Wellicht zal het aanbeveling verdienen ook de drie vereenigingen

voor den effectenhandel en de Vereeniging van directeuren van

hypotheekbanken, alsmede de Vereeniging tot steun aan miliciens in

de zaak te kennen.

Eindelijk is, waar geldelijke steun van den Staat voor het

welslagen van de zaak onmisbaar is, een vertegenwoordiging van het

Ministerie van Financiën noodig. Hiertoe schijnt ’s Rijks

Thesaurier-Generaal het meest aangewezen.

De steun van het Rijk kan tweeledig zijn. In de eerste plaats zal

het noodig zijn, dat de Staat--hetzij dan het Rijk alleen, hetzij

het Rijk in combinatie met de in elk bijzonder geval daarbij

belanghebbende gemeente--wanneer aan de voorwaarden voor de

credietverleening is voldaan, het daadwerkelijke verleenen daarvan

mogelijk maakt door een deel van het risico voor zijn rekening te

nemen. Zonder deze medewerking van den Staat zou het bij plannen

maken op het papier blijven en zou het risico voor particuliere

instellingen, juist omdat het hier gaat om kleine en zelfs om

miniatuur-bedrijven, te groot zijn om op toepassing op eenigszins

ruime schaal te kunnen rekenen. Trouwens werd in Augustus 1914 in

deze richting reeds gegaan, toen de toenmalige Minister van

Landbouw, Nijverheid en Handel na overleg met zijn toenmaligen

ambtgenoot van Financiën aan de Centrale

Middenstandscredietbank--behoudens bekrachtiging voor de

wet--toezegde de helft van de door haar wegens credieten, in den

oorlogstijd verleend, te lijden verliezen tot een maximum van één

millioen gulden te zullen dragen.

Evenwel zal thans in die richting verder moeten worden gegaan. Het

is in verband met den aard der credieten, die hier gegeven zullen

moeten worden, zeer de vraag of de particuliere instellingen zelfs

zóóver zullen durven gaan om de helft van het risico daarvan voor

hare rekening te nemen. Er zal op moeten worden gerekend, dat zij

dit niet zullen aandurven en dat de Staat zich bereid zal hebben te

verklaren tot het dragen van „premier risque” tot een voor de

verschillende categorieën van gevallen vast te stellen percentage,

behoudens afwijking van dat percentage in bijzondere gevallen, waar

daartoe een speciale aanleiding bestaat.

Doordien in geval van schade op een post de Staat voor het dragen

geheel zou opkomen, zoolang het bedrag het vastgestelde percentage

voor het „premier risque” niet zou overschrijden, zou dit het

risico der credietverleenende instellingen zeer beperken en de kans

op welslagen der zaak zeer verhoogen. Van de zijde van den Staat

zal, ten einde een onbeperkte aansprakelijkheid te ontgaan, een

maximum moeten worden gesteld, waarboven de toezegging tot het

dragen van het „premier risque” niet zou gaan. Hierbij kan òf

alleen een algemeen maximum gesteld worden òf daarnevens ook een

maximum voor elken post. Dit behoort tot de nader te regelen

punten.

Toevallig is er op het oogenblik een plan in voorbereiding tot

stichting van een verzekeringsmaatschappij, waaraan de

verschillende middenstandscrediet-instellingen deelnemen, en welke

ten doel heeft de verliezen door die instellingen op bepaalde

posten te lijden, onderling om te slaan. Waarschijnlijk zal het

aandeel van den Staat in het risico der hier bedoelde

credietverleeningen het eenvoudigst door tusschenkomst van die

maatschappij zijn te regelen.

Door deze wijze van steunverleening zal de Staat niet alleen het

aantal gevallen waarin aan credietaanvragen uit kleine

middenstandskringen kan worden voldaan, aanmerkelijk vergrooten,

maar tevens door indirect voor een deel het crediet van den Staat

ter beschikking van die aanvragers te stellen, de voorwaarden

waaronder het crediet wordt verstrekt, minder bezwarend voor hen

maken.

De tweede wijze, waarop de Staat steun verleenen kan, bestaat in

het geven van een bijdrage aan den credietnemer om hem te helpen in

het opbrengen van rente en aflossing van het hem verleende crediet.

