bleef slecht, al werd zij geholpen zoowel door een vrij spoedige
verlevendiging van de vraag uit België en Duitschland als door hetgeen
hier op initiatief van het Kon. Nat. Steuncomité ter bevordering van den
afzet geschiedde. Maar vooral de oesterkweekers hebben onder den oorlog
veel te lijden gehad. Aan dezen nationalen bedrijfstak kon de Regeering
op zeer bijzondere wijze verlichting geven. De oestercultuur wordt in
hoofdzaak uitgeoefend in waterperceelen die Rijkseigendom zijn en
beheerd worden door het Domeinbestuur, ressorteerende onder het
Departement van Financiën. Wegens den plotseling grooten achteruitgang
in het bedrijf was er aanleiding de pachters van de Rijksoesterperceelen
een groot deel van hun pacht kwijt te schelden. Hetgeen dan ook voor de
over 1914/15 verschuldigde pacht geschiedde. Daarvan werd 70%
kwijtgescholden. De moeilijkheid werd voor 1915/16 nog grooter, omdat
kort voor het uitbreken van den oorlog een nieuwe verpachting van
oesterperceelen had plaats gehad, waarbij de prijzen aanmerkelijk hooger
waren geloopen.
Als men, zonder meer, ook op die nieuwe pachtsommen eene groote
kwijtschelding had toegepast, zou men onbillijk zijn geweest tegenover
hen, die bij de nieuwe verpachting zich hadden onthouden van mede te
doen aan de prijsopdrijving der oesterperceelen. Een tweetal
belanghebbenden bij de oestercultuur, de heeren P. A. de Jong en
M. van Harmelen, overhandigden mij in het voorjaar van 1915 een nota,
waarin zij aanbevalen met het bestaande stelsel van verpachting te
breken, daartegenover voor het vervolg de pachtsom te bepalen op
een vast deel van de bruto-opbrengst der op het perceel gevischte
oesters en ter verwezenlijking van dit denkbeeld een coöperatieve
oesterverkoopvereeniging op te richten. Dit denkbeeld scheen mij zóó
belangrijk en ingrijpend, dat ik besloot het te onderwerpen aan het
oordeel van een speciaal daartoe aan te wijzen commissie. Van die
commissie werd Jhr. Mr. Dr. N. C. de Gijselaar, voorzitter van het
College voor de Visscherijen aangewezen als voorzitter, als leden hadden
daarin zitting, naast de opstellers der nota, de heeren Mr. A. J. F.
Fokker, voorzitter van het Bestuur der visscherijen op de Zeeuwsche
stroomen, Mr. E. H. E. Lagerwey, hoofd der afdeeling Domeinen aan het
Ministerie van Financiën, J. M. Bottemanne, hoofdinspecteur der
visscherijen, G. J. D. C. Goedhart, voorzitter van den Nederlandschen
Coöperatieven Bond, F. Leo de Leeuw en M. van Stee Jr. Als resultaat van
de beraadslagingen der commissie ontving ik in September 1915 een
advies, waarin een proefneming met het denkbeeld van de heeren de Jong
en van Harmelen door de meerderheid werd aanbevolen en er op werd
gewezen, dat de oprichting der coöperatieve verkoopsvereeniging, die een
essentieel bestanddeel van het plan was, waarschijnlijk niet zou
gelukken, indien de toetreding niet werd bevorderd door daaraan
faciliteiten te verbinden ten opzichte van de te betalen pacht.
