Nederlandsche Handel-Maatschappij, de Amsterdamsche Bank, de
Rotterdamsche Bankvereeniging en de Twentsche Bankvereeniging gesteund;
de heeren Van Aalst en Mr. F. S. van Nierop namen zitting in het college
van commissarissen, daarmede aan hun sympathie met de nieuwe instelling
openlijk uiting gevende. Dr. Bos, die steeds met de middenstandsbeweging
in nauwe betrekking had gestaan, die ook als voorzitter van de
Staatscommissie tot onderzoek van de toestanden in den middenstand van
diens nooden en behoeften bijzonder op de hoogte was en die een zeer
groot aandeel had in de totstandkoming van de Algemeene Centrale
Middenstandsbank, nam het voorzitterschap van het college van
commissarissen op zich. De dagelijksche leiding werd in handen gegeven
aan bekwame en beproefde voorstanders van de credietcoöperatie voor den
middenstand, onder wie in de eerste plaats is te noemen de heer M. H. G.
F. Fiedeldy Dop, een der van ouds bekende figuren in de
middenstandsbeweging. Met ijver en niet zonder succes werd propaganda
voor de zaak gemaakt. De Algemeene Nederlandsche Centrale
Middenstandscredietbank wist op slechts enkele uitzonderingen na de
bestaande middenstandsbanken te bewegen, zich bij haar aan te sluiten.
Vele nieuwe middenstandsbanken werden opgericht. Op 31 December 1915
waren 72 banken bij haar aangesloten, waarvan ongeveer de helft sedert
haar oprichting was tot stand gekomen. Op dien dag beliep het uitstaand
crediet der bij haar aangesloten banken ongeveer ƒ 5 millioen, verstrekt
aan ten naastenbij 3500 credietnemers. Toch bleef een groot deel der
credietbehoeften van den middenstand onbevredigd.
Dit is aan velerlei oorzaken toe te schrijven. In de eerste plaats
moesten de bij de Algemeene Centrale aangesloten banken in hare statuten
opnemen, dat geen credieten zouden worden verleend dan tegen
persoonlijke of zakelijke zekerheid. Hoewel de opneming van deze
bepaling getuigde van voorzichtig beleid en noodig was, werd hierdoor
toch een breede schare van middenstanders uitgesloten, vooral omdat onze
wet verpanding van voorraden zonder dat zij uit het bezit van den
pandgever gaan, niet kent. Voorts staat het middenstandscrediet in
financieele kringen niet àl te zeer in aanzien. Vooral de banken in de
provincie vreezen daarvan concurrentie, hoewel over het algemeen de
zaken, welke zij met middenstanders zouden kunnen doen, zelfs als de
credietwaardigheid van deze credietzoekenden voldoende zou vaststaan,
elk op zich zelf van te weinig beteekenis zijn, om voor hen
aantrekkelijk te wezen. Jammer genoeg is het ook niet te ontkennen, dat
er middenstandscredietbanken zijn, die zich niet gehouden hebben binnen
hun terrein en die, door tevens als gewone effecten- en geldhandelaars
op te treden, den bankiers in de provincie rechtstreeks concurrentie
aandeden. Doch daarnaast ligt de geringe sympathie van de financieele
wereld in de credietcoöperatie zoowel van den middenstand als van den
landbouw, in de neiging van onze bedrijfscoöperators om hunne
aansprakelijkheid te veel te beperken. Dit is inderdaad een groot
gebrek. Ook de Nederlandsche Bank is terecht weinig geneigd promessen
van een coöperatieve bank te disconteeren, wanneer de aansprakelijkheid
harer leden bij de statuten te zeer beperkt is.
Bij de oprichting van de Algemeene Nederlandsche Centrale
Middenstandscredietbank stond men onmiddellijk voor deze moeilijkheid.
