de gevallen waarin de kleine boer zelf onder de wapenen komen moest en
niemand hem kon vervangen, is begrijpelijk genoeg. Maar dit geldt voor
de kleine nijverheid even goed als voor de kleine boerderij. Ook daar
heeft de afwezigheid van den „baas” de zaak dikwijls doen verloopen. Aan
dit euvel werd zoo goed mogelijk te gemoet gekomen door de economische
verloven, waarvan de landbouwverloven een onderdeel uitmaken. Het is
genoeg bekend dat de Minister van Oorlog de groote beteekenis van zulke
verloven waarlijk niet heeft onderschat. Daaromtrent is hij, wat de
industrie betreft, bijna voortdurend in overleg geweest met het Kon.
Nat. Steuncomité. Voor den landbouw werd bij het verleenen van verloven
het advies ingewonnen van de Directie van den Landbouw; voor de
industrie stond de Directeur-Generaal van den Arbeid bij het verleenen
der economische verloven het Departement van Oorlog ter zijde. In
overleg met den Minister van Landbouw werden bovendien in de provincies
commissies van deskundigen ingesteld, om den Minister van Oorlog omtrent
de landbouwverloven van advies te dienen. De regeling der verloven heeft
niettemin aanleiding gegeven tot heel wat critiek zoo buiten als in de
Kamer. Onberispelijk is zij zeker niet geweest, maar dit neemt niet weg
dat door die verloven het economische nadeel van de mobilisatie wegens
het weghalen van vele leiders, zoowel van kleine als van groote
bedrijven, veel werd verzacht, al kon het er niet door worden
weggenomen. Bij de beoordeeling van verlofsaanvragen werd er ook
rekening mede gehouden (dit geldt natuurlijk meer voor de industrie dan
voor den landbouw) of er door het wegblijven van den leider gevaar van
werkloosheid zou ontstaan voor een eenigszins belangrijk personeel. Waar
dit het geval was, werd steeds tot verlofsverleening voor onbepaalden
tijd geadviseerd en werd dit advies ook schier altijd gevolgd.
Voor den landbouw kon zulk een regeling niet worden gemaakt.
Landbouwbedrijven met groote aantallen arbeiders zijn hier met een
lantaarntje te zoeken. Hier werden economische verlofsregelen gevolgd,
welke verband hielden met zaai- en oogsttijden. Die regelingen hebben,
gelijk ik reeds opmerkte, wel aanleiding gegeven tot critiek; ook
misbruiken kwamen daarbij voor, maar over het algemeen hebben zij zeer
nuttig gewerkt en haar doel niet gemist. Landbouw zoowel als nijverheid
hebben alle reden den Minister van Oorlog, wien de economische verloven
steeds veel hoofdbreken hebben gekost, en die bij de instelling en de
doorvoering daarvan groote tegenkanting heeft moeten overwinnen,
dankbaar te zijn, dat hij niet is gezwicht voor bekrompen
militairistische opvattingen, als zou ter wille van de weerkracht van
het land niet ook de zorg voor zijne economische hulpbronnen
noodzakelijk zijn.
Maar niet alleen door het onder de wapenen zijn van vele jongere boeren
heeft het landbouwbedrijf en vooral de kleine boerderij nadeel
ondervonden; ook de mobilisatie van een groot aantal arbeiders gaf,
vooral in de tijden dat veel werkkrachten noodig zijn, veel last. Wat in
de nijverheid slechts in enkele takken voorkwam, was in het land- en
tuinbouwbedrijf in de drukke tijden algemeen, namelijk gebrek aan
arbeidskrachten en dat gebrek werd slechts zeer ten deele verholpen door
het terugstroomen naar het land van een deel der havenarbeiders en
dergenen, die anders gewoon zijn in Duitschland in de mijnstreken werk
te vinden. Al is het dus den landbouw zeer goed gegaan, toch heeft het
ook dezen belangrijken bedrijfstak niet aan moeilijkheden ontbroken.
