bij lange na niet zulk een omvang als waarop was gerekend. In het
verslag van de Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15 wordt
hiervan gezegd: „De Vereeniging voor den Geldhandel had tot 31 Maart
1915 voor een bedrag van ƒ 31.867.477,50 aan voorschotten in allerlei
richting toegezegd, waarvan was opgenomen ƒ 23.512.306,84^{5} en wederom
afgelost ƒ 10.782.431,04; dit cijfer is dus gebleven verre beneden de ƒ
200 millioen, aanvankelijk als maximum voor een hulpverschaffing in die
richting gesteld. Deze cijfers op zichzelven geven echter geen juist
beeld van de werkzaamheden der Vereeniging; immers zij heeft haar
intermediair verleend voor aanvragen tot een belangrijk grooter bedrag,
welke evenwel.... zijn teruggebracht bij de gewone bankrelaties. Vooral
in dit opzicht heeft de dagelijksche samenwerking van den „Geldhandel”
met De Nederlandsche Bank een heilzame uitwerking voor het crediet in
Nederland gehad. Zoowel kleine handelaars, scheepswerven, industrieelen,
alsook zeer groote groepen van handel, landbouw en industrie hebben van
deze samenwerking en voorlichting kunnen profiteeren, om langs normale
wegen weder het noodige bedrijfscrediet te verkrijgen, toen voor velen
hunner het verloop van de crisis uit andere oorzaken gunstiger bleek te
worden dan eerst was verwacht en zij dientengevolge buitengewone
credietfaciliteiten als van den „Geldhandel” niet noodig hadden.
Verschillende anderen kwamen zelfs in zóó veel beter omstandigheden, dat
zij den aangevraagden steun in het geheel niet meer behoefden.”
Hieruit blijkt genoeg, welk een gunstige uitwerking het heeft gehad, dat
de vooraanstaande mannen van den geldhandel zonder verwijl, zoodra de
crisis losbrak, maatregelen namen om in de credietbehoefte van handel,
landbouw en nijverheid te voorzien. Zooals ook de president van de
Nederlandsche Bank opmerkt, is de beteekenis van dat initiatief niet
slechts af te meten naar den omvang der werkzaamheden van de daaruit
voortgekomen organisatie van het crisiscrediet, maar ten minste evenzeer
naar den kalmeerenden invloed, dien het enkele feit van het optreden van
de Vereeniging voor den Geldhandel heeft gehad. Het werkte als olie op
de crisis-golven.
Intusschen had het aanvankelijk een groote schaduwzijde. Het crediet dat
verleend werd, kwam den credietbehoevenden op een bij uitstek hooge
rente te staan. Toen de crisis was ingetreden, de effectenbeurs was
gesloten en het gewone crediet tijdelijk was stop gezet, had dit tot
gevolg, dat bij de bepaling der rente voor de credietzaken, welke door
de Vereeniging voor den Geldhandel werden afgesloten, uitgegaan werd van
de renteberekening der Nederlandsche Bank voor voorschotten in
rekening-courant. Daar die Vereeniging het geld voor de credieten, welke
zij gaf, zooals werd uiteengezet, van de Nederlandsche Bank ontving, kon
zij voor haar eigen renteberekening geen anderen grondslag nemen. Doch
ook de Vereeniging voor den Effectenhandel ging dien weg op. Ook zij
bepaalde, dat bij de berekening van prolongatierente van de rente der
Nederlandsche Bank voor voorschotten en rekening-courant zou worden
uitgegaan. Deze was door de directie op 29 Juli eerst tot 6% verhoogd en
op 1 Augustus op 7% gebracht. Hierboven werd 2% berekend, bovendien
moesten de debiteuren van prolongatieposten nog 1 per mille per maand
betalen aan den commissionnair in effecten. Het crediet kwam dus in de
eerste weken van Augustus aan de debiteuren op meer dan 10 pct. per jaar
te staan. Dat was inderdaad veel te hoog, zelfs de omstandigheden in
aanmerking genomen. Van verschillende zijden ontving de Regeering
daarover klachten en in de pers werd op deze groote schaduwzijde van de
hulp, welke aan de credietbehoevenden werd verleend, met meer of minder
scherpte de aandacht gevestigd. Dit gaf mij aanleiding tot het houden
van eenige besprekingen zoowel met den president van de Nederlandsche
Bank als met den president van de Vereeniging voor den Geldhandel. Bij
den laatste werd met goed gevolg aangedrongen op verlaging van het
rentesurplus van 2% dat boven de bankrente geëischt werd.
