Het was echter niet te miskennen, dat de rechtvaardigingsgrond van het

gemaakte onderscheid tusschen de verzekerde en de niet verzekerde

arbeiders zwakker werd, naar gelang de noodregeling langer moest worden

in stand gehouden. Hoe verder het eindpunt der medebetaling door de

werkloozenkas zelve in het verleden begon te liggen, hoe minder het

uitgangspunt van de noodregeling, de instandhouding van de

werkloozen-_verzekering_, op de werkelijkheid steunde, hoe meer de

zoogenaamde verzekering het karakter kreeg van een uitkeering om niet,

die slechts uiterlijk van de uitkeeringen der steuncomités verschilde.

Daarbij kwam, dat de datum van 1 Augustus 1914 wel beslissend was voor

de toelating der werkloozenkassen tot de noodregeling, maar niet voor de

toetreding der vakgenooten tot de werkloozenkas. Wel is waar werd deze

fout in de noodregeling verkleind door de bepaling, dat iemand die

werkloos was op het oogenblik dat hij wilde toetreden, niet kon worden

toegelaten en dat wie eenmaal toegelaten was, ook al werd hij werkloos,

uit de werkloozenkas niet kon trekken, zoolang hij niet gedurende drie

maanden contributie had betaald; maar toch stak hierin een fout. Deze

zou slechts van theoretische beteekenis zijn geweest, indien de

noodregeling na drie maanden had kunnen zijn opgeheven, zij werd echter

meer van practische beteekenis, naar gelang de regeling langer moest

worden in stand gehouden.

Daarbij kwam eenerzijds, dat de noodregeling er krachtig toe had

bijgedragen de beteekenis der werkloosheidsverzekering in arbeidskringen

te doen doordringen, met het gevolg dat allengs meer nieuwe

werkloozenkassen werden opgericht, die van de noodregeling, indien deze

ongewijzigd bleef, geen profijt konden trekken, omdat haar oprichting

eerst van later dan 1 Augustus 1914 dagteekende, en anderzijds dat eene

gelukkige verandering gaande was in de organisatie van verschillende

toegetreden kassen, waardoor de werkloozenkas van de plaatselijke

vakvereeniging bij de best georganiseerde vakbonden meer en meer plaats

maakte voor de algemeene werkloozenkas van den over het geheele land

werkenden bond. Zoowel het een als het ander maakte wijzigingen in de

noodregeling wenschelijk, die deden uitkomen, dat zij voor een zóó

langdurige oorlogscrisis, als werd doorgemaakt, niet geheel berekend

was.

Voorts bleek allengs meer, dat verschillende kassen, niettegenstaande

zij volgens de noodregeling niet meer bijdroegen in de kosten der

verzekering, uit gedurende de crisis ontvangen contributies hun vermogen

hadden zien toenemen niet alleen boven het gestelde minimum van ¼ van

het bedrag op 1 Augustus 1914, maar zelfs in verschillende gevallen

boven het totale bedrag der kas op dien dag. In één woord, de fouten der

noodregeling werden grooter naar gelang zij door den duur harer werking

meer het karakter van noodregeling verloor en dat van eene normale

regeling begon aan te nemen.

Dit leidde er toe, dat in de tweede helft van 1915 met ernst aan hare

opheffing werd gedacht. Dit kon echter niet geschieden zonder een

blijvend betere passende regeling daarvoor in de plaats te stellen. Het

Rijk kon niet eenvoudig zijn handen van de werkloosheidsverzekering

aftrekken; daarvoor is de zaak van een te groot maatschappelijk belang.

