De werkzaamheid van de Vereeniging voor den Geldhandel kreeg intusschen

bij lange na niet zulk een omvang als waarop was gerekend. In het

verslag van de Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15 wordt

hiervan gezegd: „De Vereeniging voor den Geldhandel had tot 31 Maart

1915 voor een bedrag van ƒ 31.867.477,50 aan voorschotten in allerlei

richting toegezegd, waarvan was opgenomen ƒ 23.512.306,84^{5} en wederom

afgelost ƒ 10.782.431,04; dit cijfer is dus gebleven verre beneden de ƒ

200 millioen, aanvankelijk als maximum voor een hulpverschaffing in die

richting gesteld. Deze cijfers op zichzelven geven echter geen juist

beeld van de werkzaamheden der Vereeniging; immers zij heeft haar

intermediair verleend voor aanvragen tot een belangrijk grooter bedrag,

welke evenwel.... zijn teruggebracht bij de gewone bankrelaties. Vooral

in dit opzicht heeft de dagelijksche samenwerking van den „Geldhandel”

met De Nederlandsche Bank een heilzame uitwerking voor het crediet in

Nederland gehad. Zoowel kleine handelaars, scheepswerven, industrieelen,

alsook zeer groote groepen van handel, landbouw en industrie hebben van

deze samenwerking en voorlichting kunnen profiteeren, om langs normale

wegen weder het noodige bedrijfscrediet te verkrijgen, toen voor velen

hunner het verloop van de crisis uit andere oorzaken gunstiger bleek te

worden dan eerst was verwacht en zij dientengevolge buitengewone

credietfaciliteiten als van den „Geldhandel” niet noodig hadden.

Verschillende anderen kwamen zelfs in zóó veel beter omstandigheden, dat

zij den aangevraagden steun in het geheel niet meer behoefden.”

Hieruit blijkt genoeg, welk een gunstige uitwerking het heeft gehad, dat

de vooraanstaande mannen van den geldhandel zonder verwijl, zoodra de

crisis losbrak, maatregelen namen om in de credietbehoefte van handel,

landbouw en nijverheid te voorzien. Zooals ook de president van de

Nederlandsche Bank opmerkt, is de beteekenis van dat initiatief niet

slechts af te meten naar den omvang der werkzaamheden van de daaruit

voortgekomen organisatie van het crisiscrediet, maar ten minste evenzeer

naar den kalmeerenden invloed, dien het enkele feit van het optreden van

de Vereeniging voor den Geldhandel heeft gehad. Het werkte als olie op

de crisis-golven.

Intusschen had het aanvankelijk een groote schaduwzijde. Het crediet dat

verleend werd, kwam den credietbehoevenden op een bij uitstek hooge

rente te staan. Toen de crisis was ingetreden, de effectenbeurs was

gesloten en het gewone crediet tijdelijk was stop gezet, had dit tot

gevolg, dat bij de bepaling der rente voor de credietzaken, welke door

de Vereeniging voor den Geldhandel werden afgesloten, uitgegaan werd van

de renteberekening der Nederlandsche Bank voor voorschotten in

rekening-courant. Daar die Vereeniging het geld voor de credieten, welke

zij gaf, zooals werd uiteengezet, van de Nederlandsche Bank ontving, kon

zij voor haar eigen renteberekening geen anderen grondslag nemen. Doch

ook de Vereeniging voor den Effectenhandel ging dien weg op. Ook zij

bepaalde, dat bij de berekening van prolongatierente van de rente der

Nederlandsche Bank voor voorschotten en rekening-courant zou worden

uitgegaan. Deze was door de directie op 29 Juli eerst tot 6% verhoogd en

op 1 Augustus op 7% gebracht. Hierboven werd 2% berekend, bovendien

moesten de debiteuren van prolongatieposten nog 1 per mille per maand

betalen aan den commissionnair in effecten. Het crediet kwam dus in de

eerste weken van Augustus aan de debiteuren op meer dan 10 pct. per jaar

te staan. Dat was inderdaad veel te hoog, zelfs de omstandigheden in

aanmerking genomen. Van verschillende zijden ontving de Regeering

daarover klachten en in de pers werd op deze groote schaduwzijde van de

hulp, welke aan de credietbehoevenden werd verleend, met meer of minder

scherpte de aandacht gevestigd. Dit gaf mij aanleiding tot het houden

van eenige besprekingen zoowel met den president van de Nederlandsche

Bank als met den president van de Vereeniging voor den Geldhandel. Bij

den laatste werd met goed gevolg aangedrongen op verlaging van het

rentesurplus van 2% dat boven de bankrente geëischt werd.

