een krachtig afwijzend advies van de groote bankiers. In de Eerste Kamer
zeide ik daarvan: „De quaestie van een moratorium heeft reeds sinds
eenige dagen de ernstige overweging uitgemaakt van den Ministerraad.
Over de quaestie van het moratorium is Zaterdag zeer uitvoerig gesproken
in de vergadering die de Ministers van Financiën en Justitie en ik zelf
gehad hebben met den president van de Nederlandsche Bank, het consortium
van bankiers, waarop de heer Van Nierop doelde, den voorzitter van den
Provincialen Bond van effectenhandelaren, den voorzitter van de
Rotterdamsche Vereeniging en die van de Amsterdamsche Vereeniging voor
den Effectenhandel. Na zeer ampele bespreking van het voor en tegen is
men toen gekomen tot de conclusie, dat men hoopte, gelijk zooeven de
heer Van Nierop het zeide, zonder moratorium den toestand meester te
kunnen blijven. Ik geloof dat er op dit oogenblik geen reden is om
daaraan te wanhopen. Nadat Zaterdag het besluit genomen was, waarmede de
Regeering zich eenstemmig verklaarde, wordt door de Regeering geen
voorstel tot een moratorium gedaan. En nu is mij gisteren door den
voorzitter van den Provincialen Bond voor den effectenhandel
telephonisch medegedeeld.... (De heer Van Nierop: die het moratorium het
meest wenschte).... dat het bestuur van den Provincialen Bond overleg
heeft gepleegd met het bewuste syndicaat van bankiers te Amsterdam, en
dat men daarbij is gekomen tot een regeling, speciaal wat betreft de
wijze van handelen met opvragingen van deposito’s, waardoor de
beschikbare kredietmiddelen op zoo goed mogelijke wijze ter beschikking
zullen worden gesteld van hen, die ze werkelijk absoluut noodig
hebben....”. In de Tweede Kamer had ik even te voren in gelijken geest
gesproken. Daar had ik er nog aan toegevoegd:
„Maar ik kan aan den heer Troelstra de verzekering geven, wanneer het
mocht gebeuren dat op het oogenblik op eenigszins belangrijke schaal
personen, die in de tegenwoordige omstandigheden hun woninghuur niet
kunnen betalen, uit hun woning werden gezet, zij het dat dan ook niet
een algemeen moratorium zal worden afgekondigd, toch maatregelen zullen
worden genomen om dat tegen te gaan.
„Dat op het oogenblik geen executies worden gedaan wegens achterstallige
belastingen--de heer Troelstra zeide het zelf--het spreekt zoo absoluut
van zelf, dat men daaromtrent van de zijde der Regeering wel geen
verklaring zal verlangen.
„Ik kan dus dit zeggen, wat betreft het punt van het moratorium, dat de
zaak in ernstige overweging is geweest bij de Regeering; dat men op het
oogenblik heeft gemeend ter wille van het krediet niet verder op dit
denkbeeld te moeten ingaan en voorloopig het geheele denkbeeld van het
instellen van een moratorium ter zijde te moeten stellen....
„Waarom heeft de Regeering begrepen dat men in de kringen van den
geld- en crediethandel hier juist zag? Omdat het groote gevaar,
natuurlijk naast het oorlogsgevaar, is dat het Nederlandsche publiek
onder den indruk van de toch reeds zoo ernstige toestanden, de zaak nog
veel erger maakt door wantrouwen te toonen, waar dat wantrouwen niet op
zijn plaats is. Wanneer nu van de Regeering reeds uitging een voorstel
om een algemeen moratorium in te stellen, d. w. z. om ieder die schuld
heeft gedurende zekeren tijd te ontslaan van de verplichting om die te
betalen, kan men vooruit verwachten, dat dit opnieuw groote schokken op
de credietmarkt tengevolge zou hebben.”
