„De zeevrachten stegen in het laatste halfjaar van 1915 weder belangrijk

en liepen op tot, ook in deze abnormale tijden, ongekende hoogte. Er is

nog niet de minste reden te verwachten, dat er een verlaging van

vrachten zal intreden. In aanmerking toch dient te worden genomen, dat

van de totale (wereld-koopvaardij-) scheepsruimte die door deskundigen

geschat wordt op 45 millioen ton, thans ongeveer 10 millioen ton aan de

wereldmarkt onttrokken is, w.o. 5½ millioen ton der buiten gebruik

zijnde Duitsche koopvaardijvloot. De behoefte aan scheepsruimte, die

voor de militaire transporten der oorlogvoerende mogendheden steeds

stijgende is, heeft een zeer grooten invloed op de vrachten, terwijl

deze natuurlijk ook beïnvloed worden door de hooge kolenprijzen.

„De vrachten op Ned.-Indië hebben in het laatste halfjaar van 1915 niet

de hoogte bereikt, overeenkomstig aan die der andere vrachten. Waar de

rijzing van deze in het wereldverkeer ongeveer 300 tot 400 pct.

bedraagt, zijn de Indische vrachten op een stijging met 100 pct. blijven

staan”.

Dit heeft geleid tot een tweeledig gevolg. Met de stijging der vrachten

gingen de prijzen der vaartuigen zelf zoozeer in de hoogte, dat

verschillende reederijen haar oude booten aan buitenlanders verkochten

voor sommen, die zelfs de bouwkosten ver te boven gingen. Daartegenover

werden de scheepswerven bestormd met nieuwe bestellingen. Dezelfde

Economische Nota zegt van dit hoogst opmerkelijke verschijnsel:

„De oorlog heeft op de Nederlandsche vloot den merkwaardigen invloed,

dat deze een verjongingskuur ondergaat.

„Booten, die voor 15 jaren gebouwd waren, en dus reeds zoo goed als

afgeschreven waren, werden verkocht voor eenige malen hun kostprijs. De

Nederlandsche werven hebben geen plaats genoeg om nieuwe bestellingen

uit te voeren.

„Loopt een vaartuig van de helling, of is er een order definitief

geplaatst, dan kan de reeder vaak met een winst van 3 maal de waarde van

het schip, dit of het contract tot aanbouw verkoopen. Het is een

gelukkig bewijs van het vertrouwen onzer Nederlandsche reederijen in de

toekomst en van de energie onzer vooraanstaande mannen op dit gebied,

dat slechts betrekkelijk weinigen tot nu toe bezweken voor de

verleiding, om aldus gemakkelijk een schitterende winst te maken door

den verkoop van _nieuw_ gebouwde vaartuigen. De verkoop van reeds in

gebruik zijnde vaartuigen nam echter toe.

„Wellicht in nog grootere mate dan de vaste lijnen hebben de reeders der

z.g. „wilde vaart” hunne financieele positie in hooge mate versterkt.

Dezen hebben toch veel kleinere algemeene onkosten.

„In het algemeen hebben de aan den oorlogstoestand verbonden onkosten

(molestverzekeringspremiën, oponthoud, hooger loonen der bemanning enz.)

geen belangrijken invloed uitgeoefend op de groote winsten die gemaakt

worden.

„De Nederlandsche koopvaardijvloot vermeerderde gedurende 1915 met 33

stoomschepen en 7 motorbooten met een inhoud van 121.113 br. ton en

verminderde door verkoop en verlies met 50 stoomschepen, 1 motorboot en

1 stoomlichter in totaal metende 118.990 br. ton. Dat echter in het

laatst van 1915 en het begin van 1916 door verkoop en verlies van

schepen een achteruitgang van de vloot intrad, blijkt uit het feit dat

van eind Augustus 1915 tot begin Februari 1916 22 schepen boven 400 ton

verkocht werden en 9 verloren gingen, te zamen met 104.000 ton, terwijl

er bij kwamen 12 schepen met te zamen 38.000 ton, per saldo dus een

achteruitgang van 66.000 ton”.

