medewerking niet zouden weigeren, werd vervuld. Het voor de uitvoering
der zaak benoodigde begrootingsartikel werd zelfs zonder mondelinge
beraadslaging goedgekeurd. De Commissie van Uitvoering behoefde echter
daarop met het beginnen harer werkzaamheden niet te wachten. Het Kon.
Nat. Steuncomité had zich bereid verklaard, zoolang de medewerking van
de Staten-Generaal niet zou zijn verzekerd, zich in plaats van den Staat
als borg te stellen en de Nederlandsche Bank had daarmede genoegen
genomen. Ook nadat de Staat zelf als borg optreden kon, bleef er een
nauwe band tusschen de Commissie van Uitvoering, welke den officieelen
naam kreeg van Regeeringscommissie voor het middenstandscrediet, en het
Kon. Nat. Steuncomité bestaan. In de uitvoering bleek er namelijk een
aantal grensgevallen te zijn, waarin de aanvrager niet in staat was een
borg te stellen. Voor die gevallen springt, indien de aanvraag overigens
voor inwilliging vatbaar is, het Kon. Nat. Steuncomité als borg in. Ook
komt het voor, dat een dezer oorlogsnood-organisaties een bij haar
ingekomen aanvraag naar de andere verwijst. Behalve met het Kon. Nat.
Steuncomité staat de Regeeringscommissie ook in geregeld contact met de
legerautoriteiten, die haar door speciaal daartoe ingerichte kaarten de
noodige inlichtingen verschaffen over in dienst zijnde aanvragers.
Zooals uit den geheelen opzet blijkt, is deze tijdelijke en buitengewone
organisatie van het crediet voor den kleinen middenstand vooral
ingericht op hetgeen zal noodig zijn, als het leger kan worden
gedemobiliseerd. De Regeeringscommissie zal dan voor den kleinen
middenstand een overeenkomstige taak hebben te vervullen als voor de
arbeidsbemiddeling tegenover de arbeiders zal zijn weggelegd. Nu er
telkens landweerlichtingen werden vervangen door landstormlichtingen en
dus met betrekkelijk korte tusschenpoozen telkens gedeeltelijke
demobilisaties plaats hadden, hebben beide organisaties reeds thans een
terrein gevonden, waarop zij hoogst nuttig werkzaam zijn. Het aantal
behandelde credietaanvragen door de Regeeringscommissie bedraagt reeds
meer dan 2800. Daaronder is er een aantal, dat betrekking heeft op de
algeheele demobilisatie en voorloopig kon blijven rusten. Afgedaan
werden ruim 1400 aanvragen; daarvan moesten bijna 400 worden afgewezen.
Op 1 Augustus 1916 waren er 640 credieten verleend en opgenomen tot een
bedrag van ƒ 630.000. De commissie heeft reeds heel wat zaakjes op de
been kunnen houden of brengen; bij de algemeene demobilisatie zal haar
medewerking onmisbaar blijken. Zij zal dan, als voor haar het groote
werk aankomt, het voordeel hebben van reeds over heel wat ervaring te
kunnen beschikken.
Toen ik als Minister was afgetreden, deed Hare Majesteit mij de eer aan
mij als Haar uitdrukkelijken wensch te kennen te geven, dat ik mij
persoonlijk met deze aangelegenheid zou blijven bemoeien. Er werd toen,
in overleg met den voorzitter, op gevonden, dat ik door den Minister van
Financiën tot lid der Regeeringscommissie werd benoemd, in het
vertrouwen dat de verschillende vereenigingen en instellingen, die de
Algemeene Commissie voor deze credietverleening vormen, daartegen wel
geen bezwaar zouden hebben.
§ 3. _De Beurswet._
Onder het in herinnering brengen van hetgeen er op financieel gebied al
zoo werd gedaan om het crediet te herstellen, heb ik--figuurlijk
gesproken--de beurs onwillekeurig dicht gelaten. Dit strookt vrijwel met
hetgeen er in werkelijkheid geschiedde. Er werd over hetgeen met de
beurs moest gebeuren, heel wat van gedachten gewisseld, zelfs een wet
over deze materie kwam tot stand, maar intusschen bleef zij voorloopig
gesloten.