Stelde men de aansprakelijkheid te ruim, dan zou men geen deelnemers
vinden; stelde men haar te eng, dan zou men in financieele kringen niet
voor vol worden aangezien en zou de Nederlandsche Bank bezwaar maken,
het papier der middenstandsbank te disconteeren. Ter oplossing van deze
moeilijkheid heeft men een uitweg gekozen, die wel goed bedoeld, maar
weinig practisch was.
Er moest echter rekening worden gehouden met de voorwaarde, die de
Nederlandsche Bank en dientengevolge ook de Vereeniging voor den
Geldhandel ten aanzien van dit punt aan haar bereidwilligheid tot
medewerking verbonden. Daarbij legden zich de oprichters, zij het ook
noode, ten slotte neer. Voor de Regeering was er toen geen aanleiding
plus royaliste te zijn que le roi. Die conditie toch was zeker
bevorderlijk voor de credietwaardigheid der middenstandsbanken, al
belemmerde zij haar ontwikkelingsvatbaarheid.
De voorwaarde, waarop ik doel, bestaat hierin dat de bij de Alg. Ned.
Centr. Middenstandscredietbank aangesloten banken in hun statuten
moesten opnemen, dat alle credietnemers zich aansprakelijk zouden
stellen niet alleen voor de voldoening aan hun eigen verplichtingen,
maar bovendien nog tot een bedrag van 20% boven het hun verleende
crediet, voor eventueele verliezen door de bank te lijden. Wanneer zulk
een verplichting gesteld was telkens voor een kleine groep van elkaar
persoonlijk kennende credietnemers, die elkander beoordeelen kunnen, zou
daartegen niet het minste bezwaar zijn geweest. Het onderling voor
elkaar instaan door kleine groepen van personen, die elkander niet
vreemd zijn, is zelfs de kern der crediet-coöperatie. Daarin ligt het
geheim der ontwikkeling van de landbouw-coöperatie, welke, omdat zij
dorpscoöperatie is, onderlinge aansprakelijkheid vraagt en vragen kan
van personen, die door het enkele feit, dat zij dorpsgenooten zijn,
elkanders betrouwbaarheid en draagkracht beoordeelen kunnen. Verbindt
men daarentegen als voorwaarde aan een credietverleening, dat de
credietbehoeftige behalve voor zich zelven bovendien tot een bedrag van
een vijfde van het hem verleende crediet nog er voor zal instaan dat
anderen, die hij niet kent en van wie hij niets weet, hunne
verplichtingen ook zullen nakomen, dan loopt men gevaar juist hen af te
stooten, wier medewerking men voor een goede crediet-coöperatie in de
eerste plaats noodig heeft, en houdt men, in het algemeen genomen,
vooral hen over, die niet te zwaar denken over verplichtingen, welke zij
op zich nemen, of die elders niet terecht konden en die nu van den nood
een deugd maken. Zal de crediet-coöperatie van den middenstand tot bloei
willen komen, dan zal zij zich van die haar in hare ontwikkeling ernstig
belemmerende bepaling moeten weten los te maken, zonder aan de
waarborgen, welke zij aan de Nederlandsche Bank bieden moet, tekort te
doen.
Maar zelfs al gelukt haar dit, en al zou er van den beginne af een
regeling zijn getroffen die de Alg. Ned. Centr. Middenstandscredietbank
niet in haar groei belemmerd had, dan zou zij toch de kleine
middenstanders niet hebben bereikt. Misschien zullen ook zij
langs den weg der coöperatie te helpen zijn, als deze zich in de
middenstandskringen werkelijk zal hebben ingeburgerd; thans, nu het
meerendeel der middenstanders nog vreemd, zoo niet vijandig
daartegenover staat, zou het getuigen van kortzichtige voorbarigheid,
daarvan heil te verwachten ook voor het kleine winkeliertje, en het
kleine handwerksbaasje, die zelfs hun eigen zaak niet kennen en die
verbaasd staan, als men hun vraagt of zij eenige, zij het nog zoo
eenvoudige, boekhouding voeren.
