloedrijke personen op financieel en

handelsgebied betrokken zijn. Zij was bovendien zoozeer in strijd met

den feitelijken toestand, dat zij slechts wortel kon schieten bij hen,

die in het geheel niet op de hoogte waren van hetgeen zij beoordeelden

en, indien hun voorstelling met de feiten had gestrookt, terecht zouden

hebben veroordeeld.

Daarnevens kwamen de klachten van hen die niet geholpen konden of

mochten worden en die dadelijk gereed waren dit aan achteruitzetting en

verwaarloozing hunner belangen toe te schrijven, en de N. O. T. van

willekeur en bevoorrechting beschuldigden. Zonder twijfel heeft ook zij

fouten gemaakt en zullen door haar ook wel onwillekeurig niet steeds

alle aanvragers met gelijke maat zijn gemeten; dat is bij zulk een

noodinstelling, welke plotseling geplaatst wordt voor een reuzentaak en

die in enkele maanden haar personeel van een paar man tot bijna duizend

ziet aangroeien, niet geheel te vermijden. Maar zeker geeft dat

allerminst recht tot beschuldigingen, als waarop ik het oog heb, welke

maar al te vaak zijn verspreid en een maar al te gewillig oor vonden.

Voorts was ook de N. O. T. niet almachtig; wel verre van dien. Ook zij

was afhankelijk van hetgeen oorlogvoerenden, in het bijzonder Engeland,

op het stuk van waarborgen voor „home consumption” verlangden. Telkens

moest zij op nieuw onderhandelingen voeren, om nu eens het eene, dan

weer het andere goed voor invoer hier te lande vrij te krijgen. Niet

altijd ging dat even voorspoedig, en de schuld van het oponthoud werd

dan, in den regel zeer onbillijk, op haar rug geschoven.

Eindelijk werd zij herhaaldelijk verdacht van niet neutraal te zijn in

haar bedoelingen en in haar handelingen, en pro-engelsche neigingen te

hebben. Verklaarbaar is het wel, dat deze indruk werd gevestigd, maar

gerechtvaardigd niet. Daar onze handel veel meer goederen ontvangt van

overzee dan uit Duitschland, waren de onderhandelingen van de N. O. T.

met de geallieerden, en inzonderheid met de Britsche regeering, ook

veelvuldiger dan die met de Duitsche autoriteiten en waren er meer

gelegenheden waarbij zij genoodzaakt was zich te richten naar Britsche

eischen omtrent het vrijlaten van invoer naar Nederland, dan waarbij dit

moest geschieden ter zake van Duitsche voorwaarden. Nog meer was dit het

geval toen de Duitsche regeering van haar tusschenkomst niet langer

gebruik maakte en de zorg voor het in Nederland blijven der uit

Duitschland ingevoerde waren aan eigen agenten opdroeg. Dit een en ander

kon licht een schijn geven, die het wezen der zaak niet dekte. Waar die

schijn toch reeds door de omstandigheden zelf werd gewekt, was het

dubbel jammer dat, toen bij gelegenheid van een der reizen naar Londen

van het bestuurslid der N. O. T., dat met de dagelijksche leiding der

zaken was belast, enkele Engelsche bewindslieden hem een beleefdheid

bewezen, daaraan ruchtbaarheid werd gegeven op een wijze, welke het

karakter dier beleefdheid in een verkeerd licht stelde, haar beteekenis

deed overschatten en den valschen schijn, waarvan de N. O. T. reeds te

lijden had, nog versterkte.

Doch welke tekortkomingen ook op rekening van de N. O. T. mogen

geschreven worden, onze handel en nijverheid en daarmede het heele

Nederlandsche volk hebben reden tot groote erkentelijkheid aan hen, die

tot de oprichting van deze maatschappij het initiatief namen en niet

minder aan allen die zich met de moeilijke en weinig dankbare taak

belastten, haar naar hun beste weten en met hun beste krachten aan haar

doel te doen beantwoorden. _Met_ de N. O. T. en ondanks haar

tusschenkomst, was de internationale handel, inzonderheid de

invoerhandel over het algemeen moeilijk, _zonder_ de N. O. T. zou hij

zoo goed als onmogelijk zijn geweest. Onder de instellingen die, onder

den drang van den oorlogsnood geboren, voor hetgeen zij hebben

bijgedragen tot het aan den gang houden van het economisch leven in den

oorlogstoestand, recht hebben op erkentelijkheid van de Nederlandsche

bevolking zoowel als van de Nederlandsche Regeering, neemt de N. O. T.

een eerste plaats in.

