Evenals de Rijnvaart bleef het havenbedrijf te Rotterdam sterk onder den

invloed van den toestand, zonder dat het ook hier mogelijk was

verbetering aan te brengen. In alle havens was na het uitbreken van den

oorlog een oogenblik van stilstand. Maar over het algemeen herstelde

zich de toestand spoediger dan men had durven verwachten. In de

Amsterdamsche haven werd het bedrijf, hoewel met schommelingen, in den

loop van 1915 zelfs haast weer normaal. Dit is hieraan toe te schrijven,

dat Amsterdam een betrekkelijk groot aantal vaste lijnen heeft en dat de

handel daar voornamelijk eigen handel is van de Amsterdamsche

kooplieden. De doorvoerhandel naar en van Duitschland bekleedt er een

minder belangrijke plaats. Een gevolg van de ligging van de

Amsterdamsche haven. In Rotterdam daarentegen deden de gevolgen van den

oorlog zich bij voortduring sterk gevoelen. De Rotterdamsche haven is

vóór alles doorvoerhaven voor het verkeer naar en van Duitschland en

wordt in normale tijden zeer veel door schepen van vreemde nationaliteit

aangedaan. Met het stilliggen van dien doorvoer, ontzonk aan de

Rotterdamsche haven het hoofdbestanddeel van haar voeding. Het verkeer

werd in deze haven dientengevolge tot omstreeks een derde van den

normalen omzet teruggebracht en het is niet aan te nemen, dat daarin,

zoolang de oorlog duurt, merkbare verbetering zal kunnen komen.

Sprekende over het goederenverkeer, heb ik hetgeen in het algemeen over

de binnenschipperij en het havenbedrijf is te zeggen,--twee takken van

bedrijf, welke men in ons land niet licht mag tellen,--met een enkel

woord hier behandeld, opdat ik daarop later niet behoef terug te komen.

Er was evenwel ter verhelping van den stilstand in het bedrijfsleven in

Augustus heel wat meer noodig dan alleen het weder op gang brengen van

het binnenlandsch vervoer. Er dreigde een economisch gevaar, dat voor

alle takken van bedrijf en ook voor het vervoer zelf noodlottig had

kunnen worden, namelijk kolennood. Men moet de vrees daarvoor hebben

medegemaakt, om te weten wat dit beteekende.

De Limburgsche kolenmijnen zijn in de latere jaren wel sterk uitgebreid

en met name de staatsmijnen kunnen op een verblijdend toenemende

productie wijzen, maar toch voorziet de Limburgsche mijnindustrie in

haar tegenwoordig stadium van ontwikkeling in nog niet een derde

gedeelte van de Nederlandsche behoefte; bovendien zijn de Limburgsche

kolen niet voor alle industrieën geschikt. De constructie der ovens

bepaalt in hooge mate de soort van steenkool, die verstookt worden kan.

Waar men nu geheel in het onzekere verkeerde, hoe het met den aanvoer

van kolen van Duitsche en van Engelsche zijde zou gaan, stond men hier,

zelfs als men de huisbrandkolen voorloopig op den achtergrond stelde,

wat met het oog op den tijd van het jaar kon geschieden, voor een

vraagstuk van de allergrootste beteekenis. Mij benauwde het zoozeer, dat

ik mij in den eersten tijd elken dag geregeld op de hoogte liet houden

van den kolenaanvoer van buiten en herhaaldelijk in den Ministerraad

mededeeling deed van het aantal tonnen buitenlandsche kolen dat

binnengekomen was. Nederland is in normale omstandigheden bijna voor

twee derden van zijn kolenbehoefte op Duitschland en België aangewezen,

Engeland levert ongeveer 10 procent.

Het gevaar dat hier dreigde, moest aanstonds onder de oogen worden

gezien. Toen het mogelijk bleek enkele der uitvoerverboden vooral van

land- en tuinbouwproducten, die in het begin van Augustus

voorzichtigheidshalve waren uitgevaardigd, weer in te trekken, gaf dit

aanstonds verlichting. Wij konden geen kolen van elders krijgen, indien

wij niet van de producten, waarvan ons land meer voortbrengt dan voor de

eigen behoefte noodig is, een deel over de grens lieten gaan. Het weder

openzetten van de grens, behoudens de noodige beperkingen, geschiedde

echter niet in de eerste plaats met het oog op het kolenvraagstuk.