Hetgeen door het gemeentebestuur van Amsterdam in overleg met
de Algemeene Winkeliersvereeniging ter bevordering van het
middenstandscrediet in de hoofdstad is gedaan, is meer aan de kleine
middenstanders ten goede gekomen, al heeft het vooral het bouwbedrijf
aldaar gebaat. Deze gemeente besloot tot een bedrag van ƒ 1.000.000
zich borg te stellen voor personen uit den middenstand, aan wie
door de Credietvereeniging of door de Amsterdamsche Centrale
Middenstands-Credietbank crediet werd verleend; doch alleen voor
credieten, welke door Burgemeester en Wethouders, bijgestaan door een
speciale commissie, waren goedgekeurd. Aangezien het plan van deze
Amsterdamsche borgstelling ten behoeve van credietbehoevende
middenstanders goed was in elkander gezet, besloot het Rijk, ten einde
de uitvoering daarvan te bevorderen, de helft van de eventueele
verliezen, welke voor de gemeente uit die borgstellingen zouden
voortvloeien, aan haar te zullen vergoeden. Die maatregel, welke als
crisis-maatregel bij uitnemendheid, zijn doel niet heeft gemist,
is--gelijk ik opmerkte--in hoofdzaak ten goede gekomen aan de bouwers,
maar toch zijn ook andere middenstanders en onder hen ook een aantal
kleinere daardoor gebaat geworden.
Percentsgewijze is aan den kleinen middenstander nog eenigszins meer ten
goede gekomen hetgeen de gemeente ’s Gravenhage deed. Zij gaf tot een
bedrag van ƒ 100.000 een voorschot aan de Coöperatieve Middenstandsbank
aldaar, met de bedoeling dat dit zou strekken voor credietverleening aan
kleine middenstanders binnen de gemeente, die door deze middenstandsbank
credietwaardig zouden worden geacht en die als gevolg van den
oorlogstoestand een voorschot behoefden. Voor zoover dit hielp, was die
hulp, evenals in Amsterdam, plaatselijk. Bovendien geeft het bedrag, dat
door de gemeente ’s Gravenhage voor deze hulp werd beschikbaar gesteld,
reeds aan, dat zij slechts op bescheiden schaal kon werken.
Toch mocht ook deze breede schaar van kleine neringdoenden en
handwerksbazen, die geen of slechts onvoldoende zekerheid konden
stellen, niet aan hun lot worden overgelaten, voor zoover zij door den
oorlogstoestand in hun bedrijf waren of werden geschaad. Vooral in de
gevallen, waarin de achteruitgang van den winkel of het bedrijfje
rechtstreeks verband hield met de mobilisatie, doordien de kleine
middenstander was opgeroepen voor den militairen dienst en zijn zaak had
moeten verwaarloozen, had de Staat niet slechts aanleiding maar zelfs
den moreelen plicht, de helpende hand te reiken, om het zaakje weer op
de been te krijgen. Niettemin was deze categorie van middenstanders tot
in het begin van het jaar 1915 om de zooeven aangegeven redenen
feitelijk grootendeels buiten den van staatswege verleenden steun aan
het middenstandscrediet gebleven en werden alleen zij, die er het
slechtst aan toe waren, zooals in het vorig hoofdstuk werd
medegedeeld[12], met kleine giften van het Kon. Nat. Steuncomité
geholpen. Op deze leemte werd mijn aandacht gevestigd door de Koningin,
in eene audiëntie welke Hare Majesteit mij in het laatst van Januari
1915 verleende en waarin Zij mijn oordeel over enkele economische
toestanden en maatregelen vroeg. De vraag van de Koningin, mijn
gedachten over deze zaak te laten gaan en Haar, zoo mogelijk, een plan
van organisatie van een credietverleening voor te leggen, welke binnen
het bereik zou liggen van de kleine en kleinste middenstanders, die
onder den oorlogstoestand gebukt gingen, leidde tot het hieronder
volgend rapport, dat ik op 1 Februari aan Hare Majesteit indiende en
waarvan de opneming mij door Haar welwillend werd toegestaan.
