„Het Kolenbureau beantwoordde ten volle aan de verwachtingen. Geen enkel

bedrijf heeft in het afgeloopen jaar ten gevolge van behoefte aan kolen

ook slechts één oogenblik moeten stilstaan. Ook over de voorziening van

huishoudkolen viel niet te klagen. Daarbij kwam, dat, de

tijdsomstandigheden in acht genomen, deze voorziening geschied is tegen

zeer redelijke prijzen”. Deze officieele lof was volkomen verdiend. Toch

heeft het Kolenbureau niet algemeen de waardeering gevonden, waarop het

aanspraak maken mocht. Ook heeft het den invloed van den kwaden schijn

in zijn samenstelling, dien ik boven aanstipte, niet geheel kunnen

overwinnen. Het resultaat daarvan is geweest, dat het er met 1 April

1916 het bijltje bij heeft neergelegd. Zijn taak werd overgenomen, door

een Rijkskolenbureau onder leiding van den president-directeur der

Staatsmijnen, Mr. Dr. Frowein. Dat Rijksbureau wordt bijgestaan door een

commissie van advies voor de kolenindustrie.

De Nijverheidscommissie, in wier samenstelling ook eenige verandering

kwam, heeft nog andere werkzaamheden te vervullen gehad; echter waren er

daaronder niet van zoo algemeene beteekenis als de kolenvoorziening.

Haar andere bemoeiingen waren van meer specialen aard en betroffen

telkens de zorg voor de beschikbaarheid van voldoende grond- of

hulpstoffen voor bepaalde takken van nijverheid, zooals bijv. van

aniline voor de textielindustrie. Zij heeft daarbij steeds gewerkt in

gemeen overleg met de Regeering en de taak van deze, inzonderheid ook

van het Departement van Buitenlandsche Zaken, herhaaldelijk zeer

verlicht. Ik zou het bestek dat ik mij gesteld heb, te buiten gaan,

indien ik die verschillende bemoeiingen afzonderlijk besprak. Volstaan

kan ik met in herinnering te brengen, hetgeen door den Minister van

Landbouw in de Achtste Nota betreffende den Economischen Toestand over

de nijverheid werd geschreven. „Met voldoening kan worden geboekstaafd,

dat.... de voorziening in tal van andere voor de nijverheid onmisbare

grond- of hulpstoffen (andere namelijk dan kolen) plaats heeft gehad

zonder dat eenige belangrijke bedrijfstak op noemenswaardige wijze in

haar productie werd belemmerd.

„Dit resultaat is echter niet verkregen zonder tijdelijke moeilijkheden

bij die voorziening en zonder dat telkens groote bezwaren moesten

overwonnen worden. Tot het wegnemen van die bezwaren waren voortdurend

de betrokken Departementen en Commissie in de weer.”

De wolvoorziening, die voor een deel der textielnijverheid en voor de

sajetfabrieken van de grootste beteekenis is, werd, voor zoover de

Regeering daarin heeft ingegrepen, niet in de eerste plaats uit

economische overwegingen ter hand genomen, maar op grond van de behoefte

aan militair laken. De Zesde Nota betreffende den Economischen Toestand

vermeldt daaromtrent: „Met het oog op de militaire belangen werd tot

vordering van de scheer- en blootwol besloten. Het was noodzakelijk

daarbij alle inlandsche wol in beslag te nemen, ten einde

onbillijkheden te vermijden en de militaire overheid gelegenheid te

geven die partijen voor militair gebruik te bestemmen, die daarvoor het

meest in aanmerking kwamen. Van de totale hoeveelheid zou echter, naar

zich liet aanzien, een gedeelte ter beschikking van de particuliere

industrie kunnen worden gesteld. Ten einde de wolindustrie zoo goed

mogelijk in verband met de eischen der practijk te regelen, werd op

advies van de Subcommissie voor de Nijverheid uit het Koninklijk

Nationaal Steuncomité eene Wolcommissie ingesteld.”