Minder gemakkelijk ging het de directie van de Nederlandsche Bank tot
verlaging van haar renteberekeningen te bewegen. Zij stelde zich op het
voor normale omstandigheden volkomen juiste standpunt, dat zij in haar
rentepolitiek vrij moest zijn en zich niet kon noch mocht laten leiden
door overwegingen, ontleend aan de rente, welke voor beursoperaties of
voor andere credietzaken door particuliere bankiers of commissionnairs
wordt berekend. Het spreekt wel van zelf, dat de Regeering dit standpunt
van de Nederlandsche Bank in beginsel volkomen eerbiedigde. Een
circulatiebank, die in de eerste plaats heeft te zorgen voor de
volstrekte betrouwbaarheid van het door haar uitgegeven papier, heeft in
het normale verkeer vooral rekening te houden met de fluctuaties in haar
eigen goudvoorraad en met hetgeen vreemde circulatiebanken doen, hetzij
om goud tot zich te trekken hetzij om voor tijdelijken overvloed van
goud een uitweg te vinden. Voorts zal zij, ook in verband met hare
moreele verantwoordelijkheid als centrale credietinstelling, vooral in
crisistijd alles doen wat in haar vermogen is, om de speculatie in toom
te houden of althans niet onwillekeurig aan te wakkeren.
In normale tijden nemen zulke overwegingen bij de directie der
Nederlandsche Bank de allereerste plaats in en moeten zij dit doen. Maar
met het uitbreken van den oorlog werden de omstandigheden op eenmaal
geheel abnormaal, ook voor de Nederlandsche Bank. Uitvoer van goud was
overal verboden; overwegingen ontleend aan de goudfluctuatie waren dien
ten gevolge uitgeschakeld. Het hoog houden der rente ter beperking van
de speculatie was bovendien in deze crisis niet noodig. Beursspeculaties
waren uitgesloten, omdat er geen beurs werd gehouden, en voor zoover er
crediet werd verleend, werd er, grootendeels met dagelijksche
medewerking van de Nederlandsche Bank zelf, voor gezorgd, dat dit
slechts zou geschieden voor de reëele behoeften van handel, landbouw en
nijverheid en dat credietoperaties met speculatieve oogmerken niet in
aanmerking zouden komen.
Daarentegen was de Nederlandsche Bank in de crisis, veel meer nog dan in
normale omstandigheden, het middelpunt geworden van het geheele
credietwezen, en leidde dit er o.m. ook toe, dat over heel de linie de
bankrente de leiding kreeg. Dit was een even onvermijdelijk gevolg van
den toestand als de groote tijdelijke concentratie van het credietwezen
zelf. Maar dit bracht voor de Bank de verplichting met zich, andere
overwegingen bij de vaststelling der door haar te berekenen
rentevergoedingen te doen gelden, dan waaraan zij gewoon is in de eerste
plaats waarde te hechten. Zoo iets kost bij een veelhoofdige directie
altijd eenige moeite. Bij mijne besprekingen met den president van de
Nederlandsche Bank werd vooral op die groote verandering in den toestand
door mij de nadruk gelegd, alsook op de fundamenteele wijzigingen in de
overwegingen van de Nederlandsche Bank bij de bepaling van haar
rentepolitiek, welke daarvan, zoolang de toestand op de credietmarkt
bleef, gelijk hij in Augustus 1914 was, het noodzakelijk gevolg moesten
wezen. In principe bestond daarover tusschen den heer Vissering en mij
niet veel verschil van gevoelen, maar de president van de Bank was wat
huiverig voor de aanvaarding van de consequenties, waartoe afwijking van
de gewone regelen zou kunnen leiden. Intusschen kostte het niet veel
moeite het Bankbestuur tot zijn eerste renteverlaging te brengen, welke
den 14den Augustus plaats had en welke ½ pct. bedroeg voor beleeningen
en voor voorschotten in rekening-courant. Meer overredingskracht was
noodig om haar over te halen tot de tweede verlaging, welke op 20
Augustus volgde en een vol procent over de geheele lijn bedroeg. De
rente voor beleeningen was daarmede teruggebracht tot 5% en die voor
voorschotten in rekening courant tot 5½%.
