Ook aan het gemunt zilver heeft men terstond zijn aandacht gewijd. Door
tusschenkomst van de Nederlandsche Bank en de Nederlandsche
Handel-Maatschappij werden groote aankoopen van zilver voor den Staat
gedaan en aan ’s Rijks Munt werd voorbeeldig gewerkt om den voorraad
gemunt zilver aan te vullen. Maar het was echte Sisyphus-arbeid. Toen ik
het Departement van Financiën verliet, was er sedert het begin van de
crisis voor ruim ƒ 30 millioen zilvergeld aangemunt, maar steeds vloeide
het weer uit de circulatie weg. De honger naar zilvergeld was
onverzadiglijk. Wel was in verband daarmede het bedrag der in omloop
zijnde zilverbons tot omstreeks ƒ 6 millioen teruggebracht, maar zelfs
als men dit in aanmerking neemt, was het in omloop verkeerend en
vastgehouden gemunt zilver, met inbegrip van de zilverbons, ruim 50 pct.
hooger dan de normale behoefte.
Toen het hoogtepunt der geldcrisis achter ons lag, en men den toestand
weer meester was geworden, werd op 17 Augustus 1914 door het Departement
van Financiën de medewerking van de Commissarissen der Koningin
ingeroepen, opdat de gemeentelijke bons, welke nu niet meer noodig
waren, zoo spoedig mogelijk uit het verkeer zouden worden genomen. De
gemeenten, die waarlijk niet voor haar genoegen tot het uitgeven van
eigen bons waren overgegaan, gaven hieraan gereedelijk gehoor, met het
gevolg dat die bons spoedig tot de geschiedenis behoorden.
Intusschen had het gebrek aan zilver in de week van 3 tot 8 Augustus nog
tot een anderen zeer bedenkelijken misstand geleid. De omstandigheid dat
men bankbiljetten niet meer aan postkantoren, stations enz. in betaling
kon geven, als men kleinere sommen te betalen had en wisselgeld terug
moest hebben, gaf er aanleiding toe, dat een deel van het publiek in den
waan begon te verkeeren, dat ze geen vertrouwen meer verdienden. Eenige
minder kieskeurigen onder de zilverpotters, die de leer van keizer
Vespasianus omtrent den oorsprong van het geld waren toegedaan,
als men het maar binnen kreeg, maakten van dat volkomen onredelijk,
maar uit de algemeene paniekstemming verklaarbare wantrouwen in de
credietwaardigheid van de Nederlandsche Bank gebruik om hun beangste
medeburgers af te zetten, door bankbiljetten van tien gulden ter
inwisseling tegen ƒ 9, ƒ 8 of nog minder aan te nemen. Enkele schaamden
zich zelfs niet die afzetterij, in de dagen van den zilvergeldnood,
openlijk als bedrijf aan te kondigen en uit te oefenen.
Door geruststellende openbare mededeelingen van de Regeering en van
enkele gemeentebesturen werd al het mogelijke gedaan om het vertrouwen
te doen terugkeeren en tegen de afzetterij, waarvan ik zoo even sprak,
te waarschuwen. De pers, die op slechts enkele hooge uitzonderingen na,
gedurende den geheelen oorlogstijd en vooral in de zoo critieke eerste
weken, steeds bereid was de Regeering met haar invloed te steunen, droeg
daartoe met al haar krachten bij. Dit een en ander miste zijn effect
niet, maar toch zou een ware ramp over ons land zijn gekomen, indien er
op 8 Augustus niet genoeg ruilmiddel was geweest om de loonen te
betalen. Onder het neerschrijven hiervan ontsnapt mij nu nog een zucht
van verlichting bij de gedachte, dat men met vereende krachten er in
slaagde die ramp te bezweren.
Sprekende in de vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus 1914,
zeide ik onder den indruk van het nieuwe gevaar, dat het hoofd had
opgestoken en dat het publiek, als het zijn kalmte niet had verloren,
zich zelf en de Regeering had kunnen besparen:
„Er zijn blijkbaar een aantal personen, die meenen dat zij zich zelf op
het oogenblik helpen door zooveel mogelijk zilver-ruilmiddel aan het
verkeer te onttrekken en weg te bergen. Ik zou wenschen dat elk in eigen
kring, en de pers in breeden kring, toch ieder tracht te overtuigen dat
hij, door dat te doen, niet alleen zeer schaadt het algemeen belang,
maar per slot van rekening ook zich zelf. Wat er op het oogenblik
gebeurt met het onttrekken van zilver aan het verkeer is in hooge mate
ernstig en door niets gemotiveerd.