Naast de zwarigheden als gevolg van de mobilisatie kwamen nog andere ten
gevolge van gebrek aan veevoeder en kunstmest, door de belemmeringen
van handel en scheepvaart, die de oorlog te weeg bracht en waarover
hieronder in de §§ 3 en 4 meer uitvoerig gesproken wordt. De Regeering
is er terstond op uit geweest den landbouw bij het voorzien in deze
moeilijkheden te helpen. Reeds in de Eerste Economische nota van begin
November 1914 wordt gezegd: „De Regeering heeft ook haar volle aandacht
gevestigd op den voorraad meststoffen hier te lande. Indien zulks noodig
blijkt, zullen maatregelen worden genomen om den aanvoer van meststoffen
uit overzeesche landen zooveel mogelijk te bevorderen”.
Uitvoerig wordt de kunstmestvoorziening van regeeringswege behandeld in
de Vierde Nota, over den toestand in April 1915.
„Toen de oorlog uitbrak was in Nederland slechts eene geringe
hoeveelheid chili-salpeter aanwezig: de aanvoer van deze meststof
werd belemmerd, doordat alle ladingen chili in Engelsche havens
werden opgebracht.
„De hoeveelheid chilisalpeter, in Nederland benoodigd, wordt voor
normale jaren geschat op ± 90.000 ton. Met het oog op het
aanzienlijk gebruik van zwavelzure ammoniak en het te verwachten
geringer gebruik ten gevolge van hoogere prijzen, werd de
benoodigde hoeveelheid echter voor het voorjaar 1915 op ± 60.000
tons geschat.
„Den 20 April waren van die hoeveelheid reeds ongeveer 31.700 tons
aangevoerd, terwijl er nog 5 ladingen, te zamen groot 16.100 ton in
aantocht zijn en er op aanvoer van 5000 ton gegronde hoop bestaat.
Gelukt deze import, dan zal er aan genoemde hoeveelheid van 60.000
ton slechts 10% ontbreken. Door de hooge vrachten en het groote
oponthoud dat de ladingen nog steeds in Engeland ondervinden, gaat
de aanvoer met groote bezwaren gepaard.
„Al die ladingen werden geconsigneerd aan de Nederlandsche
Overzeetrustmaatschappij, met welke vennootschap is overeengekomen,
dat zij alleen dan consignatie aan haar adres toestaat, indien de
importeur zich verplicht, zich aan te sluiten bij een van
Regeeringswege gewenschte regeling voor de verdeeling der
aangevoerde hoeveelheden. De importeurs hebben zich aanvankelijk
verplicht den prijs niet hooger te stellen dan ƒ 14.60 per 100 K.G.
De handelaars en vereenigingen zullen den landbouwers geen hoogeren
prijs berekenen dan ƒ 15.60.
„Ten gevolge van het uitbreken van den oorlog ondervond de invoer
van thomasslakkenmeel en van superphosphaat uit het buitenland
reeds dadelijk, ten gevolge van het bestaande uitvoerverbod in
Duitschland en België, groote moeilijkheden.
„Het werd al spoedig duidelijk, dat voor de behoefte aan
phosphorzuurhoudende meststoffen zoo goed als uitsluitend rekening
gehouden zou moeten worden met de productie der Nederlandsche
superphosphaatfabrieken.
„Uit een met medewerking van het Nederlandsch Landbouw Comité
ingesteld onderzoek bleek, dat de vermoedelijke behoefte 125.000
tons zou bedragen. De 6 in Nederland gevestigde fabrieken namen op
zich de eerste 80.000 ton te leveren voor een prijs varieerend van
ƒ 3.10 tot ƒ 3.20; met het oog op de steeds stijgende
productiekosten werd die prijs later eenigszins hooger gesteld.
