Maar bovendien ontzinkt aan de veronderstelling van de Duitsche marine

elke grond, nu vaststaat dat een der schepelingen reeds vóór dat het

schip getroffen werd, den nabij hem staanden scheepsofficier wees op een

naderende bellenbaan. Ook de later afgegeven getuigenissen van andere

schepelingen luiden dat zij die hebben gezien. Stonden deze op zich

zelf, dan zouden zij die haar aflegden zich nog hebben kunnen vergissen

en zich te goeder trouw achteraf kunnen hebben ingebeeld, dat zij gezien

hadden, wat slechts een produkt was van hun phantaisie onder den indruk

van de schrik, welke de ontploffing teweegbracht. Heel aannemelijk is

zulk een verklaring dier getuigenissen wel niet, maar zij is althans,

zonder de goede trouw in twijfel te trekken, psychisch mogelijk. Dat

echter een schepeling, vóór er nog iets gebeurd was, anderen kon wijzen

op het naderen van een bellenbaan is als effect van een waanvoorstelling

onder den invloed van een heftige emotie bij geen mogelijkheid te

verklaren. Het zien aankomen van een onheil kan niet gevolg zijn van den

psychischen schok van het onheil zelf; zulk een schok gaat niet als een

voorrijder aan het onheil vooraf.

Vast staat dat de „Tubantia” op 16 Maart 1916 verging door de

ontploffing van een torpedo; vast staat dat die torpedo afkomstig was

van de Duitsche marine; vast staat ook dat die torpedo niet dreef maar

werd afgeschoten. Tegenover die vaststaande feiten staat het resultaat

van het Duitsche onderzoek, dat de torpedo, welke de Tubantia trof, niet

op 16 Maart kan zijn afgevuurd, omdat hij op 6 Maart reeds afgeschoten

was. Hier moet dus ergens een fout schuilen. De Duitsche regeering

houdt echter beslist aan haar standpunt vast en blijft alle

verantwoordelijkheid ontkennen. Dat standpunt is zelfs, indien de

Duitsche veronderstelling kon worden aanvaard, niet vol te houden. Art.

1 toch van het verdrag van 1907 nopens het stellen van onderzeesche

zelfwerkende contact-mijnen, dat ook door Duitschland werd

onderteekend, verbiedt o.m. „torpedo’s te gebruiken, die niet

ongevaarlijk worden, wanneer ze hun doel hebben gemist”. In het licht

der uitdrukkelijk geconstateerde feiten is het Duitsche standpunt geheel

onhoudbaar. Waar de Nederlandsche Regeering het niet kan noch mag

aanvaarden, zal er niets anders op zitten, dan dat de zaak worde

onderworpen aan de uitspraak van een onpartijdigen internationalen

scheidsrechter. Mocht Duitschland daartoe thans, gedurende den oorlog,

niet bereid zijn, dan zal deze zaak in herinnering moeten blijven tot er

weer vrede in Europa zijn zal. De gemoedsstemming bij de thans

oorlogvoerenden zal dan wel zooveel normaler zijn geworden, dat algemeen

de onredelijkheid van het afwijzen van zulk een verlangen zal worden

erkend, ook door de mogendheid, welke bij het toegeven daaraan de groote

kans loopt, een verantwoordelijkheid te moeten aanvaarden, welke zij uit

vrijen wil niet wenscht te erkennen.[22]

[22] Voordat het bovenstaande werd afgedrukt, las ik nog juist het

bericht in de bladen, dat de Duitsche regeering zich bereid verklaard

heeft, het geschil na den oorlog aan een internationale commissie van

onderzoek te onderwerpen.