Intusschen was met deze afwijzende houding de aandrang tot het
uitschrijven van een moratorium niet gebroken. In de vergadering van de
Tweede Kamer van 6 Augustus bepaalde de heer Bos zich er toe, nogmaals
het oordeel van de Regeering omtrent de zaak te vragen. De heer Aalberse
daarentegen ging verder. In aansluiting aan hetgeen door den heer De
Visser in de vorige vergadering was opgemerkt, vroeg hij „of in de dagen
die sinds de vorige vergadering verloopen zijn, door de Regeering nog
overwogen is, of de bezwaren van den toestand zooals die nu is,
misschien toch niet erger zijn dan de bezwaren welke men vreest van de
invoering van een moratorium.”
Die hernieuwde aandrang was trouwens een weerklank op hetgeen nog bij
een groot deel van het publiek daaromtrent leefde. Het gesprokene in de
vergaderingen van 3 Augustus had de stroom van verzoeken tot het
wettelijk toestaan van uitstel van betalingen niet gestuit. Woensdag 5
Augustus had ik zelfs een bezoek gehad van verschillende voorzitters van
Kamers van Koophandel ter mondelinge toelichting van een verzoek in dien
geest. Die heeren bracht ik bij dat bezoek de groote bezwaren tegen
voldoening aan hun wensch onder het oog, en ik kreeg den indruk, dat,
zoo zij al niet door mij bekeerd waren, ik hun eigen overtuiging toch
aan het wankelen had gebracht. In overeenstemming met wat ik hun
binnenskamers had gezegd, gaf ik den volgenden dag in de Tweede Kamer
voor de tweede maal een afwijzend betoog, dat ik hier laat volgen, omdat
daarin alle gronden van de Regeering tot afwijzing van het moratorium
zijn samengevat:
„De Regeering is ook geheel doordrongen niet alleen van de
gewettigdheid, maar ik mag wel zeggen ook van het sympathieke van de
vrees van zoovele handelaars en industrieelen, dat zij door de
omstandigheden zouden kunnen komen in faillissement.
„Het is inderdaad gelukkig, dat onder degenen, die zich met handel en
nijverheid bezighouden, hier in Nederland een zóó sterk gevoel bestaat
dat zij moeten opkomen voor hun goeden naam, dat de vrees dat zij in
faillissement zouden kunnen geraken, hun reeds in zoo hooge mate
benauwt.
„Ik begrijp dus ten volle den aandrang, die telkens weer geoefend wordt
tot het uitschrijven van een moratorium, maar ik ben het met den
geachten afgevaardigde uit Winschoten eens, dat--het bleek tusschen de
regels door in hetgeen hij zeide--wat een moratorium eigenlijk
beteekent, niet altijd helder voor den geest staat bij hen die er naar
vragen. Nu wil het mij voorkomen, dat zoo algemeen als men het zich
voorstelt, dat van regeeringswege zou kunnen worden bepaald, dat men
eenvoudig gedurende eenigen tijd zijn schulden niet meer behoeft te
voldoen, dit toch wel een onmogelijkheid zijn zal.
„Ik wijs in de eerste plaats op de vorderingen wegens gepraesteerden
arbeid. Niemand zal toch willen dat de werklieden aan het eind der
week niet meer zouden kunnen rekenen op de betaling van hun loon. Ik
wijs verder op alles wat betreft de levensmiddelenindustrie. Stel
eens dat het zóó ver ging, dat men zou bepalen, dat men niet verplicht
was te betalen schulden, die gemaakt zijn in verband met de
levensmiddelenindustrie of de levensmiddelendistributie. Ik behoef wel
aan niemand te zeggen dat men de zaak daardoor niet beter zou maken.
Wanneer fabrikanten wel verplicht zouden zijn om aan allerlei
verplichtingen te voldoen wat werkloonen betreft, en wat betreft ook het
betalen van grondstoffen--want zij zouden die grondstoffen niet anders
dan tegen contant geld kunnen krijgen, zoodra er een moratorium
was--maar wanneer zij uitstaande vorderingen hadden, die niet binnen
zouden krijgen, iedereen voelt dat dan al heel spoedig het geheele
economische leven vast zou loopen, veel erger dan op het oogenblik het
geval is.
