president der Nederlandsche Handel-Maatschappij kwamen de voornaamste
bankiers ten kantore dier maatschappij opnieuw bijeen. De besprekingen,
welke in hun bijeenkomst werden gehouden, hadden ten gevolge, dat de
heer Van Aalst den voorzitter van den Ministerraad telefonisch op de
hoogte bracht van den toestand en door zijn tusschenkomst den Minister
van Financiën en den Minister van Landbouw, als Minister tevens van den
handel, verzocht in de vergadering van bankiers te komen, opdat overleg
met hen en met de Nederlandsche Bank zou kunnen worden gepleegd over
hetgeen door samenwerking tusschen de Regeering en de „haute finance”
zou kunnen geschieden, om aan de eischen van het oogenblik te gemoet te
komen. De Ministerraad vergaderde in die dagen dagelijks, hij was zelfs
bijna permanent bijeen. Het was dus geen groot toeval, dat het
telefonisch gesprek van den heer Van Aalst met den heer Cort van der
Linden plaats had terwijl de Ministerraad bijeen was. Men begreep
terstond, dat hier zeer groote economische belangen op het spel stonden
en dat aan het verzoek gevolg moest worden gegeven. De heer Bertling en
ik verlieten den Raad en gingen met den eersten trein, dien wij nemen
konden, naar Amsterdam.
Ten kantore van de Nederlandsche Handel-Maatschappij gekomen, vonden wij
daar de vertegenwoordigers van de Amsterdamsche bankwereld bijeen. Ons
werd bij monde van den heer Van Aalst medegedeeld, wat er den vorigen
dag en denzelfden ochtend was geschied. Daaraan werd toegevoegd, dat nu
de berichten uit het buitenland sedert den vorigen dag zooveel
dreigender waren geworden en de toestand op de geheele geld- en
effectenmarkt dientengevolge zooveel ernstiger was, aan heropening van
de beurs vooreerst niet meer kon worden gedacht. Daarvan uitgaande,
waren maatregelen beraamd om aan de credietbehoeften van handel en
nijverheid te kunnen voldoen buiten de beurs om, en dat wel op zoodanige
wijze, dat het speculatieve crediet geheel zou worden uitgeschakeld en
alleen in reëele credietbehoeften zou worden voorzien. Het plan was een
algemeen syndicaat daartoe te vormen, dat over ten minste ƒ 200 millioen
zou kunnen beschikken. Men was hierover al in voorloopige besprekingen
getreden met de Directie van de Nederlandsche Bank, welke zich in
beginsel tot medewerking bereid had verklaard. Echter deed zich daarbij
een moeilijkheid voor. Hoewel de positie van de Nederlandsche Bank voor
normale omstandigheden zeer krachtig was (zij had in Juli 1914 een
beschikbaar metaalsaldo van ruim 37½ millioen), was toch te voorzien,
dat nu het geheele credietwezen tijdelijk bij de Bank zou worden
geconcentreerd, een uitzetting van de bankbiljettencirculatie daarvan
het gevolg zou wezen, waarbij de metaaldekking wel eens onvoldoende zou
kunnen blijken. Men achtte het dus voorzichtig zoo niet noodzakelijk,
dat haar verplichte metaaldekking, welke volgens het bankoctrooi bestaat
in een bij Koninklijk besluit, op voordracht van de directie der Bank,
bepaalde verhouding tot het gezamenlijk bedrag van bankbiljetten,
bankassignatiën en rekening courant saldo’s, zou worden herzien. Alleen
onder die voorwaarde zou haar vermogen om als centrale credietinstelling
in den crisistijd op te treden, de vereischte rekbaarheid krijgen.
Sedert 1864 was die verhouding twee vijfden van het bedrag dier obligo’s
geweest; in overweging werd gegeven, dat die dekking tot een vijfde
gedeelte zou worden verminderd.