Behalve de met name genoemde grootere schepen waren ook kleinere

handels- en visschersvaartuigen slachtoffer van den zeeoorlog. Gelukkig

is bij die ongevallen het verlies aan menschenlevens in verhouding tot

het gevaar waaraan deze bloot stonden, gering gebleven. Het vergaan van

de „Medea”, dat op het eerste oogenblik groote ontsteltenis wekte zoowel

bij de Regeering als bij de bevolking, is van geheel anderen aard dan de

ongevallen, die tot nog toe door mij werden besproken. Bij het doen

zinken van dat Nederlandsche schip was geen sprake van vergissing in de

nationaliteit van een schip dat getorpedeerd werd, noch van het loopen

op een mijn van onbekenden oorsprong, maar betrof het een opzettelijke

oorlogsdaad van een Duitschen duikbootcommandant, die van de zijde van

de daarvoor verantwoordelijke regeering werd verontschuldigd, verdedigd

en zelfs gerechtvaardigd met een beroep op het zeeoorlogsrecht. Ter

beoordeeling van dit geval is het noodig met een enkel woord na te gaan,

hoe het met het zeeoorlogsrecht te dezen aanzien staat en wat er in

dezen oorlog van is terecht gekomen. Ik moet het onderdeel van dit recht

waarop in dit geval een beroep werd gedaan, dus wel hier bespreken,

hoewel het anders in de volgende paragraaf meer zou thuis hooren.

De regelen van het moderne zeeoorlogsrecht zijn neergelegd in het

verdrag tusschen een groot aantal staten, behoudens goedkeuring der

bevoegde machten in die staten, op 26 Februari 1909 te Londen gesloten,

en in het volkenrecht bekend als de Londensche Zeerecht Declaratie. Tot

hen, die deze declaratie onderteekenden, behooren--met uitzondering van

Turkije en Bulgarije--alle thans oorlogvoerende mogendheden en ook

Nederland. Door Engeland werd de declaratie wegens tegenstand in het

Hoogerhuis evenwel niet bekrachtigd, zoodat zij het Britsche rijk niet

bindt. Op 20 Augustus 1914 vaardigde de Britsche regeering echter een

„Order in Council” (voor onze begrippen te vergelijken met een

Koninklijk besluit) uit, inhoudende dat de Londensche Zeerecht

Declaratie, behoudens eenige wijzigingen en toevoegingen gedurende dezen

oorlog werd toepasselijk verklaard. Die wijzigingen en toevoegingen

waren van dien aard, dat de waarborgen, welke de Declaratie, ingeval van

een oorlog ter zee aan de onzijdige scheepvaart biedt, sterk werden

verminderd. Zij betroffen het verschil tusschen absolute en

conditioneele contrabande, alsmede de wijze waarop conditioneele

contrabande bij aanhouding van een neutraal handelsvaartuig door een

oorlogsschip van een der krijgvoerende partijen is te behandelen. De

Londensche Declaratie verstaat onder absolute contrabande verschillende

met name genoemde goederen, die uitsluitend voor oorlogsdoeleinden zijn

bestemd. Onder conditioneele contrabande vallen, volgens die

volkenrechtelijke regeling, een aantal eveneens met name genoemde zaken,

welke zoowel voor oorlogsgebruik als voor vredelievende doeleinden

kunnen dienen.

Voorts bevat zij verschillende artikelen, waaronder vooral grondstoffen

en hulpmiddelen voor landbouw en nijverheid van belang zijn, die niet

tot contrabande kunnen worden verklaard. Bij de „Order in Council” van

20 Augustus 1914 nu werd in de eerste plaats de lijst der artikelen,

welke als conditioneele contrabande worden beschouwd, ver uitgebreid

buiten de bepaling daaromtrent in de Londensche Declaratie; een

uitbreiding, die bij een nieuwen „Order in Council” van 29 October 1914

nog grootere afmetingen aannam en ten slotte daarop neerkwam, dat met

enkele uitzonderingen alles wat voor Duitschland was bestemd of, eenmaal

in een neutraal land zijnde, daarheen zou kunnen worden uitgevoerd, als

contrabande werd aangemerkt.