Dit advies gaf mij aanleiding den steun der Regeering voor de
verwezenlijking van het denkbeeld toe te zeggen, en te bepalen,
dat--zooals de commissie had in overweging gegeven--voor een proeftijd
van zes jaar voor hen, die tot de coöperatieve vereeniging zouden
toetreden, de te betalen pachtsom zou bestaan in een evenredig deel van
de opbrengst van hun perceel, zooals deze uit de boeken der
verkoopvereeniging zou zijn te controleeren. Dit zou aanvankelijk 20%
van de opbrengst bedragen. Als gevolg van die toezegging werd door de
heeren de Jong en van Harmelen het initiatief genomen tot de oprichting
van de Coöperatieve Vereeniging „Centraal Bureau voor den verkoop van
Zeeuwsche Oesters”, welke op 23 November 1915 tot stand kwam en te
Ierseke werd gevestigd. Als controleur voor het Rijk op de gestie der
vereeniging werd benoemd de heer de Leeuw, die als bij uitstek deskundig
in het oesterbedrijf, zonder daarbij belanghebbende te zijn, reeds in
de commissie van advies was opgenomen geweest. Aangezien een groot deel
van het oesterjaar 1915/16 reeds was verstreken, toen de vereeniging in
werking trad, kon voor dat jaar de pachtsom nog niet naar de
bruto-opbrengst der perceelen worden berekend. Daarom moest daarvoor nog
kwijtschelding op de pacht gegeven worden. Daar de pachten over 1915/16
zooveel hooger waren dan over 1914/15 stond bij mij, vóór mijn aftreden,
al vast, dat zij voor hen, die tot de vereeniging toetraden, 80% zou
kunnen bedragen. Mijn opvolger ging hiermede accoord en bepaalde haar op
dat percentage. In een ander opzicht week hij echter af van hetgeen in
mijne bedoeling had gelegen. Naar mijne overtuiging kon de zaak, die op
den duur ook voor het Rijk als eigenaar der oesterperceelen van groote
beteekenis is, alleen slagen als alle pachters gedwongen werden om in te
gaan. Daarom was mijn voornemen aan hen, die niet tot de vereeniging
toetraden, geen pachtreductie toe te staan. De heer van Gijn daarentegen
gaf ook hun een kwijtschelding en wel ten bedrage van 50%. Ik vrees zeer
dat hierdoor en door de omstandigheid dat de voorzitter van het Bestuur
der visscherijen op de Zeeuwsche stroomen de zaak niet goed gezind is,
de verkoopscoöperatie gevaar loopt. Er zijn nu te veel pachters buiten
de vereeniging gebleven, die door hun concurrentie op de buitenlandsche
markt het gevaar waartegen de centralisatie van den verkoop juist
bedoelde te waken, de onderlinge onderbieding op die markt steeds
levendig doen blijven. De normale productie van de Zeeuwsche
oesterbanken is jaarlijks omstreeks 48 millioen. Wegens den
oorlogstoestand--niet het minst omdat de invoer van oesters in
Duitschland verboden is,--wordt verwacht dat de verkoop, onder de
gegeven omstandigheden, beneden de helft van dat cijfer blijven zal.
Daar nu naar schatting ongeveer 8 millioen oesters in handen zijn van
niet aangesloten kweekers, is te vreezen, dat het doel der vereeniging
niet zal worden bereikt. Mocht die vrees worden bewaarheid, dan zou dit
jammer zijn voor dezen voor Zeeland zoo belangrijken tak der visscherij,
maar ook voor het Rijk, als financieel belanghebbende bij dit bedrijf.
Hoe het hiermede zal gaan, moet de toekomst leeren. Vast staat echter
dat de vooruitzichten voor de oesterkweekerij op het oogenblik zeer
slecht zijn en dat er, zoolang de oorlog duurt, weinig kans op
verbetering bestaat.
Maar al vormt de oesterteelt eene uitzondering, en al werd over het
algemeen de toestand der visscherij allengs gunstiger, zóó zelfs dat men
ten slotte van een gouden tijd kon spreken, toch heeft het ook haar niet
aan moeilijkheden ontbroken. In het laatst van September 1914 werd door
de Engelsche admiraliteit aan de Nederlandsche Regeering medegedeeld,
dat de visschers die ten westen van een in die mededeeling aangegeven
grenslijn door Britsche oorlogsschepen zouden worden aangetroffen,
beschouwd zouden worden de visscherij niet op rechtmatige wijze uit te
oefenen en onder verdenking zouden staan mijnen te leggen. De aanwijzing
van dit genoegzaam begrensd gebied als oorlogsterrein was voor onze
visscherij wel lastig, maar er was geen aanleiding daartegen te
protesteeren. Ons recht als neutrale zeevarende mogendheid werd er niet
door geschonden. Door onze Regeering werd echter geprotesteerd tegen de
ernstige verdenking, waaraan zij zouden blootstaan, die op het
aangewezen gebied vischten, en vooral tegen een eventueele behandeling
van den visscher, wien zulk een verdenking mocht treffen, alsof hij zich
had schuldig gemaakt aan vijandelijke handelingen jegens Engeland.
Zij droeg den hoofdinspecteur der Visscherijen op, de visschers te
waarschuwen dat het visschen op het door de Britsche admiraliteit
aangewezen deel der Noordzee hen in groot gevaar zou kunnen brengen.