Reeds op den 1sten Augustus had er op het Departement van Landbouw,
Nijverheid en Handel een conferentie plaats, waar met mij als
vertegenwoordigers van de Regeering aanwezig waren de Ministers van
Financiën en van Justitie, en welke werd bijgewoond door den president
van de Nederlandsche Bank, het consortium van bankiers, dat spoedig
Vereeniging voor den Geldhandel werd, en de voorzitters van de
Vereeniging voor den Effectenhandel te Amsterdam, den Provincialen Bond
van Effectenhandelaren en de Rotterdamsche Vereeniging voor den
Effectenhandel. Op die eerste conferentie kwam men, wat dit punt
betreft, niet verder dan dat de Regeering en de verschillende
vereenigingen geen stappen zouden doen in verband met de beurscrisis,
zonder eerst onderling overleg te hebben gepleegd. Daarmede was alleen
tijd gewonnen en ook hier gold het woord van Vondel: „De veldheer wint
al veel, al wint hij niet dan tijd”. Het was nu echter zaak, zich den
tijd, dien men tot voorziening in het deraillement van de beurs kreeg,
zonder verwijl ten nutte te maken. Daartoe werd aan het Departement van
Landbouw een wetsontwerp voorbereid op dezen grondslag, dat gedurende
den oorlogstijd de beurzen zouden staan onder toezicht van den Minister
van Landbouw, Nijverheid en Handel (bij mijn overgang naar het
Departement van Financiën, werd dit veranderd in: den Minister van
Financiën), dat de Minister gedurende dien tijd zou kunnen beslissen
over haar opening en sluiting en dat de noteeringen en de wijze van het
doen van zaken op de beurs onder zijn toezicht zouden staan. Voorts werd
daarin het executierecht ten aanzien van in onderpand gegeven fondsen,
voor het geval de debiteur niet aan zijne verplichtingen voldeed, aan
beperkende regelen onderworpen, waarvan de voornaamste was, dat de
executant een bod zou moeten doen tot ten minste het bedrag dat de
Minister zou bepalen. Door een en ander werd de effectenbeurs gedurende
den oorlogstijd sterk aan banden gelegd en werd afdoende tegengegaan,
dat hare heropening zou leiden tot „afslachting” van de geldnemers, wier
onderpanden onder den oorlogstoestand in waarde sterk waren gedaald.
Toen omtrent de hoofdpunten van dit voorontwerp overeenstemming was
verkregen tusschen de Ministers van Financiën, van Justitie en mij,
werden de vereenigingen op het gebied van den fondsenhandel en den
geldhandel op den avond van den 6den Augustus op nieuw tot een
bijeenkomst in het Departement van Landbouw samengeroepen, die ditmaal
ook werd bijgewoond door eenige vertegenwoordigers van Kamers van
Koophandel en van de verschillende Middenstandsbonden. Dit laatste,
omdat het de bedoeling was ook het vraagstuk van het moratorium en
hetgeen de Minister van Justitie zich voorstelde, zonder moratorium, in
het belang van in het ongereede geraakte debiteuren te doen, ter
vergadering ter tafel te brengen.