Tevens werd het onderscheid dat in de Declaratie tusschen absolute en

conditioneele contrabande wordt gemaakt, vrijwel opgeheven. Volgens die

volkenrechtelijke regeling mag absolute contrabande door een

oorlogsschip van een krijgsvoerende natie worden genomen, als het

rechtstreeks of na overlading bestemd is voor een vijandelijk land of

voor een gebied dat door den vijand is bezet. Als bewijs van die

bestemming is het voldoende, dat de goederen volgens de scheepspapieren

bestemd zijn voor een haven van den vijand of dat het schip, waarin zij

zijn geladen, een vijandelijke haven aandoet, vóór het de onzijdige

haven bereikt, waarheen de goederen zijn geadresseerd. Tot het nemen van

conditioneele contrabande geeft de Declaratie alleen recht, indien

vaststaat dat de goederen bestemd zijn voor gebruik door vijandelijke

strijdkrachten of voor administraties van den vijandelijken staat. Dit

wordt aangenomen, wanneer de goederen zijn geadresseerd aan een

vijandelijke autoriteit of aan een handelaar in het vijandelijk land,

van wien bekend is dat hij den vijand goederen van dien aard levert.

Echter mag conditioneele contrabande, zelfs als die bestemming is aan te

nemen, alleen genomen worden op een schip, dat koers zet naar een

vijandelijke haven of naar een haven in een door den vijand bezet

gebied, tenzij het vijandelijk land geen zeekust heeft. De uitzondering

vermeld ik slechts volledigheidshalve; zij heeft voor dezen oorlog voor

ons geen beteekenis.

Bij den „Order in Council” van 20 Augustus 1914 werd nu in afwijking van

deze regels bepaald, dat de bestemming van de conditioneele contrabande

voor de vijandelijke strijdkracht zou worden aangenomen, als de goederen

waren geconsigneerd aan een agent van den vijandelijken staat of aan een

koopman, gevestigd in dien staat, en dat zij zouden kunnen worden

genomen, voor welke haven het schip ook vaart en in welke haven de

lading ook moet worden gelost. Daarbij werd de bevoegdheid tot het

beslag leggen op conditioneele contrabande bovendien nog verruimd door

de bepaling, dat het voor het vermoeden der vijandelijke bestemming o.

a. voldoende is, dat het goed wordt verzonden aan of door een agent van

den vijandelijken staat, of dat de goederen, bestemd voor een neutrale

haven, zijn geconsigneerd „aan order”. In alle genoemde gevallen staat

het den eigenaars vrij het bewijs te leveren, dat hunne goederen een

onschuldige bestemming hadden.

Hier werd dus geheel in strijd met het volkenrecht een onzijdig schip,

dat conditioneele contrabande vervoert naar een onzijdig land, niettemin

neembaar verklaard en werd, na de inbeslagneming, niet minder in strijd

met het volkenrecht en met de allereerste rechtsbeginselen van elk

beschaafd volk, de bewijslast dat men geen contrabande aan boord heeft,

gelegd op dengene van wien het tegendeel door de Britsche marine op

zulke losse gegevens werd vermoed. Voor zulk een regeling is slechts één

rechtsgrond te vinden: „quia nominor leo” (omdat ik er de macht toe

heb).

Frankrijk sloot zich in zijn contrabande-bepalingen bij Engeland geheel

aan en Duitschland volgde, wat betreft de uitbreiding van de lijst der

conditioneele contrabande, het voorbeeld van zijn vijand reeds in

October en November 1914. Het gaf voorts in April 1915 een nieuwe

regeling omtrent de conditioneele contrabande, welke bijna geheel

dezelfde inbreuken maakt op het zeeoorlogsrecht als de Britsche „Orders

in Council” hadden gedaan.

Tegen die verschillende schendingen van het volkenrecht werd door onze

Regeering telkens met klem van redenen geprotesteerd, maar die protesten

waren niet bij machte de oorlogvoerenden er van af te brengen. Die

schendingen waren trouwens een noodzakelijk gevolg van de Britsche

oorlogstactiek om Duitschland door economische isoleering zoodanig te

verzwakken, dat het tot toegeven zou worden gedwongen.