[12] Zie bl. 142/3.
De tijd is gekomen om het noodige voor te bereiden ten einde, na het
weer vlot raken van den door den oorlog in menig opzicht
vastgeraakten toestand, een aantal onder de kleine ondernemers niet
geheel weerloos te doen staan tegenover de gevaren, die hun van de
alsdan te verwachten verschuivingen zullen dreigen. Wel is waar is
de Europeesche vrede nog niet in het zicht en is er nog niet de
minste zekerheid dat Nederland door den loop der omstandigheden,
niettegenstaande het optreden der Regeering ter verzekering van onze
onafhankelijkheid en van onze neutraliteit, niet toch in den grooten
krijg zal worden medegesleept. Deze overweging mag er intusschen
niet toe leiden, met het voorbereiden van de noodige weermiddelen
tegen economischen ondergang van een aantal kleine ambachtslieden,
neringdoenden en boeren te wachten, totdat omtrent den vrede en het
lot van ons land in den thans woedenden oorlog zekerheid zal zijn
verkregen.
Om gereed te zijn als de economische verschuiving bij den terugkeer
tot normale politieke verhoudingen zal beginnen, moeten de
vereischte maatregelen, vóór het zoover is, worden genomen. Ook
hier geldt dat „gouverner c’est prévoir”. En mocht het verloop der
gebeurtenissen zoodanig zijn, dat het onmogelijk wezen zou de
beraamde maatregelen in toepassing te brengen, dan zal de daaraan
ten koste gelegde arbeid toch wel door niemand als onnut worden
aangemerkt.
Hetgeen te doen staat voor den tijd van het los komen van den
economischen ijsgang is uit den aard der zaak verwant aan de
steunbeweging, die zich uit het door H. M. de Koningin in Augustus
1914 genomen initiatief heeft ontwikkeld. Die verwantschap sluit
echter niet uit, dat er wezenlijke punten van verschil zijn. Wel is
uit de steunbeweging mede gegroeid, dat het Koninklijk Nationaal
Steuncomité, in verbinding met de organisatie van de Directie van
den Arbeid en onder de medewerking van personen en instellingen,
werkzaam op de verschillende terreinen van het economisch
volksbestaan, zich voortdurend op de hoogte houdt van de
verschillende takken van nijverheid, handel en landbouw, en
belanghebbenden zoowel als Regeering van advies dient omtrent den
stand der verschillende bedrijven, de betrekking van de noodige
grond- en hulpstoffen voor zoover die van elders moeten komen, de
mogelijkheid van het vrij laten uitgaan of de noodzakelijkheid van
het binnenslands houden der producten, omtrent de schommelingen in
de arbeidsgelegenheid, in één woord omtrent het geheele verloop van
het bedrijfsleven in dezen zoo bewogen en zoo bijzonderen tijd.
Maar voor zoover het Koninklijk Nationaal Steuncomité meer is dan
een adviseerend lichaam, bepaalt zijn werkkring zich er zoo goed
als geheel toe, door tusschenkomst van de verschillende
plaatselijke steuncomités wekelijksche toelagen in verschillenden
vorm te geven aan die gezinnen en personen, die door den
oorlogstoestand tijdelijk buiten staat zijn geraakt om in eigen
onderhoud te voorzien. Hetzelfde geldt voor de plaatselijke
steuncomités zelve. Trouwens het doel waarmede deze organisatie in
de zoo moeilijke dagen van Augustus 1914 werd in het leven
geroepen, was geen andere, en de taak die deze steunorganisatie
heeft te verrichten, is bij uitstek zwaar en gewichtig, en haar
werkkring, door het wegdringen van honger en ellende, bij uitstek
zegenrijk.
