bevoegdheid niet hebben toegekend en ik zou even stellig de daaruit
voortspruitende aansprakelijkheid niet hebben durven aanvaarden,
indien mij niet van meet af de voorlichting van eene Commissie van
deskundigen ware verzekerd geweest.
De Commissie van deskundigen van de Beurswet heeft naar de
bedoeling des wetgevers ten aanzien van den Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel een plaats te bekleeden, welke is te
vergelijken met die, welke de afdeeling voor geschillen van bestuur
van den Raad van State tegenover de Regeering inneemt. De Minister
van Landbouw, Nijverheid en Handel zal aan de adviezen van de
Commissie van deskundigen niet zijn gebonden. De beslissing blijft
bij hem. Maar de bedoeling des wetgevers is zonder twijfel geweest,
dat de verhouding tusschen den Minister en de Commissie van
deskundigen zoodanig zou wezen, dat hij als regel zal kunnen
volstaan met eene bekrachtiging van het advies, dat hij van de
Commissie zal ontvangen.
Waar het nu wel van zelf spreekt, dat zoowel bij den Minister als
bij de Commissie den ernstigen wil voorzit om niet alleen de letter
van de wet na te leven maar ook haar geest en bedoeling te
verwezenlijken, daar volgt uit de verhouding, die de wet bedoelt,
dat in werkelijkheid een groot deel van de aan den Minister
toegekende bevoegdheid maar daarmede tevens een groot deel van de
daarmede gepaard gaande verantwoordelijkheid komt te rusten op de
schouders van de Commissie van deskundigen.
Het gaat bij deze aangelegenheid om groote financieele belangen, om
financieele belangen, waarbij duizenden van de bevolking betrokken
zijn. En die belangen zijn niet steeds in dezelfde richting.
Integendeel telkens, bij schier elk eenigszins belangrijk
vraagpunt, zullen belangen van de eene groep van daarbij
betrokkenen, zich kruisen met belangen van een of meer groepen van
andere belanghebbenden. De taak van allen, die bij de uitvoering
van de wet een rol zullen hebben te vervullen, zal wezen met het
ernstigste streven naar strikte onpartijdigheid, met den vasten wil
algemeene volksbelangen hooger te stellen dan belangen van bepaalde
groepen der bij den geld- en fondsenhandel betrokkenen, dezen
handel uit het tijdperk van ongekende beroering, waarin hij
verkeert, langzaam maar zeker terug te leiden naar den toestand van
vrijheid, waarin Regeeringsinmenging niet slechts overbodig zijn
zou, maar hinderlijk voor eene gezonde en krachtige ontwikkeling.
Die taak is moeilijk; zij stelt hooge eischen. Zij verlangt, dat
allen, die aan haar deelnemen, zich zullen weten te plaatsen op
hooger peil dan waarop men zich bevindt, als uitsluitend met de
belangen van een bepaalde groep van belanghebbenden behoeft te
worden gerekend. Wat mijzelven aangaat, ik heb begrepen dat mijn
aandeel in die taak, waar ik slechts zulk een klein deel van mijn
tijd en van mijn denken daaraan zou kunnen wijden, voor mij te
zwaar zou zijn, indien ik daarin voor de dagelijksche uitvoering
der wet niet werd bijgestaan door enkele vertrouwde en der zake
kundige personen.
Ik heb het daarom op hoogen prijs gesteld, dat ik een drietal
mannen van erkende kunde en die wegens hun karaktereigenschappen
algemeen geacht worden, bereid heb gevonden, mij den bijstand, dien
ik in deze zoozeer noodig heb, te verleenen. Ik breng hun, die op
mijn verzoek hier mede tegenwoordig zijn, voor die bereidwilligheid
mijn dank.
Het zou echter een groote dwaling zijn te meenen, dat de instelling
der Commissie van bijstand in de uitvoering der wet iets te kort
deed aan de groote beteekenis van het aandeel in onze
gemeenschappelijke taak, dat Gij, Mijne Heeren, als leden en
plaatsvervangende leden der wettelijke Commissie van deskundigen
hebt willen op U nemen. Welke die beteekenis is, heb ik zoo even
reeds met een enkel woord aangestipt; ik acht het onnoodig daaraan
iets toe te voegen.