Aan de laatste heeft de N. O. T. een taak uit handen genomen, met welker

vervulling zij noodgedrongen een aanvang had gemaakt, maar die voor haar

van den beginne af zeer bedenkelijke kanten had en, bij den grooten

omvang welken die taak kreeg, aan de krachten der Regeering, die toch

reeds met werk was overladen, zou zijn te boven gegaan. De oprichting

van de N. O. T. geschiedde dan ook niet alleen met medeweten maar met

onverdeelde instemming der Regeering, en bij de uitvoering van de taak,

welke de maatschappij op zich nam, was er voortdurend nauwe samenwerking

met de Departementen van Buitenlandsche Zaken, van Landbouw, Nijverheid

en Handel en van Financiën, alsook met de verschillende organisaties op

het gebied der uitvoerconsenten, die in hoofdstuk II § 1 behandeld

werden, inzonderheid met de Commissie voor de voeding van mensch en

dier. Die samenwerking was onmisbaar voor de goede werking der

maatschappij; met Buitenlandsche Zaken moest zij voortdurend voeling

houden wegens de internationale vragen, die zij telkens op haar weg

ontmoette; met Landbouw, omdat de regeling der uitvoerconsenten onder

dit Departement staat en er voor gezorgd moest worden, dat geen

consenten werden afgegeven voor goederen die onder N. O. T.-verband

lagen; met Financiën, omdat dit Departement de zorg heeft voor het

beletten der ontduiking van uitvoerverboden en, waar de meeste N. O.

T.-goederen onder de uitvoerverboden vielen, voor den staat en voor de

N. O. T. een gemeenschappelijk belang aanwezig was, om door samenwerking

zoo goed mogelijk te bereiken, dat niet over de grens zou worden

vervoerd, wat daarbinnen behoorde te blijven.

De noodzakelijke samenwerking tusschen de N. O. T. en de genoemde

Departementen, de Commissie voor de voeding van mensch en dier, het

Kolenbureau en de Nijverheidscommissie had ten gevolge, dat voortdurend

persoonlijke samenkomsten tusschen vertegenwoordigers of ambtenaren van

die verschillende Rijks- en semi-officieele instellingen werden

gehouden. Die bijeenkomsten hebben hoogst nuttig gewerkt; haar resultaat

zou nog grooter zijn geweest en de samenwerking, waarom het te doen was,

nog meer hebben bevorderd, indien de leidende persoonlijkheden der

noodorganisaties elkander steeds goed hadden begrepen.

Toen de Regeering in de eerste oorlogsmaanden er toe moest overgaan, aan

enkele importeurs de bevoegdheid te geven hun waren aan haar te

adresseeren, beperkte zij zich, zooals ik in herinnering bracht, tot

goederen, waarvan de uitvoer was verboden. De N. O. T. behoefde zich die

beperking niet op te leggen en zij zou haar doel slechts zeer onvolledig

hebben kunnen bereiken, als zij haar werkkring op die wijze had

begrensd. Het waarborgen van het binnen de grens blijven van goederen,

waarvan de uitvoer niet was verboden, leverde intusschen groote

moeilijkheid op. Wèl werden de overeenkomsten van de N. O. T. met groote

zorg opgemaakt; wèl waren volgens die contracten de importeurs verplicht

ook aan de koopers hunner goederen op te leggen, dat deze uitsluitend

voor binnenlandsch verbruik zouden dienen; wèl werd een bankgarantie van

den importeur verlangd, welke door dezen zou worden verbeurd ook als een

opvolgend kooper zijner waar de tegenover de N. O. T. aangegane

verplichting schond; maar dit alles nam niet weg, dat clandestiene

uitvoer van goederen, die onder N. O. T.-verband stonden hoogst moeilijk

was te verhinderen, als zij in de derde of vierde hand overgegaan en

onder verschillende détaillisten verspreid waren.