Minder gemakkelijk ging het de directie van de Nederlandsche Bank tot

verlaging van haar renteberekeningen te bewegen. Zij stelde zich op het

voor normale omstandigheden volkomen juiste standpunt, dat zij in haar

rentepolitiek vrij moest zijn en zich niet kon noch mocht laten leiden

door overwegingen, ontleend aan de rente, welke voor beursoperaties of

voor andere credietzaken door particuliere bankiers of commissionnairs

wordt berekend. Het spreekt wel van zelf, dat de Regeering dit standpunt

van de Nederlandsche Bank in beginsel volkomen eerbiedigde. Een

circulatiebank, die in de eerste plaats heeft te zorgen voor de

volstrekte betrouwbaarheid van het door haar uitgegeven papier, heeft in

het normale verkeer vooral rekening te houden met de fluctuaties in haar

eigen goudvoorraad en met hetgeen vreemde circulatiebanken doen, hetzij

om goud tot zich te trekken hetzij om voor tijdelijken overvloed van

goud een uitweg te vinden. Voorts zal zij, ook in verband met hare

moreele verantwoordelijkheid als centrale credietinstelling, vooral in

crisistijd alles doen wat in haar vermogen is, om de speculatie in toom

te houden of althans niet onwillekeurig aan te wakkeren.

In normale tijden nemen zulke overwegingen bij de directie der

Nederlandsche Bank de allereerste plaats in en moeten zij dit doen. Maar

met het uitbreken van den oorlog werden de omstandigheden op eenmaal

geheel abnormaal, ook voor de Nederlandsche Bank. Uitvoer van goud was

overal verboden; overwegingen ontleend aan de goudfluctuatie waren dien

ten gevolge uitgeschakeld. Het hoog houden der rente ter beperking van

de speculatie was bovendien in deze crisis niet noodig. Beursspeculaties

waren uitgesloten, omdat er geen beurs werd gehouden, en voor zoover er

crediet werd verleend, werd er, grootendeels met dagelijksche

medewerking van de Nederlandsche Bank zelf, voor gezorgd, dat dit

slechts zou geschieden voor de reëele behoeften van handel, landbouw en

nijverheid en dat credietoperaties met speculatieve oogmerken niet in

aanmerking zouden komen.

Daarentegen was de Nederlandsche Bank in de crisis, veel meer nog dan in

normale omstandigheden, het middelpunt geworden van het geheele

credietwezen, en leidde dit er o.m. ook toe, dat over heel de linie de

bankrente de leiding kreeg. Dit was een even onvermijdelijk gevolg van

den toestand als de groote tijdelijke concentratie van het credietwezen

zelf. Maar dit bracht voor de Bank de verplichting met zich, andere

overwegingen bij de vaststelling der door haar te berekenen

rentevergoedingen te doen gelden, dan waaraan zij gewoon is in de eerste

plaats waarde te hechten. Zoo iets kost bij een veelhoofdige directie

altijd eenige moeite. Bij mijne besprekingen met den president van de

Nederlandsche Bank werd vooral op die groote verandering in den toestand

door mij de nadruk gelegd, alsook op de fundamenteele wijzigingen in de

overwegingen van de Nederlandsche Bank bij de bepaling van haar

rentepolitiek, welke daarvan, zoolang de toestand op de credietmarkt

bleef, gelijk hij in Augustus 1914 was, het noodzakelijk gevolg moesten

wezen. In principe bestond daarover tusschen den heer Vissering en mij

niet veel verschil van gevoelen, maar de president van de Bank was wat

huiverig voor de aanvaarding van de consequenties, waartoe afwijking van

de gewone regelen zou kunnen leiden. Intusschen kostte het niet veel

moeite het Bankbestuur tot zijn eerste renteverlaging te brengen, welke

den 14den Augustus plaats had en welke ½ pct. bedroeg voor beleeningen

en voor voorschotten in rekening-courant. Meer overredingskracht was

noodig om haar over te halen tot de tweede verlaging, welke op 20

Augustus volgde en een vol procent over de geheele lijn bedroeg. De

rente voor beleeningen was daarmede teruggebracht tot 5% en die voor

voorschotten in rekening courant tot 5½%.