„Tot nog toe was het onverstandig, maar het ziet er uit of het weldra
misdadig zou kunnen worden. En wanneer het mocht blijken dat een deel
van het Nederlandsch publiek, op hetwelk wij allen toch wel recht hebben
een beroep te doen, doorgaat met op deze wijze het belang van het volk
te schaden, dan zal de Regeering zeker niet aarzelen om met de middelen
die zij heeft of, voor zoover zij op het oogenblik nog geen middelen
heeft, met de middelen die zij dan zal voorstellen, zoo krachtig
mogelijk daartegen in te gaan.
„Er is aan de Regeering ook ter oore gekomen, dat gewetenlooze
individuen nu reeds er een bedrijf van maken, om de goedgeloovige
gemeente, welke inderdaad vreest, dat de bankbiljetten niet meer hun
volle waarde zouden hebben, haar goed bankpapier af te nemen tegen
minderen prijs in zilver.
„Ik aarzel niet dat te noemen gewetenloos en op dit kritieke oogenblik
voor ons land zóó ernstig, dat, indien dit in eenige mate mocht
doorgaan, de Regeering geen oogenblik zal aarzelen door krachtig in te
grijpen, het tegen te gaan.”
Gelukkig behoefde het daartoe niet te komen. Wel bleef een deel van het
publiek aan het opzamelen van zilvergeld, maar het vertrouwen in de
bankbiljetten keerde toch spoedig geheel terug. Ook de zilverbons kwamen
onder den drang der omstandigheden zonder moeite in het verkeer. Dit
neemt niet weg, dat er in enkele gevallen daarmede moeilijkheden werden
ondervonden. Een winkelier in Den Haag plakte zelfs op zijn winkelraam
aan, dat zilverbons niet in betaling werden genomen. Zoodra ik dat
hoorde, verzocht ik den burgemeester den heelen winkelvoorraad krachtens
de levensmiddelenwet in beslag te nemen, daar het niet aannemen van
wettig betaalmiddel wel de ergste vorm van prijsopdrijving is. De
schadevergoeding zou dan dien vijand der zilverbons uitsluitend in dat
geld zijn uitbetaald. Toen de man werd gewaarschuwd en begon te
begrijpen wat hem boven het hoofd hing, koos hij eieren voor zijn geld,
of liever: zilverbons voor zijn eieren, en gaf hij zijne oppositie tegen
den zilverbon op.
* * * * *
Een duidelijk beeld van de snel stijgende maar ook spoedig gelukkig weer
dalende lijn van het algemeen wantrouwen in de eerste oorlogsweek geven
de cijfers der opvragingen bij de Rijkspostspaarbank. Het normale getal
opvragingen bij die instelling is per dag omstreeks 800 tot een bedrag
van ƒ 200.000. In de ergste crisisdagen beliep het aantal en het bedrag
der aanvragen tot terugbetaling:
op aantal bedrag
Juli 29 1.408 362.000
„ 30 2.871 1.035.000
„ 31 6.874 2.585.000
Augustus 1 13.771 4.821.000
„ 3 11.228 3.718.000
„ 4 1.607 515.000
„ 5 1.777 518.000
„ 6 1.289 336.000
„ 7 696 176.000
Toen de storm opstak, was het noodig dat ook hier maatregelen werden
genomen. Op 30 Juli verscheen een communiqué in de dagbladen, den
spaarders waarschuwende tegen geheel ongemotiveerde ongerustheid, daar
de Staat den inleggers de teruggaaf hunner inlagen waarborgt. Toen de
run niettemin toenam, was het noodig de Rijkspostspaarbank tegen dien
stroom in zoover te beveiligen, dat de termijn van verplichte
uitbetaling werd verlengd en zoodoende tijd werd verkregen om aan de
aanvragen daartoe geleidelijk te kunnen voldoen. Daartoe werd bij
Koninklijk besluit van 3 Augustus de termijn der verplichte
terugbetaling van 14 dagen op zes maanden gebracht, met dien verstande
dat binnen dien termijn ten hoogste ƒ 25 in één week zou worden
uitbetaald. Toen bleek dat die maatregel tot misverstand aanleiding gaf
en het publiek daaruit las, dat iedere inlegger op de Rijkspostspaarbank
zes maanden op de terugbetaling van zijn spaarpenningen zou moeten
wachten, gaf de Directie een communiqué aan de dagbladen, waarin