Verder te gaan en een Nederlandsch oorlogsschip in den omtrek van dat
terrein te laten kruisen, scheen minder gewenscht, omdat daaruit zoo
licht internationale verwikkelingen zouden kunnen voortvloeien.
Deze overweging gold niet voor het Kon. Nat. Steuncomité, dat op 5
October 1914 het stoomschip Wodan charterde, om de Nederlandsche
visschers, die zich in het Westelijk deel van de Noordzee bevonden, te
waarschuwen meer oostwaarts te visschen. De „Wodan” bleef tot 20
November 1914 bij de visschersvloot kruisen en deed ook dienst als
hospitaalschip; voor de verpleging van zieken was een officier van
gezondheid van de marine aan boord.
Bijzondere maatregelen behoefden daarna voor de visscherij niet meer
genomen te worden. De oprichting en de werkzaamheid van het Centraal
Bureau voor den afzet van visscherijproducten werden reeds in hoofdstuk
II behandeld[21], bij de bespreking van de levensmiddelenvoorziening.
Toen de toestand van de zeevisscherij in den loop van 1915 zulk een
ongedacht gunstige wending nam, had dat bureau, voor zoover het ten doel
had de visscherij te steunen, zijn bestaansrecht zoo goed als geheel
verloren; het veranderde toen evenwel, zooals reeds werd medegedeeld,
feitelijk geheel van karakter.
[21] Zie bl. 74/5.
Al is de oorlog, na de eerste maanden van vrees en van aarzeling om uit
te varen, voor de zeevisscherij niet ongunstig en later over het
algemeen zelfs schitterend geweest, dit neemt niet weg, dat onze
visschersvloot en haar bemanning ook hun tol aan het oorlogsmonster
hebben moeten betalen. Al staan de visschersschepen wegens hun minderen
diepgang aan het mijnengevaar minder bloot dan de veel dieper liggende
handelsvaartuigen, toch zijn ook verschillende daarvan, bij het ophalen
van netten waarin contactmijnen verward waren, aan dit verraderlijk
wapen in den zeeoorlog ten offer gevallen. Dit is vooral geschied nabij
de Doggersbank. De Duitsche marine had wel in Februari 1915 in het
algemeen verklaard, dat de wateren om Engeland, Schotland en Ierland tot
het oorlogsgebied behoorden en op het mijnengevaar gewezen, maar zij had
niet voldaan aan den volkenrechtelijken plicht de streek, waar zij
mijnen gelegd had, behoorlijk aan te duiden. De visschers konden er dan
ook niet op verdacht zijn, bij de Doggersbank op een niet bekend gemaakt
Duitsch mijnenveld te kunnen stooten. Dit heeft, zooals de „Note
Verbale” die onze gezant te Berlijn in opdracht van de Nederlandsche aan
de Duitsche Regeering overhandigde, het uitdrukt, naar alle
waarschijnlijkheid den dood veroorzaakt van verscheidene Nederlandsche
visschers, die in de open zee hun vreedzaam bedrijf uitoefenden. Het
ernstig protest van Nederlandsche zijde tegen de roekelooze handelwijze
der Duitsche marine, kon niet alleen het kwaad niet meer verhelpen;
de Duitsche Regeering hield zelfs haar goed recht vol, om op die
wijze de zee onveilig te maken. Zij beriep zich daarvoor op
de oorlogsnoodzakelijkheid en zij achtte het bovendien veel
waarschijnlijker, dat de visschers verongelukt waren door losgeraakte
Engelsche mijnen.
Indien onzijdige Staten alleen protesteerden tegen schending van het
internationaal recht, als zij konden rekenen op erkenning van onrecht
van de zijde van den belligerent die dit pleegde, konden zij zich de
moeite daarvan wel sparen. Andere en hoogere motieven dwingen hen
echter, zulke protesten bij elke voorkomende gelegenheid te herhalen,
hoe gering ook het rechtstreeksche resultaat moge zijn, dat zij ervan
verwachten kunnen. Naast het mijnengevaar waren er andere, die de
visscherij met de handelsschepen broederlijk moest deelen, zoo zij
daaraan wegens de verdenking van oorlogsdaden te verrichten,
inzonderheid van mijnen te leggen, niet nog meer bloot stonden. Dit
geldt voornamelijk voor dat van door onderzeeërs te worden getorpedeerd
of door luchtvaarders te worden gebombardeerd. Daaraan stond onze
scheepvaart zonder onderscheid van het economisch karakter daarvan
bloot. Ik bespreek die daarom zoo aanstonds bij de behandeling der
scheepvaart.