Dat Gij, voorzitter en ondervoorzitter van de Amsterdamsche Kamer
van Koophandel, het voorzitterschap en het plaatsvervangend
voorzitterschap van de Commissie van deskundigen van de Beurswet
hebt willen aanvaarden, wordt niet alleen door de Regeering, maar
zeker door heel het land gewaardeerd. Ieder ziet daarin terecht een
waarborg te meer voor de onpartijdigheid der adviezen, welke van
Uwe Commissie zullen uitgaan.
En Gij, mijne heeren leden en plaatsvervangende leden der
Commissie, bij Uwe keuze is rekening gehouden met de verschillende
groepen uit den geld- en effectenhandel, die aanspraak er op mogen
maken, dat op hunne belangen zal worden gelet. Echter is het de
bedoeling allerminst geweest, dat ieder Uwer in de Commissie zich
zou gevoelen als de pleitbezorger van de groep, waartoe hij zelf
behoort. Integendeel, van ieder Uwer wordt verwacht, dat Gij de
vragen waarover Gij zult hebben mede te adviseeren, breeder bezien
zult dan alleen uit den gezichtshoek van den kring, die U aanbeval.
Bij de samenstelling der Commissie uit vertegenwoordigers van
verschillende groepen van belanghebbenden heeft niet het denkbeeld
voorgezeten een aantal pleitbezorgers van verschillende
groepsbelangen bijeen te brengen, maar wel er voor te waken, dat
het uitbrengen der adviezen niet zou geschieden met een
onwillekeurig verwaarloozen van bepaalde groepsbelangen. Het
algemeene belang toch van hen, die bij de Beurswet betrokken zijn,
is de resultante van de belangen der verschillende groepen, waaruit
de beurswereld is samengesteld, zoomede van de belangen van het
publiek, dat achter die groepen staat. Het samenbrengen van een
aantal deskundigen, die ieder meer in het bijzonder de belangen en
de inzichten van een bepaalde groep kennen, maar die daarbij van
het geheele zakenleven op beursgebied zoodanig op de hoogte zijn,
dat zij de beteekenis hunner eigen groep voor het geheel met
bijzondere kennis van zaken beoordeelen kunnen, waarborgt dat bij
het opmaken der resultante de verschillende krachten, die haar
bepalen, in haar relatieve sterkte met juistheid zullen worden
gemeten.
Aan niemand is het gegeven zich geheel te onttrekken aan den
invloed van zijn milieu.
Men mag dus van U leden en plaatsvervangende leden der Commissie,
die bepaalde groepen vertegenwoordigt, niet verlangen en niet
verwachten, dat Gij zult kunnen wat niemand kan. Maar wèl wordt van
U verwacht en verlangd, dat Gij beseffen zult dat Gij steeds bij
het uitbrengen van Uw advies zult hebben te streven naar den hoogst
bereikbaren graad van objectiviteit, met den meesten ernst zult
moeten pogen het belang van Uw groep en van het deel van het
publiek, dat achter haar staat, in de juiste verhouding te stellen
tot dat der andere groepen, die tezamen het algemeen belang
bepalen.
Ik houd mij overtuigd, dat aan het beroep dat ik met deze woorden
op Uw aller toewijding en Uw aller streven naar onpartijdigheid
toe, door U zou zijn gehoor gegeven, al had ik het niet openlijk
uitgesproken. Waar het hier echter om zoo groote, zoo ingewikkelde
en zoo wijd vertakte belangen gaat, heb ik gemeend dat beroep tot
dekking van mijne eigen verantwoordelijkheid--zij het ook ten
overvloede--niet achterwege te mogen laten.
Het licht dat van ieder Uwer zal uitschijnen, zal ook bij het
ernstigste streven naar objectiviteit, min of meer gekleurd zijn;
de samenstelling Uwer Commissie geeft echter recht tot de
verwachting, dat uit de combinatie dier kleuren het witte licht der
objectiviteit zal te voorschijn komen.
Hoe dichter Uwe Commissie tot dat ideaal zal kunnen naderen, hoe
hooger de waarde harer adviezen niet slechts voor de Regeering maar
ook voor het publiek zijn zal, en hoe grooter tevens de voldoening
zal wezen waarmede Gij, Mijne Heeren, als Uw taak zal zijn
afgeloopen, daarop zult kunnen terugzien.