Geheel afgescheiden daarvan zou het onmogelijk zijn geweest, ons binnen

ons eigen gebied economisch op te sluiten; zulk een politiek zou nog

heel wat meer schade hebben berokkend dan de oorlogstoestand zelf.

Daarbij zou hetgeen hier niet noodig en hier niet verkoopbaar was,

waardeloos zijn geworden, terwijl het in den vreemde goed kon worden

verkocht en de aldus verkregen vorderingen op het buitenland, in kolen

en andere hulp- en grondstoffen voor nijverheid en landbouw konden

worden afbetaald.

Maar al geschiedde de opheffing van verschillende uitvoerverboden, welke

omstreeks half Augustus plaats had, niet met het oog op het

kolenvraagstuk; het had daarop een aanstonds voelbare gunstige werking.

Spoedig kwamen weer geregeld kolenladingen, zoowel van Duitschland als

van Engeland binnen. Toch bleef men wat het kolenvraagstuk betreft, op

een smeulende vulkaan zitten. De aanvoer uit Engeland werd spoedig

onzeker wegens het toenemende gebrek aan scheepsruimte en de gevaren van

de zeevaart en bovendien gebruikten beide oorlogvoerende landen, ook al

werd het niet met zooveel woorden uitgesproken, onze kolenbehoefte als

achtergrond bij het stellen van meer of minder ver gaande economische

eischen, waaraan niet altijd kon worden voldaan. Vooral Duitschland, dat

op het stuk der kolenvoorziening, zooals uit de zooeven medegedeelde

cijfers blijkt, den grootsten druk kan uitoefenen, trachtte het daarheen

te leiden, dat er tusschen de beide regeeringen een ruilpolitiek op meer

of minder vast accoord zou worden gedreven. Onze Regeering, inzonderheid

de Minister van Buitenlandsche Zaken heeft van zulk een vaste

ruilpolitiek evenwel niet willen weten. Volkomen terecht. Het volgen

daarvan zou ons zeker in moeilijkheden hebben gebracht. Dit neemt

intusschen niet weg, dat feitelijk met onze behoefte aan Duitsche

grond- en hulpstoffen, en wel in de eerste plaats aan Duitsche

kolen, werd rekening gehouden. Dit kon niet anders en het zou

struisvogelpolitiek zijn geweest, de noodzakelijkheid daarvan te

ontkennen. Ruilaccoorden behoefden echter niet te worden aangegaan en

werden niet gesloten. Duitschland had niet minder behoefte aan

verschillende producten van den Nederlandschen land- en tuinbouw dan wij

aan Duitsche kolen. Zijn eigen belang bracht dus mede ten aanzien van

zijn kolen niet al te vasthoudend te zijn, anders zou het nog meer in

goud hebben moeten betalen en zou de markenkoers nog meer zijn gedrukt.

Wat het kolenvraagstuk aangaat, zijn wij in het internationaal verkeer

wel niet sterk, maar geheel machteloos waren wij ook daarbij in den

oorlogstijd gelukkig niet.

Uit het voorgaande blijkt wel, hoe noodig het was, dat men zich van dag

tot dag op de hoogte hield van de kolenvoorziening. Toen bleek dat, al

behoefde niet voor absoluut gebrek te worden gevreesd, toch niet

gerekend kon worden op meer dan ongeveer twee derden van den normalen

aanvoer van elders, kon men de kolenvoorziening niet eenvoudig haar gang

laten gaan. Het gevolg daarvan zou geweest zijn, dat sommige fabrieken

voldoende voorraden zouden ontvangen, andere wegens kolengebrek zouden

moeten stopzetten, en dat er groote speculatie in steenkool zou

ontstaan, waardoor de prijzen, die toch reeds rijzen moesten, nog heel

wat meer dan noodig zou zijn ter goedmaking van verhoogde productie-,

aanschaffings- en vervoerkosten, in de hoogte zouden worden gejaagd en

dat van een en ander de zwakkere bedrijven, de zoogenaamde marginale

ondernemingen, die zonder te groote verhooging van kosten nog juist

meekonden, zouden te gronde gaan.

Onder deze omstandigheden moest niet alleen gezorgd worden voor

kolenaanvoer, maar ook voor een zooveel mogelijk gelijkmatige verdeeling

van hetgeen aangevoerd werd. De zooeven bedoelde commissie uit het Kon.