Nadat wij de uiteenzetting hadden gehoord, verklaarden wij ons bereid
over deze vermindering van de metaaldekking met de directie der
Nederlandsche Bank te spreken en eventueel, op haar voorstel, daartoe
het noodige te doen. Evenwel werd door ons opgemerkt, dat men bij het
nemen van dien maatregel, er wel op bedacht moest zijn, dat hij tot geen
wegvloeiing van goud naar het buitenland zou mogen leiden. Ons werd op
die opmerking geantwoord, dat men ook hieromtrent reeds van gedachten
had gewisseld. De aanwezige bankiers verklaarden, dat zij geen
goudzendingen naar het buitenland zouden doen en daarvoor ook niet hun
tusschenkomst zouden verleenen, maar zij erkenden dat zulk een
verklaring niet voldoende was. Er moest tegelijk met de vermindering van
de verplichte metaaldekking van de Nederlandsche Bank een uitvoerverbod
van goud worden uitgevaardigd. Hierin lag een groote moeilijkheid. Daar
de gebeurtenissen elkander zoo bliksemsnel opvolgden, moest de
Nederlandsche Bank zonder verwijl gereed staan, om te voldoen aan eene
te verwachten uitzetting harer bankbiljetten circulatie, die het normale
hoogtepunt daarvan ver zou overschrijden. Uit dien hoofde was
oogenblikkelijke vermindering van de verplichte metaaldekking noodig en
deze kon gevaarlijk zijn, indien zij niet met een verbod van gouduitvoer
gepaard ging. De moeilijkheid nu was, dat de Regeering tot zulk een
verbod geen bevoegdheid had.
Het zal wel geen verwondering wekken, dat mijn ambtgenoot van Financiën
en ik er tegen op zagen de verantwoordelijkheid te dragen van een
maatregel waartoe, naar wij wisten, de Regeering onbevoegd was. Na eenig
heen en weer praten kwamen wij tot de volgende oplossing. Indien het
onderhoud, dat met de directie van de Nederlandsche Bank zou worden
gevoerd, er toe zou leiden, dat van die directie een voorstel zou
uitgaan tot vermindering der metaaldekking en indien ook zij van oordeel
was, dat met die vermindering een onmiddellijk verbod van gouduitvoer
moest gepaard gaan, zouden wij onze ambtgenooten trachten te overtuigen
van de noodzakelijkheid om de verantwoordelijkheid van zulk een
extra-legaal verbod te dragen. Wij knoopten hieraan echter de voorwaarde
vast, dat zoowel de directie van de Bank als de ter vergadering
aanwezige bankiers des avonds in den Ministerraad zouden komen en de
zaak daar zouden voordragen, opdat de verantwoordelijkheid voor een zóó
buitengewone daad niet alleen formeel maar in werkelijkheid voor dien
geheelen Raad zou komen.
Nadat dit voorloopig resultaat werd bereikt, hadden de Minister van
Financiën en ik, in het bijzijn van enkele der heeren, met wie wij ten
kantore van de Nederlandsche Handel-Maatschappij hadden vergaderd, in
het gebouw der Nederlandsche Bank een bijeenkomst met de directie. Daar
werd ons bevestigd, wat wij in de pas verlaten vergadering hadden
gehoord. De directie van de circulatiebank zou, overeenkomstig de wet,
een voorstel doen ter vermindering van de verplichte metaaldekking. Zij
verklaarde zich bereid met de andere heeren des avonds naar Den Haag te
komen, om in verband daarmede, de noodzakelijkheid van een onverwijld
verbod van gouduitvoer te bepleiten.
In den Haag teruggekeerd, brachten wij den Ministerraad op de hoogte.
Deze vergaderde des avonds opnieuw. In den laten avond deed zich toen
het in onze staatkundige geschiedenis wel nooit voorgekomen geval voor,
dat de vergadering van den Raad door een zoo groot aantal personen werd
bijgewoond, dat uit verschillende kamers van het Departement van
Justitie stoelen en banken moesten worden bijeengehaald, opdat de heeren
althans konden zitten.
Ter vergadering van den Ministerraad voerde de heer Van Aalst het woord
uit naam van de aanwezige bankiers; daarna werd, in aansluiting aan het
door hem gesprokene, door den heer Van Heukelom, als waarnemend
president van de Nederlandsche Bank, de noodzakelijkheid van het nemen
van de zooeven uiteengezette maatregelen betoogd.