Een overeenkomstige steun dus als volgens de woningwet, in sommige

gevallen aan woningvereenigingen kan worden verleend. Het zal wel

gewenscht zijn, ten einde dezen vorm van steunverleening eenigszins

binnen de perken te houden, hem als regel alleen toe te passen op

die aanvragers voor wie het zelfstandig opbrengen van het volle

bedrag van rente en aflossing te zwaar is en wier bedrijf in het

ongereede is geraakt door het vervullen van militie- of

landweerplicht.

De wijze van werken van deze organisatie voor middenstandscredieten

in verband met achteruitgang door den oorlogstoestand, kan men zich

ongeveer als volgt voorstellen.

De commissie welke gevormd zal worden uit de vertegenwoordigers der

bovengenoemde vereenigingen en maatschappijen benoemt een kleiner

comité van beoordeeling, hetzij geheel uit haar midden hetzij met

opneming ook van één of meer personen van buiten af.

De crediet-aanvrager wendt zich tot de middenstandsbank of

boerenleenbank te zijner keuze, mits deze instelling deel uitmaakt

van één der bij de organisatie aangesloten centrale lichamen. De

bank onderzoekt de aanvraag op gelijke wijze als andere bij haar

inkomende aanvragen worden onderzocht. Meent zij dat de aanvraag

valt onder de categorieën, waarom het hier gaat, dan zendt zij die

met de daaromtrent verzamelde gegevens en met een gemotiveerd

advies, door tusschenkomst van de centrale instelling waartoe zij

behoort, aan het comité van beoordeeling toe. Het comité onderzoekt

1º of de aanvraag valt onder een der categorieën waarvoor deze

bijzondere organisatie is ingesteld en, zoo ja, 2º of en in hoever

de aanvraag voor inwilliging vatbaar is en tot welk percentage de

Staat zich bij voorkeur aansprakelijk kan stellen. Het brengt

verslag van zijn onderzoek uit aan den Thesaurier-Generaal, die

door den Minister van Financiën wordt gemachtigd uit zijn naam de

borgstelling door den Staat te fiatteeren.

Zonder twijfel zullen in dezen opzet bij de nadere uitwerking op

verschillende punten veranderingen komen. Ondergeteekende meent

echter, dat daarin de hoofdlijnen der zaak voldoende zijn

aangegeven, ter beoordeeling van de uitvoerbaarheid van het plan.

’s-GRAVENHAGE, 1 Februari 1915.

TREUB,

MINISTER VAN FINANCIËN.

Toen de Koningin mij had te kennen gegeven, dat Zij zich met mijne

uitwerking van Haar denkbeeld kon vereenigen, werd het noodige

gedaan om de verwezenlijking daarvan voor te bereiden. Daartoe moest

in de eerste plaats met de Nederlandsche Bank overeenstemming worden

verkregen over een regeling, waarmede deze zich zou kunnen vereenigen.

Er werden door mij hoofdpunten voor de in het leven te roepen

oorlogscrediet-organisatie voor den kleinen middenstand ontworpen en aan

de Nederlandsche Bank ter beoordeeling toegezonden. Nadat als gevolg van

de gedachtenwisseling daarover op enkele punten wijzigingen in het plan

waren aangebracht, en het voorloopig was gereed gekomen, werd het aan de

goedkeuring van Hare Majesteit onderworpen en verzocht ik Haar, evenals

Zij bij de oprichting van het Kon. Nat. Steuncomité had gedaan, aan de

zaak wijding te willen geven, door de constitueerende vergadering der te

vormen organisatie met een korte toespraak te openen. Toen de Koningin

zich daartoe bereid had verklaard en de dag, waarop die vergadering zou

worden gehouden, was bepaald, werden alle organisaties, die geacht

konden worden bij de zaak belang te hebben of daarin belang te stellen,

opgeroepen tegen Zaterdag 13 Maart 1915. De uitnoodigingen tot de

vergadering gingen uit van de Ministers van Oorlog, van Landbouw,

Nijverheid en Handel en van Financiën, van den president van de

Nederlandsche Bank, den president van de Vereeniging voor den Geldhandel

en den voorzitter van de uitvoerende commissie van het Koninklijk

Nationaal Steuncomité. De vergadering had plaats in de Rolzaal van het

Gebouw der Grafelijke zalen. Zij werd behalve door de genoemde Ministers

ook door den Minister van Marine en den Opperbevelhebber alsmede door

een groot aantal andere belangstellenden bijgewoond.