Ware het bij de verjongingskuur gebleven, dan zou daarin een onvermengd

verblijdend verschijnsel te zien zijn geweest. Nu zij echter sedert de

laatste maanden van 1915 gepaard ging met een afneming van scheepsruimte

grooter dan de toeneming door aanbouw, lag daarin voor de toekomst onzer

scheepvaart een groot gevaar en dreigden de moeilijkheden, die reeds bij

den aanvoer van tarwe, mais en kolen--om van andere goederen niet te

spreken--zoowel door de Regeering als door particulieren werden

ondervonden, nog grooter te worden, waardoor ook de verzorging van de

bevolking met de benoodigde waren in gevaar zou worden gebracht. Dit

mocht en kon de Regeering niet lijdelijk aanzien. Vandaar dat zij zich

genoodzaakt zag in het begin van het loopende jaar een wetsontwerp aan

de Staten-Generaal voor te leggen, waarbij haar de noodige macht gegeven

werd tot het keeren van verkleining onzer handelsvloot door verkoop naar

den vreemde. Dit leidde tot de Schepenuitvoerwet van 18 Maart 1916,

waarvan de hoofdstrekking is, dat Nederlandsche schepen zonder

schriftelijke toestemming van den Minister van Landbouw, Nijverheid en

Handel niet aan buitenlanders mogen worden verkocht.

§ 4. _Handel._

Ook al waren de verdragen omtrent het zeeoorlogsrecht door de

oorlogvoerenden stipt in acht genomen, dan nog zouden niet alleen de

scheepvaart maar ook de overzeesche handel groote moeilijkheden

ondervonden hebben. De oorlog zooals hij in werkelijkheid, inzonderheid

door Engeland, werd gevoerd, verergerde die nog zeer. Waar Engeland aan

Duitschland den toevoer van overzee wilde afsnijden en Nederland

verplicht was den doorvoer van goederen op den Rijn vrijelijk toe te

laten, was het voor Nederland van het hoogste belang het standpunt vast

te stellen, dat het tegenover den economischen oorlog van Engeland tegen

Duitschland, in verband met de gewaarborgde vrije vaart op den Rijn, zou

innemen.

In een buitengewoon nummer van de Staatscourant van 21 Augustus 1914

werd in verband met de Rijnvaartakte, welke in art. 7 de vrije doorvaart

op den Rijn waarborgt, door de Regeering officieel bekend gemaakt, wat

gedurende den oorlog als doorvoer en wat als invoer in- en uitvoer uit

het vrije verkeer zou worden beschouwd. Deze vraag was van belang zoowel

wegens de maatregelen der oorlogvoerenden in verband met de absolute en

conditioneele contrabande als voor de toepassing der wet op de

uitvoerverboden, welke--zooals in hoofdstuk II werd herinnerd[23]--de

doorvoer ook der ten uitvoer verboden goederen vrijliet. In die

kennisgeving werd vooropgesteld, dat het verschil tusschen doorvoer

eenerzijds en in- en uitvoer uit het vrije verkeer anderzijds zou worden

beantwoord met inachtneming der op dit stuk bestaande handelsgebruiken.

Deze volgende, werd als doorvoer beschouwd het vervoeren van: _a._

goederen verzonden met doorcognossementen naar hooger aan den Rijn

gelegen landen; _b._ goederen ten doorvoer naar die landen aangegeven op

het oogenblik dat het schip waarin zij geladen zijn, eene Nederlandsche

haven, waar zij op lichters voor den Rijn kunnen worden overgeladen of

in entrepôt kunnen worden opgeslagen, is binnengeloopen; _c._ goederen,

waarvan de bestemming naar een dier landen bij aankomst in de haven uit

bescheiden blijkt.

[23] Zie bl. 41.

Uitdrukkelijk werd daaraan door de Regeering toegevoegd: „De papieren

aan boord der _zeeschepen_, die voor zulk eene Nederlandsche haven

bestemd zijn, zijn dus voor de beoordeeling of de _lading_ bestemd is

voor invoer in Nederland of voor doorvoer voor een ander land in het

algemeen niet beslissend.

„Uitzondering hierop is er intusschen in die gevallen, waarin die

papieren een waarborg bevatten, dat het goed uitsluitend voor Nederland

bestemd is en niet naar een ander land zal worden doorgevoerd of

uitgevoerd, zooals bij voorbeeld thans met uit Engeland ingevoerd

wordende steenkolen het geval kan zijn.

„Voorts zij er uitdrukkelijk op gewezen, dat de Regeering zoo dikwijls

zij dit in ’s lands belang noodig oordeelt, levensmiddelen;

oorlogsbenoodigdheden, grondstoffen voor een en ander en al hetgeen

middellijk voor de verdediging des lands noodig zijn kan, tegen

schadevergoeding in bezit kan nemen en dat zij van deze bevoegdheid

gebruik zal maken, onverschillig voor wien of wie de goederen bestemd

zijn en aan wien of wie zij toebehooren.”