„Dat de productiekosten stegen was een gevolg van de groote
bezwaren, waarmede de aanvoer van de grondstoffen, ruw phosphaat en
pyriet, maar hoofdzakelijk zwavelzuur, gepaard ging. Dit zwavelzuur
wordt in gewone tijden in hoofdzaak uit België betrokken, maar de
Duitsche autoriteiten legden beslag op alle voorraden en het kostte
de grootste moeite eenigszins belangrijke partijen van daar te
betrekken.
„Gelukkig slaagden de onderhandelingen met de Duitsche Regeering om
een niet onbelangrijke hoeveelheid superphosphaat uit België naar
Nederland door te laten, welke vervolgens naar een door de
Nederlandsche Regeering goedgekeurden maatstaf ter beschikking van
den handel werd gesteld.
„Aan de behoefte aan superphosphaat is nog wel niet ten volle, maar
toch in een belangrijk deel voldaan.
„Dank zij de medewerking der Duitsche Regeering zijn er belangrijke
partijen patentkali en 20 pct. kalizout hier te lande aangevoerd.
In de volle behoefte is echter nog niet voorzien”.
In de Nota betreffende den toestand in Juli 1915 wordt opnieuw op de
moeilijkheden der kunstmestvoorziening gewezen. Daarin wordt voorts
mededeeling gedaan van de vorming eener commissie voor de voorziening in
de behoefte aan chilisalpeter. „Deze werd met eenige leden uitgebreid
ten behoeve van de voorziening van kunstmest in den ruimsten zin.”
De Achtste Nota eindelijk, betreffende den toestand in Januari 1916,
zegt van de kunstmestvoorziening, dat zij op den vroeger beschreven voet
werd voortgezet.
„De volgende hoeveelheden werden door de landbouwers voor het najaar
1915 en het najaar 1916 besteld:
65.087 ton chilisalpeter, 14.252 ton ammoniaksuper en 96.482 ton
superphosphaat (basis 14 pct).
„De voorziening der kalizouten kon op doeltreffende wijze plaats
vinden.
„De eerste partij chilisalpeter van de 68.000 ton, die aangekocht
waren, kwam den 15den December te Rotterdam aan. De toen geloste
8900 ton werden tot den vastgestelden prijs van ƒ 17,80 per 100
K.G. (vermeerderd met provisie voor den handel en vrachtkosten) aan
de landbouwers verdeeld.
„Met de distributie van ammoniaksuper kon eerst op het eind van
October een begin worden gemaakt. De verkoopprijs was vastgesteld
op ƒ 12,10 per 100 K.G., eveneens vermeerderd als boven is
aangegeven.
„De levering van in het najaar bestelde zwavelzure ammoniak en
superphosphaat is geheel uitgevoerd.
„Ook was aangekocht 10.000 ton superphosphaat uit Algiers. Het
schip, dat een deel dezer meststof zou aanbrengen, is echter op een
mijn geloopen en gezonken.
„Een tweede schip met 2400 ton is intusschen aangekomen”.
Sedert dien kwamen nog enkele schepen met kunstmest aan, nadat zij, om
niet moeilijk te begrijpen, maar wel moeilijk te billijken redenen,
geruimen tijd door de Britsche autoriteiten waren opgehouden.
Niet minder dan aan de kunstmestvoorziening liet de Regeering zich aan
den toevoer van veevoeder gelegen liggen. Reeds in de Eerste Economische
Nota wordt daarvan gezegd: „Waar te voorzien was, dat zonder haar meer
direct ingrijpen schaarschte zou ontstaan zoowel aan broodkoren als aan
verschillende veevoederartikelen, heeft zij (de Regeering) niet
geaarzeld die goederen rechtstreeks aan te koopen. Het distributiebureau
voor graan en meel heeft zich dan ook van den aanvang af bezig gehouden,
zoowel met den aankoop en de distributie van veevoeder, inzonderheid van
lijnkoeken en vooral van mais, als met dien van broodkoren. In verband
met de zoo bij uitstek lastige roggekwestie, waarover in hoofdstuk II, §
3, werd gesproken, werd spoedig de aanvoer en de distributie van mais
nog krachtiger ter hand genomen en werden speciale regelingen getroffen
tot inruiling van mais tegen rogge. In latere Economische Nota’s wordt
telkens mededeeling gedaan van de verkochte hoeveelheden maïs.