„Daarbij komt dat sommigen zich van het moratorium niet meer voorstellen
dan alleen de opheffing van de verplichting om wisselschulden te
betalen. Die opheffing van de verplichting om wisselschulden te betalen,
wanneer het niet verder ging dan dit, zou natuurlijk niet zóó ernstige
gevolgen hebben. Maar daar zouden andere ernstige gevolgen aan verbonden
zijn, namelijk dit, dat men dan wel min of meer misschien den
groothandel zou helpen en enkelen van den middenstand, maar dat de
middenstand in het algemeen daarmede niet geholpen zou worden.
„Men moet in de zeer abnormale omstandigheden waaronder het economisch
leven thans moet worden geleid, nu het kredietwezen gestoord is zonder
dat iemand daar iets aan verhelpen kan, uiterst voorzichtig zijn die
stoornis niet grooter te maken. Welnu, Mijnheer de Voorzitter, degenen
in overleg met wie de Regeering thans bezig is te trachten aan de
economische crisis het hoofd te bieden, ontraden, blijven ontraden met
de meeste beslistheid het instellen van een moratorium.
„Hedenmorgen heb ik het volgende telegram ontvangen:
„Vergadering Bankconsortium bijgewoond door de Nederlandsche Bank is na
rijp beraad van oordeel, dat moratorium een allerbedenkelijkste sprong
in het duister zou zijn, waardoor de ongerustheid niet verminderd, doch
vermeerderd zou worden. Bij de groote elasticiteit der Nederlandsche
Bank, welke blijkens laatsten bankstaat nog over zeer voldoende middelen
beschikt en de bevredigende werking van het Banksyndicaat, dat handel en
industrie zooveel mogelijk gaande houdt en spaarbanken steunt en waaraan
nog grooter publiciteit zal worden gegeven, adviseert zij ten sterkste
tegen moratorium dat het geheele credietwezen zou ontwrichten en groote
rampen speciaal voor Indië zou medebrengen, alsook den goeden naam van
Nederland voor langen tijd onnoodig zou schokken. Uit die kringen welke
thans op moratorium aandringen, ontving het bankiersconsortium geen
noemenswaardige aanvragen. Eerst indien de toestanden nog veel ernstiger
mochten worden, zou aan speciale wettelijke maatregelen gedacht moeten
worden.”
Dat was de laatste maal, dat ik mij tegenover aandrang tot uitschrijving
van een moratorium behoefde schrap te zetten. Ik beeld mij intusschen
niet in, dat dit op rekening van mijn overredingskracht mag worden
geschreven. De oorzaak daarvan ligt elders en dieper. De algemeene
economische toestand zelf werd, zooals wij reeds zagen en in het
volgende hoofdstuk nog nader zal uitkomen, spoedig daarna zooveel minder
gespannen, dat het verlangen naar een moratorium daarin met den dag
minder voedsel vond. De ontwikkeling van den toestand zette de kroon op
het hoofd van hen, die het uitschrijven van een moratorium zoo positief
hadden ontraden en wettigde daarmede tevens de afwerende houding der
Regeering.