In verband ook met aanvoermoeilijkheden heeft de Wolcommissie geen

gemakkelijke taak gehad. Toch is het haar gelukt, met medewerking van de

Nederlandsche Overzee Trustmaatschappij, ook den aanvoer van wol van

over zee te bevorderen en hierdoor, zoowel als door hare

distributieregeling, alle fabrieken, die wol verwerken, behoorlijk

gaande te houden.

Men heeft wel getwijfeld aan de wettigheid der militaire wolvordering.

Die twijfel schijnt mij niet gerechtvaardigd, daar de onteigeningswet

gedurende de mobilisatie aan de militaire overheid een onbeperkte,

bevoegdheid geeft tot inbezitneming van hetgeen door haar volstrekt

noodzakelijk wordt geacht. Van het oogenblik af dat die overheid de

wolvordering volstrekt noodzakelijk achtte, hadden de wolbezitters zich

daaraan te onderwerpen, zonder dat hun oordeel of zelfs dat van den

rechter over die noodzakelijkheid aan het vorderingsrecht iets kon

afdoen. Natuurlijk echter is de Minister van Oorlog voor de wolvordering

staatsrechtelijk aansprakelijk, evenals voor alle andere militaire

maatregelen, die onder zijne verantwoordelijkheid werden genomen.

Van de Nederlandsche takken van nijverheid hebben de diamantindustrie en

de bouwnijverheid het meest en het langst onder de crisis te lijden

gehad. Over beide bedrijven moest reeds bij de behandeling der

werkloosheidsverzekering in hoofdstuk III[15] gesproken worden. De

diamantslijperij heeft zich, wat haar belangrijksten tak, de

brillantslijperij betreft, door een ongedachte verlevendiging van de

vraag uit het buitenland, inzonderheid uit Amerika, in het voorjaar van

1916 geheel kunnen herstellen. De roosjesbranche blijft voorloopig nog

slap, maar in de diamantnijverheid schijnt toch wel het grootste leed

van deze crisis geleden. Of de toekomst gunstig zal blijven, dan wel of

na den vrede spoedig een nieuwe crisis of depressie zal intreden, moet

worden afgewacht.

[15] Zie bl. 186/7.

De crisis in de bouwnijverheid is zeer verlicht door de verhaaste

uitvoering van groote werken, waarover ik in verband met de

werkverschaffing sprak[16]. De particuliere woningbouw heeft sterk den

terugslag ondervonden van de duurte van het hypothecaire crediet. Zooals

in het vorig hoofdstuk werd vermeld[17], werd daaraan vooral te

Amsterdam van overheidswege eenigermate te gemoet gekomen. De

particuliere woningbouw is echter, hoewel ook daarin allengs wat

verbetering kwam, toch kwijnend gebleven. Enkele aanverwante bedrijven,

met name de baksteenindustrie, hebben daarvan den terugslag ondervonden.

Toen de credietverhoudingen gunstiger werden, werkten de schaarschte en

de hooge prijzen van verschillende grondstoffen, speciaal van het hout,

belemmerend voor de bouwnijverheid.

[16] Zie bl. 159/160.

[17] Zie bl. 224.

§ 2. _Land- en tuinbouw._

In den aanvang van den oorlogstijd scheen de toekomst ook voor land- en

tuinbouw duister. Deze zeer belangrijke takken van onze volkshuishouding

staan en vallen met den exporthandel, daar hunne producten in veel

grootere hoeveelheden worden gewonnen dan voor het binnenlandsch

verbruik noodig zijn. Het kan dus wel niet anders of de vooruitzichten

moesten voor beiden in het begin van Augustus 1914, toen de meeste dezer

producten ten uitvoer waren verboden en er een bijna algeheele stremming

in het vervoer had plaats gehad, alles behalve rooskleurig zijn. Spoedig

echter kwam de kentering. Toen bleek, dat van de uitvoerverboden, welke

voorzichtigheidshalve in de eerste dagen van Augustus 1914 waren

gesteld, die welke land- en tuinbouwproducten troffen, voor een groot

deel konden worden opgeheven, en toen in de tweede helft van die maand

zoowel het spoorwegverkeer als de groote scheepvaart en de

binnenschipperij zich begonnen te herstellen, kwam er verbetering.