Nat. Steuncomité hield zich evenals de Minister van Landbouw met de zaak

voortdurend bezig. Om haar tot een bevredigende oplossing te brengen

bleek het gewenscht, een regeling te treffen, waarbij de geheele

nijverheid invloed kon doen gelden op de behartiging harer belangen bij

het kolenvraagstuk. Deze kwestie is dan ook de naaste aanleiding

geweest, dat de commissie voor de economische belangen uit het Kon.

Nat. Steuncomité, in overleg met het Departement van Landbouw,

Nijverheid en Handel, werd gesplitst in de Commissie voor de voeding

van mensch en dier, waarover in hoofdstuk II werd gesproken, en de

Nijverheidscommissie. De installatie van deze laatste commissie had

plaats door den Minister van Landbouw, als tweeden algemeenen voorzitter

van het Kon. Nat. Steuncomité op 5 Januari 1915, daags na de installatie

van de Commissie voor de voeding van mensch en dier.

De Nijverheidscommissie werd gesteld onder voorzitterschap van Prof. Is.

P. de Vooys, als voorzitter van de uitvoerende commissie van het Kon.

Nat. Steuncomité. Daarin werden als leden opgenomen de heeren, die

zitting hadden gehad in de commissie ter behartiging van de economische

belangen van nijverheid en landbouw, welke op 10 Augustus 1914 was

gevormd, voorts werd zij samengesteld uit de voorzitters van de

verschillende algemeene vereenigingen en bonden op industrieel gebied en

werden daarin nog bovendien als leden opgenomen Prof. Dr. S. Hoogewerff,

Dr. D. W. IJssel de Schepper, Directeur van de Kaarsenfabriek te Gouda

en de heeren Mr. Dr. W. F. J. Frowein, Directeur van de Staatsmijnen in

Heerlen en Mr. A. Haex, secretaris van de Commissie voor den afzet van

Limburgsche kolen. De chef van de afdeeling Handel van het Departement

van Landbouw werd adviseerend lid van de commissie; als algemeen

secretaris trad op de Directeur-Generaal van den Arbeid, algemeen

secretaris van het Kon. Nat. Steuncomité. Uit de groote commissie werd

een bureau samengesteld, dat geregeld tweemaal per week vergaderde.

In zijn installatie-rede van de Nijverheidscommissie zeide de heer

Posthuma:

„De Commissie kan, zooals zij thans is samengesteld, geacht worden een

veelomvattend geheel te zijn van deskundigen achter wie daarenboven nog

de door hen vertegenwoordigde organisaties staan. Zij vormt dus de

vertegenwoordiging van de georganiseerde industrieele bedrijven. Mocht

later blijken, dat het wenschelijk is aan de Commissie alsnog

vertegenwoordigers van andere bedrijven toe te voegen, dan zal dit

alsnog geschieden.

„Het ligt in de bedoeling de Commissie in haar geheel slechts samen te

roepen voor zaken die de geheele industrie betreffen en voor bijzondere

aangelegenheden telkens overleg te plegen met die leden der Commissie,

die op een bepaald gebied deskundig zijn.

„Ten einde een goed verband te houden met de commissie van uitvoering

van het Kon. Nat. Steuncomité was het wenschelijk leden van die

Commissie, namelijk de Voorzitter en het lid, dat de Maatschappij van

Nijverheid vertegenwoordigt, in de gereorganiseerde subcommissie op te

nemen”.

Terloops zij opgemerkt, dat zoowel de Commissie voor de voeding van

mensch en dier als de Nijverheidscommissie feitelijk door den loop der

omstandigheden weldra zoo los kwamen te staan van de Commissie van

uitvoering van het Kon. Nat. Steuncomité, dat deze elke

verantwoordelijkheid voor de handelingen van die in werkelijkheid van

haar onafhankelijk geworden subcommissies van zich afwierp. Dit was

juist; de band tusschen die drie commissies ligt zoo goed als alleen in

haar oorsprong; overigens ging elk haar eigen weg.

Omtrent de wijze van werken zeide de Minister van Landbouw nog, dat het

in het voornemen der Regeering lag voortdurend overleg te plegen met het

bureau der Nijverheidscommissie. „Dit bureau zal den leden der Commissie

kenbaar maken, wanneer het vergadert, zoodat op die tijden bezoeken en

telefonische aanvragen kunnen worden afgewacht. Het ligt in de bedoeling

het hierboven genoemd overleg, inzake kwesties voor bepaalde

industrieën, te plegen tijdens de vergaderingen van het bureau.