Dat de Regeering geen uitvoerverboden kon uitvaardigen om deze

moeilijkheid voor de N. O. T. weg te nemen, spreekt van zelf. Wanneer

men dan ook de vraag stelt of ter wille van de N. O. T. uitvoerverboden

mochten worden uitgevaardigd, kan het antwoord daarop niet anders dan

ontkennend luiden. Uitvoerverboden met die strekking werden dan ook in

geen enkel geval gesteld. Heel iets anders echter is het, of het stellen

van een uitvoerverbod gerechtvaardigd was, als ten aanzien van eenig

artikel gebrek dreigde te ontstaan door onvoldoenden toevoer van buiten

af en die toevoer alleen kon worden verzekerd, indien de uitvoer van

hetgeen voor binnenlandsch verbruik zou worden ingevoerd, niet slechts

door de contractueele N. O. T.-voorschriften, maar door een krachtiger

werkend en beter te handhaven uitvoerverbod werd verhinderd. Men heeft

meer dan eens zich bevreesd gemaakt, in zulk een geval een uitvoerverbod

uit te vaardigen en gemeend, dat men dan toch de contractueele

verplichtingen tegenover de N. O. T. door een publiekrechtelijke

handeling van overheidswege zou sanctionneeren. Die meening is alleen

verklaarbaar uit onvoldoend onderscheiden van de verschillende elementen

van het geval. De N. O. T. is wel een vereeniging van particulieren,

maar zij is opgericht in het algemeen handelsbelang van het land. De

waarborgen die zij aan de belligerenten of aan een hunner geeft, dat de

aan haar geconsigneerde goederen uitsluitend binnenslands zullen worden

verbruikt, geeft zij niet in haar eigen particulier belang, maar in het

belang van de voorziening van het land met de voedingsmiddelen en

grond- en hulpstoffen voor nijverheid en landbouw, die zij aan zich laat

adresseeren. Wanneer nu aan een bepaalde soort dier goederen gebrek

dreigt te ontstaan en een uitvoerverbod de aanvulling daarvan kan

mogelijk maken of vergemakkelijken, dient de Regeering, die in zulk een

geval een uitvoerverbod uitvaardigt, noch het belang van den

belligerent, die anders het goed niet zou doorlaten, noch het

particulier belang van de N. O. T., maar alleen en uitsluitend het eigen

landsbelang, dat voorziening in het dreigende gebrek wenschelijk of

zelfs noodig maakt.

Mij is nu en dan gebleken, dat zoowel sommigen mijner gewezen

ambtgenooten als enkele leden van het parlement het volgen of althans

het openlijk uitspreken van deze redeneering gevaarlijk achtten en

daarvoor terugschrikten. Daarvoor bestond, dunkt mij, niet de minste

reden. Een dergelijk uitvoerverbod staat ook mijlen ver van hetgeen

bedoeld werd met de slotparagraaf van de Britsche „Order in Council” van

15 Maart 1915, waarin verzachting der bepalingen tot het tegengaan van

verscheping van goederen met bestemming naar Duitschland werd in

uitzicht gesteld voor koopvaardijschepen van eenig land „dat aan handel

in goederen bestemd voor of afkomstig uit Duitschland of toebehoorende

aan Duitsche onderdanen niet de bescherming van zijn vlag zou

verleenen”. Het spreekt wel van zelf, dat het opvolgen van dezen wenk

gelijk zou hebben gestaan met het verlaten der neutraliteit op

handelsgebied, en het was dan ook geheel correct dat de Minister van

Buitenlandsche Zaken dit aan den Britschen gezant in beleefde termen te

verstaan gaf. Het uitvaardigen van uitvoerverboden ten aanzien van

goederen waaraan hier gebrek dreigde te ontstaan, ging echter met de

meest strikte en oprechte onpartijdigheid gepaard; het werd ingegeven

door het eigen lands- en volksbelang en bracht aan geen der

belligerenten voordeel. Betrof het goederen waaraan in Duitschland

gebrek heerschte, dan werd dit niet erger door de omstandigheid dat

Nederland zich door het sluiten zijner grens voor die goederen, er tegen

waarborgde niet zelf in gelijken toestand te zullen komen.

* * * * *

Waar de prijsverschillen van een aantal goederen aan deze en aan gene

zijde van de grens een ongekende hoogte bereikten, bezweken niet alleen

Duitsche handelaars en agenten maar ook een helaas veel te groot aantal

Nederlandsche kooplieden voor de verleiding, om daarvan te profiteeren

en „à la barbe” van uitvoerverboden zulke waren over de grens te

smokkelen. Er moest dan ook een voortdurende strijd gevoerd worden tegen

de smokkelaars door de ambtenaren, die dien verboden uitvoer hadden te

keeren. Dit behoorde tot de taak van de commiezen der directe

belastingen, accijnzen en invoerrechten en van hunne superieuren. Zij

hebben zich van die taak, op zeer enkele uitzonderingen na, op

voorbeeldige wijze gekweten en zich bestand getoond tegen vele en

velerlei pogingen tot omkooping. Het corps dezer ambtenaren verdient

algemeene waardeering voor de goede eigenschappen en de strenge

plichtsbetrachting, waarvan het in den oorlogstijd onder vaak zeer

moeilijke omstandigheden, heeft blijk gegeven.