Nog voordat op grond van de Beurswet de bepaling der prolongatierente in

handen van den Minister van Financiën was gesteld, was de Vereeniging

voor den Effectenhandel er toe overgegaan, daarvoor het surplus van 2%

boven de bankrente in te trekken en, zooals ik reeds opmerkte, had de

Vereeniging voor den Geldhandel de marge van 2% voor de door haar

bemiddeling afgesloten wordende posten reeds spoedig verlaagd. Ten

gevolge van een en ander was de crisis-rentestand in het eind van

Augustus tot omstreeks 6½% gedaald. Dit gaf mij aanleiding, mij bij de

behandeling der Beurswet, zoowel in de schriftelijke stukken als bij de

mondelinge beraadslagingen, te verzetten tegen een uit de Tweede Kamer

gekomen wensch, dat de Minister van Financiën, zoolang die wet zou

gelden, in het algemeen bevoegd zou zijn een maximale rente vast te

stellen voor nieuwe credietoperaties. Naar aanleiding van dien wensch en

van het door mij daartegenover ingenomen standpunt, werd in het Verslag

over de besprekingen tusschen de Commissie van Rapporteurs en mij

geschreven: „Voor vordering van hooge renten behoefde naar de meening

des Ministers niet gevreesd te worden. Wel is waar werden voor eenige

weken hooge renten voor beleeningen gevergd, maar al zeer spoedig zijn,

ofschoon er geen wettelijke dwang mogelijk was, die renten tot een in de

bestaande omstandigheden matig te achten bedrag teruggebracht.”

Later was bemoeiing van de Regeering met rentebepalingen, buiten de

uitvoering der Beurswet, niet meer noodig. Hiertoe heeft zeer

medegewerkt de in den loop van 1915 voortdurend toegenomen ruimte van

geld. Deze heeft van zelf ook ten gevolge gehad, dat de particuliere

banken veel minder op de Nederlandsche Bank behoefden te steunen dan in

de eerste weken der crisis en dat de door hen berekende

rentevergoedingen konden worden losgemaakt en feitelijk los werden van

de bankrente. Reeds in de laatste maanden van 1914 begonnen in den

geldhandel meer gewone toestanden terug te keeren. Die beweging heeft

zich in 1915 zeer geaccentueerd.

Nog een oogenblik moet ik thans stilstaan bij de uitbreiding der

circulatie van bankbiljetten als gevolg van de crisis. De automatische

centraliseering van het credietwezen bij de Nederlandsche Bank leidde

bij het uitbreken der crisis tot een even plotselinge als ongekende

verhooging van de vraag naar bankbiljetten. Op 25 Juli 1914 stond een

bedrag aan bankpapier uit van ƒ 310 millioen, op 7 Augustus was dit

reeds toegenomen tot ƒ 461 millioen. De reserve aan biljetten bij de

Bank was op zulk een ongekende verhooging van de vraag niet berekend.

Met groote snelheid werden daarom hulpbiljetten aangemaakt en in omloop

gebracht, die later weer door gewoon bankpapier zijn vervangen. De

bankbiljetten-circulatie is echter niet slechts in de eerste crisisweken

toegenomen, zij is in den oorlogstijd voortdurend stijgende gebleven en

bedroeg op 31 Maart 1916 reeds meer dan ƒ 600 millioen. Het is evenwel

minder juist hier te spreken van biljetten_circulatie_. Voor een niet

onbelangrijk deel, dat wel niet ver van de ƒ 200 millioen zal afwijken,

is de ongekend groote uitgifte van bankbiljetten niet te verklaren uit

grootere behoefte aan ruilmiddel dan onder normale omstandigheden, maar

uit het vasthouden en wegbergen daarvan. Met de bankbiljetten is het

gegaan als met het zilvergeld; een groot gedeelte daarvan is opgepot. Of

dit alleen moet worden beschouwd als een uiting van een nog niet geheel

overwonnen gevoel van onzekerheid, dan wel of de terughouding ook aan

speculatieve overwegingen moet worden toegeschreven, is moeilijk te

zeggen. Bij de vasthouding van bankbiljetten zal speculatieve

overweging, vooral het gereed staan, als eens bij den vrede groote

veranderingen zullen komen in de conjunctuur, een grootere rol spelen

dan bij het wegbergen van zilvergeld. Ook dragen zoowel de welvaart,

welke de oorlog speciaal onder de boeren gebracht heeft, als de vrees

voor het bekend worden van gemaakte oorlogswinsten daartoe bij.