Zoowel des middags op de bijeenkomsten te Amsterdam als des avonds in de
vergadering van den Ministerraad was bovendien de wenschelijkheid
besproken, aan de Regeering de bevoegdheid te geven, zoo dit onverhoopt
noodig mocht blijken, de verplichting van de Bank om hare biljetten bij
aanbieding te betalen, in den oorlogstijd op te schorten. Waar de
toestand zóó onzeker was en de gebeurtenissen elkaar zóó snel opvolgden,
moest gerekend worden met de mogelijkheid, dat de Nederlandsche Bank in
moeilijkheden zou kunnen geraken, indien zij in een tijd, waarin zulke
buitengewone beroepen op haar hulp als centrale credietinstelling werden
gedaan, verplicht zou kunnen worden tevens groote bedragen aan
bankbiljetten te verzilveren. Niemand ontveinsde zich welk een diepen
indruk het zou maken, indien de Regeering van zulk een bevoegdheid
gebruik zou moeten maken, maar dit nam niet weg dat, waar men de
mogelijkheid voorzag, dat het daartoe zou moeten komen, het toch voor
het geval die mogelijkheid onverhoopt eens werkelijkheid mocht worden,
niet slechts gewenscht maar noodig was, dat de opschorting der
uitbetaling wettelijk was geregeld. Het schriftelijk verzoek van de Bank
aan de Regeering tot het voorstellen van dien maatregel werd dien nacht
nog opgemaakt en onmiddellijk aan haar ter hand gesteld.
Nadat de bankiers en de directie van de Nederlandsche Bank de
vergadering hadden verlaten, besloot de Ministerraad, overtuigd van de
noodzakelijkheid, dat de Regeering naar vermogen zou medewerken tot
herstel van het geschokte crediet, aan de Koningin voor te stellen: de
verplichte metaaldekking van de Nederlandsche Bank van twee vijfden op
een vijfde terug te brengen; den gouduitvoer te verbieden, en een
wetsvoorstel in te dienen tot wijziging van het bankoctrooi op het punt
van de betaalbaarheid der bankbiljetten. Het gevolg van een en ander
was, dat reeds den volgenden dag twee Koninklijke besluiten werden
afgekondigd; één tot verbod van den uitvoer van gouden munt en
goudmuntmateriaal en één betreffende de verplichte metaaldekking van de
Nederlandsche Bank, terwijl voorts een ontwerp van wet werd ingediend,
betreffende de mogelijkheid van opschorting der verplichte betaling van
de bankbiljetten.
In het bovenstaande vindt men tevens de verklaring hoe het kwam, dat het
verbod van gouduitvoer de medeonderteekening draagt van alle leden van
den Ministerraad. Het wetsontwerp tot wijziging van het octrooi der
Nederlandsche Bank, wat betreft de betaalbaarheid van hare biljetten,
verkreeg den 3den Augustus kracht van wet. De wet van denzelfden dag op
de uitvoerverboden hield tevens een terugwerkende bekrachtiging in van
hetgeen de Regeering eigenmachtig ten aanzien van den uitvoer van goud
had gedaan.
Na den Ministerraad van 30 Juli werd aan het Nederlandsch-Indische
Gouvernement telegrafisch opgedragen ten aanzien van de Javasche Bank
overeenkomstige maatregelen te treffen als voor de Nederlandsche Bank
genomen of voorgesteld waren.
Van de bevoegdheid aan de Regeering bij de eerstgenoemde wet gegeven,
om de betaalbaarheid der bankbiljetten zoo noodig op te schorten,
behoefde gelukkig geen gebruik te worden gemaakt. Daarentegen bleek
de halveering van de verplichte metaaldekking spoedig geen
overvoorzichtigheidsmaatregel te zijn geweest. Het verslag van de
Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15 zegt hiervan: „De uitkomst
heeft geleerd, dat deze vermindering inderdaad tijdelijk noodzakelijk is
geweest; immers de dekking is tijdelijk teruggeloopen tot beneden 40%
(laagste percentage 32.59% op 16 October 1914). De emissiekracht der
Bank was door dit Besluit zeer belangrijk toegenomen, hetgeen zeker eene
groote gerustheid voor de gemeenschap is geweest. Reeds vrij spoedig was
het percentage van 40 pct. metaaldekking wederom bereikt (op 12 December
1914) en werd zelfs de dekking bijna doorloopend sterker, om op 31 Maart
1915 tot ruim 52% op te loopen.” In het boekjaar 1915/16 namen de
dekking en dus ook het beschikbare metaalsaldo nog zeer aanmerkelijk
toe. Op het eind van het boekjaar 1914/15 bedroeg dat saldo ongeveer
169½ millioen; op het eind van 1915/16 omstreeks 373 millioen. Op de
hoofdoorzaken van de toeneming van den goudvoorraad kom ik hieronder
terug.