Het eerst werd het ontwerp-beurswet besproken; daarbij kwam al aanstonds
een groot belangenverschil tusschen de primaire geldgevers,
vertegenwoordigd door de Vereeniging voor den Geldhandel, en de
commissionnairs in effecten, als geldnemers of secundaire geldgevers,
aan het licht. De geldgevers en de bankiers wilden wel, dat de Regeering
zeggenschap zou krijgen over de opening en de sluiting der beurs, maar
niet dat zij zich ook zou bemoeien met de wijze waarop daar zaken worden
gedaan en speciaal niet, dat het executierecht zou worden beperkt. Dat
verschil gaf aanleiding tot een gedachtenwisseling, die op een gegeven
oogenblik zóó scherp werd, dat het de vraag was of het gelukken zou de
heeren tot overeenstemming te brengen. De bankiers-geldgevers beriepen
zich er op, dat zij niet met hun eigen geld werkten, maar
verantwoordelijk waren tegenover hun lastgevers, voor het meerendeel
groote handelslichamen, spoorwegmaatschappijen, spaarbanken,
cultuurondernemingen enz., die het tijdelijk niet benoodigde deel van
hun bedrijfskapitaal in prolongatie hadden gegeven en die thans in
groote moeilijkheden waren gekomen, nu zij hun kapitaal tegen hun wil in
de handen van anderen vastgelegd zagen. Van de zijde van de
commissionnairs werd daartegenover verdedigd, dat ook zij door
de beurssluiting hun bedrijf grootendeels zagen stilgezet, maar
dat zij als tusschenpersonen, opkomende voor de geldnemers, of als
commissionairs-geldnemers voor eigen rekening niet het volle gewicht
konden dragen van de calamiteit, die de oorlog over de beurs had
gebracht. Voor beide standpunten viel veel aan te voeren en werd veel
aangevoerd, maar het was duidelijk dat het verweer van de
commissionnairs met den geest van het den heeren voorgelegde ontwerp
meer strookte dan het geldgeversstandpunt. Deze zijn mans genoeg om voor
zich zelven te zorgen; er was geen gevaar dat zij of hunne klienten zóó
in de knel zouden komen, dat zij hunne betalingen zouden moeten staken.
Bovendien vonden zij steun bij de pas herboren en voor het eerst
werkelijk in het leven getreden Vereeniging voor den Geldhandel. Het
algemeen belang dat bij de zaak betrokken was, lag in het gevaar, dat
een groot aantal commissionnairs het niet zouden kunnen houden en dat er
in dien kring een stroom van faillissementen zou komen, welke veel
verder zou reiken dan alleen tot hen, die er direct mee uit hun brood
zouden zijn gestooten. Niet voor de grooten, maar voor de kleinen, zoo
merkte ik den heeren op, hadden Regeering en wetgever in een zoo
ernstige crisis op te komen.
Nadat van de verschillende kanten de meeningen waren verdedigd, zonder
er veel doekjes om te winden, klaarde--zooals het na een onweer pleegt
te geschieden--de lucht op. Men zocht toen niet meer naar hetgeen nog
verder zou uiteendrijven, maar naar hetgeen als brug zou kunnen dienen
tot het samenbrengen der verschillende belangen. Het waren vooral de
bankiers-geldgevers, die over die brug hadden te komen. Het eerst toonde
de heer Van Aalst, die ook hier weer blijk gaf een goed diplomaat op
handelsgebied te zijn, neiging tot toenadering. Hij werd spoedig door de
andere bankiers gevolgd. De groote moeilijkheid bleek voor de geldgevers
te zijn, dat zij hun prolongatiekapitaal niet voor onbepaalden tijd dood
konden laten liggen. De gegrondheid van dit bezwaar moest worden erkend.
Om het te ondervangen opperde de heer Van Nierop het denkbeeld, dat voor
de vastgeraakte prolongatieposten als uitzonderingsmaatregel wettelijke
sanctie zou worden gegeven aan de ter beurze reeds veel voorkomende
practijk der herbeleening van in prolongatie gegeven onderpanden. Dat
denkbeeld werd door mij aangegrepen en na nog eenig heen en weer praten,
lieten de bankiers hunne oppositie varen, als het herbeleeningsrecht in
het ontwerp zou worden opgenomen. Hoewel door de Regeering, met name
door den Minister van Justitie, het juridisch bezwaar van het toekennen
van zulk een herbeleeningsrecht sterk werd gevoeld, begrepen wij toch,
dat daarover moest worden heengestapt, nu het er om ging, groote
onheilen bij de heropening der effectenbeurs te voorkomen, zonder een
kapitaal van eenige honderden millioenen voor onbepaalden tijd dood te
laten liggen. Het juridisch beginsel, hoezeer het ook in het algemeen
door elke Regeering wordt hoog gehouden, moest hier wijken voor de
economische noodzakelijkheid.