Ware het bedrag aan uitstaande biljetten niet zoo buitengewoon groot

geweest en gebleven, dan zou langzamerhand de toestand zich wat de

metaaldekking betreft, zoodanig gewijzigd hebben, dat die dekking in

stede van beneden 40% te dalen, zooals in den aanvang het geval was, tot

zelfs boven 100% zou zijn gestegen. Nu is zij, ondanks de groote

uitzetting van de bankbiljettenuitgifte, toch tot bijna 80% geklommen.

De groote goudtoevoer is een zoo merkwaardig verschijnsel in het totaal

der invloeden van den oorlogstoestand op de economische omstandigheden

en wijkt zoozeer af van de vrees voor wegstrooming van goud, die in den

aanvang moest worden gekoesterd, dat ik er niet stilzwijgend aan mag

voorbijgaan. Hij staat in nauw verband met de groote depreciatie der

buitenlandsche valuta tegenover den Nederlandschen gulden, of anders

gezegd, met de groote waardevermeerdering van den Nederlandschen gulden

tegenover bijna alle buitenlandsche munteenheden in het internationaal

verkeer. Beide verschijnselen hebben tot dieper liggende oorzaak de

toeneming van Nederlandsche vorderingen op het buitenland,

voortspruitende uit verkoop van goederen en van effecten en uit het

vervallen van coupons en dividenden van buitenlandsche fondsen, zonder

dat die vorderingen door voldoenden verkoop van goederen en effecten uit

den vreemde aan Nederland werd gecompenseerd.

Op het Nederlandsch effectenbezit heeft de oorlog in verblijdenden zin

gewerkt, in zoover dat een groot deel van de Nederlandsche fondsen, die

vóór den oorlog door buitenlanders werden bezeten, naar Nederland zijn

teruggevloeid en dat daartegenover veel Amerikaansche fondsen in verband

met de groote rijzing daarvan zijn uitgestooten. Daardoor is het belang

van de Nederlandsche effectenbezitters bij buitenlandsche ondernemingen

kleiner, dat bij Nederlandsche ondernemingen grooter geworden. Mocht dit

leiden tot eene blijvende verlevendiging van de belangstelling onzer

beleggers in Nederlandsche waarden, dan zou dat een onvermengd voordeel

zijn.

De beweging, waarop ik wees, heeft eenerzijds den gulden tegenover den

dollar gesteund en er toe medegewerkt, dat de dollar zelfs gedeprecieerd

werd, anderzijds de depreciatie van de andere buitenlandsche valuta,

inzonderheid van de mark en de kroon eenigszins tegengehouden. Voor

verhindering van die depreciatie was de aangewezen factor in het

internationaal economisch verkeer in den oorlogstijd bij lange na niet

sterk genoeg. Ook de invoer uit den vreemde van enkele hulpstoffen van

nijverheid en landbouw, zooals steenkool, kunstmest en dergelijke, was

daarvoor niet voldoende. Ware de effectenverkoop naar Amerika niet zoo

levendig geweest, dan zou afstand van goud aan Amerika, vooral in

verband met de groote aankoopen van graan door de Regeering, niet hebben

kunnen uitblijven. Nu kwam zelfs van daar goud naar ons land. De groote

toevloeiing van dit edel metaal kwam uit de oorlogvoerende landen,

Duitschland en Oostenrijk vooraan, ondanks de credieten welke beide

landen hier afsloten om de depreciatie hunner valuta zooveel mogelijk

tegen te gaan. Wel was er overal, behalve in Amerika, verbod van

gouduitvoer, maar ten gevolge van de aankoopen vooral van land- en

tuinbouwproducten in ons land, zonder dat een eenigszins daarmede

equivaleerende verkoop van goederen daartegenover stond, was men tegen

wil en dank wel verplicht uitzonderingen daarop toe te laten om te

verhoeden, dat de waarde van de eigen munt tegenover die van den gulden

nog meer zou vallen en daardoor hetgeen men, gedwongen door de

omstandigheden, hier koopen moest, dus nog duurder zou te staan komen.