„Op deze wijze hoopt de Regeering op de eenvoudigste en vlugste wijze,

door bemiddeling van het Kon. Nat. Steuncomité, van de meest deskundigen

in den lande raad te ontvangen voor het oplossen van moeilijkheden, die

in de eene of andere industrie dreigen.”

Reeds in de eerste vergadering der Nijverheidscommissie liepen de

beraadslagingen hoofdzakelijk over het vraagstuk der kolenvoorziening.

Daar zich hieromtrent groot verschil van gevoelen openbaarde, werd op 13

Januari 1915 een tweede vergadering dier commissie bijeengeroepen,

waarin het vraagstuk door de vertegenwoordigers der bij uitstek

belanghebbende takken van nijverheid nog eens van alle kanten werd

bekeken. Als resultaat van die beraadslaging werd een Kolencommissie

ingesteld, welke, behalve uit het bureau der Nijverheidscommissie,

bestond uit een aantal vertegenwoordigers van groote afnemers van

steenkolen, van de Limburgsche mijnindustrie en van den

steenkolenhandel. De taak der Kolencommissie zou bestaan in de leiding

der distributie. Uit deze uitgebreide commissie werd op 26 Februari 1916

een Kolenbureau gevormd, bestaande uit Prof. Is. P. de Vooys,

Voorzitter van de Nijverheidscommissie, als voorzitter en als leden de

heeren D. G. van Beuningen en F. H. Fentener van Vlissingen, Directeuren

van de Steenkolenhandelsvereeniging, W. van der Vorm, Directeur van de

Scheepvaart- en Steenkolen Maatschappij, Mr. Dr. W. F. J. Frowein,

Directeur der Staatsmijnen, W. Schweitser, Directeur van de mijn Laura

en Vereeniging (tevens vertegenwoordigende de mijnondernemingen

Willem-Sophia en de Domaniale mijnen) en D. W. Stork en Dr. F. G. Waller

als groote kolenverbruikers. Wegens het groote belang der zaak werd ook

het Kolenbureau in een vergadering van de grootere Kolencommissie door

den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel ingeleid. Nadat de heer

Posthuma met een enkel woord had in herinnering gebracht, welke

moeilijkheden ten aanzien van de kolenvoorziening door den oorlog waren

ontstaan, vervolgde hij aldus:

„Waar het Kon. Nat. Steuncomité zich vóór alles tot taak gesteld heeft,

werkloosheid waar eenigszins mogelijk te voorkomen, mocht het geen

afwachtende houding aannemen, en moest het middelen beramen om een goede

distributie der beschikbaar komende kolen te waarborgen.

„Door een dergelijk vooruitziend optreden kon nog een ander gevolg van

kolenschaarschte worden voorkomen, nam. het opdrijven der kolenprijzen,

doordat van alle zijden een sterke aanvraag de markt omhoog zou jagen.

„Het eenige middel om dat doel te bereiken, lag in het centraliseeren

der kolenaflevering. Uitsluitend daardoor was een verdeeling te

ontwerpen, gegrond op een berekening van wat beschikbaar was en van wat

aan alle afnemers kon worden toegekend. De Kolencommissie is zoo

gelukkig geweest de grootste leveranciers van steenkolen, die over

aanzienlijke hoeveelheden kunnen beschikken, bereid te vinden om voor

het gestelde doel samen te werken, en tevens om ook hunnerzijds het

opdrijven der kolenprijzen boven redelijke grenzen tegen te gaan.

Bovendien hebben zij een volledig toezicht van het Kon. Nat. Steuncomité

aanvaard.

„Deze oplossing is op dit oogenblik de beste, die aan het kolenvraagstuk

gegeven kan worden, daar met volledige instandhouding van den

kolenhandel en zijn gebruiken een taak verricht zal kunnen worden,

die wellicht anders de Regeering noodgedrongen zou hebben moeten

ter hand nemen. Na de eerste vraag: waarom is de oprichting van het

Kolenbureau noodig?, rees bij verschillenden een tweede vraag: Worden

de belangen der kolenafnemers door het Kolenbureau wel voldoende

behartigd? Zij, die deze vraag stellen, mogen geen oogenblik de

bijzondere tijdsomstandigheden vergeten, ook al hebben zij die in den

laatsten tijd bij het afnemen van kolen niet bemerkt. Zij zullen nimmer

het voordeel eener behoorlijke regeling en verdeeling der beschikbare

kolen kunnen ontkennen, doch meenen een grooter nadeel aanwezig in het

ontstaan van een monopolie, waaraan zij zich zouden moeten onderwerpen.