Hoewel dit feit zich heeft voorgedaan eenige maanden nadat ik tot het
ambtelooze leven was teruggekeerd, moet ik volledigheidshalve nog
melding maken van het ongehoorde opbrengen onzer geheele visschersvloot
door de Britsche marine in Juli 1916. Tegen deze ernstige schending van
het recht der neutralen op de open zee, werd uit de kringen der
belanghebbenden heftig geprotesteerd. Begrijpelijkerwijze waren zij over
de hun aangedane rechtsschennis verontwaardigd. De Regeering heeft zeker
niet nagelaten het protest der reeders krachtig te ondersteunen. Hetgeen
de Britsche autoriteiten met die aanhouding beoogden, is duidelijk
genoeg. Men wilde tegengaan dat de visch, welke door Nederlandsche
visschers wordt gevangen, zijn weg zal vinden naar Duitschland. Het
oorlogsmotief dat Engeland tot het opbrengen en vasthouden van de
Nederlandsche visschersvloot deed besluiten, is een rechtstreeksche
consequentie van de politiek der economische isoleering van Duitschland.
Hoe scherper het in den strijd gaat--en bij den langen duur van den
oorlog moet het daarin steeds scherper gaan--des te gemakkelijker
stappen de oorlogvoerenden heen over de rechten der neutralen, wanneer
die hinderlijk zijn voor hun eigen oorlogspolitiek.
Het vasthouden van de visschersvloot van Britsche zijde lag in dezelfde
lijn als het belemmeren der scheepvaart, voor zoover niet vaststaat, dat
de goederen, welke de schepen aan boord hebben, uitsluitend voor
verbruik binnen Nederland bestemd zijn. Maar het ging in die lijn veel
verder. Hier werd een vreedzaam bedrijf, dat door de Nederlandsche
visschers sedert eeuwen wordt beoefend en waarmede het grootste deel
der bevolking onzer kustplaatsen zijn brood verdient, eenvoudig
onmogelijk gemaakt. En dit zonder schijn of schaduw van recht, bloot op
overweging van eigen belang als oorlogvoerende, gesteund door
machtsbesef. Gelukkig is ten slotte een regeling tusschen de Britsche
autoriteiten en de belanghebbenden getroffen, waardoor het
visschersbedrijf in de Noordzee weer kan worden uitgeoefend en Engeland
zich op minder stuitende wijze dan door het vasthouden der
visschersvloot verzekerd heeft, dat de Nederlandsche visscherij aan zijn
economische oorlogspolitiek geen afbreuk zal doen. Had men dien weg
terstond ingeslagen, dan zou men zich het plegen van nieuw onrecht
hebben bespaard en het opwekken van nieuwe verbittering, welke door
internationale rechtsschennis gelukkig nog altijd wordt te voorschijn
geroepen, tevens hebben voorkomen.
* * * * *
Men wachte zich er intusschen voor in de tegenovergestelde fout te
vervallen, als waaraan de belligerenten zich telkens schuldig maken en
alles onrechtmatig te achten, wat voor de neutrale scheepvaart of de
neutrale visscherij hinderlijk is.
Het leggen van verankerde mijnen op bepaalde plaatsen in de open zee,
mits den neutralen van de ligging dier mijnenvelden wordt kennis
gegeven, was voor de scheepvaart wel lastig, maar volkenrechtelijk
geoorloofd. Daarentegen dreven en drijven er heel wat onbeheerde mijnen
van beide oorlogvoerende partijen op de Noordzee rond, welke in strijd
met de verdragen, hun springkracht hebben behouden en voor de
scheepvaart hoogst gevaarlijk zijn. Het laten ronddrijven van zulke
mijnen in de Noordzee kan niet worden gerechtvaardigd door de verklaring
van Engeland, van November 1914, dat de geheele Noordzee als
oorlogsgebied is te beschouwen en dat de onzijdige scheepvaart in dat
gebied aan ernstige gevaren zou blootstaan, noch door de overeenkomstige
verklaring van Duitschland, van Februari 1915, waarbij de wateren om
Engeland, Schotland en Ierland, met inbegrip van het Kanaal, tot
oorlogsgebied werden gestempeld. Zulke bekendmakingen konden de
mogendheden, die haar deden, niet ontheffen van de verplichting om bij
het plegen van oorlogsdaden, zich ervan te vergewissen, dat zij niet
tegen onzijdigen zouden werken. Daarom hadden zij zich moeten onthouden
van het leggen van mijnen, die voor de neutrale scheepvaart even
gevaarlijk waren als voor den vijand. Dit standpunt werd herhaaldelijk
uiteengezet in de nota’s die van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken
uitgingen.