Intusschen meene men niet, dat er geen verandering in betalingsplicht
was gekomen. In het algemeen gesproken en de feiten alleen toetsend aan
de rechtsregelen, die er op van toepassing zijn, werd er daarin
inderdaad niets gewijzigd, voordat de Uitwinningswet en de Beurswet in
het Staatsblad kwamen. Maar toch waren er vóór die wettelijke
veranderingen reeds feitelijke afwijkingen van den betalingsplicht
gekomen, die als een gedeeltelijk moratorium waren op te vatten. De
beursbezoekers waren daarmede begonnen, toen zij de sluiting der beurs
doorzetten. Immers, daar aanzegging van prolongaties alleen op een
beursdag kan geschieden, hadden de commissionnairs-geldnemers zich met
die eigenmachtige daad tevens een uitstel van betaling bezorgd, dat
zoolang de beurs niet geopend werd, zou duren. Door de Beurswet werd
die daad van eigen richting, welke in de omstandigheden haar
verontschuldiging en zelfs haar rechtvaardiging vond, in het begin van
September wettelijk gesanctionneerd. Aan de Rijkspostspaarbank werd
langs wettelijken weg een uitstel van betaling voor een maximalen
termijn van zes maanden verzekerd. De bankiers decreteerden voor
zichzelf een uitstel van betaling van deposito’s, voor zoover hunne
cliënten niet konden bewijzen daaraan werkelijk behoefte te hebben, en
dat wel na overleg en met medeweten van de Regeering. Bij de wet werd
voorts voorzien in het geval, dat de Nederlandsche Bank uitstel van
betaling voor haar circulatiepapier zou behoeven, een geval dat zich
gelukkig niet heeft voorgedaan. Gedeeltelijke, deels wettelijke deels
feitelijke, moratoria waren er dus wèl.
Maar de Regeering is daarbij niet blijven staan. Den 6den Augustus kon
ik in de Tweede Kamer mededeeling doen van een circulaire, welke de
Minister van Justitie op mijn aandrang dienzelfden dag had gericht tot
de verschillende rechterlijke colleges, de ambtenaren van het Openbaar
Ministerie en de notarissen, en waarvan ook exemplaren waren gezonden
aan advocaten en deurwaarders. De hoofdinhoud daarvan bestond hierin dat
de Minister van Justitie, met eerbiediging van de zelfstandigheid der
rechterlijke macht, haar zoowel als het Openbaar Ministerie en de
notarissen op het hart drukte, de tijdsomstandigheden in aanmerking te
nemen en er toe bij te dragen „een gerechtelijke of buitengerechtelijke
uitwinning van goederen of faillietverklaring voorshands te voorkomen,
wanneer het niet-voldoen aan zijn verplichtingen door den debiteur
alleen of hoofdzakelijk moet worden toegeschreven aan de buitengewone
omstandigheden” en daarmede „voor zooveel in hun vermogen is, te
voorkomen dat de economische toestand voor talrijke Nederlanders niet
nog ongunstiger worde dan onvermijdelijk is.”
Die circulaire en haar bekendmaking in ruimen kring was vooral bedoeld
als een geruststelling aan den middenstand. Het gevaar van
faillietverklaring was daardoor, ook zonder moratorium, hoewel wettelijk
niet verminderd, toch feitelijk zeer verkleind. Het is intusschen niet
te verwonderen dat de Minister van Justitie met zulk een toestand,
welke wettelijken grondslag miste, geen vrede kon hebben. Van daar dat
door hem onverwijld werd gearbeid aan een wetsontwerp, dat den rechter
wettelijke bevoegdheid zou geven tot uitstel van executie in alle
gevallen, waarin hij de overtuiging bij zich droeg, dat de schuldenaar
door de omstandigheden buiten staat was geraakt, aan zijn
betalingsplicht te voldoen, alsmede dat een uitstel hem zou kunnen
baten. Dat wetsontwerp kwam met het ontwerp-beurswet ter tafel in de
vergadering van financiers, waarin ook het laatstgenoemd ontwerp werd
behandeld. Het kwam daar eenigszins in verdrukking, doordien dit ontwerp
bijna den ganschen beschikbaren tijd in beslag nam, maar toch bleek wel
dat principieel bezwaar er niet tegen bestond. Ook in de beide Kamers
der Staten-Generaal vond het geen principieele tegenkanting. Alleen ging
het sommigen, met name den sociaal-democraten, niet ver genoeg.