De eerste Nota betreffende den Economischen Toestand, die van het begin

van November 1914 dagteekent, klonk reeds bemoedigend:

„Ten gevolge van de sedert medio Augustus sterk toegenomen

buitenlandsche vraag naar de voornaamste artikelen van land- en

tuinbouw en veeteelt, alsmede naar andere voedingsmiddelen, is de

export van deze producten naar Engeland en Duitschland niet slechts

normaal, maar zelfs grooter dan vroeger geworden”.

De tweede Nota, die den toestand in Januari 1915 weergeeft, kon nog

geruststellender luiden, ook al was zij niet onverdeeld gunstig:

„In den landbouw is de gang van zaken weder vrij normaal geworden.

De voornaamste bezwaren, waaronder deze gebukt gaat, zijn het gebrek

aan veevoeder, voortvloeiende uit de noodzakelijkheid om de rogge

voor de voeding der menschen te bewaren,.... benevens de

moeilijkheid om voldoende kunstmest te krijgen....

„Mede door gebrek aan veevoeder ging de varkensstapel sterk

achteruit, terwijl ook de hoenderteelt zeer belemmerd werd, hetgeen

vooral de kleine landbouwers in de roggestreken benadeelde.

„Overigens stegen de meeste landbouwproducten in prijs, ook die

zooals aardappelen, voor welke tot op zekere hoogte een

uitvoerverbod geldt.

„Ook het stroo, dat volgens het vorige economische overzicht laag

geprijsd was, is zeer gestegen.

„De bietenoogst is geheel naar wensch verloopen. De prijzen der

zuivelproducten zijn hoog.

„Alles te zamen genomen, hebben de landbouwers over het jaar 1914

allerminst te klagen.

„Zulks is feitelijk ook het geval met de groentetelers, al zijn dan

ook de verdiensten in de maand Augustus buitengewoon slecht

geweest.

„Op dezen regel zijn intusschen bij den tuinbouw meer

uitzonderingen dan bij den eigenlijken landbouw; daar er inderdaad

veel kleine bedrijven zijn, die door den zooeven genoemden

tegenslag ernstig getroffen werden.

„Ook het gebrek aan varkensvoeder drukt vele tuinders; deze moeten

toch in het belang der bemesting deze dieren houden”.

De vierde Nota, over den toestand in April 1915, is al weer heel wat

hooger gestemd. Het is de moeite waard den hoofdinhoud van de tamelijk

uitvoerige beschrijving, welke die Nota van land- en tuinbouw geeft,

onverkort mede te deelen:

„Wat den landbouw betreft, zoo mag er op gewezen worden, dat ook

deze in vele opzichten reden tot zeer groote tevredenheid biedt. De

landbouwers hebben zeker in het algemeen allerminst reden tot

klagen.

„Vele producten zijn sedert het vorige kwartaal nog in prijs

gestegen. Dit geldt in de eerste plaats voor varkensvleesch,

waarvan de prijs eene buitensporige hoogte bereikte..... Voor

zoover kan beoordeeld worden, is de fokkerij, die in den

voorgaanden herfst nagenoeg geheel was stopgezet, weder toegenomen.

„Het vette rundvee is ook hoog in prijs. De prijzen der fok- en

melkkoeien zijn iets lager dan zij geweest zijn.