Na verschillende besprekingen met den Directeur van het Centraal Bureau

voor Werkloosheidsverzekering en met Prof. de Vooys als voorzitter van

den Werkloosheidsraad, werd den 19en Januari 1916 een circulaire aan de

gemeentebesturen gericht, welke ten doel had die besturen te brengen

tot vrijwillige medewerking aan een nationale regeling der

werkloosheidsverzekering, die voor de noodregeling in de plaats zou

treden. In die circulaire werd door mij als Minister van Financiën

toegezegd, dat--indien de Staten-Generaal daartoe hunne medewerking

zouden verleenen--het Rijk in de toekomst 50 pct. van den geldelijken

steun aan de werkloozenkassen voor zijn rekening zou nemen. Bij die

blijvende regeling zouden eenige maatregelen worden getroffen voor den

overgang van de noodregeling in de blijvende organisatie en werd er voor

gezorgd, dat de werkloozenkassen weder geregeld hun aandeel in de kosten

der werkloosheidsverzekering zouden betalen. Opdat de voorgestelde

organisatie in toepassing zou kunnen komen, was algemeene deelneming der

gemeentebesturen noodig; de circulaire wees er daarom op dat, indien het

beroep op vrijwillige medewerking niet het gewenschte resultaat had, een

wettelijke regeling, waarbij medewerking zou worden opgelegd, niet zou

kunnen uitblijven. De bedoeling was de nieuwe regeling op 1 Mei 1916

voor de noodregeling te doen plaats maken.

De circulaire van 19 Januari 1916 heeft haar doel bereikt. Wel kon de

nieuwe blijvende regeling niet te gelijk met de opheffing der

noodregeling op 1 Mei worden in werking gesteld, maar blijkens de

Memorie van Toelichting van den Minister van Waterstaat bij het

wetsontwerp waarbij de noodige gelden daarvoor worden aangevraagd, is

het de bedoeling haar met 1 October 1916 in werking te doen treden. De

Tweede Kamer heeft de noodige gelden voor de werkloosheidsverzekering

met staatsbijdrage reeds toegestaan; vermoedelijk zal de Eerste Kamer

haar daarin weldra volgen. Dan zal de werkloosheidsverzekering, al is

zij nog niet wettelijk geregeld, toch op wettelijken grondslag komen te

staan.

Evenals het geval was bij de organisatie der nationale

arbeidsbemiddeling moet ik mij ook hier weerhouden van eene bespreking

van de hoofdtrekken der blijvende nationale regeling van de

werkloosheidsverzekering. Tusschen beide organisaties is een nauw

verband gelegd en bij haar uitbouw is van de resultaten van den arbeid

der Staatscommissie over de Werkloosheid ruimschoots gebruik gemaakt.

Ten aanzien van de werkloosheidsverzekering heeft de oorlogscrisis

hetzelfde effect gehad als waarop bij de bespreking der organisatie van

de arbeidsbemiddeling reeds werd gewezen; zij heeft er toe bijgedragen

dat de Staatswerkzaamheid op dit gebied zeer is bespoedigd; voorts heeft

zij niet alleen de Regeering en de gemeentebesturen maar ook de

arbeiders zelf, meer dan vóór dien het geval was, van de beteekenis

zoowel van de nationale arbeidsbemiddeling als van de nationale

werkloosheidsverzekering doordrongen. Beide groote sociale maatregelen

zijn doorgevoerd, wel niet zonder medewerking van den wetgever,--deze

toch heeft er de gelden voor beschikbaar gesteld,--maar zonder

wettelijken grondslag voor de maatregelen zelf. Voor de

werkloosheidsverzekering geldt te dezen aanzien, wat reeds bij de

bespreking van de nationale arbeidsbemiddeling werd opgemerkt: een

wettelijke regeling zal op den duur niet kunnen uitblijven; doch bij het

maken daarvan zal de toekomstige wetgever zich in hoofdzaak kunnen

bepalen tot het geven van sanctie aan hetgeen de ervaring als bruikbaar

en maatschappelijk gewenscht zal hebben aangewezen.