Nadat het op die wijze gelukt was, de met elkander strijdende belangen
alle zooveel mogelijk te bevredigen, werd het ontwerp Beurswet op 23
Augustus ingediend. Het was nu aangevuld met een bepaling betreffende de
herbeleening. In de afdeelingen van de Kamer ontmoette het nog al
tegenstand en, eigenaardig genoeg, ging de tegenkanting voornamelijk uit
van de democratisch gezinden onder de vrijzinnigen. Door de Commissie
van Rapporteurs werd ik uitgenoodigd tot mondeling overleg. Daarbij werd
mij in de eerste plaats in overweging gegeven, het ontwerp te bepalen
tot de artikelen, die aan de Regeering de bevoegdheid gaven
voorschriften te geven omtrent de opening en sluiting der beurzen, en
den verderen inhoud van het ontwerp over te laten aan een nader te maken
wettelijke regeling, waarvan de behandeling rustiger zou kunnen
geschieden. Inzonderheid de genoemde democraten wilden mij dringen in de
richting, die door de „haute finance” was gewenscht. Dit denkbeeld werd
eerst losgelaten, toen ik verklaarde tot overleg op die basis niet
bereid te zijn en bij aanneming van een amendement in dien geest de
intrekking van het geheele ontwerp te zullen uitlokken. De verdere
bespreking liep over den inhoud van het ontwerp zelf en had
vruchtbaarder resultaat; het leidde tot verbeteringen, zonder dat aan de
hoofdpunten werd geraakt. Evenmin als ik kon toestaan, de wijze van
zaken doen op de beurs onder den abnormalen oorlogstoestand geheel vrij
te laten, kon ik toegeven aan den aandrang tot het uitsluiten van de
mogelijkheid van executie ter beurze gedurende de crisis. Het
executierecht moest worden geregeld en beperkt, niet op zij gezet.
Bij de mondelinge behandeling vond het ontwerp heftige bestrijding van
den heer Marchant vooral ten aanzien van het herbeleeningsrecht. Deze
afgevaardigde toonde zich op dit punt een even onverzoenlijk en
onverzettelijk jurist als de heer Rethaan Macaré, die in een brochure en
stukken in de pers uiting gaf aan zijn juridische verontwaardiging en
die, nadat de beide Kamers zich met het ontwerp vereenigd hadden, zelfs
zóóver ging van aan de Koningin te verzoeken daaraan Haar bekrachtiging
te onthouden. De heer Marchant eindigde zijn rede met de verklaring dat
van hem „geen medewerking te verwachten (zou) zijn aan het tot stand
komen van een wet, die het kwaad van het schenden van goede trouw
loochent, die onrecht sanctionneert en die als geoorloofd stempelt, wat
misdadig is”.
In zijn philippica had hij ook bezwaar gemaakt tegen het compromis dat
tusschen de verschillende groepen van belanghebbenden op de door mij zoo
even besproken bijeenkomst was gesloten. De Regeering moet regeeren; zij
moet geen compromis aangaan,--zoo was zijn bescheid. Bij mijn antwoord,
waarvan ik den hoofdinhoud hier weergeef, omdat ik geen voet wil geven
aan de sage als zou ik „maling hebben aan de juristerij”--om het
gevleugelde woord van den heer Schaper te gebruiken--knoopte ik aan die
grief vast: „Nu mag de geachte afgevaardigde uit Deventer zeggen: „maar
de Regeering moet regeeren, zij moet geen compromis aangaan” en dan is
dat volkomen waar, maar de Regeering gaat ook geen compromis aan, zij
heeft alleen als het ware onder haar hoede en onder haar leiding het
compromis laten aangaan tusschen de verschillende groepen der
belanghebbenden. Toen de Regeering zag, dat op dezen voet een regeling
te maken was, heeft zij daaraan haar sanctie gehecht door die regeling
als wetsontwerp bij deze Kamer in te dienen. En nu wil ik in de eerste
plaats aan den geachten afgevaardigde, maar ook aan de geheele Kamer
vragen: zou men wenschen dat bij een dergelijk hoogst moeilijk
onderwerp, waarbij honderden millioenen betrokken zijn, de Regeering
handelen zou uit haar eigen machtsvolkomenheid zonder voorafgaand
overleg met de belanghebbenden? Ik ben overtuigd dat, indien de