duidelijk gemaakt werd, dat die termijn alleen als uiterste termijn
bedoeld en gesteld was, doch dat daarbinnen de terugbetalingen
geleidelijk zouden geschieden. Aangezien spoedig bleek dat de meeste
aanvragers hun spaargeld eigenlijk niet terugverlangden, maar alleen
hadden gehandeld onder den invloed van de algemeene ongerustheid, werd
hun op 8 Augustus door de Directie medegedeeld, dat hun aanvraag als
vervallen zou worden beschouwd, indien zij niet werd herhaald. Een even
nuttige als practische maatregel. Op 13 Augustus werd medegedeeld dat
niet of niet voldoende gemotiveerde aanvragen voorloopig zouden worden
ter zijde gelegd, maar dat terstond ƒ 25 per week zou verkregen kunnen
worden. Den 19den werd bericht dat alle aanvragen tot terugbetaling weer
dadelijk in behandeling zouden komen; den 20sten dat de aanvragen verder
niet meer behoefden te worden gemotiveerd, en den 24sten dat de termijn
van afdoening van niet met redenen omkleede aanvragen werd teruggebracht
op zeven dagen. De snelle opeenvolging van de dagteekeningen dezer
maatregelen en communiqués geeft een duidelijk en zeer overzichtelijk
beeld zoowel van de plotselinge zenuwachtigheid van het publiek als van
den spoedigen terugkeer tot bezinning.
Geheel in dezelfde lijn als de maatregelen van de Rijkspostspaarbank lag
hetgeen gedaan werd door den Bond voor den Geld- en Effectenhandel in de
Provincie. Het bestuur van dezen bond had zich Zaterdag 1 Augustus met
mij in verbinding gesteld en wendde zich den volgenden ochtend ook tot
de directie van de Nederlandsche Bank, daar het van het geschokte
vertrouwen en van de plotseling opgekomen zucht tot oppotten van geld
niet slechts voor de leden van de vereeniging maar ook voor het publiek
onheilen vreesde, als niet door de provinciale bankiers één lijn werd
getrokken tegenover reeds begonnen en nog meer te verwachten
zenuwachtige opvragingen van geld. Als gevolg van de besprekingen met
mij en met de directie van de Bank, verzocht het bestuur van den Bond op
Zondag 2 Augustus per circulaire aan zijne leden „zich bij het doen van
uitbetalingen te beperken tot hetgeen noodig is voor levensonderhoud,
werkloonen of onafwijsbare verplichtingen.”
Men heeft achteraf den Provincialen Bond en zijn bestuur daarover hard
gevallen. Die grief is ongerechtvaardigd. Wat dat bestuur deed, lag
geheel in de lijn der maatregelen, die zoowel door de Regeering als door
de Nederlandsche Bank en den Geldhandel te Amsterdam tot beperking der
speculatie en tot intooming van het oppotten van geld werden genomen of
bevorderd. Voor die circulaire, welke zich geheel aansluit bij de
gedragslijn door de Regeering en de Directie dezer Rijksinstelling ten
aanzien van de Rijkspostspaarbank gevolgd, dragen èn de Regeering èn de
Nederlandsche Bank mede de moreele verantwoordelijkheid. Ik voor mijn
deel aanvaard die zonder voorbehoud. De Amsterdamsche bankiers, die in
de eerste crisisdagen een overeenkomstige gedragslijn volgden, maar die
daarvan spoediger dan hun collega’s in de provincie konden afwijken,
toen zij uit den aard der zaak het eerst aan bod waren bij de hulp,
welke de Vereeniging voor den Geldhandel verleende, hadden niet noodig
dit bij circulaire bekend te maken. Ook zij waren echter in den aanvang
terughoudend in het doen hunner uitbetalingen. Diegenen onder hen die
dit schijnen vergeten te hebben, vergeten daarmede tevens, dat zij
tegenover alle maatregelen, die genomen moesten worden om ongewenschte
speculatie en oppotting van geld tegen te gaan, onverantwoordelijk
zouden hebben gehandeld door hun medewerking daaraan te onttrekken. Zij
deden beter, dan zij het zich achteraf nog herinneren.