Het laatste lid van deze kennisgeving betreft de uitvoering der wet ter

voorkoming van vasthouding en prijsopdrijving van waren, waarover in

hoofdstuk II uitvoerig gesproken werd. De beteekenis Van dat deel der

kennisgeving werd daar reeds behandeld[24].

[24] Zie bl. 83-85.

Ook zonder in de keuken te hebben kunnen neuzen, waarin deze

kennisgeving werd bereid, kan men uit haar bewoordingen wel afleiden,

dat zij niet door ééne enkele gedachte wordt beheerscht, maar min of

meer het karakter draagt van een compromis tusschen verschillende

opvattingen, waarbij die welke ook voor den oorlogstijd het verschil

tusschen doorvoer en in- en uitvoer meende te moeten doen beslissen door

de handelsgebruiken uit vredestijd de bovenhand hield. Zoo is het dan

ook inderdaad geweest. Er werd bij de behandeling dezer aangelegenheid

in den Ministerraad, o.a. door mij, een andere opvatting voorgestaan,

waarvan ik overtuigd was en nog ben, dat zij niet alleen niet met de

letter of den geest van de Rijnvaartakte in strijd was, maar ook den

plicht der onzijdigheid tegenover Duitschland niet te na kwam. Die

opvatting zou aan het doorlaten van overzeesche goederen uit een onzer

havens over den Rijn, voor zoover die doorlating bij de Britsche

opvattingen, wijzigingen en aanvullingen van de Londensche Zeerecht

Declaratie nog mogelijk was, niets hebben te kort gedaan, maar zij zou

de aanhouding van Nederlandsche schepen door Britsche of Fransche

marine-autoriteiten in den aanvang waarschijnlijk eenigszins hebben

beperkt.

Die afwijkende opvatting ging hiervan uit, dat men in oorlogstijd het

verschil tusschen doorvoer en in- en uitvoer niet meer kan doen

beslissen door handelsusantiën uit vredestijd, maar een zoodanig

criterium daarvoor stellen moet, dat de gezaghebber van een oorlogsschip

van een der belligerenten, die, gebruik makend van zijn

volkenrechtelijke bevoegdheid, het Nederlandsche vaartuig tot onderzoek

van de lading aanhoudt, uit de papieren aan boord kan zien of hij te

doen heeft met doorvoergoed dan wel met goed, dat in het vrije verkeer

in Nederland wordt ingevoerd.

In de hoofdzaak ging die opvatting dus lijnrecht in tegen de officieele

verklaring van 21 Augustus, die juist uitdrukkelijk deed uitkomen dat de

onderzoekende belligerente marine, wat dit punt betreft, op één

uitzondering na, niet op de scheepspapieren kon afgaan, en de

handelsusantiën uit den vredestijd ook voor den oorlogstoestand deed

beslissen.

Art. 7 der Rijnvaartakte, waarom het hier in de eerste plaats gaat,

bepaalt: „De doorvoer van alle goederen langs den Rijn, van Bazel tot in

open zee, is vrij, tenzij gezondheidsmaatregelen uitzonderingen

noodzakelijk maken.--Voor dezen doorvoer, hetzij die regtstreeks plaats

heeft of wel met overlading, of na opslag in entrepôt, worden door de

Oeverstaten geen regten geheven.” Wat doorvoer is, laat dit tractaat in

het midden; alleen in zoover geeft het terloops eene uitlegging daarvan,

welke onder alle omstandigheden behoort te worden geëerbiedigd, dat een

vervoer, hetwelk op zichzelf als doorvoer is te beschouwen, door

overlading of tijdelijken opslag der goederen in entrepôt dat karakter

niet verliest.