In de Nota over den toestand in April 1915 kon de Minister van Landbouw
verklaren: „De moeilijkheden, die de aanvoer van maïs met zich bracht,
zijn uit den weg geruimd. De voorraad maïs is thans ruim voldoende.
Alleen in de maanden Januari en Februari werden ingevoerd 280 millioen
K.G., terwijl in 1914 over deze maanden de maïs-invoer 98 millioen K.G.
bedroeg”. De volgende Nota, die betrekking heeft op den toestand in Juli
1915, wijst op een moeilijkheid niet in den aanvoer maar in de
distributie van de maïs. Zulke zwarigheden hadden zich trouwens reeds
voorgedaan, toen ik nog aan het hoofd van het Departement van Landbouw
stond. In die Nota wordt geschreven:
„Besloten werd gedurende de maand Mei wekelijks te Amsterdam of te
Rotterdam eene verkooping te houden van 10.000 ton mixed mais. De
prijzen die op die veilingen geboden werden, bleven verre beneden de
verwachting, zoodat weinig of niets kon worden gegund. De mais werd na
de verkoopingen ondershands te koop gesteld tegen een prijs van ƒ 210
per 2000 K.G., tegen welk fixum niet onbelangrijke partijen werden
verkocht. In verband hiermede werden geen openbare verkoopingen meer
gehouden, doch wordt de mais sedert dien tegen voor iedere week
vastgestelden prijs ondershands verkrijgbaar gesteld.”
In de eerste helft van het loopende jaar, toen door nieuwe moeilijkheden
en grooter oponthoud in de scheepvaart het aanvoeren van over zee zoowel
van mais als van tarwe groote bezwaren ondervond, moesten niet alleen de
menschen tijdelijk aan het bruinbrood worden gezet, maar kwam er opnieuw
een korte periode van schaarschte ook in het veevoeder. Zoo hebben ook
de varkensfokkers de „ups en downs” van de oorlogsconjunctuur moeten
meemaken.
Ik heb bij den toestand van land- en tuinbouw en bij de voorziening in
kunstmest en veevoeder van regeeringswege, wat uitvoerig stilgestaan, om
in aansluiting aan hetgeen in hoofdstuk II omtrent de beperking van den
uitvoer van land- en tuinbouwproducten werd gezegd, nog duidelijker te
doen uitkomen, dat regeeringsmaatregelen, waardoor beschikbaarstelling
dier producten hier te lande tegen redelijke prijzen wordt gewaarborgd,
ook al doen zij den boeren en tuinders belangrijke oorlogswinsten
ontgaan, niet alleen--gelijk daar werd betoogd--volkomen rechtmatig
zijn, maar ook in geenen deele in strijd komen met de billijkheid.