De Londensche Declaratie bepaalt voorts, dat het neutrale schip dat

oorlogscontrabande vervoert, kan worden in beslag genomen, indien die

contrabande meer dan de helft van de vracht of van het gewicht, het

volume of de waarde der lading vertegenwoordigt. Zij voegt daaraan

evenwel uitdrukkelijk toe, dat een neutraal vaartuig door het

oorlogsschip, door hetwelk het op grond van die bepaling wordt in beslag

genomen, niet mag worden vernietigd en dat van dezen regel alleen bij

uitzondering mag worden afgeweken, indien anders de veiligheid van het

nemende oorlogsschip of het succes van de oorlogsoperatie, waarmede het

bezig is, in gevaar zou komen. Voor dat geval moeten vóór de

vernietiging alle personen die zich aan boord bevinden, in veiligheid

worden gebracht en de scheepspapieren worden geborgen.

Deze laatste regelen, waarvan formeel door geen der oorlogvoerenden werd

afgeweken, zijn van belang ter beoordeeling van de van Duitsche zijde

beproefde rechtvaardiging van de torpedeering van de „Medea”, welke den

25en Maart 1915 plaats had. Dit stoomschip van de Koninklijke

Nederlandsche Stoombootmaatschappij was met een lading sinaasappelen op

weg van Valencia naar Londen. Het werd in volle zee, op een afstand van

ongeveer 15 zeemijlen van de Engelsche kust, getorpedeerd op grond dat

het levensmiddelen naar Londen bracht en dat de onderzeeër niet in staat

was, aan het schip een voldoende bemanning te geven om het veilig naar

een Duitsche haven te brengen. Het zou mij te ver voeren op de

verschillende volkenrechtelijke vraagpunten, welke bij de vernietiging

van de „Medea” zijn betrokken, in te gaan. Om het in beslag nemen van

dat stoomschip te rechtvaardigen, moet men 1º sinaasappelen rangschikken

onder levensmiddelen, „vivres”, en 2º. Londen aanmerken als een

operatiebasis voor vijandelijke strijdkrachten.

De vernietiging van het schip, zelfs als de beslagneming daarvan te

verdedigen zou zijn geweest, kan men alleen dan goedpraten, als men het

aandurft, vol te houden dat duikbooten, op hooge uitzondering na, steeds

in het geval verkeeren, waarin vernietiging van het door hen genomen

vaartuig volgens de Londensche Declaratie geoorloofd is, en dat zij

het met den plicht van het in veiligheid brengen der opvarenden, vóór

tot de vernietiging wordt overgegaan, zoo nauw niet hebben te nemen.

Ook in het geval van de „Medea” liet, afgezien van de hoofdzaak, de

wijze waarop dit voorschrift werd opgevolgd, door den drang der

omstandigheden,--hetgeen hier wil zeggen, dat een duikboot aan dat

voorschrift niet behoorlijk voldoen kàn,--heel wat te wenschen over.

Al heeft de hoogste Duitsche prijzenrechtbank beslist dat de

torpedeering van de „Medea” rechtmatig is geschied en dat deswege aan de

reederij geen schadevergoeding toekomt, zijn zulke „rechtmatige”

oorlogshandelingen tegen Nederlandsche koopvaardijschepen toch gelukkig

hooge uitzondering gebleven. Na den oorlog zal op de zaak van de „Medea”

zeker worden teruggekomen. Noch de Regeering noch de belanghebbende

reederij zullen zich goedschiks neerleggen bij de eenzijdige beslissing

van het Duitsche hoogste prijzenhof, dat daarbij blijk gaf wat heel

sterk te staan onder den druk van oorlogspsychose.