De economische aantrekkingskracht voor goud van het groote agio van den

Nederlandschen gulden bleek sterker te zijn zelfs dan wettelijke

uitvoerverboden. Dit is vooral hierom merkwaardig, omdat men in de

oorlogvoerende landen, inzonderheid in Duitschland, zich alle denkbare

moeite gaf om, ter versterking van de financieele positie van het land,

een zoo groot mogelijken goudvoorraad in de kelders der centrale

circulatiebank bijeen te zamelen en te bewaren. De goudtoevloeiing naar

ons land bewijst hoe economische krachten, al worden zij nog zoo aan

banden gelegd, door staatswetten slechts tot zekere grenzen in toom

gehouden kunnen worden.

§ 2. _Het middenstandscrediet._

Onder de bevolkingsgroepen, die door het uitbreken van den oorlog zeer

werden bedreigd, neemt de kleine handeldrijvende en industrieele

middenstand een eerste plaats in. Deze klasse van personen werd van twee

kanten getroffen. Door den schok welken het geheele economische leven

ontving, verminderde zoowel de koopkracht als de kooplust van een groot

deel der bevolking. Dit kon niet nalaten den middenstand te treffen,

vooral diegenen onder hen, die onder het volk afname hunner producten

vonden, alsmede hen, wier waren in meerdere of mindere mate onder de

weeldeartikelen gerangschikt kunnen worden. Bovendien leden zij onder de

groote credietcrisis. Als gevolg daarvan konden zij veelal slechts

contant betrekken, wat zij onder normale omstandigheden tegen betaling

na één of meer maanden hadden kunnen afnemen, terwijl vooral in den

eersten tijd hunne vorderingen niet of uiterst slecht binnenkwamen. Hun

toestand was door de samenwerking dezer ongunstige oorzaken in den

aanvang der crisis bijzonder hachelijk. Aan de eerste dier oorzaken viel

rechtstreeks niets te verhelpen; alleen mocht worden verwacht, dat de

middenstand er de gunstige terugwerking van zou ondervinden, als het

mocht gelukken door het samenstel van maatregelen, welke de Regeering in

overleg en in samenwerking met verschillende particuliere personen en

organisaties nam, den algemeenen economischen toestand te verbeteren.

Die verwachting is uitgekomen. Ook heeft de kleinhandel in sommige

weeldeartikelen zich zelfs opmerkelijk snel hersteld als gevolg van het

ontstaan van een groep oorlogswinsttrekkers, die, zooals dat met

„nouveaux riches” gewoonlijk het geval is, behoefte hadden hun welstand

ook uiterlijk ten toon te spreiden. De vermindering der werkloosheid

als gevolg van de verbetering der conjunctuur, waartoe ook de

verschillende maatregelen, welke op die vermindering gericht waren, het

hunne hebben bijgedragen, kwam wat later ook aan den middenstand in de

volksbuurten ten goede. In de Nota over den Economischen Toestand in het

begin van het jaar 1916 kon dan ook worden vermeld: „De toenemende

koopkracht van een groot deel van het publiek oefende een gunstigen

invloed uit op den gang van zaken in het winkeliersbedrijf. Dit gold

voornamelijk de winkels, die de meer gegoede kringen bedienen. De

vermindering der werkloosheid verbeterde den toestand der kleinere

winkeliers, die vooral in de eerste maanden der crisis met ernstige

moeilijkheden te kampen hadden.” Maar in de Nota betreffende dien

toestand in Juli 1915 moest toch nog geschreven worden: „De slechte

toestand in tal van groote steden heeft een nadeeligen invloed op den

kleinen winkelstand aldaar, die met moeite het hoofd boven water houdt.”