Zonder de voortdurende medewerking van de Regeering zou de toestand van
land- en tuinbouw zoodanig zijn geweest, dat van oorlogswinsten in het
geheel geen sprake had kunnen wezen. De Regeering die krachtdadig
ingreep ter behartiging hunner belangen, meer nog dan ter behartiging
van die der industrie, deed dit in het algemeene volksbelang. Zij zou
kortzichtig zijn geweest en haar plicht hebben verzaakt, indien zij
land- en tuinbouw aan hun lot had overgelaten. Maar dit neemt niet weg,
dat de regeeringsinmenging in den aanvoer en de distributie van
veevoeder en kunstmest een zeer belangrijke factor is geweest in de
oorlogsconjunctuur voor land- en tuinbouw. Een factor die de
winstgevendheid der bedrijven zeer verhoogde. Lijnrecht daartegen in
gaat het andere element in de regeeringsinmenging, dat evenzeer zijn
oorsprong heeft in het algemeene volksbelang en dat het tegengaan van
onmatige prijsopdrijvingen ten doel, doch daarmede tevens
onvermijdelijke beperking van oorlogswinsten van land- en tuinbouwers
ten gevolge heeft. Het gaat niet aan, gelijk belanghebbenden wat spoedig
geneigd zijn te doen, om, het aandeel der Regeering in de bepaling der
voorwaarden welke oorlogswinsten mogelijk maken vergetend, de beperking
dier winsten, als gevolg van maatregelen in het belang der volksvoeding,
voor te stellen als een eenzijdig en onbillijk zware belasting van den
boerenstand. Had de Regeering zoowel bij den uitvoer der producten van
land- en tuinbouw als bij den invoer van voor die bedrijven onmisbare
hulpstoffen het „laisser faire” toegepast, dan zou de bevolking in haar
geheel daarvan het slachtoffer zijn geworden; maar tot die lijdende
bevolking zouden dan ook land- en tuinbouwers hebben behoord. Van
oorlogswinst zou dan voor hen--uitzonderingsgevallen daargelaten--in het
geheel geen kwestie zijn geweest. Men doet goed dit niet te vergeten,
als van agrarische zijde de groote opofferingen, welke land- en tuinbouw
zich moeten getroosten, breed worden uitgemeten.
Door het Ministerie van Financiën werd op initiatief en met advies van
den Tuinbouwraad een regeling omtrent het douane-onderzoek van ten
uitvoer bestemde groenten getroffen, waardoor dit, dank zij de
medewerking van vertrouwensmannen uit de tuinbouworganisatie, zonder aan
den waarborg tegen smokkelarij te kort te doen, zeer werd vereenvoudigd.
Daardoor kon de groenteuitvoer belangrijk worden bespoedigd, hetgeen bij
dit aan snel bederf onderhevige product van overgroote beteekenis is.
Bij den tuinbouw waren intusschen enkele takken die niet in den
algemeenen voorspoed deelden. Zoowel voor de boomkweekerij als voor het
bloembollenbedrijf was de oorlogsconjunctuur ongunstig. Reeds spoedig na
het intreden van de crisis wendden de bloembollenkweekers zich tot de
Vereeniging voor den Geldhandel, die in principe wel geneigd was tot het
verleenen van crediet, mits ook de Regeering wilde medewerken. Ik
verklaarde mij, als Minister van Landbouw, daartoe bereid, maar ik
verbond daaraan de voorwaarde dat de kweekers aan hunne arbeiders geen
lager loon zouden betalen dan vóór den oorlog en dat zij de
productiebeperking, welke zij met het oog op den uitvoer wilden
doorvoeren, onder regeeringstoezicht zouden plaatsen, „want--zoo zeide
ik in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914, mijzelven
sprekende tot een deputatie van bollenkweekers invoerend--als gij minder
roeden gaat inplanten dan normaal het geval is en daartoe minder
arbeiders noodig hebt, dan komen wij niet verder, want dan wordt wel uw
handel geholpen, maar krijgt men werkloosheid en dat kan niet de
bedoeling van de Regeering zijn.”