Door den heer Van Eeghen werd daarop als volgt geantwoord:
Met aandacht heb ik geluisterd naar de woorden, waarbij Uwe
Excellentie deze door H. M. de Koningin op voordracht van Harer
Majesteits Regeering benoemde Commissie heeft geïnstalleerd.
Onze Commissie heeft in deze benoeming gezien een bewijs van
vertrouwen, dat zij op hoogen prijs stelt: zij is zich bewust, dat
haar eene groote verantwoordelijkheid wordt opgelegd.
Uwe Excellentie heeft terecht er op gewezen, dat, ofschoon onze
Commissie is samengesteld uit personen uit verschillende groepen,
alle leden zich op hetzelfde hooge onafhankelijke standpunt moeten
plaatsen.
Ik ben overtuigd, Excellentie, dat wij allen hiervan doordrongen
zijn.
Onze Commissie zal dan ook trachten, wanneer Uwe Excellentie
zich--hetzij rechtstreeks, hetzij door Uwe Commissie van
Bijstand--tot haar wendt, zooveel in haar vermogen is, juiste en
onpartijdige adviezen te geven.
Terwijl ik mij veroorloof Uwe Excellentie mijn dank te betuigen
voor de welwillende woorden tot de leden van de Commissie van
deskundigen, tot den Onder-Voorzitter van de Amsterdamsche Kamer
van Koophandel en tot mij als Voorzitter van die Kamer gericht,
spreek ik de hoop uit dat, ook door medewerking van onze Commissie,
het doel, waarvoor de Beurswet 1914 in het leven is geroepen, ten
volle zal worden bereikt.
Het eerste wat gedaan moest worden en waarbij de beide commissies hadden
samen te werken, was het vaststellen van de noodige beursvoorschriften.
Daar hierbij met zeer verschillende belangen rekening moest worden
gehouden, was dit een hoogst moeilijk werk, waarbij de Commissie van
uitvoering voortdurend overleg moest plegen niet alleen met de Commissie
van deskundigen, maar ook met andere belanghebbenden bij het
beursverkeer. Zij ondervond daarbij ook groote medewerking van den
president van de Nederlandsche Bank. Deze nam het zeer nuttige
initiatief tot het instellen van een onderzoek naar den omvang van het
bedrag, dat ter beurze op prolongatie was uitgezet. Dit leidde tot het
resultaat, „dat in ronde cijfers het geld, ter beurze gebracht om in den
vorm van prolongatie, on call, enz. te worden uitgezet, een som van ƒ
325 millioen beliep. Dit geld werd echter ter beurze voor een deel weder
op nieuw uitgezet door geldnemers, die op hun beurt weder geldgevers
werden; en zoo kon worden becijferd, dat de totaal ter beurze loopende
contracten een bedrag van ƒ 460 millioen hadden bereikt. Gesteld dus,
dat alle prolongaties, on calls enz. op een gegeven oogenblik zouden
verrekend kunnen worden door terugbetaling, dan zou een bedrag van ƒ 460
millioen onderling verrekend en ƒ 325 millioen uit de Beurs aan de
oorspronkelijke geldgevers teruggegeven moeten worden.”
Door dit onderzoek werden dus zeer waardevolle gegevens verkregen
omtrent de beteekenis van het object, waarover men regelingen had te
maken. Die regelingen zelf waren intusschen reeds gereed, voordat het
onderzoek van den president van de Nederlandsche Bank was afgeloopen. De
beursvoorschriften werden den 15en Januari 1915 vastgesteld. Het zou mij
te ver voeren op den inhoud daarvan in te gaan. Slechts op één bepaling
moet ik de aandacht vestigen. Voor de verschillende fondsen waren
onderpandkoersen vastgesteld, die aanvankelijk weinig afweken van de
beurskoersen op den dag vóór de sluiting. In de beursvoorschriften werd
nu aan de geldnemers de bevoegdheid gegeven geldleeningen, dagteekenende
van vóór 29 Juli 1914, waarvan het onderpand, berekend naar de eerst
vastgestelde onderpandkoersen, een surplus aanwees van 20 pct. of tot
dit surplus zou worden aangevuld, zooals men het in beurskringen heeft
genoemd, te blokkeeren. Die blokkeering bestaat hierin, dat die
leeningen door den geldgever niet eerder zullen kunnen worden aangezegd
of opgevraagd dan zes maanden, nadat de vrede tusschen Duitschland,
Engeland en Frankrijk zal zijn gesloten. Over de geblokkeerde posten
moet een rente worden betaald, die aanvankelijk gesteld werd op ½% boven
de rente van de Nederlandsche Bank voor voorschotten in
rekening-courant, doch niet minder dan 6% ’s jaars.