„Niet te ontkennen valt, dat het Kolenbureau beschikt over verreweg het

grootste deel der beschikbaar komende steenkolen, doch ware dit niet het

geval, zoo zou het zijn gestelde taak niet kunnen verrichten.

„Zoo weinig beoogt echter het Kolenbureau een monopolie, dat elke poging

om langs anderen weg kolen in ons land beschikbaar te stellen, niet

alleen niet tegengewerkt, maar met vreugde zal worden begroet.

„Waar het echter voor de afnemers voornamelijk op aankomt, is de

hoeveelheid der kolensoorten, die aangeboden wordt, en de prijs dien zij

daarvoor zullen moeten betalen. Het Kolenbureau zal daaromtrent

binnenkort een offerte doen toekomen. Zelf contracteert het bureau niet.

De contracten worden afgesloten met de gewone leveranciers, en volgens

de bestaande gebruiken. Het bureau zorgt uitsluitend voor eene billijke

verdeeling over alle aanvragers op den grondslag van voor allen gelijke

prijzen, die aan het bureau redelijk zullen voorkomen.

„De gang van zaken met deze offerten zal nu de volgende zijn. Zij worden

allereerst opgemaakt en nagezien door het Kolenbureau, waarin twee

gedelegeerden der kolenverbruikers zitting hebben. Nadat deze offerten

zijn verzonden, kan ieder aan het secretariaat van het Kolenbureau

nadere inlichtingen inwinnen en wijzigingen bepleiten. Levert dit voor

hem geen bevredigend resultaat op, dan kan hij op een der wekelijksche

zittingen van het Kolenbureau zijn bezwaren uiteenzetten en herziening

der offerte vragen. Op die zittingen van het Kolenbureau heeft elk lid

der Kolencommissie steeds toegang, om naast de gedelegeerden in het

Kolenbureau de belangen der kolenafnemers te behartigen.

„Wanneer ook dan geen bevredigende schikking wordt getroffen, bestaat er

gelegenheid de arbitrage der Kolencommissie in te roepen. Waar deze

regeling door het Kolenbureau is aanvaard, mag toch gerust gezegd

worden, dat de waarborgen tegen de gevreesde nadeelen van een monopolie

voldoende aanwezig zijn. Het Kolenbureau roept dan ook de hulp in van

alle kolenverbruikers in de nijverheid en het verkeerswezen om deze

poging tot oplossing van het kolenvraagstuk te doen slagen, en te

voorkomen, dat door onrust en wantrouwen in de kolenvoorziening van ons

land groote moeilijkheden zullen ontstaan”.

De Kolencommissie wees den heer van Hasselt, Voorzitter van de

Maatschappij van Nijverheid aan, om eventueele klachten te onderzoeken

en daarop te beslissen.

Bij het lezen van de rede van den tweeden algemeenen voorzitter van het

Kon. Nat. Steuncomité, waarvan ik het meest belangrijke gedeelte hier

overnam, moet het aan ieder opvallen, dat zij afwijkt van een gewone

installatierede. Zij is grootendeels een pleitrede, waaraan ook een

polemisch tintje niet ontbreekt. Daarvoor was aanleiding. Er had zich in

de pers een levendige gedachtenwisseling over de kolenkwestie

ontwikkeld, waarbij vooral de kleinere onafhankelijke kolenimporteurs

zich bevreesd hadden getoond voor het openen van hun relaties aan hun

machtige concurrenten, die in het Kolenbureau vertegenwoordigd waren,

vooral aan de Steenkolenhandelsvereeniging. Daarbij kwam, dat enkele

gelegenheidsimporteurs, die zich ook op het artikel kolen geworpen

hadden, vreesden dat hun de pas zou worden afgesneden tot voortzetting

van hun bedrijf. Uit deze kringen kwam de kreet dat er een gevaarlijk

monopolie zou worden gesticht. Een vurig aanhanger van den vrijhandel

onder alle omstandigheden als den heer Plate klonk deze kreet als

krijgsgeschal in de ooren; hij stelde zich aan de zijde der zich

bedreigd achtende kleinere importeurs en bond den strijd aan tegen de

centralisatie van de kolendistributie. Daarbij kreeg hij den steun van

niemand minder dan Mr. Zimmerman, den Rotterdamschen burgemeester.