„De boterprijzen, die in ’t begin der maand Maart eene sterke

daling vertoonden, stegen daarna hooger dan in andere jaren om

dezen tijd. Ook de kaasprijzen blijven hoog. Waar de zaken zoo

staan, is het niet moeilijk te verklaren dat de landprijzen,

ondanks den hoogen rentestand eer eene neiging tot rijzen dan tot

dalen vertoonen. Vooral het voor één jaar verpachte grasland bracht

hooge prijzen op. Opgemerkt moet echter worden, dat er betrekkelijk

weinig verkoopen plaats hebben.

„Bij het beoordeelen van den toestand van den landbouw moet wel in

het oog gehouden worden, dat de uitkomsten niet in alle streken

even gunstig waren. Zeer geprofiteerd hebben de groote

kapitaalkrachtige akkerbouwers in de kleistreken. Hunne producten

waren meest alle zeer duur, terwijl zij weinig of geen hinder

ondervinden van Regeeringsmaatregelen of van prijsstijging van

grondstoffen. Ook in de Veenkoloniën waren de uitkomsten, ten

gevolge van de hooge prijzen van aardappelen en aardappelmeel, over

’t geheel zeer gunstig. Minder gunstig, ofschoon toch goed, waren

de resultaten van het zandbedrijf.

„In de weidestreken profiteerde men wel van de hooge vee- en

zuivelprijzen, maar de voordeelen daarvan werden voor een

belangrijk deel geneutraliseerd door de hooge veevoederprijzen.

„Niet alleen varieeren de uitkomsten naar de streek, maar in iedere

streek ook naar de omstandigheid, of men zijne producten vroeg van

de hand heeft gezet, dan wel grootendeels heeft verkocht toen de

prijzen gestegen waren. Uit alle streken komen berichten, die er op

wijzen, dat de kleine boer in den regel aan het kortste eind heeft

getrokken, daar de omstandigheden er hem in den regel toe dwingen

zijn producten zoo spoedig mogelijk van de hand te doen. Vooral in

het begin van de crisis, toen het zoo moeilijk was crediet te

krijgen, deed zich dit verschijnsel sterk gevoelen. Zoo wordt uit

Gelderland bericht, dat de kleine, weinig financieelkrachtige

keuterbedrijven, vooral indien de bedrijfsleider onder de wapenen

was, in de moeilijke eerste weken van de crisis te veel vee en

varkens tegen betrekkelijk lagen prijs van de hand hebben gedaan en

van de daarop volgende betere tijden niet konden profiteeren.

„In Utrecht had hetzelfde plaats. In de zandstreken van die

provincie wordt het veevoeder als regel door de kleine boeren op

crediet gekocht. In Augustus werd contante betaling ingevoerd, wat

leidde tot ontijdig verkoopen van vee en varkens en slecht voeren.

In de Groninger Veenkoloniën trokken de niet-coöpereerende

aardappelverbouwers (dat zijn over het algemeen de kleine) weer aan

het kortste eind. Zij verkochten hunne aardappels in voorkoop voor

80 cents per H.L. en in nakoop aanvankelijk voor nog minder,

terwijl eerst later de prijzen rezen tot ƒ 1.20. Omtrent de

uitkeeringen der coöperatieve fabrieken hoort men daarentegen

bedragen noemen van ƒ 1.50 à ƒ 2.--.”

Omtrent den toestand van den Landbouw in Juli 1915 zegt de zesde Nota:

„Het afgeloopen kwartaal is zeker voor den Landbouw bij uitstek

voordeelig geweest. De hooge prijzen, die voor zoo goed als alle

producten betaald worden, hebben den landbouwers een goeden tijd

bezorgd”.

De achtste Nota geeft meer uitvoerige en zeer belangwekkende

mededeelingen over den toestand in Januari 1916. Ik neem daaruit het

volgende over. Nadat omtrent de akkerbouwgewassen is opgemerkt, dat de

oogst niet te best is geweest, gaat de Nota voort:

Moest de opbrengst den doorslag geven, zoo zou het financieele

resultaat van vele akkerbouwbedrijven niet schitterend zijn geweest,

ja van sommige bepaald onvoldoende moeten worden genoemd. Ten

gevolge van de hooge prijzen, die voor tal van artikelen konden

worden bedongen, waren nu de uitkomsten in het algemeen zeer

bevredigend.