Wat noodig zal zijn in den overgangstijd tot het economisch leven
zich weer geheel in den nieuwen toestand zal hebben gevoegd, is ook
wel te brengen onder het algemeene begrip _steun_, maar toch is
hier een steun van gansch ander karakter van noode.
Hier geldt het aan kleine bedrijven, die door den oorlogstoestand
in het ongereede zijn geraakt, hulp te verleenen bij het zich
opwerken tot de te voren bereikte hoogte; en kleine nijveren, wier
bedrijf onder dien toestand geheel te gronde ging, in staat te
stellen van hun vakkennis en hun ervaring als kleinondernemer
gebruik te maken en opnieuw een zaakje in de branche, waarmede zij
vertrouwd zijn, te beginnen.
Hier gaat het dus niet om het verstrekken van wekelijksche of
maandelijksche toelagen, maar om het verstrekken van kleine
credieten voor oprichtings- en bedrijfskapitaal, voor zoover het
nieuwe zaakjes betreft, voor aanvulling van verloren kapitaal, voor
zoover betreft zaakjes, die niet zijn te gronde gegaan maar
verzwakt.
Het terrein dat hier te bearbeiden zijn zal, levert zeker niet
minder moeilijkheden op dan hetwelk door de steuncomités bestreken
wordt. In de allereerste plaats zal het noodig zijn scherp te
onderscheiden tusschen de kleine bedrijven die vóór den oorlog
getoond hadden levensvatbaarheid te bezitten, maar door den
oorlogstoestand in het ongereede zijn geraakt en die welke reeds te
voren ten doode waren opgeschreven, maar welker einde door den
oorlogstoestand alleen werd verhaast.
Het zou economisch verkeerd zijn en op een aaneenschakeling van
teleurstellingen uitloopen, indien bij het werk dat hier te doen
staat, niet zoo zorgvuldig mogelijk tusschen beide groepen van
noodlijdende of omvergeworpen zaken werd onderscheiden. Hoe hard
het in sommige bijzondere gevallen ook moge zijn, moet de tweede
categorie van de hier bedoelde hulp streng worden buitengesloten.
De eigenaars van zulke zaakjes moeten hun heil zoeken niet in
vruchteloos pogen van nieuw leven te blazen in wat niet
levensvatbaar is, maar in het aanbieden van hun dienst als leider,
opzichter of arbeider in beter toegeruste en aan de economische
eischen beter beantwoordende ondernemingen.
Echter zal men zich bij het maken van die schiftingen moeten
wachten voor het te spoedig gereed zijn met zijn oordeel. Het is
toch te verwachten, dat na den oorlog de economische
bestaansvoorwaarden voor een aantal bedrijven zullen blijken
belangrijk te zijn gewijzigd. Waarschijnlijk is, dat over het
algemeen gesproken die wijzigingen zullen zijn in het voordeel van
het grootere bedrijf en ten nadeele van de kleine zaakjes. _Deze_
verschuiving zal zich echter niet in alle takken van bedrijf in
gelijke mate voordoen en in sommige daarvan, zooals bijv. in
land- en tuinbouw, wellicht in het geheel niet zijn te constateeren.
Maar deze meer algemeene verschuiving zal doorkruist worden door
een aantal plaatselijke veranderingen, die voor bepaalde kleine
ondernemingen gunstig kunnen zijn of den druk der algemeene
beweging nog kunnen verzwaren.