Volledigheidshalve voeg ik aan deze korte mededeeling over de

belangrijkste punten van het zeeoorlogsrecht en wat er gedurende den

oorlog van terecht kwam, nog toe, dat de Britsche regeering bij een

nieuwen „Order in Council” in Juli 1916 de geheele Londensche Declaratie

buiten werking stelde en door nieuwe bepalingen verving, welke evenwel

de zaak vrijwel lieten, zooals zij in de practijk der Britsche

Admiraliteit reeds was geworden.

* * * * *

Reeds aanstonds, toen men wel begreep dat de oorlog ter zee gevaar ook

voor de neutrale scheepvaart en zeevisscherij met zich brengen zou, maar

nog niet kon weten, welke die gevaren zijn zouden en hoe weinig de

oorlogvoerenden zich aan het volkenrecht in oorlogstijd zouden houden,

werd van verschillende zijden aangedrongen op verzekering van

regeeringswege van het oorlogsgevaar ter zee. In de vergadering van de

Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 maakte de heer Troelstra zich tot tolk

van dat verlangen. Ik antwoordde daarop in dezelfde vergadering

afwijzend op de volgende gronden: „Wat wil men eigenlijk--zoo vroeg

ik--met dat molest-risico van de Regeering? De Engelsche Regeering, die

de zee beheerscht, staat toch voor de quaestie van het molest-risico

geheel anders dan de Nederlandsche. Wenscht men het molest-risico op den

voet dat de Regeering alle risico op zich neemt en geen premie ontvangt?

Dat zal wel niemand verlangen. Als men premie zal verlangen van de zijde

der Regeering, van overheidswege, tegenover het gevaar dat men loopt,

weet op het oogenblik niemand te zeggen, welke die premie moet wezen. De

Regeering is voor deze hoogst moeilijke zaak bovendien niet

geoutilleerd, en ik heb daarom met buitengewoon genoegen gezien, dat de

reederijen hebben gezegd: wij zullen het onderling klaar spelen; al moet

het dan iets meer kosten. Zij kunnen dat toch veel beter dan dat het van

regeeringswege geschiedt.

„Onder de tegenwoordige omstandigheden wordt door een aantal personen,

ook onder hen die anders zeer wars zijn van regeeringsinmenging, op

regeeringssteun gerekend, en wanneer niet van deze zijde, waar toch al

zoo buitengewoon veel door de Regeering moet worden gedaan, wat men in

normale omstandigheden niet doet, er naar gestreefd wordt, waar het maar

eenigszins mogelijk is, het particulier initiatief te laten voorgaan,

dan ben ik er diep van overtuigd dat dit de zaak niet beter maar

slechter zal maken.

„Maar ik zou den heer Troelstra willen vragen: als de Regeering het

molest-risico verzekerde--en ik zou haast zeggen, er gaat geen dag

voorbij dat ik geen brief ontvang met het verzoek het molest-risico in

overweging te willen nemen--zou dan niet zeer terecht gezegd worden,

speciaal door de partijgenooten van den heer Troelstra, dat het toch

niet aangaat dat risico te verzekeren voor de lading en niet voor de

schepelingen die aan boord zijn? Er is op het oogenblik een zekere

terughouding onder de menschen om de zee te bevaren, en ook daarom zal

het zaak zijn dat de Regeering niet al te snel is met de verzekering van

het molest-risico; hier heb ik in het bijzonder het oog op de

visschersvloot. Indien de Regeering met verzekering van molest-risico

voor het vischtuig en het schip zelf vrijgevig was, zou er meer

uitgevaren worden, dan ik voor mij wenschelijk acht dat met medewerking

van de Regeering gebeurt. Ik kan de verzekering geven, dat, indien de

toestanden niet zeer veranderen, van mijne zijde van het op zich nemen

door de Regeering van molest-risico geen sprake zal zijn”.

Intusschen veranderden de toestanden sedert Augustus 1914 werkelijk zeer

aanmerkelijk. Ik had reeds herhaaldelijk gelegenheid daarop te wijzen.