Nog voordat op grond van de Beurswet de bepaling der prolongatierente in
handen van den Minister van Financiën was gesteld, was de Vereeniging
voor den Effectenhandel er toe overgegaan, daarvoor het surplus van 2%
boven de bankrente in te trekken en, zooals ik reeds opmerkte, had de
Vereeniging voor den Geldhandel de marge van 2% voor de door haar
bemiddeling afgesloten wordende posten reeds spoedig verlaagd. Ten
gevolge van een en ander was de crisis-rentestand in het eind van
Augustus tot omstreeks 6½% gedaald. Dit gaf mij aanleiding, mij bij de
behandeling der Beurswet, zoowel in de schriftelijke stukken als bij de
mondelinge beraadslagingen, te verzetten tegen een uit de Tweede Kamer
gekomen wensch, dat de Minister van Financiën, zoolang die wet zou
gelden, in het algemeen bevoegd zou zijn een maximale rente vast te
stellen voor nieuwe credietoperaties. Naar aanleiding van dien wensch en
van het door mij daartegenover ingenomen standpunt, werd in het Verslag
over de besprekingen tusschen de Commissie van Rapporteurs en mij
geschreven: „Voor vordering van hooge renten behoefde naar de meening
des Ministers niet gevreesd te worden. Wel is waar werden voor eenige
weken hooge renten voor beleeningen gevergd, maar al zeer spoedig zijn,
ofschoon er geen wettelijke dwang mogelijk was, die renten tot een in de
bestaande omstandigheden matig te achten bedrag teruggebracht.”
Later was bemoeiing van de Regeering met rentebepalingen, buiten de
uitvoering der Beurswet, niet meer noodig. Hiertoe heeft zeer
medegewerkt de in den loop van 1915 voortdurend toegenomen ruimte van
geld. Deze heeft van zelf ook ten gevolge gehad, dat de particuliere
banken veel minder op de Nederlandsche Bank behoefden te steunen dan in
de eerste weken der crisis en dat de door hen berekende
rentevergoedingen konden worden losgemaakt en feitelijk los werden van
de bankrente. Reeds in de laatste maanden van 1914 begonnen in den
geldhandel meer gewone toestanden terug te keeren. Die beweging heeft
zich in 1915 zeer geaccentueerd.
Nog een oogenblik moet ik thans stilstaan bij de uitbreiding der
circulatie van bankbiljetten als gevolg van de crisis. De automatische
centraliseering van het credietwezen bij de Nederlandsche Bank leidde
bij het uitbreken der crisis tot een even plotselinge als ongekende
verhooging van de vraag naar bankbiljetten. Op 25 Juli 1914 stond een
bedrag aan bankpapier uit van ƒ 310 millioen, op 7 Augustus was dit
reeds toegenomen tot ƒ 461 millioen. De reserve aan biljetten bij de
Bank was op zulk een ongekende verhooging van de vraag niet berekend.
Met groote snelheid werden daarom hulpbiljetten aangemaakt en in omloop
gebracht, die later weer door gewoon bankpapier zijn vervangen. De
bankbiljetten-circulatie is echter niet slechts in de eerste crisisweken
toegenomen, zij is in den oorlogstijd voortdurend stijgende gebleven en
bedroeg op 31 Maart 1916 reeds meer dan ƒ 600 millioen. Het is evenwel
minder juist hier te spreken van biljetten_circulatie_. Voor een niet
onbelangrijk deel, dat wel niet ver van de ƒ 200 millioen zal afwijken,
is de ongekend groote uitgifte van bankbiljetten niet te verklaren uit
grootere behoefte aan ruilmiddel dan onder normale omstandigheden, maar
uit het vasthouden en wegbergen daarvan. Met de bankbiljetten is het
gegaan als met het zilvergeld; een groot gedeelte daarvan is opgepot. Of
dit alleen moet worden beschouwd als een uiting van een nog niet geheel
overwonnen gevoel van onzekerheid, dan wel of de terughouding ook aan
speculatieve overwegingen moet worden toegeschreven, is moeilijk te
zeggen. Bij de vasthouding van bankbiljetten zal speculatieve
overweging, vooral het gereed staan, als eens bij den vrede groote
veranderingen zullen komen in de conjunctuur, een grootere rol spelen
dan bij het wegbergen van zilvergeld. Ook dragen zoowel de welvaart,
welke de oorlog speciaal onder de boeren gebracht heeft, als de vrees
voor het bekend worden van gemaakte oorlogswinsten daartoe bij.