Nog minder hadden neutrale schepen mogen blootstaan aan het gevaar van
uit de lucht te worden gebombardeerd; toch zijn zulke ernstige
neutraliteitsschendingen van de zijde van Duitsche vliegeniers enkele
malen voorgekomen. Hoewel de protesten, welke daarover tot de Duitsche
regeering werden gericht, slechts gedeeltelijk bevredigend werden
beantwoord, werd toch het onrechtmatige van dergelijk bommenwerpen
erkend. Meer dan verontschuldigingen waren in deze gevallen niet noodig,
daar de geworpen bommen in geen enkel geval doel troffen,
menschenlevens, als gevolg van zulke aanvallen, gelukkig niet waren te
betreuren en er geen materieele schade door werd aangericht. Het
uitblijven ook van verontschuldigingen, ondanks de erkenning van de
onrechtmatigheid der geïncrimineerde handelingen, was het gevolg van
verschil omtrent de voorstelling der feiten door de Duitsche
vliegeniers, die deze hadden bedreven en de Nederlandsche zeevaarders,
die aan het gevaar hadden bloot gestaan. Inzonderheid liep het geschil
dan telkens over de vraag of de schepen wel duidelijk de Nederlandsche
vlag hadden gevoerd en als neutrale schepen waren te herkennen geweest.
Het voeren van duidelijk waarneembare herkenningsteekenen van hun
neutrale karakter was voor de schepen van onzijdigen nog meer noodig in
verband met het duikbooten- dan met het vliegeniersgevaar. De duikboot
is in dezen oorlog niet alleen voor de handelsvloot van den vijand maar
ook voor die der neutralen veel gevaarlijker gebleken dan het vliegtuig
of het luchtschip. Vooral toen Duitschland in Februari 1915 een groote
verscherping van den duikbootenoorlog aankondigde en aan de neutrale
regeeringen verklaarde dat schepen, welke het Kanaal en het gedeelte van
de Noordzee bevoeren, dat als oorlogsgebied was aangewezen, dit zouden
doen op hun eigen verantwoordelijkheid, werd daartegen van
regeeringswege krachtig geprotesteerd en gewezen op de verplichting,
zoowel van luchtvaarders als van duikbootcommandanten zich eerst te
vergewissen van de neutraliteit van een vaartuig, alvorens zij daartegen
eenige vijandelijkheid mochten ondernemen. Doch ook de belanghebbende
reederijen zelven namen zoo goed mogelijk maatregelen tegen zulke
aanrandingen van het onzijdig karakter harer schepen. Daartoe werden de
gebruikelijke herkenningsteekenen, het voeren van de Nederlandsche vlag
en het aan boord hebben van Nederlandsche scheepspapieren, aangevuld met
het aanbrengen van op grooten afstand waarneembare kenteekenen. Als
zoodanig kwam het verwen van de meest zichtbare gedeelten van het schip
met de nationale kleuren het eerst in aanmerking; het werd dan ook vrij
algemeen toegepast. Tot het nemen van dien maatregel was des te meer
aanleiding, omdat gerekend moest worden niet alleen met het misbruik dat
door handelsschepen van oorlogvoerenden, bij vervolging door een
vijandelijk oorlogsschip, van een neutrale vlag kan worden gemaakt en
stellig ook wel gemaakt werd, maar ook met de zeer bedenkelijke
omstandigheid, dat de Britsche admiraliteit, ondanks het protest o.a.
van onze Regeering het voeren van de vlag van een onzijdige natie door
een Engelsch schip, bij vervolging door een vijandelijk oorlogsschip als
een geoorloofde krijgslist aanmerkte en aanprees.