Formeel was de terughoudendheid der bankiers in het doen van
terugbetalingen weinig minder bedenkelijk dan de beurssluiting was
geweest. Het was ook een daad van eigen richting, maar met dit verschil
dat hier de Regeering en de Nederlandsche Bank vooraf in de zaak waren
gekend en dat de heeren wisten in den geest van beide te handelen, door
te doen gelijk zij deden. Ter moreele rechtvaardiging van hun daad van
eigen richting, die gelijk stond met het zich eigenmachtig toekennen van
een beperkt moratorium, behoeft niet uitsluitend een beroep te worden
gedaan op het: „nood breekt wetten”. Het algemeen belang wees in de
eerste dagen van Augustus in de richting, welke de bankiers uit eigen
lijfsbehoud insloegen.
Niet alleen zouden verschillende bankiers en commissionnairs in effecten
anders gevaar hebben geloopen, individueel hun betalingen te hebben
moeten staken, hetgeen tot een débacle in de financieele wereld zou
hebben geleid, waarvan het effect een nog grootere stoornis in het
crediet, een nog hooger oplaaien van algemeen wantrouwen zou zijn
geweest. Tegenweer was in dit geval, al gold ook hier dat „charité bien
ordonnée commence par soi-même”, uit dien hoofde tevens in het algemeen
belang. In de vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus 1914 zeide
ik hieromtrent: „Daardoor wordt verkregen dat het beschikbaar
kredietmiddel ook beschikbaar blijft alleen en uitsluitend voor hen bij
wie en voor zoover er werkelijk behoefte aan bestaat, en wordt
tegengegaan, voor zoover het eenigszins kan, elke poging om nu van de
abnormale toestanden van dezen tijd gebruik te maken om later door
speculatie rijk te worden. Of dit in alle opzichten gelukken zal, dat
kan niemand zeggen, maar ik wil dit toch constateeren, dat evengoed de
groote bankiers als de organisatie van het bankwezen in de provincie met
de Regeering eens van zin niet alleen, maar eensgezind handelen om alle
dergelijke pogingen van het kredietwezen misbruik te maken en zich te
verrijken ten koste van het geheele volk, tegen te gaan zooveel het kan
en daarmede te gelijk in de werkelijke kredietbehoeften te voorzien,
zoover het maar eenigszins mogelijk is.”
Toen er, gelukkig spoedig, ontspanning kwam, volgden de provinciale
bankiers, na overleg met de Regeering, dezelfde gedragslijn die door de
Rijkspostspaarbank werd aangenomen. Den 15den Augustus berichtte het
bestuur van den Provincialen Bond aan zijne leden, dat het in strijd
zou zijn met de bedoelingen van den genomen maatregel, indien betalingen
werden geweigerd, noodig voor de verplichtingen of de voortzetting van
het gewone bedrijf der cliënten. Spoedig daarna ging het bij de
uitbetaling van deposito’s en rekening-courant saldo’s weer geheel
normaal in zijn werk.
Zooals ik reeds met een enkel woord aanstipte, waren de Amsterdamsche
bankiers nog spoediger dan hun collega’s in de provincie in staat, hun
terughoudendheid bij het voldoen aan opvragingen, die geen voldoend
economisch motief hadden, te laten varen. Het syndicaat van de groote
bankiers dat zou gevormd worden, tot een bedrag van ten minste ƒ 200
millioen, indien de Regeering bereid was de boven behandelde maatregelen
te nemen tot versterking van de positie van de Nederlandsche Bank, kwam
reeds tot stand voordat die maatregelen door de wet waren bekrachtigd.
Men herinnert zich dat op 30 Juli laat in den avond de directie van de
Nederlandsche Bank en de voornaamste bankiers in de vergadering van den
Ministerraad waren verschenen. Wat er daarna door de groote bankiers
geschiedde, ontleen ik aan het verslag van de Nederlandsche
Handel-Maatschappij over het boekjaar 1914:
„Vrijdag den 31sten Juli hadden te onzen kantore wederom uitvoerige
besprekingen tusschen de voornaamste bankiers en met de Directie van De
Nederlandsche Bank plaats, welke tot diep in den nacht voortduurden.
„Het resultaat van deze besprekingen is geweest, dat den 1sten Augustus
in de dagbladen kon worden medegedeeld, dat een steun-syndicaat van ƒ
200 millioen was tot stand gekomen.
„Dit syndicaat, dat zich de medewerking van de reeds bestaande,
rechtspersoonlijkheid bezittende „Vereeniging voor den Geldhandel”
verzekerde, verschafte aan deze Vereeniging bij De Nederlandsche Bank
een crediet van ƒ 200 millioen, ten aanzien waarvan het syndicaat zich
voor 20% van de opgenomen voorschotten, tot een maximum van ƒ 40
millioen borg stelde.