Ware het bedrag aan uitstaande biljetten niet zoo buitengewoon groot
geweest en gebleven, dan zou langzamerhand de toestand zich wat de
metaaldekking betreft, zoodanig gewijzigd hebben, dat die dekking in
stede van beneden 40% te dalen, zooals in den aanvang het geval was, tot
zelfs boven 100% zou zijn gestegen. Nu is zij, ondanks de groote
uitzetting van de bankbiljettenuitgifte, toch tot bijna 80% geklommen.
De groote goudtoevoer is een zoo merkwaardig verschijnsel in het totaal
der invloeden van den oorlogstoestand op de economische omstandigheden
en wijkt zoozeer af van de vrees voor wegstrooming van goud, die in den
aanvang moest worden gekoesterd, dat ik er niet stilzwijgend aan mag
voorbijgaan. Hij staat in nauw verband met de groote depreciatie der
buitenlandsche valuta tegenover den Nederlandschen gulden, of anders
gezegd, met de groote waardevermeerdering van den Nederlandschen gulden
tegenover bijna alle buitenlandsche munteenheden in het internationaal
verkeer. Beide verschijnselen hebben tot dieper liggende oorzaak de
toeneming van Nederlandsche vorderingen op het buitenland,
voortspruitende uit verkoop van goederen en van effecten en uit het
vervallen van coupons en dividenden van buitenlandsche fondsen, zonder
dat die vorderingen door voldoenden verkoop van goederen en effecten uit
den vreemde aan Nederland werd gecompenseerd.
Op het Nederlandsch effectenbezit heeft de oorlog in verblijdenden zin
gewerkt, in zoover dat een groot deel van de Nederlandsche fondsen, die
vóór den oorlog door buitenlanders werden bezeten, naar Nederland zijn
teruggevloeid en dat daartegenover veel Amerikaansche fondsen in verband
met de groote rijzing daarvan zijn uitgestooten. Daardoor is het belang
van de Nederlandsche effectenbezitters bij buitenlandsche ondernemingen
kleiner, dat bij Nederlandsche ondernemingen grooter geworden. Mocht dit
leiden tot eene blijvende verlevendiging van de belangstelling onzer
beleggers in Nederlandsche waarden, dan zou dat een onvermengd voordeel
zijn.
De beweging, waarop ik wees, heeft eenerzijds den gulden tegenover den
dollar gesteund en er toe medegewerkt, dat de dollar zelfs gedeprecieerd
werd, anderzijds de depreciatie van de andere buitenlandsche valuta,
inzonderheid van de mark en de kroon eenigszins tegengehouden. Voor
verhindering van die depreciatie was de aangewezen factor in het
internationaal economisch verkeer in den oorlogstijd bij lange na niet
sterk genoeg. Ook de invoer uit den vreemde van enkele hulpstoffen van
nijverheid en landbouw, zooals steenkool, kunstmest en dergelijke, was
daarvoor niet voldoende. Ware de effectenverkoop naar Amerika niet zoo
levendig geweest, dan zou afstand van goud aan Amerika, vooral in
verband met de groote aankoopen van graan door de Regeering, niet hebben
kunnen uitblijven. Nu kwam zelfs van daar goud naar ons land. De groote
toevloeiing van dit edel metaal kwam uit de oorlogvoerende landen,
Duitschland en Oostenrijk vooraan, ondanks de credieten welke beide
landen hier afsloten om de depreciatie hunner valuta zooveel mogelijk
tegen te gaan. Wel was er overal, behalve in Amerika, verbod van
gouduitvoer, maar ten gevolge van de aankoopen vooral van land- en
tuinbouwproducten in ons land, zonder dat een eenigszins daarmede
equivaleerende verkoop van goederen daartegenover stond, was men tegen
wil en dank wel verplicht uitzonderingen daarop toe te laten om te
verhoeden, dat de waarde van de eigen munt tegenover die van den gulden
nog meer zou vallen en daardoor hetgeen men, gedwongen door de
omstandigheden, hier koopen moest, dus nog duurder zou te staan komen.