Waar nu vaststond, dat voor zoover de Britsche marine doorvoer naar

Duitschland toeliet, het den Duitschen handelaren niet schaden kon, dat

de doorvoerbestemming uit de scheepspapieren bleek, en 2º voor zoover de

Britsche marine doorvoer naar Duitschland niet toeliet, goederen waarvan

de eindbestemming uit de scheepspapieren niet bleek, toch zouden worden

aangehouden, maakte men het m.i. Duitschland in geen enkel opzicht

gemakkelijker door aan de gebruikelijke opvatting omtrent het begrip

doorvoer voor den oorlogstijd vast te houden, maar veroorzaakte men wel

aan de Nederlandsche scheepvaart meer last dan strikt noodig was, omdat

men ook die schepen aan aanhouding blootstelde, welker lading bestond

uit niet voor doorvoer bestemde en ten uitvoer verboden goederen. Toen

de Ministerraad in meerderheid evenwel de voorkeur gaf aan een opvatting

van het doorvoerbegrip, waarbij zelfs de schijn van het zich niet strikt

houden van de Rijnvaartakte werd vermeden en elk geschil hieromtrent van

tevoren werd afgesneden, legde de minderheid zich daarbij natuurlijk

neer.

Indien hare opvatting was gevolgd, zouden voor doorvoer alleen zijn in

aanmerking gekomen de goederen bedoeld onder _a._ van de kennisgeving

van 21 Augustus 1914. Doorcognossementen als daar worden genoemd, zijn

in den handel niet onbekend; zij komen o.a. voor bij goederen, welke uit

een niet aan zee gelegen plaats van Noord-Amerika eerst per spoor en

vervolgens per scheepsgelegenheid worden vervoerd; voor de vaart op den

Rijn zijn zij niet gebruikelijk.

Ik erken volmondig, dat ik in het licht der later opgedane ervaring

omtrent het allengs scherper voeren van den economischen strijd van de

zijde der geallieerden tegenover Duitschland en omtrent het daarbij

allengs minder ontzien van de rechten der neutralen, thans zelf er niet

meer zoo zeker van ben, dat het volgen van de door mij voorgestane

opvatting den last der aanhouding door Britsche of Fransche

marineschepen voor de Nederlandsche koopvaardijvloot in beteekenende

mate zou hebben verlicht. Het scheen mij echter niet van belang

ontbloot, door eenigszins uitvoerig op deze zaak in te gaan, scherp te

belichten, hoe, in tegenstelling met het ter zijde stellen van hun

hinderlijke tractaatsbepalingen door alle oorlogvoerende partijen,

Nederland zich zóó nauwgezet aan zijn verdragverplichtingen hield, dat

het zelfs den schijn van inbreuk daarop niet wilde op zich laden, hoewel

het door dien schijn te aanvaarden, aan de belangen der staten met wie

het de Rijnvaartakte sloot, in geen enkel opzicht zou hebben geraakt, en

in het wezen der zaak zijn verplichtingen ten volle zou zijn nagekomen

en zijn eigen handelsmarine zou hebben gebaat.

Er was intusschen, toen gevaar dreigde van gebrek aan goederen, welke

door de oorlogvoerenden en inzonderheid door de geallieerden als

conditioneele contrabande werden beschouwd, voor onze Regeering nog meer

te doen. Toen de eischen van de Britsche autoriteiten voor het bewijs

dat van Engeland te betrekken goederen uitsluitend voor „home

consumption” bestemd waren, al heel spoedig zóó streng werden, dat het

aan particuliere handelaren niet wel mogelijk was daaraan te voldoen,

nam ik, in overleg met mijn ambtgenoot van Buitenlandsche Zaken, als

Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel in overweging, aan

importeurs, wier betrouwbaarheid buiten twijfel stond, verlof te geven

bepaalde goederen, waaraan hier gebrek bestond of dreigde te ontstaan en

waarvan de uitvoer was verboden, aan order van de Regeering te

adresseeren, hetgeen aan de onderzoekende marine-autoriteiten van

oorlogvoerenden afdoenden waarborg geven zou, dat het aldus

geadresseerde goed uitsluitend voor verbruik binnenslands bestemd was.

Dit ging intusschen niet zoo gemakkelijk. Er moest een overeenkomst

worden ontworpen, die niet slechts bindend zou zijn voor den importeur,

maar ook voor de latere koopers van de aan de Regeering geconsigneerde

goederen. Voor de uitvoering van dezen maatregel werd aan de afdeeling

Handel van het Departement de heer H. Bock, die ervaring had op het

gebied der scheepsbevrachting, tijdelijk toegevoegd. De maatregel bleek

weldra ook noodig voor waren, die niet uit Engeland maar van elders over

zee voor gebruik hier te lande werden verscheept. Het eerst werd een

overeenkomst van laatstbedoelden aard gesloten met de Holland-Amerika

lijn. De Regeering had er groot belang bij, dat inzonderheid de booten

van deze lijn niet zouden worden aangehouden, voor zoover zij graan aan

boord hadden, dat voor Rijksrekening was gekocht.