Eerst moet ik nog melding maken van hetgeen verder onverwijld
noodzakelijk was ter ontspanning van de geld- en credietcrisis. De
onrust die op de beurs reeds in het laatst van Juli geleid had tot de
paniek, waarvan haar sluiting het resultaat was, kwam heel spoedig
daarna op allerlei wijzen over heel het land tot uiting. De meest
algemeene en tegelijk voor het geregeld verkeer gevaarlijkste uiting van
het angstgevoel, dat zich van het publiek had meester gemaakt, was het
onttrekken van zilver aan de circulatie en het oppotten van alles wat
men aan gereed geld machtig kon worden. Bijna ieder werd in de eerste
week van Augustus 1914 een Warenar. Helaas was de voorraad gemunt zilver
bij de Nederlandsche Bank bij den aanvang der crisis zeer klein; op 25
Juli bedroeg hij slechts ruim 8 millioen gulden. De oorzaken van dien
beperkten voorraad zilvergeld bespreek ik niet. Dat zou mij te ver in
het verleden terugvoeren; genoeg dat de groote behoefte aan zilvergeld
in Nederlandsch-Indië daartoe veel heeft bijgedragen. Die betrekkelijk
kleine voorraad zilvergeld slonk in een week tijds, deels ten gevolge
van grootere behoefte aan ruilmiddel als uitvloeisel van de stoornis in
het crediet, maar vooral tengevolge van het oppotten van zilver, tot
beneden 3 millioen. Aan redding in den nood door het in circulatie
brengen van goud viel niet te denken; daardoor zou de positie van de
Nederlandsche Bank zijn verzwakt, zonder dat het iets zou hebben gebaat.
Meer nog dan het zilver zou de gouden munt zijn opgepot, en er was
bovendien vooral behoefte aan ruilmiddel van kleinere waarde dan het
gouden tientje of het gouden vijfje.
Reeds aanstonds toen de wegvloeiing van zilver zich openbaarde, werd
tusschen de directie van de Nederlandsche Bank en het Ministerie van
Financiën van gedachten gewisseld over hetgeen gedaan kon worden om in
de behoefte aan kleiner ruilmiddel tegemoet te komen. De Nederlandsche
Bank kon daarin door de uitgifte van klein bankpapier niet voorzien,
daar het bankoctrooi haar uitgifte van biljetten tot een lager bedrag
dan ƒ 10 verbiedt. Men wist geen anderen uitweg dan dat de staat
tijdelijk papieren geld in kleine coupures zou uitgeven. Voor men in
beginsel het er over eens was geworden, dat daartoe zou moeten worden
overgegaan, was het noodig verschillende punten betreffende de
uitvoering van het denkbeeld mondeling te bespreken. Daartoe zouden de
president van de Nederlandsche Bank, die terstond uit Zwitserland was
teruggekomen, en de president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij
met den Minister van Financiën op den avond van den 3den Augustus eene
bijeenkomst hebben.
Aangezien zulke zaken in die dagen geregeld tusschen den Minister van
Financiën en mij, als Minister van Handel, besproken werden, vroeg mijn
ambtgenoot mij bij die bijeenkomst tegenwoordig te zijn. Des avonds
omstreeks elf uur stapten wij van huis. De Amsterdamsche heeren hadden
getelefoneerd, dat zij ongeveer half twaalf zouden komen. De bijeenkomst
zou plaats hebben in de Kamer van den Thesaurier-Generaal, den
tegenwoordigen Minister van Financiën, die, toen wij aankwamen, reeds
aanwezig was. Wij moesten echter wachten tot omstreeks half een voor de
heeren uit Amsterdam aankwamen. Het was in de drukste dagen van de
mobilisatie; per trein konden zij dus niet komen en zij hadden oponthoud
gehad onderweg door het springen van een band van hun automobiel. Wij
begonnen al wat te wanhopen, toen de heeren eindelijk, vergezeld van den
heer A. L. Kulenkamp Lemmers, den Agent van het Ministerie van
Financiën, aankwamen. Nauwelijks hadden wij tijd gehad om te verklaren,
dat wij het in principe over de uitgifte van klein papier van
Regeeringswege eens waren, of de heer Van Aalst vloog naar de telefoon
om Maastricht op te roepen. Van Amsterdam uit was er namelijk voor
gezorgd, dat de telefoon te Maastricht tot ’s nachts half een zou open
blijven; het was dus hoog tijd, dat er verbinding gevraagd werd. Om geen
tijd te verliezen, had men zich ’s middags reeds, van Amsterdam uit, met
de vraag der papierlevering bezig gehouden,--waarbij was gebleken dat de
Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek te Maastricht in staat was het
noodige terstond te leveren. Voor veel heen en weer praten over de keuze
van een leverancier was geen tijd. De Minister van Financiën ging er dan
ook mede accoord, dat het benoodigde papier terstond telefonisch aan de
genoemde fabriek zou worden besteld. Hetgeen door den heer Van Aalst,
sprekende namens den Minister van Financiën, geschiedde.