Bovendien had ook de Directie van de mijn Oranje-Nassau, de grootste der

particuliere Limburgsche mijnen, zich bij de kolencentrale niet willen

aansluiten. Door een en ander was stemming gemaakt tegen het

Kolenbureau. Daartegenover bepleitte de Minister van Landbouw op goede

gronden, niet dat een gecentraliseerde kolendistributie niet ook

schaduwzijden heeft, maar wèl dat onder de bijzondere omstandigheden,

welke de oorlog had te weeg gebracht, over die bezwaren moest worden

heengestapt, en dat, waar het gelukt was een distributiebureau samen te

stellen, dat de grootste waarborgen van onpartijdigheid gaf, ’s lands

belang medebracht, dat de kolenhandel en de kolenverbruikers zoo

algemeen mogelijk van de tusschenkomst van dit bureau zouden gebruik

maken.

Intusschen kan niet worden ontkend, dat het lidmaatschap van

vertegenwoordigers van de twee groote kolenimporteurs, de

Steenkolenhandelsvereeniging wat den invoer van Duitsche kolen betreft

en de Scheepvaart- en Steenkolen-Maatschappij voor dien van Engelsche

kolen, voor de kleinere importeurs een bedenkelijken kant had en dat

daardoor tevens den schijn van partijdigheid naar buiten werd gewekt. Ik

ben overtuigd, dat bij de wijze van werken van het Kolenbureau van

partijdigheid in werkelijkheid geen sprake is geweest, maar het is bij

zulke zaken gewenscht ook den schijn van het kwade te vermijden. Dat was

hier evenwel niet goed mogelijk, daar voor de goede werking van het

Kolenbureau de medewerking van de grootste importeurs onmisbaar was. Zij

hebben die op volkomen loyale en alleszins te waardeeren wijze verleend.

Het Kolenbureau kon zich niet uitsluitend bepalen tot de distributie van

de steenkolen, die ter beschikking gekomen waren; het moest

herhaaldelijk ook zijn tusschenkomst verleenen om den aanvoer van

buitenlandsche steenkool, als daarin stagnatie dreigde te komen of de

hoeveelheden sterk verminderden, te bevorderen. Daartoe moest nu eens

met de Duitsche dan weer met de Engelsche mijnbesturen worden

onderhandeld, en daar deze niets mochten doen zonder ruggespraak met

hunne regeeringen, is het duidelijk dat dit onderdeel van de taak van

het bureau niet het gemakkelijkste was. Het enkele feit, dat men hier

van beide zijden kolen noodig had, wekte telkens wantrouwen, en er waren

heel wat overleggingen en waarborgen noodig, om dat wantrouwen weg te

nemen. Over het algemeen mocht het Kolenbureau de voldoening smaken dat

haar dit gelukte, al ging het niet steeds even vlot en spoedig.

Toen het Kolenbureau eenige maanden gewerkt had, de schommelingen in de

aanvoeren had gezien en zich de mogelijkheid niet kon ontveinzen, dat er

zich omstandigheden zouden voordoen, waaronder de aanvoer van steenkool

uit het buitenland tijdelijk ernstig zou kunnen worden verstoord, nam

zij het initiatief tot het oprichten van een Onderlinge

Kolenreserve-Maatschappij. Dit denkbeeld vond hier veel bijval en kreeg

dan ook een begin van uitvoering. Het bleek intusschen spoedig dat het

wantrouwen wekte in de landen van waar kolen hierheen gezonden moesten

worden. Het is wel eenigszins begrijpelijk, dat men in de

kolenexporteerende landen, die zelf door den oorlog allerlei

moeilijkheden in hun mijnindustrie ondervonden, niet veel lust had, ons

niet alleen te helpen aan bevrediging onzer rechtstreeksche behoefte,

maar ons ook nog in staat te stellen een appeltje voor den dorst achter

te houden. Onder die omstandigheden was te vreezen, dat verder

doorzetten van het plan, den geregelden aanvoer zou kunnen in gevaar

brengen en dus juist den toestand zou kunnen verhaasten, waartegen men

zich wilde wapenen. Het plan werd daarom niet verder uitgevoerd en de

zaken van de Kolenreserve-Maatschappij werden na eenige maanden

geliquideerd. Men kan ook te veel willen voorzien.

In de Achtste Nota betreffende den Economischen Toestand, die in Maart

1916 door den Minister van Landbouw aan de Tweede Kamer werd aangeboden,

werd van de werking van het Kolenbureau gezegd:

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 27 / 40 段