„Zeer hoog in prijs waren de peulvruchten en verschillende

handelsgewassen als: vlas, mosterd, cichorei, blauwmaanzaad en

uien. De prijs der tarwe was niet bijzonder hoog. Haver en gerst

waren naar verhouding duurder.

„Vermoedelijk ten gevolge van de betrekkelijk lage tarweprijzen,

werden omtrent den door de Regeering vastgestelden roggeprijs van ƒ

8 per K.G., die aanvankelijk door de landbouwers te laag geacht

werd, later weinig klachten gehoord.

„De prijs, die voor de op „tel quel contract” verkochte bieten werd

ontvangen, was niet hoog, zoodat, mede ten gevolge van de matige

opbrengst voor de landbouwers, die op deze wijze hun gewas hebben

verkocht, de bietenteelt niet meer dan middelmatige financieele

resultaten heeft gegeven. Gunstiger staan de aandeelhouders der

coöperatieve beetwortelsuikerfabrieken er voor, daar de

suikerprijzen hoog zijn.

„Terwijl in den herfst van 1914, mede ten gevolge van de lage

kartonprijzen en de groote oogsten in de voorgaande jaren, het

stroo zeer goedkoop was, liepen door de geringe stroo-opbrengst, de

sterke stijging der kartonprijzen en wellicht ook door de groote

vraag voor legerdoeleinden, in den herfst van 1915 de strooprijzen

tot eene voorheen ongekende hoogte op.”

Omtrent het akkerbouwbedrijf deelt de Nota voorts mede, dat de verbouw

van aardappelen niet zoo gunstig is geweest als die van andere gewassen,

omdat in verband met den minder goeden oogst, in het najaar geen

gelegenheid tot uitvoer gegeven werd, en dat de uien buitengewoon duur

waren, zoodat de telers daarvan ongekend goede zaken hebben gemaakt.

Daarna zegt zij van de veehouderij:

„Over het algemeen waren de financieele resultaten van de

rundveehouderij zeer gunstig. De prijzen, die het buitenland

besteedde voor boter, kaas en andere melkproducten, waren

buitengewoon hoog. Daartegenover staat, dat er veel boter en kaas

voor het binnenland moest worden geleverd tegen prijzen, die, de

hoogere productiekosten in aanmerking genomen, eer beneden dan boven

de normale waren. Voorts waren de krachtvoedermiddelen hoog in

prijs, evenals het hooi.

Onbevredigend was het financieele resultaat, verkregen door hen die

consumptiemelk leveren.

„De uitvoer van boter en kaas was grooter dan in normale jaren....

„De varkensfokkerij en -mesterij kwam in den loop des jaars de

crisis te boven, waarin zij in den winter van 1914/1915 ten gevolge

van de hooge prijzen van het mestvoer verkeerde. Gedurende de

zomermaanden waren de uitkomsten, ten gevolge van de hooge prijzen

der varkens en de betrekkelijk matige maïsprijzen, zelfs zeer

voordeelig. In de laatste maanden van het jaar is daarin eene

belangrijke verandering gekomen, doordien de maïsprijzen belangrijk

stegen en de prijzen der vette varkens eer neiging tot dalen dan

tot stijgen vertoonden.

„De uitvoer van de onderscheiden soorten van varkensvleesch

(inclusief de levende varkens) bedroeg in 1915 ruim 63 millioen

K.G. tegen 81 millioen in 1914 en 50 millioen in 1913.”

Voor de groentetelers was de oorlogstoestand over het algemeen niet

minder gunstig dan voor de boeren. Zooals boven[18] reeds werd

medegedeeld, schildert de tweede Nota dien der groentetelers over het

algemeen als niet ongunstig. De Nota die den toestand van April 1915

beschrijft, zegt in aansluiting daaraan:

[18] Zie bl. 284.