Bij die gelegenheid bleek ons spoedig dat de directeur der papierfabriek
te Maastricht een voorzichtig man is, die niet over één nacht ijs loopt.
De aandeelhouders van zijne vennootschap hebben reden hem in eere te
houden. Geen kwartier nadat het bedoelde telefonisch gesprek was
gevoerd, werd de Thesaurier-Generaal uit Maastricht opgescheld en vroeg
de directeur der fabriek, of hij inderdaad met het Ministerie van
Financiën gesproken had. Nadat de papierkwestie geregeld was, moest de
vraag over de grootte der stukken behandeld worden. Na eenig overleg
werd besloten, coupures te maken van ƒ 1.--, ƒ 2.50 en ƒ 5. Daarna moest
worden beslist, hoe het tijdelijke papieren geld zou heeten. Daarover
was men het spoedig eens; de naam „zilverbon” werd gekozen als kort en
sprekend. Maar toen kwam het groote vraagstuk: hoe zou men een voldoend
aantal van die bons in enkele dagen gedrukt krijgen, zóó dat namaak
daarvan niet al te gemakkelijk zijn zou? De agent van het Ministerie van
Financiën had zich daaromtrent reeds voorloopig in verbinding gesteld
met de firma J. H. de Bussy te Amsterdam. Hij had van die firma eenige
„gronden” en modellen meegekregen, die moeilijk zouden zijn te
vervalschen. Na eenig wikken en wegen werd een keus gemaakt en werden
model en kleur van de verschillende soorten van zilverbons bepaald. In
hoofdzaak werd gevolgd het model der vroegere zoogenaamde „kasorders”
van de Nederlandsche Handel-Maatschappij ter Oostkust van Sumatra. Ook
werd de vraag behandeld of de bons genummerd zouden worden. Door mij
werd er zeer op aangedrongen, dat dit ter vermindering van het
vervalschingsgevaar zou geschieden. Toen mij echter den volgenden dag
werd medegedeeld, dat de nummering zooveel vertraging in de aflevering
zou brengen, dat per dag in plaats van 700.000 stuks, slechts 300.000
stuks zouden kunnen worden gemaakt, gaf ik mij gewonnen. De behoefte aan
ruilmiddel was zoo uitermate dringend, dat hetgeen niet volstrekt
noodzakelijk was, achterwege moest blijven, zoodra het vertraging van
beteekenis zou veroorzaken.
Daar het bankoctrooi aan den Staat, op straffe van verlies van de
voordeelen, welke het aan den Staat toekent, verbiedt muntpapier uit te
geven, moest vastgesteld worden, dat de Bank de zilverbons niet zou
beschouwen als muntpapier in den zin dier wet, omdat zij slechts een
tijdelijk hulpmiddel zouden zijn, niet uitgegeven met de bedoeling om
geld te verschaffen aan den Staat. Echter moest de Staat
begrijpelijkerwijze de verplichting op zich nemen, de zilverbons in te
trekken, zoodra de Nederlandsche Bank voldoende zilver ter beschikking
van de Regeering zou kunnen stellen, ter inwisseling daarvan. Hoewel men
het omtrent dit punt van den aanvang af geheel eens was, moest het toch
vastgesteld worden. Dit geschiedde in een correspondentie met de
directie der Bank.
Toen eenmaal de zaak zelve zoover was voorbereid, was het wetsontwerp
dat aan de Staten-Generaal moest worden ingediend, aangezien de
Regeering zonder machtiging van den wetgever geen bevoegdheid had tot
uitgifte van papieren geld, spoedig gereed. Den volgenden dag werd het
aan het Departement van Financiën in orde gemaakt en om advies naar den
Raad van State gezonden. Op 5 Augustus werd het aan de Tweede Kamer
aangeboden. Den volgenden dag werd het in spoedvergaderingen van de
beide Kamers der Staten-Generaal behandeld en aangenomen. Nog denzelfden
dag bekrachtigde de Koningin het ontwerp en verscheen de wet tot
uitgifte van zilverbons tot een bedrag van ten hoogste ƒ 25 millioen in
het Staatsblad, onmiddellijk gevolgd door het Koninklijk besluit tot
vaststelling van den uiterlijken vorm en de hoeveelheid van elke soort
der uit te geven bons.