Evenals bij de installatie van het Kon. Nat. Steuncomité trad Hare

Majesteit zonder gevolg de vergaderzaal binnen, waar Zij plaats nam

tusschen den Minister van Oorlog en mij. Terstond nam de Koningin het

woord tot het uitspreken van de volgende rede:

_Mijne Heeren!_

Het is mij eene levendige voldoening te ontwaren, dat aan de

uitnoodiging tot deze vergadering door zoo talrijke instellingen en

vereenigingen is gevolg gegeven.

Aan hunne vertegenwoordigers alhier wensch ik een oprecht welkom

toe te roepen.

Uw opkomen te dezer vergadering versterkt mijn vertrouwen in het

welslagen van den arbeid welke met de oprichting van het Koninklijk

Nationaal Steuncomité werd begonnen; een arbeid welke ten doel

heeft de bezwaren te overwinnen, die de huidige

wereldgebeurtenissen voor breede kringen in ons Vaderland na zich

sleepen en die, naar gelang der belangen welke hij behartigt, zich

moet vertakken in uiteenloopende richting.

Het is U bekend dat Uwe medewerking wordt gevraagd tot het

vergemakkelijken van verkrijgen van crediet voor hen die door den

oorlogstoestand hun zaak zagen kwijnen of te niet gaan. Terwijl de

heer Treub, Minister van Financiën, straks aan deze vergadering de

ontworpen plannen zal toelichten, gevoel _Ik_ mij gedrongen reeds

dadelijk met nadruk te _zeggen_, hoezeer het mij verheugt, dat

thans al een begin kan worden gemaakt met eene organisatie, welke

eerst na afloop van den oorlogstoestand haar geheele arbeidsveld

voor zich zal zien ontsluiten. Niet alleen dat aan hen, voor wie

het achterwege blijven van bijstand wissen financieelen ondergang

zoude beteekenen, de behulpzame hand kan worden geboden, doch ook

de _zorgen_ van de velen, die buiten hun schuld in benarde

geldelijke omstandigheden zijn gebracht, zullen door de in uitzicht

gestelde verlichting aanmerkelijk kunnen worden verzacht. Ik denk

in de eerste plaats aan degenen, die opgeroepen om het Vaderland te

dienen, naast huis en haard een bedrijf achterlieten, dat de

gevolgen hunner afwezigheid heeft ondervonden; doch daarnevens aan

allen die ernstig nadeel leden door de jongste storingen in den

economischen toestand.

Eene opwekkende gedachte is het, te kunnen bijdragen tot de

vergemakkelijking der bestaansvoorwaarden der door de crisis

getroffenen; eene schoone taak tevens daadwerkelijk mede te

arbeiden tot herstel en uitdijen der vroegere welvaart, waarin ons

dierbaar Vaderland zich mocht verheugen.

Ik noodig U allen uit, gemeenschappelijk Uwe krachten te wijden aan

dit bij uitstek nationale doel in nauwe samenwerking met de

steunorganisatie en de vereeniging welke de belangen der bij de

weermacht dienenden behartigt.

Ik besluit met een woord van warmen dank aan Uwe Excellentie voor

de voortvarendheid waarmede U dit plan hebt ontworpen en in staat

van behandeling gebracht.

Hiermede open ik deze vergadering en verzoek U thans de leiding

dezer beraadslagingen op U te nemen.

De rede, welke ik daarna op uitnoodiging van de Koningin hield, ving ik

aldus aan:

_Majesteit!_

Het zij mij vergund aan het openingswoord, zooeven door Uwe

Majesteit gesproken, met Uwe toestemming, een korte uiteenzetting

toe te voegen van het doel, dat ons samenbrengt.