Niettemin waren die ambtenaren, ondanks hun ijver en plichtsbetrachting,

niet in staat de smokkelarij afdoende te beteugelen. Zij waren daartoe

te gering in aantal en vonden niet voldoenden steun in de wet, welke

beter op het tegengaan van smokkelen binnenwaarts dan op dat van het

smokkelen buitenwaarts berekend is. Ter aanvulling van de

belastingcommiezen en in samenwerking met hen, geschiedde de

grensbewaking tot het tegengaan van smokkelarij ook door daartoe

aangewezen militie- of landweerplichtigen. Behoudens hoogst enkele

uitzonderingen is die opdracht door de officieren, die er mede belast

waren, zoo nauwgezet mogelijk vervuld, maar toch was de samenwerking

tusschen militaire grenswachten en belastingcommiezen lang niet overal

zooals zij wezen moest. Vooral waar, om militaire redenen, de

grenswacht was toevertrouwd aan landweerkorpsen uit de te bewaken

streek, waren er vaak zooveel banden van bloedverwantschap, vriendschap

en nabuurschap tusschen grenswachters en smokkelaars, dat de

belastingcommiezen somtijds van de militaire wachters zelfs meer

tegen- dan medewerking ondervonden. Ik zou evenwel een verkeerden en

onverdienden indruk vestigen, wanneer ik hieraan niet terstond

toevoegde, dat de militaire autoriteiten op aandrang van het Ministerie

van Financiën met kracht hebben medegewerkt, om in den toestand

verandering te brengen en dat daardoor ten slotte een veel verbeterde

samenwerking werd verkregen, die aan de bestrijding der smokkelarij zeer

is ten goede gekomen. Tot het meer afdoende tegengaan daarvan werden ook

verschillende voorschriften van het Departement van Financiën aangevuld

en voor zooveel noodig verscherpt, enkele algemeene maatregelen van

bestuur uitgevaardigd, en werd de Algemeene Wet van 1821 aangevuld

door de wet van 31 December 1915, houdende tijdelijke bepalingen

betreffende het vervoer en de nederlage van goederen. Door deze wet

werd het nederleggen en buitenwaarts vervoeren van ten uitvoer

verboden goederen in de onvrije strook langs de grens meer afdoende

bestreden. Den smokkelaars geheel de loef afsteken, is een voor de

belastingadministratie wel verleidelijk, maar helaas onbereikbaar

ideaal.

Bij een bespreking van den handel mocht ik den smokkelhandel niet

ongenoemd laten. Dit zou zoowel onvolledig als ongewenscht zijn geweest.

Onvolledig, omdat de smokkelaars er wel voor gezorgd hebben, dat een

oud-Minister van Financiën, bij het neerschrijven zijner herinneringen,

hen niet vergeten zou; ongewenscht, omdat mijn stilzwijgen over deze

wondeplek van het handelsverkeer in den oorlogstijd voedsel zou kunnen

geven aan de voorstelling, die vooral in _De Telegraaf_ werd gewekt, dat

de Regeering het smokkelaarsbedrijf liefst met den mantel der

vergetelheid, zoo niet met dien der liefde bedekte. Zooeven wees ik er

zelf reeds op, dat aan de bestrijding van dien handel nu en dan wel wat

heeft ontbroken, vooral doordien de samenwerking tusschen de

verschillende diensten, die daartegen hadden op te treden, in den

aanvang nog al te wenschen overliet. Alleen ergdenkenden en lieden, die

het in ’s lands belang achtten de oprechte bedoelingen der Regeering bij

een deel der belligerenten, in casu bij de geallieerden, verdacht te

maken, konden uit smokkelarijen welke inderdaad zijn voorgekomen,--veel

meer dan had moeten zijn geschied,--de conclusie trekken en ook in het

buitenland, speciaal in Engeland en Frankrijk, doen ingang vinden, dat

de Nederlandsche Regeering het met de bestrijding der smokkelarij zoo

nauw niet nam. Daartegenover sta mijne pertinente verklaring, dat zij

alles wat in haar vermogen was heeft gedaan en nog steeds doet, om de

smokkelarij den kop in te drukken, en dat de lekken, die door de

smokkelarij telkens op nieuw werden gestoken, niet zulk een omvang

hebben genomen als in de verbeelding van de lezers van het genoemde

blad, dat zulke zonderlinge opvattingen heeft omtrent de plichten, die

de vaderlandsliefde in oorlogstijd oplegt, door zijn voortdurend

geschrijf over en overdrijving van de smokkelarij aan de Duitsche grens,

werd gewekt.