Het lag dus voor de hand dat de Regeering, die overal had te helpen en

te steunen om de zaken op gang te houden, ook den handeldrijvenden en

den industrieelen middenstand niet vergeten mocht. Trouwens reeds

aanstonds bij het begin van de crisis stegen noodkreten uit de

organisaties van den middenstand op en namen deze gelukkigerwijze zelven

het initiatief om althans in de credietbehoeften der winkeliers te

voorzien. De Vereeniging voor den Geldhandel kon deze categorie van

handeldrijvenden niet helpen; zij toch verlangde als waarborg voor hare

credieten zakelijk onderpand: beleening van effecten, goederen, gronden,

gebouwen of grossen van hypotheken. Onder de middenstanders, die crediet

noodig hadden, waren velen hierdoor van de hulp die de „Geldhandel”

verleende, reeds van meet af aan uitgesloten. Wel werden enkelen

geholpen; de meesten echter zouden zich niet eens hebben durven

aanmelden bij zulk een lichaam, dat aan de vele credietbehoeften der

middenstanders, die bijna altijd kleine bedragen betroffen en wier

onderzoek zeer tijdroovend was, ook met den besten wil niet had kunnen

voldoen. Hier moest dus op andere wijze raad worden geschaft. De stoot

daartoe ging van Amsterdam uit. Het eerste verslag van de Algemeene

Nederlandsche Centrale Middenstandscredietbank verhaalt haar eigen

ontstaan in de volgende woorden:

„Op 6 Augustus 1914 werd op eene door de Algemeene Winkeliersvereeniging

te Amsterdam uitgeschreven vergadering overlegd, welke maatregelen men

zou kunnen nemen. Op deze vergadering werd op krachtige wijze de wensch

naar afdoende hulp aan den middenstand geuit en werd onverwijld naar den

Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, die tezelfder tijd over de

te nemen maatregelen confereerde met de Vereeniging voor den Geldhandel,

Dr. D. Bos en den Voorzitter van den Middenstandsbond, een telegram

gezonden, om aan te dringen op het nemen van doeltreffende maatregelen.

„Ter genoemde conferentie bleek men er van doordrongen, dat het

oogenblik was gekomen om afdoende maatregelen te treffen ter regeling

van het middenstandscrediet.

„De Regeering bleek bereid den steun, dien zij in den vorm van subsidie

van ƒ 10.000.-- per jaar tot nog toe aan het middenstandscrediet

verleende, te verhoogen en ook de Vereeniging voor den Geldhandel

verklaarde zich bereid, na overleg omtrent de te nemen maatregelen,

steun te verleenen.

„Een Commissie van voorbereiding onder leiding van Dr. D. Bos nam op

zich het ontwerpen van de grondslagen, waarop een goede organisatie zou

moeten worden gebaseerd. De samensprekingen te dien einde gehouden met

de Nederlandsche Bank en de Vereeniging voor den Geldhandel en eenige

vooraanstaande middenstanders, leidden ten slotte tot de oprichting van

de Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstands-Credietbank. De akte

van oprichting werd verleden op 19 September 1914. Het kapitaal bedroeg

ƒ 1.000.000.--, waarvan ƒ 200.000.-- geplaatst. Verschillende

particulieren en groote bankinstellingen gaven door deelname in

het kapitaal blijk van hun belangstelling in de zaak van het

middenstandscrediet. De Regeering zegde toe te bevorderen, dat

voor het jaar 1915 de jaarlijksche subsidie ten behoeve van het

Middenstandscrediet tot ƒ 50.000.-- zou worden verhoogd, en nam evenals

de Vereeniging voor den Geldhandel een zekere garantie voor de

Instelling ten behoeve van de Nederlandsche Bank op zich.

„Met de Instelling is beoogd in ’t leven te roepen een centraal punt

voor alle middenstands-credietbanken in den lande. Van haar zal uitgaan

een krachtige propaganda ten einde zoo spoedig mogelijk een net van

middenstandscredietbanken over het geheele land tot stand te brengen.

Zij zal bij de inrichting en ontwikkeling dezer banken organiseerend

optreden en leiding geven. Zij zal leiding geven aan pogingen om door

het oprichten van inkoop-, verkoop- en productie-vereenigingen den

economischen toestand van den Middenstand te verbeteren. Verder is het

hare taak de aangesloten banken en instellingen van het noodige crediet

te voorzien.”

De garantie der Regeering bestond in een borgstelling ten behoeve van de

Nederlandsche Bank van 50% van de promessen, welke zij van de

aangesloten middenstandsbanken in beleening nemen zou tot een--later

verhoogd--maximum van één millioen. Ook de Vereeniging van den

Geldhandel nam tot 1 Januari 1916 een garantie tegenover de

Nederlandsche Bank op zich.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 21 / 40 段