Alvorens daartoe over te gaan moet mij een woord van eerbiedigen

dank van de lippen, dat Uwe Majesteit door Hare tegenwoordigheid

hier ter plaatse ook aan deze nationale zaak wijding heeft willen

geven. Ik ben overtuigd dat ik met dit woord van dank de gevoelens

vertolk niet alleen van de hier aanwezigen, maar van heel Uw volk,

dat de beteekenis van Uwer Majesteits aanwezigheid hier in deze

bijeenkomst nog beter zal beseffen, als het weet dat de

grondgedachte welke tot het bijeenroepen van deze vergadering heeft

geleid van Haar afkomstig is; dat Uwe Majesteit de eerste is

geweest die uitdrukking heeft gegeven aan het denkbeeld, de

instellingen die zich met het crediet voor den kleinen middenstand

bezighouden of daarin belangstellen, met het oog op de bijzondere

taak welke dat crediet tengevolge van de oorlogscrisis zal hebben

te vervullen, in nauwere aanraking met elkander te brengen.

Het is te hopen en te verwachten, dat de erkentelijkheid welke in

heel het land zal worden gevoeld voor dit nieuwe initiatief van Uwe

Majesteit in het belang dergenen, die den druk der omstandigheden

bijzonder zwaar gevoelen, zich zal uiten in eene verhoogde

toewijding aan het na te streven doel van de zijde van allen, die

tot de bevordering daarvan kunnen bijdragen.

Vervolgens gaf ik eene uiteenzetting van het doel der samenkomst, welke

met eenigszins andere woorden in hoofdzaak hetzelfde inhield als het zoo

even medegedeelde rapport aan Hare Majesteit en die ik dus niet opneem,

om niet in herhalingen te vervallen. Na die uiteenzetting vervolgde ik

aldus:

Ten einde aan de zaak het algemeen nationaal karakter te geven, dat

voor haar welslagen noodig is, zijn tot deze bijeenkomst ook

uitgenoodigd verschillende maatschappijen en vereenigingen, zich

bewegend op onderscheiden terreinen van het maatschappelijk leven,

die bij groote onderlinge verscheidenheid allen belang hebben

bij- of belangstellen in een zoo goed mogelijke voldoening aan de

credietbehoeften van den kleinen middenstand.

Doch met hoe goede bedoelingen men ook zou zijn bezield, het zou

niet mogelijk zijn die in practische daden om te zetten, indien de

Nederlandsche Bank niet bereid was daartoe hare medewerking te

verleenen. Ik mag en wil daarom niet nalaten er met erkentelijkheid

op te wijzen dat de Nederlandsche Bank, zoodra zij van het plan

kennis kreeg, daarmede hare volle sympathie betuigde en bij de

uitwerking daarvan hare medewerking met de meeste welwillendheid

verleende.

Het enkele feit, dat de uitnoodiging tot deze bijeenkomst mede

uitgaat van den president der Nederlandsche Handel-Maatschappij,

die tevens voorzitter is van de Vereeniging voor den Geldhandel,

waarborgt voorts, dat als het plan in de uitvoering de medewerking

van den grooten geldhandel behoeft, daartoe niet te vergeefs zal

worden aangeklopt.

Doch ook de tusschenkomst van den Staat kan bij de verwezenlijking

van het plan niet worden gemist. Zonder deze tusschenkomst zou het

grootendeels bij plannen maken op het papier blijven. Juist omdat

het hier in de eerste plaats te doen is om hulp te verleenen aan de

kleine en zeer kleine bedrijven, die niet in staat zijn de

waarborgen te geven, welke onder normale omstandigheden voor een

credietverleening worden verlangd, zou het risico voor de

credietinstellingen, die tot medewerking en samenwerking zijn

opgeroepen, te groot zijn, indien het Rijk niet bereid was een

groot deel van dat risico voor zijne rekening te nemen; zoodanig

echter, dat de credietinstellingen zelve niet geheel ophouden,

belanghebbenden te zijn zoowel bij een zorgvuldig onderzoek, vóór

het crediet verleend wordt, als bij eene goede controle, nadat het

is verstrekt.

Ik aarzel niet die onmisbare medewerking van het Rijk in uitzicht

te stellen, omdat ik mij overtuigd meen te mogen houden, daarmede

geheel in overeenstemming te handelen met de bedoeling van de

wetgevende macht, welker instemming met ’s Rijks medewerking tot de

steunorganisatie wel niet aan twijfel onderhevig is en die zeker

met onverdeelde sympathie ook deze tweelingzuster van die

organisatie zal ontvangen.