Den 6den September 1914 werd een mededeeling in de Staatscourant

geplaatst, „dat goederen waarvan de uitvoer hier te lande is verboden en

die uit de Vereenigde Staten van Noord-Amerika naar Nederland zullen

worden verzonden, aan de Nederlandsche Regeering kunnen worden

geadresseerd, na daartoe van de Regeering verkregen toestemming. Ook ten

opzichte van goederen die uit andere landen dan de Vereenigde Staten van

Noord-Amerika naar Nederland zullen worden verzonden, kunnen in

bijzondere gevallen soortgelijke maatregelen getroffen worden.

„Verzoeken tot het verkrijgen van zoodanige toestemming moeten, wanneer

het vervoer per Holland-Amerika-Lijn zal geschieden, uitsluitend door

tusschenkomst van de Holland-Amerika-Lijn te Rotterdam worden ingediend,

enz.”.

Bij de uitvoering van dezen noodmaatregel had men groote en aangroeiende

moeilijkheden te overwinnen. Men moest onderscheid maken tusschen bona

fide handelaars, met wie men wèl zulk een overeenkomst wilde aangaan en

andere, met wie men dit niet wenschte; een onderscheiding die voor een

Regeering bij uitstek moeilijk is en waarbij men onvermijdelijk gevaar

loopt den schijn van willekeur en bevoorrechting op zich te laden.

Vooral in oorlogstijd, wanneer de Regeering meer nog dan anders gedragen

moet worden door het algemeene vertrouwen, is dat ver van onbedenkelijk.

Bovendien lag voor de hand, dat bij overtreding van contractueele

verplichtingen ten aanzien van goederen, die aan de order van de

Regeering waren geconsigneerd, daarin een bron van internationale

moeilijkheden kon schuilen.

Het was daarom bijzonder gelukkig dat uit den handel zelf het plan

opkwam en tot uitvoering werd gebracht, om de taak, welke, naar men

voorzag, voor de Regeering te zwaar moest worden, van haar over te

nemen. Dit denkbeeld is zeker wel het meest belangrijke product van de

Commissie voor den Nederlandschen Handel, die zich in September 1914 had

gevormd met het doel de Nederlandsche handelaars voor te lichten omtrent

hetgeen in den oorlogstoestand wèl en hetgeen daarin niet geoorloofd

was. Die Commissie, waarvan de heer C. J. K. van Aalst voorzitter was en

die als leden telde de heeren A. G. Kröller, Jhr. L. P. D. Op ten Noort,

Joost van Vollenhoven en Prof. Mr. C. van Vollenhoven, bracht bij monde

van haar voorzitter zoowel den Minister van Buitenlandsche Zaken als mij

op de hoogte van haar voornemen.

Mij viel een pak van het hart, toen ik in het begin van October van dit

plan vernam. Er zou in samenwerking met vertegenwoordigers van den

Nederlandschen handel en van de Nederlandsche scheepvaart die wegens hun

_standing_ het volle vertrouwen van de oorlogvoerenden zouden hebben,

een vereeniging worden opgericht, welke tegenover de belligerenten de

garantie zou op zich nemen, dat goederen, die aan haar zouden worden

geadresseerd, uitsluitend binnenslands zouden worden verbruikt. Gelijk

wel van zelf spreekt, kon dit denkbeeld alleen levensvatbaarheid hebben,

indien van te voren vaststond, dat het bij de betrokken oorlogvoerenden

een gewillig oor zou vinden. Aangezien vooral voor den toevoer van over

zee van goederen voor binnenlandsch verbruik gevaren dreigden, was het

in de eerste plaats van belang, dat de grondleggers van het plan tot

overeenstemming zouden komen met de geallieerden en wel vooral met de

Britsche autoriteiten over de waarborgen, welke deze verlangden, opdat

goederen, die aan order van de op te richten vereeniging zouden worden

geconsigneerd, vrij zouden worden doorgelaten. Reeds het voeren van

zulke onderhandelingen kon beter geschieden door hoogstaande

particuliere personen dan door de Regeering, die daarbij lichter in

conflict zou zijn gekomen met hare neutraliteitsverplichtingen. Nadat,

na veel onderhandelen, overeenstemming was verkregen, kon den 24sten

November de akte van oprichting der Nederlandsche Overzee Trust

Maatschappij worden verleden. Zoo kwam de spoedig algemeen bekend

geworden N. O. T. tot stand, waarvan de heer C. J. K. van Aalst _par

droit de conquête_ tot voorzitter werd benoemd. De dagelijksche leiding

kwam in handen van een Uitvoerende Commissie, die geregeld tweemaal per

week onder leiding van den president bijeenkwam; den heer Joost van

Vollenhoven werd de zorg voor de geregelde dagelijksche uitvoering van

de besluiten der Commissie opgedragen. De heer Bock ging naar de N. O.