Over die voorwaarden zou men het waarschijnlijk wel eens zijn geworden;
de heele zaak sprong echter hierop af, dat de solidariteit onder de
bloembollenkweekers en -handelaars nog niet tot zulk een graad
ontwikkeld was, dat zij bereid waren onderling voor elkander borg te
staan. De Vereeniging voor den Geldhandel en de Nederlandsche Bank
konden uit dien hoofde op de zaak niet ingaan. Later zijn verschillende
pogingen gedaan om zoowel de bloembollenteelt als de boomkweekerijen aan
het door hen benoodigde crediet te helpen. De Tuinbouwraad, die in den
geheelen oorlogstijd met groote toewijding voor de belangen van alle
onderdeelen van den tuinbouw is opgekomen, heeft zich daarvoor veel
moeite gegeven. Zijn Voorzitter, Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn, die zijn
juridische kennis ten beste gaf, zoowel als zijn volijverige secretaris,
de heer C. van Lennep, hebben zich daarvoor zeer ingespannen. Die
plannen wilden eerst niet vlotten. Toen echter de Regeeringscommissie
voor het Middenstandscrediet in het leven was geroepen, heeft de
Tuinbouwraad het daarheen weten te leiden, dat een speciale credietbank
voor den tuinbouw werd opgericht.
Met krachtige medewerking van de Nederlandsche Handel-Maatschappij kwam
in Augustus 1915 de Centrale Land- en Tuinbouwbank met Winstdeeling tot
stand. Zooveel mogelijk verlangt die bank zakelijke zekerheid. Daartoe
werd door den heer van Doorn een waarborgcontract ontworpen, waarbij de
credietnemer op zijn bollenkraam of zijn te veld staande gewassen een
oogstverband ten behoeve der bank vestigt, in een vorm die met de
bepalingen van ons Burgerlijk Wetboek strookt. Ten einde te bereiken,
dat de bank de noodige deskundige voorlichting zou hebben, zoowel bij de
beoordeeling der aanvragen als bij de controle op den credietnemer en
zijn bedrijf, werd op initiatief van den Tuinbouwraad de vereeniging
„Het Tuinbouwwaarborgfonds” opgericht, met het doel een deel van het
risico der door de Land- en Tuinbouwbank te verleenen credieten op zich
te nemen en in verband daarmede de bij haar binnenkomende aanvragen te
onderzoeken, de onderpanden te taxeeren en het bedrijf van den
credietnemer blijvend te controleeren, zoolang het crediet nog niet
geheel is afgelost. Om dit toezicht afdoende te kunnen uitoefenen,
werden in de verschillende tuinbouwcentra, in samenwerking met den
Tuinbouwraad, sub-comités van het Tuinbouwwaarborgfonds opgericht. De
Land- en Tuinbouwbank sloot zich onmiddellijk na haar oprichting bij de
Regeeringsorganisatie van het middenstandscrediet aan. Daar het maximum
der door de Regeeringscommissie verleende credieten, dat in het
algemeen, behoudens bijzondere toestemming van den Minister van
Financiën, ƒ 1000 bedraagt, hier te laag was, werd het op ƒ 5000
gesteld.
Verschillende minder draagkracht bezittende bloembollen- en boomkweekers
zijn op die wijze geholpen. In het boven bij de bespreking van de
Regeeringscommissie voor het Middenstandscrediet genoemde cijfer der
verleende credieten[19] zijn de tuinbouwcredieten begrepen. Zoowel de
voorspoedige als de in moeilijkheden geraakte tuinbouwers hadden
regeeringssteun noodig. Allen zonder onderscheid behoefden dien voor het
verkrijgen van kunstmeststoffen en van voeder voor hun varkens; de
kleineren onder hen, voor zoover zij in moeilijkheden waren geraakt,
bovendien nog voor het verkrijgen van de staatsgarantie, zonder welke de
zeer geslaagde organisatie van het tuinbouwcrediet niet zou zijn tot
stand gekomen.
[19] Zie bl. 241.
Aan allen heeft de Regeering den steun, waaraan zij behoefte hadden,
zooveel mogelijk verleend. Dit is geen verdienste; het was een gewone
uiting van zorg voor het algemeen belang. Maar men bewere daartegenover
in tuinbouwkringen niet, dat de Regeering alleen oorlogswinsten
kortwiekt. Zoowel tuinbouwers als landbouwers zijn, als zij zulke
beweringen uiten, bevooroordeeld, onbillijk, ondankbaar en.... zij slaan
dan de plank geheel mis.