Eerst lachte mij het blokkade-denkbeeld weinig toe, omdat ik er bij de
ingewikkeldheid der beursrelaties verwikkelingen van vreesde. Toen
echter alle kringen van beursbelanghebbenden met het denkbeeld ingenomen
bleken te zijn, was er voor de Regeering geen reden daaraan niet haar
goedkeuring te hechten. De belanghebbenden bleken trouwens de zaak juist
te hebben ingezien; het blokkeeringsstelsel heeft goed gewerkt en de
afwikkeling van prolongaties, die van vóór de crisis dagteekenden,
bevorderd. Daartoe heeft ook de medewerking der Nederlandsche
Bank veel bijgedragen. Met vermijding van het uitschakelen der
commissionnairs-tusschenpersonen heeft zij zich bereid verklaard zoowel
geblokkeerde als niet geblokkeerde posten, die van vóór 27 Juli 1914
dagteekenden, over te nemen. Het verslag van de Bank over 1914/15 zegt
hierover o.m.: „Aangezien De Nederlandsche Bank in de eerste plaats zich
geroepen gevoelde mede te werken om de oorspronkelijke geldgevers weder
in het bezit van contant geld te stellen, vooral omdat onder die
oorspronkelijke geldgevers behoorden vele der groote spoorweg-,
stoomvaart- en cultuurmaatschappijen, fabrieken en coöperatieve
vereenigingen, werkmansbonden, spaarbanken en nog vele anderen, die hun
beschikbaar geld slechts tijdelijk hadden uitgezet, en nu zelven die
gelden dringend behoefden, verklaarde De Nederlandsche Bank zich bereid
het onderpand, in handen dier primaire geldgevers, over te nemen en
daarop voorschotten te verleenen. Wel behield de Bank zich voor om het
bedrag van het voorschot zelve te bepalen in verband met de koerswaarde,
welke zij aan het onderpand wilde toekennen, zoodat niet altijd het
volle bedrag van de prolongatie in voorschot kon worden uitgekeerd.
„Van eene tweede categorie, zijnde de commissionnairs-geldnemers ter
beurze, die op hun beurt weder ter beurze geldgevers van anderen waren,
wilde de Bank wèl prolongatieposten overnemen, doch met voorbehoud dat
zij het onderpand naar eigen opvatting zou waardeeren.”
Door deze medewerking en ook door een stijging der Amerikaansche
fondsen, waarvan men bij den aanvang der crisis zelfs niet had durven
droomen, heeft de afwikkeling der oude posten een zoo ongedacht gunstig
verloop gehad, dat het overgroote deel daarvan op het einde van het jaar
1915 reeds geliquideerd was.
Een wijziging in de beursvoorschriften moest spoedig worden aangebracht
naar aanleiding van een gerechtvaardigd bezwaar van de Nederlandsche
Bank tegen de vastknooping der prolongatierente voor de oude posten aan
de rente der Bank voor voorschotten in rekening-courant. Boven[14] wees
ik er op, dat tegen die vastkoppeling in de eerste crisisweken niets was
te doen en dat zij een consequentie was van den geheelen crisistoestand.
De Bank kwam er echter terecht tegen op, dat die op zich zelf
ongewenschte consequentie officieel zou worden vastgesteld en bestendigd
in een ministerieel voorschrift, dat bestemd was om gedurende den
geheelen oorlogstijd te gelden. De desbetreffende artikelen werden
daarom op haar aandrang den 11den Februari 1915 gewijzigd. Het verband
tusschen de prolongatierente en de rente, welke de Bank voor hare
voorschotten berekent, werd daarbij geheel losgeknipt. Practisch kwam de
verdwijning van dit verband uit, toen op 30 Maart 1915 de
prolongatierente door mij op 5½% werd bepaald, zonder dat eene wijziging
in de bankrente daarmede gepaard ging.