Zoo kwam de Uitwinningswet tot stand, die op denzelfden dag als de
Beurswet, namelijk op 4 September 1914, werd afgekondigd. Volgens die
wet kreeg de rechter, indien hij de overtuiging had dat de schuldenaar
door de omstandigheden tijdelijk niet in staat was te betalen, niet
alleen de bevoegdheid dezen ten hoogste zes maanden uitstel te
verleenen, maar werd bovendien wettelijk vastgesteld, dat met zulk een
rechterlijk uitstel ook de contractueele nadeelige gevolgen van
niet-betaling op tijd--men denke aan het niet tijdig betalen van
verzekeringspremies, van huurpenningen enz.--zoolang het verleende
uitstel niet was verstreken, zouden worden opgeschort en dat deze geheel
zouden vervallen, indien binnen den verleenden termijn door den debiteur
alsnog betaald werd.
Deze wet heeft vooral een preventieve werking gehad en sloot zich te
dien aanzien geheel aan bij de circulaire van den Minister van Justitie
van 6 Augustus. Zij gaf daaraan niet alleen wettelijke wijding, maar zij
regelde tevens het juridisch gevolg van het uitstel van executie, dat de
rechter wegens de bijzondere tijdsomstandigheden kon verleenen. Op
verbintenissen aangegaan nà 29 Juli 1914 en op hetgeen geregeld werd bij
de Beurswet is de Uitwinningswet niet van toepassing. Bij de
eerstbedoelde verbintenissen valt het motief van deze wettelijke
afwijking van het gemeene recht weg, bij de laatste was de
Uitwinningswet overbodig en zou zij slechts aanleiding hebben kunnen
geven tot verwarring, voor zoover zij als algemeene regeling met de
speciale regelen door of krachtens de Beurswet gesteld, niet zou
strooken.
Zóó is door geruststelling te brengen en nadeelige gevolgen van uitstel
van betaling, ingeval daartoe aanleiding bestond, weg te nemen, het
eerste en heftigste stadium van de crisis doorstaan zonder een algemeene
opschorting van betalingsplicht, die in stede van rust te geven, nieuwen
angst zou hebben gewekt en nieuwe verwikkelingen zou hebben gebracht.
Meer nog intusschen dan door deze maatregelen is aan de crisis, toen
haar golven hun hoogtepunt bereikten, het hoofd geboden door hetgeen
gedaan werd om aan de debiteuren het voldoen aan hun betalingsplicht
mogelijk te maken. Allen die daartoe hebben bijgedragen, de
Nederlandsche Bank, de Vereeniging voor den Geldhandel en weldra ook de
spaarbanken en middenstandscredietbanken, alsmede de steuncomités voor
zooveel huurschulden betreft, hebben groote reden tot voldoening over
hetgeen door hunne werkzaamheid in overleg en in samenwerking met de
Regeering werd bereikt. Noch het aantal faillissementen, noch het aantal
uitzettingen wegens huurschuld, noch het aantal andere executies steeg
boven het normale cijfer. Ieder voor zijn aandeel heeft reden daarop
trots te zijn. En zelfs onder hen, die in Augustus 1914 het sterkst
aandrongen op de afkondiging van een moratorium, is er wel niemand, die
niet dankbaar er op terugziet, dat aan zijn aandrang werd weerstand
geboden.
HOOFDSTUK V.
HET OP GANG HOUDEN DER BEDRIJVEN.