* * * * *

Ik kan van de bespreking der maatregelen tot voorkoming en leniging van

nood in den crisistijd niet afstappen, zonder nog een oogenblik terug te

komen op de noodregeling in zake de werkloosheidsverzekering en haar

verband met de steunorganisatie. Die beide stonden met elkander in nauw

verband en hebben elkander op gelukkige wijze aangevuld. Toch was er een

groot principieel verschil tusschen het karakter der uitkeering

krachtens de noodregeling en die der uitkeeringen van de steuncomités.

Deze laatste waren vrijwillige giften, welke beperkt werden tot de

personen en gezinnen die daaraan behoefte hadden; de eerste waren

uitkeeringen, waarop de verzekerde zich, althans in beginsel, een recht

had verworven door zijn premiestorting. Hier was dus geen onderzoek naar

de behoefte noodig, al zal de uitkeering wel slechts in

uitzonderingsgevallen zijn in handen gekomen van personen, die daaraan

geen behoefte hadden. Toch zijn zulke uitzonderingsgevallen voorgekomen,

wanneer de verzekerde behoorde tot een gezin, waarin door den arbeid van

andere gezinsleden het wekelijksch inkomen niet onvoldoende was voor het

onderhoud van alle gezinsleden te zamen. In zulke gevallen was van

uitkeering door een steuncomité natuurlijk geen sprake; dit had te

rekenen met het gezinsinkomen. Wel nam het voor de gezinnen, waarvan

sommige leden door hun arbeid iets inbrachten, doch die toch nog beneden

de grens bleven van waar af geen steun meer werd verleend, het loon, dat

die leden ontvingen, bij de bepaling van het bedrag der uitkeering

slechts ten deele in aanmerking, ten einde den prikkel tot werken niet

weg te nemen. De uitkeering krachtens de noodregeling was daarentegen

van het gezinsinkomen onafhankelijk. Op zich zelf was dit juist, maar

hoe meer de noodregeling haar karakter van de regeling eener

_verzekering_ verloor, hoe minder deze principieel juiste toepassing

practisch te rechtvaardigen bleef. Ook dit heeft bij de opheffing der

noodregeling gewogen.

Veel meer dan het uitkeeren krachtens de noodregeling aan personen die

daaraan, strikt genomen, geen behoefte hadden, is het voorgekomen, dat

de uitkeering krachtens die regeling onvoldoende was. Wanneer de

werklooze verzekerde een gezin had te onderhouden, waarvan geen der

andere leden iets inbracht, kon hij met de ƒ 6 die hij van de

noodregeling bleef trekken, niet rondkomen. In die gevallen vulde het

steuncomité door den huurbon en door suppletoire uitkeering aan, wat de

verzekering te weinig gaf. Ten einde er echter ook alsdan voor te

zorgen, dat de werklooze verzekerde het gevoel bleef behouden, dat hij

de uitkeering principieel althans grootendeels dankte aan eigen

premiebetaling vóór de crisis intrad, drong het Kon. Nat. Steuncomité er

steeds op aan, dat ook in die gevallen de uitkeeringen van de

plaatselijke comités aan de verzekerden door tusschenkomst van de

werkloozenkas werden verstrekt.

Vraagt men zich nu af, hoe het oordeel over de steunbeweging en de

noodregeling moet luiden, dan komt in de eerste plaats op het credit van

de noodregeling, dat zij haar hoofddoel, de instandhouding en

bevordering der werkloosheidsverzekering, ten volle heeft bereikt. Het

aantal verzekerden dat op 1 Augustus 1914 omstreeks 70.000 bedroeg, was

op 1 Mei 1916 haast verdubbeld. Overigens geldt voor beide dat zij, al

kleefden er ook fouten aan en al was de toepassing, vooral bij de

steunbeweging, niet altijd en overal even onberispelijk, in den aanvang

hoogst nuttig hebben gewerkt en veel ellende hebben voorkomen en

gelenigd. Naar gelang de buitengewone toestand evenwel langer duurde,

werden de fouten grooter en steeg het gevaar van ontaarding der

steunbeweging. Allengs groeide het getal dergenen onder de gesteunden

aan, voor wie de steunorganisatie niet was bestemd, namelijk de

half-validen en brekebeenen, of die dezen vorm van steun niet waardig

waren, namelijk de arbeidsschuwen.