Het was waarlijk niet tot zijn genoegen, dat aan douanebeambten, die op

smokkelaars hadden geschoten, ook al hadden zij daarbij den verkeerde

geraakt, door den Minister van Financiën de hand boven het hoofd werd

gehouden. Dit was noodig, omdat die ambtenaren hun zwaren dienst in het

geheel niet naar behooren hadden kunnen uitoefenen, indien zij bovendien

nog bestraffing hadden te vreezen, wanneer zij zich een enkelen keer

vergisten. Bij het lezen van rapporten, inhoudende dat een smokkelaar

was doodgeschoten, heb ik het onvermijdelijke van zulke voorvallen

erkend en beseft dat deze zijn lot had verdiend, maar tevens toch

medelijden gehad met den armen drommel, die in de meeste gevallen

slechts handlangersdiensten verrichtte voor den veel grooteren schurk,

die, rustig op zijn kantoor gezeten, de drijfkracht was der smokkelarij

en zich verrijkte met de resultaten daarvan, aan anderen het gevaar

overlatend. Dan kwam bij mij telkens het gevoel op: jammer dat het die

andere niet was!

Maar ik zou niet gaarne den indruk vestigen, alsof de sluikhandel in den

oorlogstijd het hoofdbestanddeel van onzen handel is geweest. Een volk

van smokkelaars zijn wij gelukkig niet, al vindt men smokkelaars in alle

lagen der bevolking. De gemoederen waren echter niet alleen bij de

oorlogvoerenden, maar ook bij een deel onzer eigen landgenooten zoozeer

opgewonden, dat zij het ongeoorloofd achtten en met smokkelarij op één

lijn stelden, wanneer handelsbetrekkingen werden onderhouden met in den

oorlog betrokken landen, inzonderheid als deze niet op hunne

persoonlijke sympathie mochten bogen. Het moest niet noodig zijn zulke

dwaze voorstellingen te weerleggen; maar het is helaas noodig. Zij

hebben hier maar al te veel ingang gevonden, voor zoo ver zij openlijk

aan den dag kwamen, aan onze waardigheid vaak tekort gedaan en ons in de

oorlogvoerende landen, inzonderheid bij de geallieerden, nadeel

berokkend. Men kan het aan de bevolking van een land, dat in oorlog is,

niet kwalijk nemen, dat het niet nauwkeurig onderscheidt, daarom ook in

den neutrale alles ongeoorloofd acht, wat met het belang van haar partij

niet strookt, en den onderdaan van een neutralen staat, die zijn eigen

land bekladt, op zijn woord gelooft en zelfs ten voorbeeld stelt. Den

oorlogvoerende verwijt men dat niet; de landgenoot die er oorzaak van

is, verdiende te worden gesteenigd.

Daarentegen treft ook den oorlogvoerende gegrond verwijt, als hij het

onderscheid tusschen zijn eigen belang en het recht der neutralen

zoozeer uit het oog verliest, dat hij met schending van verdragen, welke

hij zelf heeft onderteekend, den volkenrechtelijk geoorloofden handel

tusschen neutrale landen onderling of van neutralen met zijn vijand

verhindert, voor zoover zijn belang dat medebrengt. Zulke indirecte

schendingen van den handel door hetgeen Duitschers zoowel als Britten

aan het volkenrecht ten aanzien van de scheepvaart misdreven, had ik in

de vorige paragraaf reeds al te veel te vermelden.

Rechtstreeks vergrepen de geallieerden zich ook aan het internationale

handelsrecht der neutralen door zelfs het internationale brievenverkeer,

dat door het Haagsche verdrag van 1907 omtrent de rechten der neutralen

bij een oorlog ter zee volkomen gewaarborgd scheen, niet te eerbiedigen.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 33 / 40 段