T. over, inzonderheid voor de liquidatie der contracten waarbij

toestemming was gegeven goederen aan order van de Regeering te

consigneeren.

Het doel der maatschappij werd aldus omschreven: „het verleenen van hare

tusschenkomst in den ruimsten zin des woords ten behoeve van

Nederlandsche kooplieden of Nederlandsche vennootschappen van koophandel

ter verzekering van den ongestoorden aanvoer van overzee van artikelen,

welke door oorlogvoerende mogendheden tot absolute dan wel conditioneele

contrabande zijn verklaard of daartoe alsnog verklaard zouden kunnen

worden.” Later werd die omschrijving verruimd. Zij luidde toen: „het

verleenen van hare tusschenkomst in den ruimsten zin des woords ten

behoeve van Nederlandsche kooplieden of vennootschappen van koophandel

ten einde, ondanks den bestaanden oorlogstoestand, den ongestoorden

aanvoer en uitvoer van goederen zooveel mogelijk te verzekeren.” Deze

verruiming was drieledig. In de eerste plaats werd niet meer gesproken

van aanvoer van overzee, maar van aanvoer in het algemeen. Daaruit

volgde dat de N. O. T. niet langer haar tusschenkomst alleen zou

verleenen ter bevordering van den aanvoer van producten van Britschen of

Franschen oorsprong en van waren die, hoewel afkomstig uit neutrale

landen, aan het onderzoek van de marine-autoriteiten der geallieerden

waren onderworpen, maar ook ter bevordering van den aanvoer van Duitsche

en Oostenrijksche goederen. Deze aanvulling van het doel der

maatschappij was een verbetering zoowel uit het oogpunt der

wenschelijkheid, dat een lichaam van zoo overwegende beteekenis voor den

handel, als de N. O. T. in den oorlogstijd was, een zoo neutraal

mogelijk karakter hebben zou en uitsluitend Nederlandsche

handelsbelangen zou voorstaan, alsook om de practische overweging, dat

tusschenkomst van een daarop ingericht lichaam ook noodig kon zijn om

van Duitsche autoriteiten te verkrijgen, dat zij grond- of hulpstoffen,

waaraan in Nederland de nijverheid of de landbouw behoefte hadden, ten

uitvoer naar hier zouden vrijlaten onder waarborg, dat die stoffen niet

naar een aan Duitschland vijandig land zouden worden uitgevoerd. Men

denke slechts aan de kleurstoffen ten behoeve van de textielnijverheid.

Men mag het aan de N. O. T. niet verwijten dat dit deel der verruiming

harer statuten weinig effect heeft gesorteerd. Duitschland gaf er de

voorkeur aan, het binnenslands blijven der van daar ingevoerde goederen

door eigen agenten te doen controleeren.

In verband hiermede werd, nadat de Commissie voor de voeding van mensch

en dier was tot stand gekomen, welke in hoofdstuk II werd besproken[25],

nauwe samenwerking tusschen haar en de N. O. T. verzekerd, doordien de

N. O. T. een Commissie voor het handelsverkeer met het buitenland

benoemde, welke met de Commissie voor de voeding van mensch en dier

geregeld voeling zou houden. Van die commissie uit de N. O. T. werd de

heer A. G. Kröller als president aangewezen; als leden werden daarin

opgenomen de heeren E. Heldring en W. Westerman, en voorts de heeren

Joost van Vollenhoven als dagelijksch uitvoerder der zaken van de N. O.

T. en Mr. J. T. Linthorst Homan als voorzitter van de Commissie voor de

voeding van mensch en dier. „Op deze wijze”--zoo zegt de Zesde Nota

betreffende den Economischen Toestand--”wordt er, op de meest

doeltreffende wijze gezorgd voor de behartiging van de belangen van de

nijverheid en den handel.”

[25] Zie bl. 60-63.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 32 / 40 段