„In de vorige nota werd opgemerkt dat het jaar 1914 voor de

groentetelers, ondanks de slechte tijden in de eerste weken van de

crisis niet slecht was geweest. Toch leeren de thans bekend geworden

cijfers van menige veilingsvereeniging, dat de totale omzet

belangrijk is gebleven beneden dien van 1913, wat vooral moet worden

geweten aan de geringe opbrengst van de zomergroenten. Het best

waren zij er aan toe, die veel late groenten teelden, welke in de

eerste maanden van 1915 tegen, over ’t geheel, flinke prijzen konden

worden van de hand gezet, zoodat de financieele uitkomsten van het

bedrijf daardoor belangrijk verbeterden. Wat de vooruitzichten voor

het jaar 1915 betreft, kan worden opgemerkt, dat de sterke

uitbreiding, die de groenteteelt in de laatste jaren heeft getoond,

tot staan is gekomen. Speciaal geldt dit voor de teelt onder glas,

waartoe de hooge prijzen van het glas, de hooge rentestandaard,

alsmede de in 1914 geleden verliezen elk het hunne bijdragen,

terwijl men over het algemeen geneigd is eene afwachtende houding

aan te nemen. Een tweede verschijnsel, dat valt te constateeren is,

dat minder is vervroegd, zoowel waar dit gebeurde door stoken als

door het gebruik van broeimest. De oorzaak hiervan schuilt in

verschillende omstandigheden: gebrek aan geld, vrees voor

onvoldoenden aanvoer van brandstof, militaire dienst van den

bedrijfsleider, enz.

„Zooals het zich thans laat aanzien zijn de vooruitzichten voor de

groentetelers gunstig. De afzet naar het buitenland zal, mits de

transportgelegenheid voldoende is, in het komende seizoen

ongetwijfeld zijn tegen loonende prijzen”.

De Nota over den toestand in Juli 1915 maakt er melding van, dat in de

centra voor fruit- en groenteteelt verschillende producten die op den

uitvoer zijn aangewezen, bevredigende en soms zelfs zeer goede prijzen

maakten. De Achtste Nota eindelijk, betreffende den toestand in Januari

1916, zegt van den tuinbouw:

„De opbrengst der warmoezerijgewassen is, vooral wat de producten

van den open grond en speciaal de latere gewassen betreft, zeer goed

geweest.

„Terwijl in het begin van het seizoen de prijzen van verschillende

groenten nogal te wenschen overlieten, waren nagenoeg alle

producten in het tweede gedeelte van het jaar duur. De financieele

uitkomsten van het bedrijf zijn dan ook over het algemeen zeer

gunstig geweest, wat mede blijkt uit de groote bedragen, die op de

veilingen zijn omgezet en de groote hoeveelheden, welke zijn

uitgevoerd....

„Wat de fruitteelt betreft, kan de teelt van bessen, frambozen,

kersen en aardbeien door de ruime opbrengsten en de hooge prijzen

zeer voordeelig genoemd worden.

„Ook over den oogst van appels en peren kan men over ’t geheel

tevreden zijn. De opbrengst is, met uitzondering van enkele centra

in de noordelijke provinciën, buitengewoon groot geweest. De

prijzen waren wel niet hoog, maar over ’t algemeen maakte de hooge

opbrengst de financieele uitkomst toch wel zeer goed. Vooral in

Utrecht, de Betuwe, alsmede in Zeeland is van het fruit veel geld

gemaakt”.

Aanvankelijk wekt het eenige verwondering dat de uitkomsten van de

bloemisterij zeer goed waren. Dit verblijdend verschijnsel vindt hierin

zijn oorzaak, dat in Duitschland de oorlog het betrekken van bloemen uit

Italië en Zuid-Frankrijk verhinderde, ten gevolge waarvan de vraag naar

Nederlandsche bloemen aldaar groot was en daar goede prijzen waren te

maken.