§ 1. _Nijverheid; kolenvoorziening._
Welk een krachtsinspanning er noodig is geweest om in Augustus 1914 het
bedrijfsleven weer in het spoor en op gang te brengen, kan men zich het
best voorstellen door zich te bedenken, hoeveel meer er toe noodig is,
een trein, die ontspoord is, weer op de rails te brengen en aan het
rollen te krijgen, dan om hem te doen voortloopen, als hij, zonder
stoornissen te ontmoeten, langs zijn baan rolt. De economische
spoortrein was bij het uitbreken van den oorlog dusdanig gederailleerd
en had zich zoo diep in het zand gewoeld, dat de krachten van de
Regeering alleen bij lange na niet voldoende zouden zijn geweest, om hem
weer op gang te brengen. Het was niet slechts een enkele wagen, die
gelicht moest worden; een gansche trein lag door elkaar, en overal
tegelijk moest men de schouders er onder zetten, wilde men hem weer op
dreef brengen. Gelukkig bleef de Regeering niet van hulp verstoken. De
financiers waren het eerst paraat. Hun voormannen waren reeds bij de
hand, toen men er zich nog nauwlijks rekenschap van had kunnen geven,
dat er een ontsporing had plaats gehad. Naast de maatregelen op
financieel gebied, welke ik in het vorig hoofdstuk behandelde en die
veel tijd van bespreking en voorbereiding vorderden, was er, zooals
vooral in het tweede hoofdstuk uitkwam, in de eerste dagen van Augustus
nog zooveel meer te doen, dat alvorens het Kon. Nat. Steuncomité was tot
stand gekomen, de Regeering geen tijd had gehad, om ernstig na te gaan,
hoe de ontspoorde economische trein, behalve door de maatregelen tot
regeling van het geld- en credietwezen, weer kon worden gelicht en op de
rails gezet. Maar met den 10den Augustus 1914 veranderde dit. De
financieele reddingsbrigade was op dien dag reeds in volle werking, en
toen ook eerste mannen uit de kringen van handel, nijverheid en landbouw
zich voor georganiseerde hulpverleening beschikbaar stelden, was men den
toestand spoedig meester.
In de avondvergadering van de uitvoerende commissie van het Kon. Nat.
Steuncomité, welke op den dag der installatie van dat comité werd
gehouden, toen in klein gezelschap dieper werd ingegaan op hetgeen
gedaan moest worden, was men het er spoedig over eens, dat het in gang
houden van nijverheid en land- en tuinbouw, en wel speciaal van de
voortbrenging van levensmiddelen, tot het eerst noodige behoorde.
Daartoe moesten vóór alles pogingen worden aangewend om het
binnenlandsch goederenverkeer, dat door de eischen, die de mobilisatie
en de troepenconcentratie aan de spoorwegen stelden, grootendeels was
stopgezet, zoo spoedig mogelijk weer vlot te krijgen, voor zoover dit in
verband met de belangen der landsverdediging mogelijk zou zijn.
Voor dit bij uitstek moeilijk onderdeel van de taak, die het Kon. Nat.
Steuncomité zich stelde, werd een afzonderlijke commissie gevormd,
waarin werden opgenomen: vertegenwoordigers van den Tuinbouwraad, het
Landbouwcomité en de Maatschappij van Nijverheid, met den
Directeur-Generaal van Landbouw en den chef der afdeeling Handel van het
Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel; voorts werd besloten de
heeren A. G. Kröller, Jhr. H. Loudon, Dr. A. Plate en Dr. F. G. Waller
uit te noodigen in die commissie deel te nemen. Zij koos den heer Plate
tot haar voorzitter. In de notulen der vergadering werd haar taak aldus
omschreven:
„De taak der Commissie zal vooral omvatten:
1e. het voorkomen, dat voedingsmiddelen, die op het oogenblik geen of
geen voldoende markt vinden, bederven en verloren gaan;
2e. de fabriekmatige productie en conserveering van levensmiddelen
gaande te houden;
3e. de regelmatige en doelmatige distributie van voedingsmiddelen te
verzekeren.
„Hiertoe zal, in samenwerking met de daarmede alreeds belaste
Afdeelingen van het Departement van Landbouw vooral aandacht gewijd
worden aan de distributie van noodzakelijke grondstoffen en
hulpmiddelen, als steenkolen, die in de eerste plaats ten goede moeten
komen aan de productie en distributie van voedingsmiddelen.