Nadat de eerste schok had uitgewerkt, werd het scheepvaartbedrijf

algemeen hervat, ondanks de gevaren, die er aan verbonden waren. In de

eerste maanden werden deze door de verzekeraars niet zóó zwaar geteld,

dat molestverzekering, zij het soms tegen zeer hooge premie, niet meer

was te sluiten. Toen echter Duitschland in het begin van Februari 1915

zijn groote verscherping van den duikbootenoorlog aankondigde, had dit

ten gevolge dat ernstig met de mogelijkheid moest worden rekening

gehouden, dat het particuliere verzekeringsbedrijf het molestrisico niet

langer zou aandurven, en dat dien ten gevolge een deel der handelsvloot,

noodgedrongen, zou worden opgelegd. Dit had voor Nederland den omvang

kunnen krijgen van een calamiteit, te meer daar de beschikbare

scheepsruimte voor het geregeld aanvoeren van het regeeringsgraan toch

reeds zeer beperkt was. Vandaar dat 24 Februari 1915 een zeer eenvoudig

wetsontwerp werd ingediend, volgens hetwelk de Minister van Landbouw,

Nijverheid en Handel werd gemachtigd, zoo noodig, van staatswege

overeenkomsten tot verzekering van oorlogsmolest te sluiten. Bij dat

ontwerp werd te dezen aanzien een ongelimiteerde bevoegdheid aan de

Regeering gegeven.

Toen de verscherpte duikbootenoorlog, hoewel ver van onschuldig, voor de

neutrale scheepvaart toch niet zulke groote gevaren opleverde, als men

er van had gevreesd, en in verband daarmede de molestverzekering, zij

het met schommelingen in de premie, op de gebruikelijke wijze kon

doorgaan, verflauwde de belangstelling zoowel in reederskringen als in

de Tweede Kamer. Naar aanleiding van opmerkingen als gevolg van het

afdeelingsonderzoek in de Tweede Kamer, dat het ontwerp te weinig

omlijnd was, werd bij de Memorie van Antwoord een uitvoeriger ontwerp

gevoegd. De Kamer behandelde dit op nieuw in de afdeelingen, maar liet,

nadat de Regeering weer geantwoord had, de zaak rusten, daar de

molestrisicoverzekering geregeld haar gang ging. Toen echter in de

eerste maanden van het loopende jaar de duikbootenoorlog, zooals bekend

is, ook voor de onzijdige scheepvaart veel grootere gevaren dan te voren

begon op te leveren, riepen de reederijen op nieuw de tusschenkomst van

den Staat in, en nam de Kamer het ontwerp ter hand, dat maanden was

blijven liggen. In het begin van Mei 1916 werd het in de Tweede Kamer en

spoedig daarna ook in de Eerste Kamer behandeld. Zoo kwam de wet van 7

Juni 1916 betreffende deze aangelegenheid tot stand, waarbij de Minister

van Landbouw, Nijverheid en Handel wordt gemachtigd een aanzienlijk deel

van het molest-risico van Nederlandsche schepen en aan Nederlanders

toebehoorende ladingen zoo noodig te herverzekeren en, als

molestverzekering bij particuliere verzekeraars geheel onmogelijk zou

zijn, zelfs rechtstreeks van staatswege te verzekeren. Tot nog toe is

het niet noodig geweest van die machtiging gebruik te maken. Zelfs een

plan tot oprichting van een onderlinge molestverzekeringmaatschappij

kwam, wegens onvoldoende belangstelling in reederskringen, niet tot

uitvoering. Wel werd, voorzichtigheidshalve, besloten tot de oprichting

dier maatschappij over te gaan en werd op de statuten de vereischte

Koninklijke bewilliging gevraagd. Maar daarbij zat de bedoeling voor,

haar voorloopig slechts formeel, niet daadwerkelijk in het leven te doen

treden. Op die wijze zijn thans zoowel de Staat als de belanghebbende

reederijen op alle eventualiteiten van den zeeoorlog voorbereid en staan

zij bereid om in te grijpen, zoodra dit onverhoopt mocht noodig worden.