Zeker mede ten gevolge van verschillende maatregelen, welke reeds

besproken werden of in de volgende hoofdstukken ter sprake komen, maar

vooral tengevolge van een wending in de oorlogsconjunctuur, welke voor

ons land zoo gunstig was als bij het uitbreken van den krijg niet alleen

niemand verwachtte, maar zelfs niemand durfde hopen, is de werkloosheid

in een groot aantal vakken vrij spoedig tot normale verhoudingen

teruggedrongen en is er zelfs, ook in verband met de onttrekking van

arbeidskrachten door de mobilisatie, in verschillende bedrijven gebrek

aan arbeiders ontstaan. Dit heeft er toe geleid, dat een aantal

steuncomités, zonder zich officieel te ontbinden, in afwachting van een

eventueelen slechten keer in den toestand, het bijltje er bij

neerlegden. Het vroegst geschiedde dit ten platten lande, waar de

toestand het eerst weer normaal werd en na eenigen tijd zelfs een

abnormaal gunstige phase intrad. Weldra volgden verschillende bedrijven

de zwenking, die het landbouwbedrijf had gemaakt, ook al was over het

algemeen de conjunctuur voor hen lang niet zoo gunstig als voor de

boeren.

Het gevolg was, dat in het eind van 1915 en het begin van 1916 in

hoofdzaak alleen het havenbedrijf, en dit nog wel hoofdzakelijk te

Rotterdam, overbleef, waar ten gevolge van het gedurende den oorlog stop

gezet blijven van den doorvoer, slechts ⅓ van het normale aantal

havenarbeiders noodig bleef. Ook hier was in zoover verbetering gekomen,

dat een deel dier arbeiders, ook wegens de hooge loonen die in den

landbouw verdiend konden worden, naar het platteland was teruggestroomd.

Maar toch bleef in het havenbedrijf, vooral te Rotterdam, een overschot

van arbeiders, dat niet aan zijn lot kon worden overgelaten.

In het bouwbedrijf werd de toestand allengs zóó gunstig voor de

arbeiders, dat niettegenstaande dit bedrijf grootelijks belemmerd werd

door de hooge prijzen van hout en ijzer, in het voorjaar van 1916

veeleer gebrek aan- dan overschot van arbeidskrachten viel waar te

nemen. Alleen Amsterdam maakte hierop een uitzondering; de Amsterdamsche

bouwvakarbeiders konden echter, zoo zij wenschten, elders

arbeidsgelegenheid vinden.

Zelfs de diamantindustrie leefde zoozeer op, dat de toestand in het

begin van 1916 over het algemeen gunstiger was dan bij het uitbreken van

den oorlog. Alleen de roosjesslijperij, waarvan het product voornamelijk

naar de Balkanlanden gaat, bleef nog kwijnend. Overigens was van gebrek

door buitengewone werkloosheid in het voorjaar van 1916 over het

algemeen weinig of niets meer te bespeuren.