Regeering zóó te werk ging, men terecht zou aanvoeren, dat zulks in
dezen moeilijken tijd niet was een beleidvol optreden, zooals men van
een Regeering mocht verwachten. Het is volkomen waar, dat art 6 (het
artikel dat het herbeleeningsrecht geeft) een artikel is in het belang
van de geldgevers, maar als men een aantal bepalingen maakt tegen hun
belang, als men wat onrechtmatig is geschied, bestendigt, als men in hun
nadeel een streep haalt door alle andere bepalingen van de Vereeniging
voor den Effectenhandel, die in hun belang zijn, en zegt: „nu zult ge u
voortaan moeten houden aan hetgeen van regeeringswege wordt bepaald”, en
als men daaraan toevoegt: „terwijl gij vroeger hadt het vrije recht van
executie, hebt gij dat nu niet, en wanneer gij toch wilt executeeren,
moet gij dat doen volgens regelen, door de Regeering gesteld en gij moet
een bod doen, zooals de Regeering dat wenscht”, dan vraag ik of men aan
die geldgevers kan zeggen: „overigens moet gij maar wachten wat er met
uw geld gebeurt, want een executierecht hebt gij niet en gij kunt met uw
onderpand niets doen; gij hebt geen recht van herbeleening”.
„Tegenover de voorgestelde strenge bepalingen die hen binden zullen, is
van de zijde van de geldgevers gezegd: „indien gij mij daartegenover
geeft het recht van herbeleening, dan zal ik nog in het midden laten, in
hoeverre ik daarvan gebruik zal maken, maar dan heb ik toch in geval van
nood de mogelijkheid door herbeleening--dat zal wel in de eerste plaats
zijn bij de Nederlandsche Bank--geld liquide te maken”.... de geldgevers
kunnen zich maar niet aan handen en voeten gebonden geven en moesten
zekere eischen stellen, omdat men niet moet vergeten, dat zij niet
handelen met hun eigen geld, maar met geld, dat hun is toevertrouwd door
anderen. En nu zal ik den geachten afgevaardigde uit Deventer niet
behoeven te zeggen, hoeveel commercieele en industrieele ondernemingen
er zijn, die geld op prolongatie hebben uitstaan door bemiddeling van
die groote geldgevers en die dat geld noodig hebben om te voldoen aan
hun eigen renteverplichtingen, om te voldoen aan rekeningen en facturen
voor zaken, die zij gekocht hebben op tijd en die moeten betaald worden.
Het economisch leven is toch niet zoo eenvoudig, alsof het alleen enkele
groote geldgevers te Amsterdam zijn, die gelden hebben gegeven; die
groote geldgevers zijn de trechters waardoor het geld heen loopt, maar
nu alles geblokkeerd is, ondervinden daarvan een groot aantal
commercieele en industrieele ondernemingen nog veel meer moeilijkheden
dan de groote geldgevers, waarvan de geachte afgevaardigde meent, dat de
Regeering speciaal hun belangen zou hebben gediend.
„Neen, als dat werkelijk waar was: als men werkelijk kon zeggen, zooals
de geachte afgevaardigde het hier voorstelt, dat men hier in strijd met
wat men doet bij onteigening, de belangen van zeer enkelen dient op
kosten van het algemeen, ja, dan was ook zijn peroratie gerechtvaardigd,
maar waar dit niet het geval is en waar de juridische onrechtmatigheid
begonnen is bij de geldnemers en men regelen moet maken om daarin ten
slotte weer eenigen regel te brengen, daar meen ik, dat de geachte
afgevaardigde bij nader inzien zelf zal moet erkennen, dat de
qualificaties, die hij aan het regeeringsvoorstel gaf, niet in
overeenstemming zijn met den werkelijken toestand...... Er is hier een
abnormale toestand, en dien abnormalen toestand tracht de Regeering in
orde te maken met zoo weinig mogelijk inbreuk op de geldende
rechtsregelen. En wanneer men verder wilde gaan, wanneer men zoo streng
juridisch wilde redeneeren en handelen als de geachte afgevaardigde uit
Deventer heeft gewenscht, geloof ik dat hierop van toepassing zou zijn
de oud-Romeinsche rechtsspreuk: _summum jus, summa injuria_.”