Bij het oordeel over elk geval zal dus noodig zijn, dat het worde
gevestigd onder medewerking niet alleen van deskundigen op het
gebied van den bedrijfstak waartoe de aanvrager behoort, maar ook
van personen, die de bijzondere voorwaarden, welke afhankelijk zijn
van plaatselijke toestanden, beoordeelen kunnen. Bovendien zal het
daarbij aankomen op de persoonlijke bekwaamheid en geschiktheid van
den aanvrager. Het is toch lang niet uitgesloten, dat in bijzondere
gevallen een zaak te gronde ging, omdat de voorwaarden waaronder
zij gedreven werd, te ongunstig en te machtig waren om haar er
boven op te houden, niettegenstaande de eigenaar daarvan de noodige
eigenschappen bezit om onder minder ongunstige omstandigheden zulk
een zaak met goed gevolg te kunnen drijven. In zulk een geval zou
de aanvrager afgewezen moeten worden, als hij halsstarrig opnieuw
onder dezelfde ongunstige omstandigheden als voorheen wilde
beginnen, maar zou zijn aanvraag in gunstige overweging kunnen
worden genomen, indien hij kon aantoonen, dat de zaak die hij
wenscht te beginnen, onder betere voorwaarden zou worden gedreven.
Niet minder groot is de moeilijkheid bij het bepalen van de juiste
oorzaak of de juiste oorzaken van het achteruit of te gronde gaan
van de zaak van den aanvrager. Het is namelijk met zekerheid te
verwachten dat de aanvragers, meerendeels te goeder trouw, den
kwijnenden of verloopen toestand van hun zaak op rekening van den
oorlogstoestand zullen schrijven, ook in die gevallen, waarin de
oorlog daaraan geen of slechts in geringe mate schuld heeft.
Scherp zal de juiste oorzaak van den toestand in den regel wel niet
zijn aan te wijzen. In het algemeen zal men zich met benaderende
aanwijzingen moeten en kunnen tevreden stellen. Slechts in één
categorie van gevallen zal het anders zijn, namelijk waar de
achteruitgang of het te gronde gaan der zaak te wijten is aan het
gedurende langen tijd ontbreken van het hoofd der zaak of van een
der onmisbare medewerkers daarin, als gevolg van de mobilisatie.
Dat er in de laatstbedoelde categorie van gevallen aanleiding voor
den Staat is, aan den wederopbouw van die zaken zijn steun te
verleenen, behoeft nauwelijks betoog. Waar de eischen der
landsverdediging het economisch bestaan van sommige hunner, die
daarvoor beschikbaar moesten blijven, voor de toekomst in gevaar
hebben gebracht, ligt het op den weg van den Staat dat gevaar
zooveel mogelijk af te wenden. Zoolang niet gedemobiliseerd kan
worden, wordt toch--voor zoover dat met de eischen der
landsverdediging vereenigbaar is--met de eischen ook van het
economische leven der bevolking rekening gehouden door het geven
van langere verloven en tijdelijke ontheffingen van den dienst aan
de militie- en landweerplichtigen wier afwezigheid uit hun bedrijf
niet alleen hun eigen economischen toestand schaadt maar bovendien
de bron van inkomst van een groot aantal andere gezinnen in de
waagschaal stelt. Maar toch kunnen die verloven en ontheffingen
slechts in beperkte mate worden gegeven. Zoolang de tegenwoordige
toestand duurt, moeten de eischen der landsverdediging voorgaan
boven de economische belangen van hen, die daaraan hebben deel te
nemen. Dit moge in sommige gevallen hard zijn; het is niet anders.
Maar hieruit volgt dat de Staat zich niet kan onttrekken aan den
zedelijken plicht er toe mede te werken, dat de economische wonden
die door de mobilisatie geslagen werden, zoo goed mogelijk zullen
worden geheeld.
In de andere gevallen valt _deze_ grond voor de medewerking van den
Staat bij het pogen, het economisch verlies bij de te verwachten
verschuiving tot een minimum te beperken, wel is waar weg. Maar er
blijft toch over, dat het welslagen van dat pogen van groot
algemeen belang is en dat de Staat uit dien hoofde zijn taak niet
voorbij schiet, door tot dat pogen het zijne bij te dragen.