[14] Zie bl. 213/4.
Reeds spoedig nadat de eerste crisisweken voorbij waren, begon zich te
Amsterdam een niet-officieele beurs te ontwikkelen. Ik heb toen gemeend,
eenigszins tegen het advies van mijn raadgevers in, daartegen te moeten
optreden. Als reden daarvoor gaf ik in de Eerste Nota betreffende den
Economischen Toestand op: „Natuurlijk kan niet verhinderd worden, dat
ondershands, buiten de beurs om, effecten worden verhandeld.
Ondergeteekende heeft echter gemeend maatregelen te moeten nemen om
tegen te gaan, dat deze handel toch een eenigszins officieus, zij het
dan al niet officieel, karakter zou aannemen. Dit toch zou de bedoeling
der Beurswet kunnen verijdelen en zou tot moeilijkheden moeten
aanleiding geven, als de beurs te zijner tijd voorloopig slechts voor
enkele fondsen geopend zal worden. Er moet dan voor worden gewaakt, dat
de handel ter beurze tot die toegelaten fondsen beperkt zal blijven. Dit
zou echter zeer worden bemoeilijkt, als vóór de beperkte officieele
opening der beurs oogluikend reeds een onbeperkte beurshandel in
effecten was toegelaten.”
De beurs werd op 9 Februari 1915 weer geopend; eerst slechts voor een
zeer beperkt aantal fondsen. Langzamerhand kon de noteering worden
uitgebreid, zoodat thans bijna alle vóór de crisis courante fondsen weer
genoteerd worden. Met de opening der beurs was zoowel de mogelijkheid
tot executies als tot het geven van nieuw geld op prolongatie geopend.
Verschillen over de bepalingen, waaraan de nieuwe prolongaties zouden
onderworpen zijn, gerezen tusschen de Vereeniging voor den
Effectenhandel en de groote geldgevers, gaven aanleiding dat de
laatstgenoemden een Prolongatievereeniging oprichtten, waartoe niet
alleen de groote bankiers maar ook een aantal handelsondernemingen,
verzekeringmaatschappijen en spaarbanken als oorspronkelijke geldgevers
op prolongatie toetraden. Zij had ten doel den grooten geldgevers het
vertrouwen in de wijze waarop hun geld ter beurze wordt uitgezet, dat
door hetgeen gebeurd was, zeer was geschokt, te hergeven en daartoe de
bepaling der prolongatievoorwaarden niet langer--voorloopig behoudens
het staatstoezicht krachtens de Beurswet--uitsluitend over te laten aan
de Vereeniging voor den Effectenhandel, maar ook de primaire geldgevers
medezeggenschap daarin te verzekeren. De oprichting dezer vereeniging,
welke weder onder het presidium van den heer Van Aalst gesteld werd,
werkte op de zooeven bedoelde verschillen niet juist als olie op de
golven, veeleer als olie in het vuur. Het scheen alsof de heeren niet
tot overeenstemming waren te brengen. Het is een niet geringe verdienste
van de Commissie van uitvoering der Beurswet, dat zij niet heeft gerust,
vóór zij een compromis had weten tot stand te brengen. Toen dit
eindelijk, na veel vergeefsche pogingen, gelukt was, verklaarde de
Nederlandsche Bank zich bereid ook dergelijke nieuwe prolongatieposten
over te nemen, indien deze bij opzegging eventueel niet weder ter beurze
zouden kunnen worden overgeplaatst. Daarmede heeft de Bank tot de
ontwikkeling der nieuwe prolongatiemarkt veel bijgedragen. De ruimte van
geld, die in den loop van het jaar 1915, met slechts enkele golvingen in
nedergaande richting, gestadig toenam, werkte natuurlijk tot die
ontwikkeling krachtig mede.