Inmiddels is een der krachtigste argumenten, die ik in Augustus 1914

tegen den aandrang van den heer Troelstra deed gelden, vervallen. In

verband met de gevaren, die de zeeoorlog voor de schepelingen opleverde

en, naar niet ten onrechte gevreesd werd, in verhoogde mate opleveren

zou, als Duitschland aan zijn in het begin van Februari 1915

aangekondigde voornemen tot verscherping van den duikbootenoorlog gevolg

gaf, werd een ontwerp ingediend tot verzekering van zeevarenden tegen

oorlogsongevallen. Na uitvoerige schriftelijke en mondelinge

gedachtenwisseling tusschen de Regeering en de Kamer, waaraan ik,

volledig instemmend met het doel der regeling, heb medegewerkt, kwam de

Oorlogs-Zeeongevallenwet van 8 Mei 1915 tot stand, welke, nadat de

noodige uitvoeringsbesluiten waren genomen, op 19 Juli 1915 in werking

trad. Deze speciale ongevallenverzekering sluit zich, wat het bedrag der

uitkeeringen betreft, zooveel mogelijk aan bij de algemeene regeling van

dezen tak der arbeidersverzekering. Zij wijkt daarvan evenwel op

belangrijke punten af: 1e wordt ook uitkeering gegeven, als er een

ongeval op zee heeft plaats gehad, doch het twijfelachtig is of dit al

dan niet een oorlogsramp is te noemen; zonder deze uitbreiding zou de

bijzondere oorlogsongevallenverzekering in vele gevallen geen baat

gegeven hebben; men denke slechts aan de visschers, die niet terugkwamen

na bij de Doggersbank te hebben gevischt; 2e omvat de verzekering ook

schadevergoeding voor verlies van uitrusting door de schepelingen; 3e

draagt de Staat voor de kleinere vaartuigen de helft, voor de kleinste

visschersvaartuigen zelfs drie kwart van de kosten der verzekering, en

4e is de juridische constructie geheel anders dan bij de Ongevallenwet.

Ter uitvoering van de wet is een Onderlinge

Oorlogszeeongevallenverzekering Maatschappij opgericht, welke het

overgroote deel der risico’s verzekerd heeft. Hoewel de kosten voor de

heel kleine visschersvaartuigen tot ¼ van de premie zijn teruggebracht,

was voor enkele kustvisschers zelfs die kleine uitgaaf nog te hoog; in

die gevallen is het Kon. Nat. Steuncomité bijgesprongen en heeft dit het

niet ten laste van het Rijk komende deel der premie voor zijn rekening

genomen.

* * * * *

Intusschen neemt de omstandigheid dat de scheepvaart aan groote

oorlogsgevaren en oorlogsbelemmeringen heeft bloot gestaan en nog bloot

staat, niet weg, dat het haar financieel zeer voor den wind is gegaan.

Niet minder dan voor de visscherij en den landbouw, is de

oorlogsconjunctuur haar gunstig geweest. Reeds aanstonds werd de voor

handelsdoeleinden beschikbare scheepsruimte zoowel wegens het stilliggen

van de Duitsche en de Oostenrijksche koopvaardijschepen als wegens het

gebruik van een deel der handelsvloot van de geallieerden voor

oorlogsdoeleinden, zoozeer ingekrompen, dat de scheepsvrachten enorm

stegen. Later werden deze factoren nog versterkt door het te loor gaan

van een aantal schepen als slachtoffers van den duikbooten- en

mijnenoorlog. Met eenige schommelingen werden ten gevolge van een en

ander de scheepsvrachten in den oorlogstijd ongekend hoog. De Achtste

Nota betreffende den Economischen toestand zegt daaromtrent:

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 31 / 40 段