Ondanks die voorzorgsmaatregelen werden eenige Nederlandsche schepen het
slachtoffer van den duikbootoorlog. Ik zal geen opsomming doen van al
die oorlogsrampen ter zee; alleen enkele der meest treffende wil ik
vermelden. Het stoomschip „Katwijk” verging op 14 April 1915. Hoewel
terstond bij de bemanning, die gelukkig gered werd, het vermoeden rees
dat het schip door een Duitsche onderzeeboot was getorpedeerd, was dit
niet aanstonds te bewijzen. De Duitsche Marine stelde evenwel uit eigen
beweging een onderzoek in, en toen daaruit bleek, dat het ongeval
inderdaad aan een onderzeeër dier marine was te wijten, aarzelde
de Duitsche regeering niet hare verontschuldigingen aan te bieden
en de reederij volledig schadeloos te stellen. Niet altijd echter
liep het voor de reederijen bij ongelukken als gevolg van den
zeeoorlog even gelukkig af. Het stoomschip „Koningin Emma” van de
Stoomvaartmaatschappij „Nederland” dat den 22en September 1915 op een
mijn liep, ging voor die reederij zonder vergoeding geheel verloren,
daar niet was uit te maken, welke natie hier voor het ongeval
aansprakelijk was. Bij de „Palembang” van de Rotterdamsche Lloyd, die op
18 Maart 1916 te gronde ging, was het vrijwel evenzoo gesteld, hoewel in
dit geval in het onzekere bleef, of het schip op een mijn stootte dan
wel getorpedeerd was.
Het ongeval van de „Tubantia” van de Koninklijke Hollandsche Lloyd, die
op 16 Maart 1916 werd getorpedeerd, ligt bij ieder nog versch in het
geheugen. Meer nog dan de andere oorlogsrampen, die onze handelsvloot
troffen, heeft het hier te lande onrust en ontstemming gewekt, vooral
ook, omdat het een analoog geval betrof als bij de „Katwijk”, doch de
Duitsche regeering ditmaal een zeer onbevredigende houding ten aanzien
van de erkenning harer aansprakelijkheid aannam. Nadat zij aanvankelijk
zelfs de mogelijkheid had ontkend, dat dit ongeval aan een onderzeeër of
torpedoboot van haar marine kon zijn te wijten, werden de bewijzen, dat
het schip door een Duitsche torpedo was getroffen, nadat stukken van
zulk een wapen in een boot waren gevonden, zóó overtuigend, dat ook de
Duitsche marine dit niet langer tegensprak. Men blijft nu echter nog
volhouden, dat die torpedo op den datum van het ongeval niet door een
Duitschen onderzeeër of een Duitsche torpedoboot kan zijn afgevuurd. Hoe
de torpedo dan echter de „Tubantia” heeft kunnen treffen, is en blijft
een onoplosbaar raadsel. Volgens de uitkomsten van het onderzoek, door
de Duitsche marine ingesteld, zou de torpedo, die de „Tubantia” trof,
reeds op 6 Maart zijn afgevuurd. Het sprookje dat door enkele Duitsche
bladen werd opgeworpen, als zou zij toen haar doel gemist hebben, door
een Britsch oorlogsvaartuig drijvende gevonden en listig op het mooie
Nederlandsche schip afgeschoten zijn, om zoodoende de Duitsche marine in
een kwaden schijn te brengen,--dat kinderachtige maar alles behalve
kinderlijk onschuldige sprookje wordt door de Duitsche overheid
begrijpelijkerwijze niet eens als een mogelijke oplossing aangegeven.
Zooals ik van deskundige zijde vernam, is wat daarin verondersteld
wordt, trouwens technisch onmogelijk. De oplossing die de Duitsche
regeering aan de hand doet, heeft op die van de bedoelde Duitsche bladen
voor, dat zij niet iets duivelachtig boosaardigs van den vijand
veronderstelt, maar in onaannemelijkheid staat zij daarmede vrijwel
gelijk. Volgens de veronderstelling van de Duitsche marine zou de
torpedo zijn drijvende gebleven en door een gebrek in de machinerie zijn
explosiekracht hebben behouden. In dien toestand zou hij met den kop
schuin naar beneden bij toeval tegen de „Tubantia” hebben gestooten en
het schip hebben doen zinken.
Men mag aan den ernst van het onderzoek, dat door de Duitsche marine
werd ingesteld, niet twijfelen. Maar daarmede is de zaak niet uit. Haar
oplossing is, hoewel stellig te goeder trouw ten beste gegeven, reeds op
zichzelf zóó totaal onaannemelijk, dat men geneigd is, er, met een
variant op een rijmpje dat mij juist te binnen schiet, van te zeggen:
Wie aan zoo’n torpedo gelooft,
Is van zijn verstand beroofd.