Doordien men alles wat op de uitvoering van den maatregel betrekking
had, terstond met den meest mogelijken spoed had ter hand genomen,
vertrouwende dat de Staten-Generaal hunne medewerking niet zouden
weigeren, was het mogelijk Vrijdag 7 Augustus reeds voor een bedrag van
ruim ƒ 1.700.000 aan zilverbons in omloop te brengen. Dat om dit te
bereiken de uiterste inspanning van allen, die bij de vervaardiging, de
controle en de uitgifte betrokken waren, noodig was, behoeft wel niet te
worden gezegd. Zelfs met die inspanning was het resultaat nog niet
voldoende, maar het gaf toch verlichting. De heele week had men onder
gemis aan klein geld gezucht en daarvan de moeilijkheden ondervonden: in
winkels, aan de postkantoren, aan de spoorwegstations, letterlijk
overal. Het op zilvergeld beluste publiek trachtte bovendien overal waar
het maar kon, daarvan wat machtig te worden door niet met gepast geld te
betalen, maar bankbiljetten aan te bieden, waarop wisselgeld terug moest
worden gegeven. Dit kunstmiddeltje leidde weer tot den maatregel van
tegenweer, dat aan stations, postkantoren enz. niet anders dan gepast
geld werd aangenomen en dat in koffiehuizen en winkels dit voorbeeld
werd gevolgd, voor zoover niet met bons werd verrekend. In één woord, in
de week van 3-8 Augustus 1914 was het alledaagsche verkeer geheel
ontredderd door gebrek aan voldoende klein ruilmiddel. Zoo sterk was dit
het geval, dat verschillende gemeente-besturen het niet durfden laten
aankomen op de maatregelen van Rijkswege, die men in voorbereiding wist
en, deels in overleg met de Regeering, deels geheel op eigen gezag
gemeentelijke bons uitgaven.
In theorie was daartegen veel, zoo niet alles te zeggen. De
veelsoortigheid van papier, dat op die wijze in enkele gemeenten in
omloop kwam, moest wel verwarrend op het muntwezen werken; maar.... hoe
ongewenscht ook, het was noodig. De toestand was de heele week al zoo
slecht geweest als hij maar wezen kon; den Zaterdag, den dag waarop
overal arbeidsloonen moesten worden betaald, kon men op die manier niet
ingaan. De Regeering was niet bij machte meer te doen, dan zij deed, en
dat was, hoe uiterst verdienstelijk de praestatie met de aflevering der
zilverbons op zich zelf ook was, niet genoeg. Men moest dus wel over
alle bezwaren heenstappen en zag met vreugde, zij het ook gemengd met
eenigen weemoed, dat de gemeenten waar de meeste arbeidsloonen te
betalen waren, zich zelf hielpen. Zoo is men den critieken Zaterdag, 8
Augustus, doorgekomen. Het zal wel niet overal even gemakkelijk zijn
gegaan, maar men kwam er door. Toen was het gevaar geweken. De volgende
week konden zilverbons in genoegzaam getal beschikbaar worden gesteld.
Hoe noodig de maatregel wel was, kan men afleiden uit het feit, dat van
7 Augustus tot half September omstreeks ƒ 19 millioen aan zilverbons in
het verkeer werd opgenomen. Sedert dien is het bedrag geleidelijk
verminderd. De bons van ƒ 5 waren niet in trek; de uitgifte daarvan werd
spoedig gestaakt.
Toen in het begin van 1915 de namaak der zilverbons onrustbarende
afmetingen aannam, werd besloten de oorspronkelijke stukken door andere
te vervangen, die zorgvuldiger konden zijn voorbereid en beter afgewerkt
en daardoor niet alleen sierlijker waren van uiterlijk, maar ook meer
waarborg boden tegen valschheid. Daarbij werden voor de ingetrokken
zilverbons van ƒ 1 geen nieuwe in de plaats gesteld. Men bepaalde zich
tot stukken van ƒ 2.50. Toen er in April 1916 weer een klein paniekje
kwam, openbaarde zich dit opnieuw in onttrekking van zilver aan de
circulatie en moest mijn opvolger als Minister van Financiën zijn
toevlucht weer nemen tot de uitgifte van zilverbons ook van een gulden.