Wat nu de steun zelf betreft, die noodig is, deze is--zooals reeds
met een enkel woord werd aangegeven--hier van gansch anderen aard
dan de hulp, die door de steuncomités wordt verleend aan gezinnen
en personen, die anders onder de buitengewone oorlogsomstandigheden
gevaar zouden loopen noodlijdend te worden.
Hier gaat het bijna uitsluitend om steun door het vergemakkelijken
van de gelegenheid tot het verkrijgen van crediet. Daarin ligt
reeds opgesloten, dat zij die op deze wijze geholpen worden, geen
giften maar voorschotten ontvangen en verplicht zijn rente en
aflossing van die voorschotten uit eigen middelen af te doen.
Ware het nu zóó gelegen, dat er reeds voldoende gelegenheid voor
den kleinen middenstand bestaat, zich het onder deze buitengewone
omstandigheden noodige crediet te verschaffen, dan ware het noch
voor particuliere instellingen noch voor den Staat noodig zich de
zaak aan te trekken. Vandaar dat voor het grootbedrijf en voor het
grootere middenstandsbedrijf geen bijzondere maatregelen beraamd
behoeven te worden. Voor zoover de ondernemingen, die tot deze
categorieën behooren, op gezonden grondslag rusten, kunnen
zij--vooral na de uitbreiding welke de organisatie van het
middenstandscrediet sedert Augustus 1914 heeft ondergaan--als regel
op bevrediging hunner credietbehoefte door bestaande
credietinstellingen rekenen.
Voor den kleinen middenstand bestaat echter geen organisatie van
het credietwezen, die ook maar in de verte voldoende zijn zou voor
de behoefte, welke in de naaste toekomst is te verwachten. Het is
daarom noodig een organisatie, welke in die leemte voorziet, in het
leven te roepen. Daarbij zal het gewenscht zijn, denzelfden weg te
volgen, die in Augustus 1914 bij het organiseeren der steunbeweging
bewandeld werd, namelijk zooveel mogelijk aan te sluiten bij
bestaande instellingen. Dat wil dus hier zeggen: bij bestaande
credietinstellingen en wel inzonderheid bij credietinstellingen ten
behoeve van den middenstand.
In de eerste plaats komt hier in aanmerking de in Augustus 1914
onder den drang der omstandigheden, met steun en medewerking der
Regeering, opgerichte Algemeene Centrale Middenstandscredietbank,
die reeds in sommige plaatsen nieuw opgerichte
middenstandscredietbanken in hare organisatie heeft opgenomen en
bij welke zich verschillende vroeger reeds bestaande
middenstandscredietinstellingen hebben aangesloten. Voorts de R. K.
Hanse, die--naar verluidt--zich nog niet bij de centrale
Middenstandscredietbank heeft aangesloten, en de centrale
instellingen van landbouwcrediet.
Daar deze verschillende credietinstellingen door hunne vertakkingen
en verbindingen beschikken over deskundigen in de verschillende
takken van bedrijf, alsmede over de telkens noodige plaatselijke
kennis en over de middelen ter beoordeeling van de persoonlijke
geschiktheid en bekwaamheid der aanvragers, kan langs dezen weg
worden voldaan aan de eischen, die boven voor eene behoorlijke
vervulling van de hier te verrichten taak werden gesteld.
Aangezien het middenstandscrediet zich niet behoorlijk kan
organiseeren zonder de medewerking van de groote bankinstellingen
en van de Nederlandsche Bank, ligt het voor de hand in de
organisatie der credietverleening voor de buitengewone
omstandigheden gedurende den economischen ijsgang na den politieken
vrede, ook vertegenwoordigers op te nemen van de Nederlandsche Bank
en van de Vereeniging voor den Geldhandel. Wegens het verband met
de steunbeweging 1914 mag ook een vertegenwoordiging van het
Koninklijk Nationaal Steuncomité niet ontbreken.