Hoever de Staat met zijn medewerking in deze zoo belangrijke

nationale zaak gaan moet, is moeilijk te bepalen. Ik stel mij voor

dat op de wijze, die in de hoofdpunten is aangegeven, het Rijk zich

borg zou kunnen stellen tot een gezamenlijk bedrag van bijvoorbeeld

5 millioen gulden. Hoeveel verlies op die borgtochten zal worden

geleden en hoeveel het Rijk door het bijspringen bij die voldoening

van rente en aflossing zal hebben te betalen, is niet bij

benadering te zeggen. Natuurlijk zal het ver blijven beneden het

bedrag der credieten waarvoor de Staat mede-aansprakelijkheid heeft

aanvaard....

Slechts op één punt wil ik tot slot nog de aandacht vestigen. Onder

de voorwaarden die gesteld kunnen worden, is opgenomen de

verplichting eene eenvoudige en passende boekhouding te voeren.

Waar zoovele kleine handelaars en industrieelen lijden onder het

volslagen gemis aan overzicht over hun zaak, met het gevolg dat zij

vaak niet weten of daarin werd verdiend of verloren, kan het

stellen van deze voorwaarde alleen, mits op de nakoming daarvan

voldoende wordt toegezien, voor den kleinen middenstand reeds tot

zegen zijn.

Hiermede meen ik de beraadslagingen die wij zoo aanstonds zullen

voeren, voldoende te hebben ingeleid, de hoofdlijnen van het plan,

waaraan wij onze krachten zullen geven, voldoende te hebben

aangeduid. Het was mij een groot voorrecht tot de voorbereiding van

het plan het mijne te hebben kunnen bijdragen. Voor de waardeering,

welke ik deswegen van Uwe Majesteit mocht ontvangen, breng ik Haar

mijn eerbiedigen dank.

Ik eindig met nogmaals ons aller oprechte erkentelijkheid aan Uwe

Majesteit uit te spreken voor den eersten stoot, die door Haar werd

gegeven aan deze zaak, welke voor den kleinen middenstand zoo

zegenrijk zijn kan en welke aan menigen militie- en

landweerplichtige gerustheid voor de toekomst brengen zal, en niet

minder voor Hare bereidwilligheid door Hare hooge tegenwoordigheid

alhier de beteekenis van het werk dat wij ondernemen, tot gansch

het volk te doen doordringen.

Daarna nam de heer Bosboom, Minister van Oorlog, het woord. Hij sloot

zich aan bij de woorden van dank door mij tot de Koningin gericht,

schetste de moeilijkheden die de oorlogstoestand voor gemobiliseerde

kleine neringdoenden opleverde, bracht in herinnering wat reeds door het

Kon. Nat. Steuncomité ter verzachting daarvan gedaan werd, wees er op,

hoe het bewustzijn, dat zij niet langer vrees zouden behoeven te hebben

voor ondergang van hun zaakje, het gemoed van menigen gemobiliseerden

kleinen middenstander zou verlichten, uitte er zijn vreugde over, dat

dit ook gunstig zou werken op den geest van het leger, die bij den

langen duur der mobilisatie op zulk een harde proef wordt gesteld en

dankte zoowel den president van de Nederlandsche Bank, den president van

de Ned. Handel-Maatschappij en den voorzitter van de uitvoerende

commissie van het Kon. Nat. Steuncomité voor hun medewerking tot den

oproep der vergadering als hen, die daaraan gevolg gegeven hadden, voor

hun opkomst.

Nadat de Minister van Oorlog zijne rede geëindigd had, verliet de

Koningin de vergadering, uitgeleid door de heeren van wie de oproeping

ter vergadering was uitgegaan.

Daarna werden de reeds genoemde hoofdpunten van het plan behandeld. Ik

stip daaruit aan, dat de zaak zoodanig werd georganiseerd, dat er tevens

een spoorslag werd gegeven aan plaatselijke boerenleenbanken of

middenstandsbanken, die zich nog niet bij een centrale organisatie

hadden aangesloten, daartoe alsnog over te gaan. Er werd voor gezorgd,

dat de aanvragen eerst bij de verschillende plaatselijke

credietinstellingen zouden behandeld worden, opdat van het voordeel der

beoordeeling van elke aanvraag door personen, die den aanvrager kenden

ten volle partij zou worden getrokken. Aan het hoofd der organisatie

werd gesteld eene Commissie van Uitvoering. Deze werd, als resultaat van

de vergadering samengesteld uit de heeren: J. B. Bosman, Directeur van

de Middenstands Credietvereeniging „De Hanzebank” te Utrecht; J. C. M.