De economische aantrekkingskracht voor goud van het groote agio van den
Nederlandschen gulden bleek sterker te zijn zelfs dan wettelijke
uitvoerverboden. Dit is vooral hierom merkwaardig, omdat men in de
oorlogvoerende landen, inzonderheid in Duitschland, zich alle denkbare
moeite gaf om, ter versterking van de financieele positie van het land,
een zoo groot mogelijken goudvoorraad in de kelders der centrale
circulatiebank bijeen te zamelen en te bewaren. De goudtoevloeiing naar
ons land bewijst hoe economische krachten, al worden zij nog zoo aan
banden gelegd, door staatswetten slechts tot zekere grenzen in toom
gehouden kunnen worden.
§ 2. _Het middenstandscrediet._
Onder de bevolkingsgroepen, die door het uitbreken van den oorlog zeer
werden bedreigd, neemt de kleine handeldrijvende en industrieele
middenstand een eerste plaats in. Deze klasse van personen werd van twee
kanten getroffen. Door den schok welken het geheele economische leven
ontving, verminderde zoowel de koopkracht als de kooplust van een groot
deel der bevolking. Dit kon niet nalaten den middenstand te treffen,
vooral diegenen onder hen, die onder het volk afname hunner producten
vonden, alsmede hen, wier waren in meerdere of mindere mate onder de
weeldeartikelen gerangschikt kunnen worden. Bovendien leden zij onder de
groote credietcrisis. Als gevolg daarvan konden zij veelal slechts
contant betrekken, wat zij onder normale omstandigheden tegen betaling
na één of meer maanden hadden kunnen afnemen, terwijl vooral in den
eersten tijd hunne vorderingen niet of uiterst slecht binnenkwamen. Hun
toestand was door de samenwerking dezer ongunstige oorzaken in den
aanvang der crisis bijzonder hachelijk. Aan de eerste dier oorzaken viel
rechtstreeks niets te verhelpen; alleen mocht worden verwacht, dat de
middenstand er de gunstige terugwerking van zou ondervinden, als het
mocht gelukken door het samenstel van maatregelen, welke de Regeering in
overleg en in samenwerking met verschillende particuliere personen en
organisaties nam, den algemeenen economischen toestand te verbeteren.
Die verwachting is uitgekomen. Ook heeft de kleinhandel in sommige
weeldeartikelen zich zelfs opmerkelijk snel hersteld als gevolg van het
ontstaan van een groep oorlogswinsttrekkers, die, zooals dat met
„nouveaux riches” gewoonlijk het geval is, behoefte hadden hun welstand
ook uiterlijk ten toon te spreiden. De vermindering der werkloosheid
als gevolg van de verbetering der conjunctuur, waartoe ook de
verschillende maatregelen, welke op die vermindering gericht waren, het
hunne hebben bijgedragen, kwam wat later ook aan den middenstand in de
volksbuurten ten goede. In de Nota over den Economischen Toestand in het
begin van het jaar 1916 kon dan ook worden vermeld: „De toenemende
koopkracht van een groot deel van het publiek oefende een gunstigen
invloed uit op den gang van zaken in het winkeliersbedrijf. Dit gold
voornamelijk de winkels, die de meer gegoede kringen bedienen. De
vermindering der werkloosheid verbeterde den toestand der kleinere
winkeliers, die vooral in de eerste maanden der crisis met ernstige
moeilijkheden te kampen hadden.” Maar in de Nota betreffende dien
toestand in Juli 1915 moest toch nog geschreven worden: „De slechte
toestand in tal van groote steden heeft een nadeeligen invloed op den
kleinen winkelstand aldaar, die met moeite het hoofd boven water houdt.”