De effecten- en de geldhandel hebben zich spoediger van den schok van
Juli 1914 hersteld, dan iemand in den eersten tijd van de crisis had
durven droomen, laat staan: hopen. De gunstige keer der omstandigheden,
inzonderheid de onverwacht hooge stijging der Amerikaansche fondsen en
de toenemende ruimte van geld, is hierin ongetwijfeld de belangrijkste
factor geweest. De Beurswet kon dat effect niet teweeg brengen; dat
hebben haar ontwerpers zich ook geen oogenblik van haar voorgesteld.
Haar doel was geen ander dan ongelukken in den crisistijd te voorkomen
en de geleidelijke afwikkeling van zaken, zonder dat dit tot onheilen
zou leiden, te bevorderen naar gelang de donkere wolken van den eersten
crisistijd voor het blauw aan den financieelen hemel zouden plaats
maken. Dat doel heeft zij bereikt, n’en déplaise de sombere
voorspellingen, die bij haar voorbereiding in enkele politieke,
juridieke en financieele kringen omtrent hare werking nog meer werden
gemompeld dan openlijk uitgesproken.
§ 4. _De aandrang tot een moratorium._
Het zou onvolledig zijn den aandrang tot een moratorium met stilzwijgen
voorbij te gaan. Die aandrang was zóó groot en kwam van zóó
verschillende kanten, dat er heel wat weerstandskracht voor noodig was
om daaraan het hoofd te bieden. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de
Regeering er voor zou zijn bezweken, indien zij bij haar afwijzing niet
krachtdadig ware gesteund geworden. In de eerste dagen van de
oorlogscrisis werd ik overstroomd door allerlei zenuwachtige
raadgevingen en adviezen over hetgeen op economisch gebied moest worden
gedaan, en door allerlei uitingen van angstgevoel over hetgeen er van
den economischen toestand terecht zou komen. De vragen om hulp waren
even bont van samenstelling als de ongevraagde adviezen; maar als een
reus onder de dwergen stak de aandrang tot het uitschrijven van een
moratorium boven al het andere uit. De een smeekte er om, een andere
eischte het, een derde beval het aan als redder in den nood, een vierde
bracht mij in herinnering, dat „aux grands maux les grands remèdes”
moeten worden toegepast. Particuliere middenstanders en groothandelaars,
deputaties van Kamers van Koophandel en belangstellende rechtsgeleerden
vroegen als om strijd om een moratorium. Mondeling zoowel als
schriftelijk kwam de aandrang. Het regende brieven zoowel als bezoeken
met die strekking; het scheen een oogenblik haast een niet te stuiten
sneeuwbal. En in de Staten-Generaal vond die gemoedsstemming van een
groot deel van het publiek weerklank bij alle partijen. Op 3 Augustus
drong de heer De Visser aan op het in overweging nemen van „wat men met
een algemeenen term noemt een moratorium”. Bij hem sloot zich
onmiddellijk de heer Troelstra aldus aan: „Met hetgeen door den geachten
afgevaardigde uit Katwijk hier in het midden is gebracht, kan ik mij
vereenigen. Ik wensch dien aandrang te ondersteunen.... Door den heer De
Visser is gesproken over het moratorium. De bedoeling van den heer De
Visser zal waarschijnlijk ook zijn, dat daaronder zullen vallen de
woninghuren, want het moet ook niet kunnen voorkomen, dat gedurende den
oorlogstoestand menschen, die onmachtig zijn om huur te betalen, uit hun
woningen zouden worden gezet.”
In de Eerste Kamer bleef het daar niet bij. De heer Fokker stelde er de
volgende motie voor: „De Eerste Kamer noodigt de Regeering uit binnen
korten tijd een wetsontwerp tot instelling van een moratorium aan de
goedkeuring der Staten-Generaal te onderwerpen.” Die motie vond
bestrijding bij de heeren Laan en Van Nierop. Toen deze daarbij ook
tegen het moratorium zelf waarschuwden, kwam de heer Woltjer
tusschenbeide. Hij verdedigde wel is waar de motie niet en achtte het
verkeerd, dat zij was ingediend, maar--zoo zeide hij--”het spijt mij
ook, dat de heeren Laan en Van Nierop er tegen gesproken hebben, zooals
zij deden, omdat hun spreken eigenlijk tegen een moratorium was
gericht.”