Brugma, Directeur van de Eerste Haagsche Hulpbank met Winstuitkeering;

M. H. G. Th. Fiedeldy Dop, secretaris der Alg. Ned. Centrale

Middenstands Crediet bank; C. van Lennep, Secretaris van den Ned.

Tuinbouwraad; T. J. Perquin, Secretaris van de Coöp. Centrale

Middenstands Credietbank (de Hanzebank) in het Bisdom Haarlem en Mr. J.

J. de Waal Malefijt, Voorzitter van den Raad van Beheer van de Coöp.

Centrale Spaar- en Voorschotbank „Boaz”. Verschillende adviseurs, die

deskundig zijn in bepaalde bedrijfstakken, verleenden welwillend hun

medewerking. Tot voorzitter van de Commissie van Uitvoering werd later

benoemd Mr. D. Fock, lid van de Tweede Kamer en Oud-Minister van

Koloniën.

De aanvragen worden met een rapport van de plaatselijke bank, bij welke

zij inkomen, door tusschenkomst van de centrale organisatie, waarbij

deze zijn aangesloten, aan de Commissie van Uitvoering toegezonden. Als

algemeen maximum voor een te verleenen crediet, behoudens afwijking met

goedkeuring van den Minister van Financiën, werd ƒ 1000 aangenomen. In

verband met de borgtocht, welke de Staat op zich neemt, behoeft elke

toegewezen credietaanvrage de goedkeuring van den Thesaurier-Generaal.

Bij de regeling der borgtocht van den Staat werd eenigszins afgeweken

van hetgeen ik in mijn rapport aan de Koningin had voorgesteld. Die

borgtocht bedraagt ten minste 55% van het op een verleend crediet te

lijden verlies, maar wordt percentsgewijze hooger, naar gelang dit

kleiner is. Bij een verlies van 10% of minder vergoedt de Staat daarvan

1/10^{e} gedeelte.

Ter vergadering waar de hoofdpunten behandeld werden, bleek misverstand

omtrent één punt, dat door mij op den voorgrond gesteld en gehouden

werd. Ik heb namelijk streng vastgehouden aan den m. i. zeer wezenlijken

grondslag, dat de plaatselijke bank zelve een deel van het risico moest

blijven dragen. Men vatte dat aldus op, dat zij een deel van het crediet

zonder borgstelling en zonder eenig onderpand zou moeten verleenen, en

men merkte mij op, dat de statuten der meeste middenstands- en

volksbanken dit uitsloten. Dat was echter de bedoeling niet en kon ook

de bedoeling niet zijn. Het was er om te doen, dat de plaatselijke bank

in zoover risico zou loopen, dat zij belang hield bij de gegoedheid van

den borg of bij het voldoende zijn van het onderpand. Ik ben namelijk

overtuigd, dat elke organisatie van middenstandscrediet, waarbij er niet

van wordt uitgegaan, dat men plaatselijk belang heeft, er op toe te

zien, dat het crediet goed besteed wordt en dat de zaak, waarvoor het

werd gegeven, behoorlijk wordt gedreven, gedoemd is, op een fiasco uit

te loopen. Toen de bedoeling der bepaling van de hoofdpunten, welke dit

onderdeel regelt, beter was begrepen, erkende men de juistheid daarvan

en liet men zijn aanvankelijk bezwaar vallen.

De credietverleening heeft wel in de eerste plaats ten doel kleine

middenstanders te helpen, die door de mobilisatie niet bij hun werk

konden blijven en wier zaken dientengevolge achteruit gingen of

verliepen. Zij bepaalt zich daartoe echter niet. Ook niet-gemobiliseerde

middenstanders, die kunnen aantoonen dat hun bedrijfje ten gevolge van

den oorlogstoestand in moeilijkheid kwam, worden door haar geholpen.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 23 / 40 段