Dit gaf het Kon. Nat. Steuncomité aanleiding, door tusschenkomst van

zijn subcommissie voor de liefdadige stichtingen overleg te plegen met

armeninstellingen, tot overneming van het overgebleven overschot van

gebrekkigen en arbeidsschuwen, die bij de steuncomités niet thuis

behoorden en tot het richten van een circulaire aan de plaatselijke

comités, welke de uitkeeringen nog niet hadden gestaakt, om het

voorbeeld der comités, die dit wél hadden gedaan, te volgen, met dit

voorbehoud dat met steun zou worden doorgegaan ten aanzien van de

beoefenaars van die vakken, waarin nog steeds eene buitengewone

werkloosheid heerschte. De circulaire had niet ten doel de plaatselijke

steuncomités er toe te bewegen, zich te ontbinden. Daarvoor is de

toestand nog veel te onzeker en moet nog te veel gerekend worden met de

mogelijkheid, dat de zaken door gebrek aan grondstoffen voor

verschillende takken van nijverheid of door andere vooraf niet te

bepalen oorzaken zich ten kwade zullen keeren. Wel beoogde zij het

résidu van lijntrekkers op te ruimen en de plaatselijke comités beter

paraat te maken voor de taak, welke zij opnieuw zullen hebben op te

vatten, indien onverhoopt de steunverleening op groote schaal weer in

gang zou moeten worden gezet. Daartoe hield de circulaire in, dat uit de

kas van het Kon. Nat. Steuncomité, behalve in bijzondere gevallen, geene

bijdragen voor uitkeeringen meer zouden worden verstrekt, tenzij die

werden gedaan aan personen, behoorende tot een vak, waarin, hetzij nog

steeds hetzij opnieuw, buitengewone werkloosheid heerschte.

Voor het diamantbewerkersbedrijf werd na eenige besprekingen een

regeling met den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkers Bond

getroffen, waartoe ook de andere organisaties van diamantbewerkers

alsmede het gemeentebestuur van Amsterdam toetraden, en welke tot

grondslag had, dat de organisaties der arbeiders zoowel als het Kon.

Nat. Steuncomité en de gemeente elk een deel der verdere kosten van den

steun aan werklooze diamantbewerkers zouden dragen en dat de contrôle op

de uitkeering van dien steun in de eerste plaats bij die organisaties

zelve zou berusten.

Evenzeer als de noodregeling ter zake van de werkloosheidsverzekering

heeft ook de steunbeweging haar schaduwzijde gehad. Een onvermengd goed

is zij, vooral bij den langen duur waarvoor zij gelden moest en waarop

in het begin van Augustus 1914 niet kon worden gerekend, niet geweest.

Maar geen ingewijde zal ontkennen, dat zij, alles bijeengenomen, groot

en goed werk heeft gedaan en dat zij de taak heeft vervuld, die de

Koningin haar bij de installatie van het Kon. Nat. Steuncomité toedacht:

zij heeft bewerkt, dat menig bezorgd hart verruimd heeft kunnen kloppen!

Moge het verloop der omstandigheden zoodanig zijn, dat zij, behalve in

de uitzonderingsgevallen, waarin zij ook thans nog optreedt en vooreerst

zal moeten blijven optreden, haar taak niet opnieuw zal behoeven op te

nemen!

HOOFDSTUK IV.

GELD EN CREDIET IN DEN OORLOGSTIJD.

§ 1. _De paniek en haar meest urgente bestrijdingsmaatregelen._

Ware ik in het neerschrijven mijner herinneringen en indrukken naar

chronologische volgorde te werk gegaan, dan zou dit hoofdstuk als eerste

in de rij zijn geplaatst. Immers de algemeene beroering zette in op de

beurs; maatregelen naar aanleiding daarvan moesten worden genomen, zelfs

nog vóór tot mobilisatie besloten werd. De beurs heeft met den barometer

gemeen, dat zij bij kleine schommelingen in den atmospherischen druk

vaak miswijst en hem die te veel op haar aanwijzingen vertrouwt, de kans

doet loopen bedrogen uit te komen. Maar evenmin als de orkaan uitblijft,

wanneer de barometer plotseling sterk daalt, evenmin blijft groote

maatschappelijke beroering uit, als de beurs plotseling onrustig wordt.

De beurs _maakt_ wel eens _kleine_ storingen. _Groote_ storingen maakt

zij _niet_; zij ondergaat die en kondigt ze aan, zonder er meer schuld

aan te hebben, dan een lage barometerstand aan het slechte weer. Zoo

ging het thans meer dan ooit.