Ten slotte werd het ontwerp met algemeene stemmen aangenomen. In de
Eerste Kamer maakte de heer Van den Biezen een tweetal opmerkingen van
juridischen aard en sprak de heer Van Nierop een interessante rede over
het ontwerp uit, die naast zijne uiteenzetting van den beurshandel ook
hierom belangwekkend was, omdat daarin de weinige ingenomenheid van de
Amsterdamsche bankiers met het ontwerp telkens om den hoek kwam kijken.
Nadat deze afgevaardigde een korte uiteenzetting had gegeven van de
Vereeniging voor den Geldhandel en op de nuttige werkzaamheid daarvan
tot herstel van het geschokte vertrouwen, niet zonder lichte
overdrijving, gewezen had, ging hij aldus voort: „Wanneer men dit
verneemt, dan rijst wellicht de vraag of een maatregel als hier wordt
voorgesteld nu wel noodig is. Ik kan die vraag begrijpen, maar ik voeg
er aanstonds bij, dat ik ze bevestigend beantwoord”. Vervolgens ging de
heer Van Nierop na wat er eigenlijk bij de beurssluiting was geschied en
zette hij uiteen, dat de geldnemers geen reden hadden bevreesd te zijn
voor „afslachting” van de zijde der groote bankiers. Hetgeen de heer Van
Nierop hieromtrent zeide, was grootendeels te beamen, maar hij vergat
dat de vrees voor „afslachting” nog niet denkbeeldig behoefde te zijn,
ook al onthielden de groote bankiers zich van het initiatief daartoe of
al zouden zij zelfs daaraan niet hebben meegedaan, indien
commissionnairs-geldgevers tot berging van eigen lijf daartoe het sein
hadden gegeven. Hij voorspelde voorts „dat na den oorlog groote
kapitalen benoodigd (zullen) zijn door de verschillende staten, steden
en ondernemingen. Allereerst de Staat der Nederlanden, maar de
oorlogvoerende Mogendheden in nog veel grootere mate. Hierdoor zal een
zoodanig aanbod van fondsen ontstaan, zoodanige vraag naar geld dat de
rentestand zal stijgen en alle koersen zullen moeten dalen. Overwegende
dit alles, rijst de vraag of dit ontwerp wel voldoende baat zal brengen,
althans in die mate, als men ervan verwacht”. Na nog gesproken te hebben
over het raderwerk van het prolongatie-stelsel en zijne instemming te
hebben betuigd met de regeling van het herbeleeningsrecht in het
ontwerp, besloot deze, in alles wat de beurs betreft bij uitstek
ingewijde, spreker: „Ik eindig met de verklaring, dat ik voor de
voordracht zal stemmen, maar vraagt men mij of ik dat zonder schroom en
niet aarzelend doe, dan moet ik daarop ontkennend[13] antwoorden. Er
heerscht bij mij een zekere schroom. De Regeering vraagt een
buitengewoon groot vertrouwen, bijna een discretionnaire macht”.
[13] In de Handelingen staat „bevestigend”, maar dit kan niet anders dan
een drukfout zijn, zooals blijkt uit hetgeen er onmiddellijk op volgt.