„In deze ƒ 40 millioen werd door ons deelgenomen voor een bedrag van ƒ 8
millioen. Verder namen daarin deel de volgende instellingen en firma’s:
Rotterdamsche Bankvereeniging, Amsterdamsche Bank, Twentsche
Bankvereeniging, B. W. Blijdenstein & Co., Hope & Co., Van Loon & Co.,
Nederlandsch-Indische Handelsbank, Lippmann, Rosenthal & Co.,
Incasso-Bank, R. Mees & Zoonen, Wertheim & Gompertz, Adolph Boissevain &
Co., Gebrs. Teixeira de Mattos, A. van Hoboken & Co., Internationale
Crediet- en Handelsvereeniging „Rotterdam”, Van Eeghen & Co., Wiegman’s
Bank, De Wissel- en Effectenbank, Disconto-Maatschappij, Marx & Co.’s
Bank, Vermeer & Co. en Nederlandsch-Indische Escompto-Maatschappij.
„Hierdoor werd bereikt, dat de noodige middelen beschikbaar waren, om
aan allen, die zakelijke zekerheid konden aanbieden, Zoo noodig hulp te
verschaffen.”
Zoowel over de beteekenis van de „Vereeniging voor den Geldhandel”,
waarvan het voorzitterschap aan den president van de Nederlandsche
Handel-Maatschappij werd toegekend, als over den moreelen steun, welke
door de Regeering bij haar wedergeboorte was verleend, bestond
misverstand. Men meende dat met den getroffen maatregel de Vereeniging
voor den Geldhandel alleen de „haute finance” en den groothandel helpen
zou. Al zou het onjuist zijn te ontkennen, dat bij de groote bankiers
niet even goed als bij hunne vakgenooten uit de provincie de overweging
gold, welke in het zooeven door mij aangehaalde Fransche spreekwoord
wordt uitgedrukt, toch had de Vereeniging voor den Geldhandel niet de
bedoeling uitsluitend voor het groote bankwezen en den groothandel
werkzaam te zijn en verspreidde haar werkzaamheid zich ook inderdaad
over veel ruimeren kring. Tot tweemaal toe achtte ik het noodig omtrent
de beteekenis dier vereeniging in de Tweede Kamer misverstanden uit den
weg te ruimen. Op 3 Augustus zeide ik daaromtrent: „Van het oogenblik
af, dat de toestand dreigde zoo kritiek te worden als hij op het
oogenblik is, is er van uit de bankwereld verband gezocht en connectie
verkregen met de Regeering, en de Regeering heeft zich bij monde van den
Minister van Financiën, van den Minister van Justitie en van mij, bereid
verklaard om in overleg met de verschillende organen van ons geld- en
kredietwezen te treden en aan den toestand, voor zoover het maar
eenigszins mogelijk is en zoolang het mogelijk is, het hoofd te bieden.
En nu is de voorstelling, alsof door de getroffen regeling alleen zou
worden geholpen de groothandel gelukkig niet juist en ik kan er bij
zeggen dat, wanneer ik den indruk had gekregen, dat door de zeer
bijzondere maatregelen die genomen zijn, door het Koninklijk besluit tot
verandering van de dekking der Nederlandsche Bank en tot verandering van
het octrooi, alleen de groothandel zou worden geholpen, ik gemeend zou
hebben, dat de Regeering niet verantwoord was. Maar om het krediet ook
voor den kleinhandel, ook voor den landbouw en de groote en kleine
nijverheid zoo goed mogelijk in dezen kritieken tijd in staat te stellen
te voldoen aan zijn taak, moet in de allereerste plaats de centrale, de
groote kredietorganisatie in staat zijn om aan de verschillende
gewettigde aanvragen te voldoen.
„Met bijzonder veel genoegen kan ik hier verklaren, dat er is verkregen
overeenstemming tusschen het bestuur van de Nederlandsche Bank, een
consortium van groote bankiers en de commissionnairs in effecten in de
provincie en de Regeering om een regeling te treffen, waarbij aan alle
gewettigde kredietaanvragen in den tegenwoordigen tijd zal worden
voldaan, voor zoover dit met de bestaande kredietmiddelen mogelijk is.”