Bij de voortschrijding der maatschappelijke ontwikkeling, het

ingewikkelder en onderling samenhangender worden van de onderdeelen van

het raderwerk der maatschappelijke samenleving wordt het onderlinge

vertrouwen een factor van steeds grooter beteekenis. Vertrouwen nu in

het economische fundament dier samenleving is synoniem met crediet. Niet

alleen hij die geld ter leen geeft, ook hij die ter beurze een obligatie

koopt in een staatsleening of een aandeel in een Amerikaansche

spoorwegonderneming, geeft crediet. Het verschil is alleen, dat in het

eene geval credietgever en credietnemer wat dichter bij elkaar staan dan

in het andere. Brengen groote politieke of maatschappelijke

gebeurtenissen plotseling onrust, dan wordt het onderlinge vertrouwen

dat, algemeen genomen, een der hoofdpijlers is waarop de onderbouw der

moderne maatschappelijke samenleving rust, geschokt en maakt het plaats

voor een algemeen angstgevoel. Evenals het in het algemeen onmisbaar

onderling vertrouwen in bijzondere gevallen vaak misplaatst of

overdreven is, zoo gaat het ook met het algemeen wantrouwen, dat er bij

dreigende maatschappelijke onheilen voor in de plaats treedt. Het

verschil is alleen, dat misplaatst vertrouwen in bijzondere gevallen

slechts dengene treft, die te goedgeloovig was, en dat een plotseling

opkomend algemeen wantrouwen een der pijlers van het tegenwoordig

maatschappelijk leven aan het wankelen brengt.

Hetgeen zich op de beurs in dagen van groote politieke of

maatschappelijke beroering afspeelt, dringt ver buiten de beurskringen

zelve door. Niet ieder koopt effecten; het aantal speculanten is

gelukkig nog kleiner dan het aantal beleggers; maar als de belegger en

de speculant beangst worden, is dat een teeken dat de pijler van het

crediet niet meer voldoende draagt. Wordt de onrust zóó groot, dat zij

tot beurssluiting leidt, dan _doet_ deze sluiting dien pijler niet

vallen, maar is zij het teeken, dat hij op vallen staat en dat daarmede

het heele zakenleven met ontreddering wordt bedreigd. En komt het eens

zoover, dan heeft zulk een gebeurtenis, door de wisselwerking, die in de

maatschappelijke samenleving nooit ontbreekt, het noodlottig gevolg,

dat zij de onrust vermeerdert, welke haar veroorzaakte.

Dat is de groote, ver buiten beurskringen reikende beteekenis geweest

van hetgeen op 28 Juli 1914, onder den invloed van de oorlogsverklaring

van Oostenrijk-Hongarije aan Servië en van de onweerswolken, welke zich

in verband daarmede aan den internationalen politieken hemel

samenpakten, op de Amsterdamsche effectenbeurs geschiedde. De beurs werd

gesloten niet als gevolg van een weloverwogen besluit van haar bestuur,

maar onder den onweerstaanbaren drang der leden, die--bevreesd voor het

opkomende onweer--hun zaken in den steek lieten en, in overdrachtelijken

zin, hun heil zochten in de vlucht. Het was het hijschen van den

stormbal, ten teeken dat een economische orkaan in aantocht was en dat

de pijler van het crediet zou vallen, zoo hij niet werd geschraagd.

Men heeft de paniek die de Amsterdamsche beurs op 28 Juli 1914 beving,

wel toegeschreven aan het daar geldend prolongatiestelsel. Zij die aldus

oordeelden, drongen niet tot het wezen der zaak door. Het crediet

dreigde niet tegen den grond te worden geslingerd, omdat het

prolongatiestelsel zijn dienst weigerde; het prolongatie-stelsel kon

zijn dienst niet langer doen, omdat het crediet op omvallen stond. Met

verschillen van enkele dagen waren of werden ook de beurzen te Weenen,

Parijs, Brussel, Frankfort, Berlijn, Londen, New-York gesloten. Door de

beurssluiting te Amsterdam aan de fouten van het prolongatiestelsel toe

te schrijven, doet men dit stelsel onrecht, door er te veel eer aan te

bewijzen.