§ 3. _Visscherij; Scheepvaart._
Hoewel over het algemeen ook de visscherij op den langen duur van den
oorlogstoestand alles behalve schade heeft geleden, was toch haar
toestand in de eerste maanden benauwend genoeg. In het begin van
Augustus 1914 sloeg den visschers bij het vernemen van het uitbreken van
den oorlog den schrik om het hart. De oorlog ter zee kon voor hen
allerlei niet te voorziene gevaren met zich brengen. Op het bericht dat
een groote worsteling was begonnen, die ook ter zee zou worden
uitgevochten, keerde de visschersvloot uit de Noordzee hals over kop
naar huis terug.
Tot de paniek die de visschers beving, hebben de verhalen der bemanning
van een door den Duitschen consul te Rotterdam gehuurd vaartuig, dat den
ongevraagden dienst bewees de Nederlandsche visschers op de Noordzee van
het uitbreken van den krijg te verwittigen, het hunne bijgedragen. De
gedragingen van dat vaartuig en het doel waarmede het, zonder eenige
opdracht van of namens de Nederlandsche Regeering, de Nederlandsche
visschers op zoodanige wijze waarschuwde, dat een deel hunner in den
waan kwam, dat ook ons land in den oorlog betrokken was, zijn duister
gebleven, hoewel van wege de Nederlandsche marine terstond een onderzoek
daaromtrent werd ingesteld.
Na eenige weken bedaarde de schrik. De reeders bekwamen er het eerst
van, en zij deden hun best om ook de bemanningen tot wederuitvaren te
bewegen. Een enkele maal werden daartoe wel middelen beproefd, die niet
door den beugel konden. Zoo kwam mij in September of October 1914 ter
oore, dat een plaatselijk steuncomité, waarin het reederselement nog al
sterk vertegenwoordigd was, het verleenen van steun weigerde aan
visschers, die weer konden gaan varen, maar daartoe niet bereid waren.
Een onderhandsche wenk aan dat comité dat, hoewel het in het algemeen
wel juist was, geen steun te verleenen aan arbeiders, die wel werk
konden vinden maar het niet wilden aannemen, hier toch zulk een drang,
met het oog op de onbekende gevaren, waaraan de zeevisscherij bloot
stond, niet was te rechtvaardigen, was voldoende om het uitoefenen
daarvan te doen ophouden.
Wegens die onbekende gevaren meende de Regeering zich van elke
zijdelingsche aanmoediging tot hervatting der zeevisscherij te moeten
onthouden. Zij had intusschen vrij spoedig plaats, zonder dat daarop
eenigen aandrang behoefde te worden uitgeoefend. Groote zeeslagen,
waarvoor men aanvankelijk beducht was geweest, bleven uit, en voor
zoover zeegevechten voorkwamen, bleken zij voor de visscherij geen
ernstig gevaar op te leveren. Veel droeg tot de hervatting der vaart
bij, dat de prijzen zoowel door de buitenlandsche vraag, als door de in
hoofdstuk II[20] behandelde bevordering van den afzet der producten van
de zeevisscherij hier te lande, spoedig begonnen te stijgen. Die
stijging der prijzen was ook voor de bemanningen een prikkel tot
uitvaren. Doordien de visschers op deel waren, hetgeen wil zeggen dat
ieder zijn van te voren bepaald evenredig gedeelte van de opbrengst van
de vangst krijgt, beteekenden de stijgende prijzen voor de visschers ook
stijgende loonen. In den loop van het jaar 1915 liepen die prijzen en
loonen zelfs zoozeer op, dat zij ongekende welvaart brachten niet alleen
aan de reederijen die de haringvangst of de trawlvisscherij beoefenden,
maar ook onder de bevolking der visschersplaatsen aan de Noordzee.
[20] Zie bl. 74/5.