„Ten slotte zal deze Commissie met de Regeering samenwerken in hare
pogingen tot beperking van verdere uitbreiding der werkeloosheid. Met
het oog op het laatste wordt alreeds in beginsel besloten, dat men zich
dadelijk zal wenden tot de plaatselijke steuncommissies en de
organisaties op het gebied van den arbeid, met het verzoek het Comité te
willen inlichten, ingeval eenige industrie dreigt te worden stopgezet,
onder mededeeling van de redenen hiervan en van eventueele middelen om
zulks te voorkomen.
„De Afdeeling Arbeid zal zich ten deze wenden tot de fabrieken zelve,
aangezien dit meer op haar weg ligt. Overigens zullen de Afdeelingen van
het Departement ten deze in alles met het Comité samenwerken, en worden
hier de noodige gegevens en cijfers verzameld, die men voor de
beoordeeling van den toestand noodig heeft.”
Wat gedaan werd op het gebied der distributie van voedingsmiddelen en
ter beperking der werkloosheid werd reeds in vorige hoofdstukken
besproken. Hetgeen door de commissie uit het steuncomité en van
regeeringswege geschiedde om de nijverheid weer op de been te helpen en
het vervoer meer normaal te doen worden, droeg natuurlijk indirect
krachtig bij tot de inperking der werkloosheid.
In de eerste plaats vroeg het vervoerwezen de aandacht. De nijverheid
ondervond van de desorganisatie daarvan, als gevolg der militaire
maatregelen, groote belemmeringen. In verschillende nijverheidscentra,
waarheen de fabrieksbevolking gewend is ’s morgens per trein te gaan, om
’s avonds op dezelfde wijze naar huis terug te keeren, was het voor de
arbeiders zelfs nauwlijks mogelijk naar de fabriek te komen. Het vervoer
van vrachtgoederen per spoor was zoo goed als uitgesloten. Zelfs het
verkeer te water was grootendeels gestremd. De schippers waren bevangen
door schrik en vreesden gevaar ook op de meest veilige vaarten en
kanalen; op sommige kanalen was de vaart gestremd door maatregelen ter
voorbereiding van de eventueel te stellen militaire inundatie;
stoombootdiensten lagen stil door kolennood.
Er was dus heel wat te doen. Bij de militaire autoriteiten werd een
gewillig oor gevonden om de grootste misstanden zoo spoedig mogelijk weg
te nemen. Het spoorwegverkeer verbeterde in de tweede helft van Augustus
1914 zienderoogen en in de volgende maanden naderde het geleidelijk meer
tot den normalen toestand. Met de schippersvereenigingen werd overleg
gepleegd om deze te wijzen op de wenschelijkheid hun leden te
doordringen van het ongegronde van hun vrees. De paniekstemming onder de
schippers ging gelukkig spoedig voorbij. De afsluiting van kanalen voor
de militaire inundatie werd tot het strikt noodzakelijke beperkt. Het
verkeer te water werd door een en ander spoedig weer zoo goed als
normaal.
Toch bleef voor de schipperij de toestand in de eerste maanden van de
oorlogscrisis vrij droevig. Het plotseling stilliggen van den
doorvoerhandel naar Duitschland bracht de Rijnvaart grootendeels tot
stilstand. Hierin kon zoolang de oorlog duurde geen verbetering komen.
Noch de Regeering noch het steuncomité waren bij machte daaraan iets te
verhelpen. Die stilstand in de Rijnvaart, gepaard aan de algemeene
terughouding van nijverheid en landbouw, als onvermijdelijk gevolg van
de onzekerheid der toekomst, werkte op de geheele binnenschipperij
terug. In het najaar kwam wel meer vertier door het vervoer van
aardappelen en bieten naar de aardappelmeel- en de suikerfabrieken, maar
geheel kon dit de schipperij toch niet aan werk helpen. De binnenvaart
herstelde zich over het algemeen eerst in den loop van 1915. Verscheiden
schippers verhuurden in den slappen tijd hun schip aan het
Rijksgraanbureau als opslagplaats van regeeringsgraan.