Onmiddellijk na de beurssluiting staken de voornaamste bankiers en

commissionnairs in effecten de hoofden bij elkaar, om het wankel

geworden crediet te ondersteunen. Aan volledig herstel viel zelfs niet

te denken. De leiding bij al hetgeen zoowel in de eerste dagen van de

crisis als daarna geschiedde tot steun van de geldmarkt was bij de

Nederlandsche Handel-Maatschappij, dank zij de voortvarendheid van haar

president, den heer C. J. K. van Aalst. De heer Van Aalst is een homo

novus in de Amsterdamsche bankierswereld. Wel telt hij niemand minder

dan Admiraal de Ruyter onder zijn voorvaderen, afstammen van de oude

Amsterdamsche handelspatriciers doet hij echter niet; maar door zijn

helderen blik, zijn koopmansgaven en zijn „pushing power” was hij reeds

vóór den oorlog zoozeer primus inter pares geworden, dat bij het

uitbreken van de crisis de veldheerstaf hem als het ware van zelf in de

hand viel.

Nadat de beurssluiting op 28 Juli het bestuur der Vereeniging voor den

Effectenhandel overvallen had, noodigde dit den volgenden ochtend den

waarnemenden president van de Nederlandsche Bank (de president bracht

zijn vacantie in Zwitserland door en had nog niet kunnen terugkeeren),

den president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en den voorzitter

van de Kamer van Koophandel uit tot een bijeenkomst ter beraadslaging

over hetgeen gedaan moest worden. Aangezien de tijd te kort was om vóór

het openingsuur reeds daarmede gereed te zijn, werd besloten de

effectenbeurs voor dien dag gesloten te houden. ’s Middags had ten

kantore van de Nederlandsche Handel-Maatschappij een groote vergadering

plaats van de voornaamste bankiers en commissionnairs in effecten, die

door de genoemde heeren was voorbereid en waarin, mede als gevolg van

het overleg gepleegd met de Nederlandsche Bank, een syndicaat gevormd

werd van ƒ 25 millioen, om door het beschikbaar stellen van gelden voor

prolongatiën als anderszins den effectenhandel te steunen. Als

voorwaarde werd gesteld, dat de effectenbeurs den volgenden dag weer zou

worden geopend. Het bestuur van de Vereeniging voor den Effectenhandel

was hiermede accoord gegaan. Men had echter de beteekenis en de diepte

van de crisis onderschat. Het meerendeel der in prolongatie gegeven

effecten was, als gevolg van de vrees voor het onheil, dat over de

wereld dreigde te komen, zóó diep in koers gezonken, dat beursopening,

welke de mogelijkheid van aanzegging van prolongatieposten met zich zou

brengen, voor vele beursbezoekers doodend zou zijn geweest. De

commissionnairs in effecten vreesden van de beursopening „afslachting”

op groote schaal. Den 30sten waren velen hunner reeds ’s morgens vroeg

ter beurze; hun vrees voor de onheilen, die van heropening der beurs het

gevolg zouden zijn, en hun aandrang om ze te voorkomen, waren zóó groot,

dat het bestuur zwichten moest. De beurs bleef gesloten; het syndicaat

kwam niet tot stand. Het was een daad van eigen rechting van de

commissionnairs geldnemers,--een daad die onder minder abnormale

omstandigheden volstrekt onverdedigbaar zou zijn geweest, maar die nu

als uiting van noodweer verklaarbaar was en spoedig door den loop van

zaken gerechtvaardigd zou worden.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 18 / 40 段