Aan het slot van de beschrijving van den toestand van land- en tuinbouw

zegt de Achtste Nota:

„Evenals ten vorigen jare valt ook thans weer de opmerking te maken,

dat de kleine landbouwondernemers over ’t geheel minder gunstige

financieele resultaten bereiken dan hunne grootere en meer

kapitaalkrachtige collega’s.

„Dit is in de eerste plaats het gevolg hiervan, dat zij minder dan

de grootere landbouwers het voor den verkoop gunstige oogenblik

kunnen kiezen. Voorts staan zij buiten sommige takken van

coöperatie, wat o.a. het geval is ten aanzien van de suiker- en

aardappelmeelfabrieken. Dan worden verschillende producten, die

vooral door Regeeringsmaatregelen zijn getroffen, door den kleinen

producent voortgebracht. Dit geldt o.a. van aardappelen en

consumptiemelk.

„Ten slotte worden juist de kleine bedrijven het meest gedrukt door

de afwezigheid van den bedrijfsleider. Zoo deelde de

Rijkslandbouwleeraar voor Drenthe mede, dat meer nog door

schaarschte van arbeidskrachten dan door financieele onmacht vele

kleine bedrijven zoo worden verwaarloosd, dat de gebruikers

waarschijnlijk geheel geruïneerd worden.”

Deze algemeene opmerking is een illustratie van de aan economisten

genoeg bekende waarheid, dat in den regel het kleinbedrijf het minst

weerstandskrachtig is. In den landbouw is dat echter in veel mindere

mate het geval dan in de nijverheid, waar over het algemeen het

machinewezen aan het grootbedrijf een veel grooteren voorsprong geeft op

de kleine nijverheid, dan het groote landbouwbedrijf op de kleine

boerderij heeft. Het kleinbedrijf ligt in den regel veel dichter bij de

grens der bestaansmogelijkheid dan het grootbedrijf, dat gewoonlijk die

grens in meer of minder belangrijke mate overschrijdt. Toch mag men

hieruit niet afleiden, dat de marginale onderneming steeds onder het

kleinbedrijf is te zoeken. Vooral in een tijdperk van zoo snel

veranderende conjunctuur als de oorlogstoestand te weeg brengt, kan dit

zich in veel gevallen vlugger en gemakkelijker aan de wisselende

omstandigheden aanpassen dan de groote onderneming. In den landbouw is

daaromtrent in deze crisis bij ons weinig ervaring opgedaan, omdat hier

te lande werkelijk groot landbouwbedrijf niet of nauwelijks voorkomt.

Het is trouwens reeds lang bekend, dat daar het middelgroot bedrijf, dat

hier te lande sterk vertegenwoordigd is, over het algemeen de beste

kansen biedt. Het vereenigt, vooral als het aangesloten is bij eene

ontwikkelde in- en verkoopscoöperatie, en daardoor zoowel bij den

aankoop van zaden en meststoffen als bij den verkoop van zijn producten,

van de voor het bedrijf gunstigste kansen kan profiteeren, de voordelen

van het groot- met die van het kleinbedrijf. Op de markt treedt het als

onderdeel van een groot coöperatief lichaam op, dat zoowel bij in- als

bij verkoop de voordeelen van den grooten koopman deelachtig wordt, in

het bedrijf zelf gaat het oog des meesters over alles en zorgt dit

ervoor dat niet geluierd wordt en niet roekeloos met het vee noch met de

grond- en hulpstoffen of met de producten wordt omgesprongen. Dat de

kleinste boeren van de voor den landbouw zoo gunstige conjunctuur niet

het grootste profijt hebben getrokken, behoeft niet te verwonderen;

verwondering zou het gewekt hebben, als het anders geweest ware. Dat

neemt intusschen niet weg, dat ook voor hen de toestand niet slecht was

en in elk geval aanmerkelijk veel beter dan iemand in het begin van

Augustus 1914 durfde hopen.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 28 / 40 段