Het misverstand was daarmede echter niet uit den weg geruimd. Een vraag
van Dr. Bos gaf mij aanleiding in de vergadering van de Tweede Kamer van
6 Augustus 1914, nadat het ontwerp van wet op de zilverbons zonder
mondelinge beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming was aangenomen,
nog op te merken: „Men meent dat het syndicaat eigenlijk speciaal is
opgericht en speciaal werkt ten gunste van den effectenhandel, van den
geldhandel en niet van den goederenhandel en, voor zoover het dan nog
voor den goederenhandel zou zijn, alleen voor den groothandel. Laat ik
herhalen in eenigszins andere woorden hetzelfde wat ik reeds Maandag
gezegd heb, toen ik deze zaak besprak. De Regeering zou ongetwijfeld
niet hebben medegewerkt tot het nemen van de zeer buitengewone
maatregelen, die genomen zijn om het kredietwezen zoo goed mogelijk in
stand te houden, indien zij niet de overtuiging had, dat volstrekt niet
alleen de geldhandel, volstrekt niet alleen de groothandel, maar dat èn
de goederenhandel èn de geldhandel èn de kleinhandel èn de groothandel,
natuurlijk voor zoover het kan, zullen worden geholpen. Er is in dit
opzicht inderdaad eenig misverstand ontstaan, en nu is in de
advertentie, die hedenmorgen in de verschillende bladen heeft gestaan,
een advertentie, die ook een gevolg is van de besprekingen, die reeds
weer plaats gehad hebben met het consortium, zoo duidelijk mogelijk door
dat consortium aangegeven, dat het inderdaad even goed voor den
goederenhandel als voor den geldhandel werkt.
„In die advertentie lees ik het volgende: De ondergeteekenden berichten,
dat de voorschotten welke de Vereeniging voor den Geldhandel verstrekt,
worden verleend tegen goed te keuren _fondsen_, _ceelen_, _wissels_,
_promessen_, _hypothecaire zekerheid_, en andere _zakelijke waarborgen_,
aan alle handelaren, industrieelen, particulieren, spaarbanken en andere
instellingen, waar ook in Nederland gevestigd, welke onder de bestaande
omstandigheden geld behoeven”.
De grief dat de Vereeniging voor den Geldhandel wel wat langzaam te werk
ging bij het verleenen van haar hulp, kon ik niet tegenspreken. Ook al
werd de noodzakelijkheid van zorgvuldig onderzoek van elke bij haar
inkomende aanvraag, een onderzoek dat in nauwe samenwerking met de
Nederlandsche Bank moest geschieden, volmondig erkend, had men toch
mogen rekenen op een snellere afdoening van zaken dan in werkelijkheid
plaats had. Als Minister van Handel heb ik in die dagen op het
betrachten van grooteren spoed bij het behandelen der credietaanvragen
meermalen aangedrongen, zoowel bij de Vereeniging voor den Geldhandel
als bij de Nederlandsche Bank.
Omtrent de wijze waarop de aanvragen behandeld werden, schrijft het
Verslag van de Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15: „De
Nederlandsche Bank heeft in haar gebouw lokaliteiten beschikbaar gesteld
voor de Vereeniging, alwaar deze een eigen kantoor inrichtte met
bijzondere boekhouding. Alle aanvragen om steun moesten bij het Bestuur
dezer Vereeniging worden ingediend, waartoe elken werkdag, gedurende de
gewone kantooruren door dit Bestuur zitting werd gehouden. Een eerste
onderzoek werd dan door het Bestuur van de Vereeniging v. d. Geldhandel
naar die aanvragen ingesteld, waarna deze door het Bestuur der
Vereeniging met praeadvies werden overgebracht bij de Directie van De
Nederlandsche Bank ter verdere zelfstandige beslissing.
„Bij inwilliging van het verzoek stelde De Nederlandsche Bank het geld
ter beschikking van de Vereeniging voor de goedgekeurde aanvrage. Als
zekerheid voor deze verleende credieten werden in groote verscheidenheid
roerende goederen in onderpand genomen, waaronder dikwijls zaken, welke
in gewone omstandigheden voor onderpand bij de Bank niet in aanmerking
kwamen; bovendien werden ook als onderpand aangenomen onroerende
goederen, welke met een hypotheek ter verzekering van het voorschot
werden belast, en ook grossen van hypotheek.
„Op deze wijze werd het mogelijk met behulp van De Nederlandsche Bank in
werkelijk dringende gevallen ook geld op hypotheek of op beleening van
grossen van hypotheek te krijgen, niettegenstaande het bedrijf der
gewone hypotheekbanken door de crisis was stop gezet.”