In mijn antwoord had ik geen andere gezichtspunten te openen, dan ik in
de Tweede Kamer had gedaan. Het debat over de bevoegdheid der Regeering
tot het tegengaan van te hooge rentevordering van de zijde der
geldgevers, dat tusschen den heer Van Nierop en mij gevoerd werden, kan
ik evenzeer met stilzwijgen voorbij gaan, als de juridische
gedachtenwisseling met den heer Van den Biezen. In zijn waardeering van
het werk der Vereeniging voor den Geldhandel viel ik den heer Van Nierop
bij, maar ik achtte het toch noodig zijne appreciatie tot juister
proporties terug te brengen, door er op te wijzen dat de Geldhandel,
door den eisch van zakelijke zekerheid, dien hij stellen moest, breede
kringen van credietbehoevenden, met name uit den middenstand, weinig
baat kon geven. Vooral in dagen van spanning, en die waren toen nog niet
achter den rug, kan overdrijving schade doen. De Vereeniging voor den
Geldhandel had uitnemende diensten bewezen; het was noodig noch
wenschelijk, die diensten nog grooter voor te stellen, dan zij reeds
waren. Den 4den September stond de „Beurswet 1914” in het Staatsblad.
Later werd daarin nog eene verandering van niet principieele beteekenis
aangebracht.
Van den aanvang af had de bedoeling voorgezeten, dat de Regeering zich
bij de uitvoering der wet door deskundigen zou doen voorlichten. In de
wet zelve was voorgeschreven dat voorlichting zou worden gezocht bij een
door de Koningin te benoemen commissie van deskundigen. Ik begreep
echter, dat dit niet voldoende zijn zou en dat ik als Minister die met
de uitvoering der wet belast was, niet slechts advies noodig had in
moeilijke gevallen, maar de steun behoefde van personen, die vooral als
de beurs weer zou opengaan, aldaar de Regeering dagelijks zouden
vertegenwoordigen. Zonder zulk een orgaan zou het Regeeringstoezicht
grootendeels slechts van formeelen aard zijn geweest en het was noodig,
dat hier een daadwerkelijk dagelijksch toezicht werd uitgeoefend.
Aanvankelijk had ik daartoe het oog op een Regeeringscommissaris; bij
nader inzien scheen mij de taak van de vertegenwoordiging der Regeering
bij de uitvoering der Beurswet te gelijk zóó gewichtig, zóó moeilijk en
zoozeer een zaak van onbeperkt vertrouwen, dat het de voorkeur
verdiende, haar aan een commissie van drie personen toe te vertrouwen.
Als zoodanig werden door mij aangewezen de heeren: J. H. Kann, Mr. E.
Fennema en Mr. J. J. van Troostenburg de Bruyn. Die heeren hebben hun
moeilijke taak met groote onpartijdigheid en kennis van zaken vervuld en
zij hebben door hun tactvol optreden tot de goede werking der Beurswet
en tot de geleidelijke en ongestoorde hervatting der beurszaken zeer
veel bijgedragen.
Als wettelijke Commissie van deskundigen werden door de Koningin benoemd
de heeren: A. de Bijll Nachenius, J. van der Kooy Jr., G. W. A. van Laer
J.Cz., Mr. H. M. Roelofsz, A. Roelvink en Dr. D. F. Scheurleer, met
plaatsvervangers. Tot voorzitter werd aangewezen de heer S. P. van
Eeghen, tot plaatsvervangend voorzitter de heer Dr. H. F. R. Hubrecht,
voorzitter en onder-voorzitter van de Kamer van Koophandel te Amsterdam;
tot secretaris werd benoemd de heer Mr. H. A. van Nierop. Natuurlijk is
er tusschen beide commissies niet steeds overeenstemming geweest, maar
de goede verstandhouding werd ook bij verschil van inzicht niet
verstoord. Waar dit zich openbaarde, was ik door het ontvangen van twee
gemotiveerde rapporten in staat tot het nemen van een beslissing, na het
hoor en wederhoor te hebben toegepast.
De Commissie van deskundigen werd den 2den October 1914 op het
Departement van Landbouw door mij geïnstalleerd. Daarbij hield ik tot de
heeren de volgende toespraak:
Bij de Beurswet is voor den tijd dat deze wet van kracht zal zijn,
ten aanzien van den geld- en fondsenhandel een even groote als
buitengewone bevoegdheid aan den Minister van Landbouw, Nijverheid
en Handel toevertrouwd.
Die bevoegdheid brengt een zware aansprakelijkheid met zich.