Het lag dus voor de hand dat de Regeering, die overal had te helpen en
te steunen om de zaken op gang te houden, ook den handeldrijvenden en
den industrieelen middenstand niet vergeten mocht. Trouwens reeds
aanstonds bij het begin van de crisis stegen noodkreten uit de
organisaties van den middenstand op en namen deze gelukkigerwijze zelven
het initiatief om althans in de credietbehoeften der winkeliers te
voorzien. De Vereeniging voor den Geldhandel kon deze categorie van
handeldrijvenden niet helpen; zij toch verlangde als waarborg voor hare
credieten zakelijk onderpand: beleening van effecten, goederen, gronden,
gebouwen of grossen van hypotheken. Onder de middenstanders, die crediet
noodig hadden, waren velen hierdoor van de hulp die de „Geldhandel”
verleende, reeds van meet af aan uitgesloten. Wel werden enkelen
geholpen; de meesten echter zouden zich niet eens hebben durven
aanmelden bij zulk een lichaam, dat aan de vele credietbehoeften der
middenstanders, die bijna altijd kleine bedragen betroffen en wier
onderzoek zeer tijdroovend was, ook met den besten wil niet had kunnen
voldoen. Hier moest dus op andere wijze raad worden geschaft. De stoot
daartoe ging van Amsterdam uit. Het eerste verslag van de Algemeene
Nederlandsche Centrale Middenstandscredietbank verhaalt haar eigen
ontstaan in de volgende woorden:
„Op 6 Augustus 1914 werd op eene door de Algemeene Winkeliersvereeniging
te Amsterdam uitgeschreven vergadering overlegd, welke maatregelen men
zou kunnen nemen. Op deze vergadering werd op krachtige wijze de wensch
naar afdoende hulp aan den middenstand geuit en werd onverwijld naar den
Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, die tezelfder tijd over de
te nemen maatregelen confereerde met de Vereeniging voor den Geldhandel,
Dr. D. Bos en den Voorzitter van den Middenstandsbond, een telegram
gezonden, om aan te dringen op het nemen van doeltreffende maatregelen.
„Ter genoemde conferentie bleek men er van doordrongen, dat het
oogenblik was gekomen om afdoende maatregelen te treffen ter regeling
van het middenstandscrediet.
„De Regeering bleek bereid den steun, dien zij in den vorm van subsidie
van ƒ 10.000.-- per jaar tot nog toe aan het middenstandscrediet
verleende, te verhoogen en ook de Vereeniging voor den Geldhandel
verklaarde zich bereid, na overleg omtrent de te nemen maatregelen,
steun te verleenen.
„Een Commissie van voorbereiding onder leiding van Dr. D. Bos nam op
zich het ontwerpen van de grondslagen, waarop een goede organisatie zou
moeten worden gebaseerd. De samensprekingen te dien einde gehouden met
de Nederlandsche Bank en de Vereeniging voor den Geldhandel en eenige
vooraanstaande middenstanders, leidden ten slotte tot de oprichting van
de Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstands-Credietbank. De akte
van oprichting werd verleden op 19 September 1914. Het kapitaal bedroeg
ƒ 1.000.000.--, waarvan ƒ 200.000.-- geplaatst. Verschillende
particulieren en groote bankinstellingen gaven door deelname in
het kapitaal blijk van hun belangstelling in de zaak van het
middenstandscrediet. De Regeering zegde toe te bevorderen, dat
voor het jaar 1915 de jaarlijksche subsidie ten behoeve van het
Middenstandscrediet tot ƒ 50.000.-- zou worden verhoogd, en nam evenals
de Vereeniging voor den Geldhandel een zekere garantie voor de
Instelling ten behoeve van de Nederlandsche Bank op zich.
„Met de Instelling is beoogd in ’t leven te roepen een centraal punt
voor alle middenstands-credietbanken in den lande. Van haar zal uitgaan
een krachtige propaganda ten einde zoo spoedig mogelijk een net van
middenstandscredietbanken over het geheele land tot stand te brengen.
Zij zal bij de inrichting en ontwikkeling dezer banken organiseerend
optreden en leiding geven. Zij zal leiding geven aan pogingen om door
het oprichten van inkoop-, verkoop- en productie-vereenigingen den
economischen toestand van den Middenstand te verbeteren. Verder is het
hare taak de aangesloten banken en instellingen van het noodige crediet
te voorzien.”
De garantie der Regeering bestond in een borgstelling ten behoeve van de
Nederlandsche Bank van 50% van de promessen, welke zij van de
aangesloten middenstandsbanken in beleening nemen zou tot een--later
verhoogd--maximum van één millioen. Ook de Vereeniging van den
Geldhandel nam tot 1 Januari 1916 een garantie tegenover de
Nederlandsche Bank op zich.