Behalve bij de plaatsing van gedemobiliseerden heeft de Centrale

Arbeidsbeurs hare bemiddeling ook verleend bij het tewerkstellen van

vluchtelingen en van geïnterneerden. Hierbij heeft zij er zooveel

mogelijk voor gezorgd, dat de geïnterneerden alleen open plaatsen zouden

innemen en dat hun tewerkstelling niet ten gevolge zou hebben, dat

Nederlandsche arbeiders, die anders werk zouden hebben gevonden,

werkloos zouden blijven. Dat dit nu en dan tot eenige wrijving

aanleiding gaf en het wel eens bleek, dat er ook onder de zeer groote

werkgevers waren, die aan de meer handelbare geïnterneerden boven

Nederlandsche werklieden de voorkeur gaven, vermeld ik slechts ter

loops. Het zal wel niemand verwonderen; verbazingwekkend zou het geweest

zijn, als zulke wrijvingen en moeilijkheden geheel waren uitgebleven.

In den aanvang, toen de werkloosheid hier groot was, werkte de Centrale

Arbeidsbeurs door bemiddeling van de bij haar aangesloten Nederlandsche

Arbeidsbeurs te Oberhausen afvoer van arbeiders naar Duitschland in de

hand. Daarbij werd er streng aan vastgehouden, dat geen bemiddeling werd

verleend aan werkgevers, die arbeiders zochten voor oorlogsdoeleinden.

Te dezen aanzien hebben zoowel de Centrale Arbeidsbeurs als de

arbeidsbeurs te Oberhausen gezorgd, dat op de eischen der neutraliteit

niet de minste inbreuk werd gemaakt. Later, toen de economische toestand

in Duitschland allengs slechter werd en tegelijkertijd hier de

werkloosheid zoodanig verminderde, dat in vele bedrijfstakken gebrek aan

werkkrachten kwam, heeft de internationale arbeidsbemiddeling een

tegenovergestelde richting aangenomen en hebben de genoemde beurzen er

toe bijgedragen, dat Nederlandsche arbeiders, die tijdelijk in

Duitschland hadden gewerkt, hier in de Limburgsche mijnen en elders werk

vonden.

§ 4. _De Werkloosheidsverzekering._

Naast de verschillende andere maatregelen, die in dit hoofdstuk

besproken werden en in de volgende hoofdstukken behandeld zullen

worden, heeft de georganiseerde arbeidsbemiddeling er zeker toe

bijgedragen, de werkloosheid te verminderen en de crisis voor de

arbeidende klasse minder pijnlijk te doen verloopen. Zij was wel is waar

niet in staat de arbeidsgelegenheid te vergrooten, maar zij leidde er

toe, dat de duur van het werk zoeken door de werklooze arbeiders, voor

wie werkgelegenheid bestond en van het arbeiders zoeken door werkgevers,

die om arbeidskrachten verlegen waren, werd verkort. Zoo kwam zij zoowel

aan het weder op gang brengen van het bedrijf als aan de vermindering

van werkloosheidsellende ten goede. Toch is hetgeen op het gebied der

arbeidsbemiddeling in den oorlogstijd tot stand kwam van nog meer waarde

voor de toekomst dan voor de oorlogscrisis zelf. Anders staat het met

hetgeen ten aanzien van de werkloosheidsverzekering geschiedde.

De werkloosheidsverzekering is over het algemeen en inzonderheid hier te

lande nog in haar kindsheid; maar toch gaven de laatste jaren

verblijdende teekenen van vooruitgang te zien. Een toenemend aantal

vakvereenigingen en nationale vakbonden begon zich ernstig met dezen

vorm van steun der vakgenooten in den maatschappelijken strijd bezig te

houden en de gemeentelijke werkloosheidsfondsen namen in verband

daarmede toe in aantal zoowel als in beteekenis. De onderzoekingen van

de Staatscommissie over de Werkloosheid waren aan die verlevendiging der

belangstelling in de werkloosheidsverzekering niet geheel vreemd. In

zoover wierp het verslag der Staatscommissie reeds vóór zijn

verschijning zijn licht vooruit.

Toen nu de oorlogscrisis zoo onverwachts uitbrak en een ongekende

werkloosheid als gevolg daarvan voor de deur stond, dreigde al hetgeen

op het stuk der werkloosheidsverzekering met veel moeite en zorg was

opgebouwd, met één slag te worden omvergeworpen. Het was toch te

voorzien, dat noch de werkloosheidskassen der vakvereenigingen en

vakbonden noch de werklozenfondsen der gemeenten tegen een werkloosheid

van zulk een buitengewoon grooten omvang bestand zouden zijn.

Begrijpelijkerwijze wekte dit bezorgdheid in de eerste plaats in de

kringen der belanghebbenden; maar niet alleen daar. Toen in de

vergadering van de Uitvoerende Commissie van het Koninklijk Nationaal

Steuncomité, welke den avond van den 10den Augustus 1914 werd gehouden,

hierop door den heer Oudegeest werd gewezen, kon ik hem antwoorden dat

het reeds mijn aandacht had getrokken en „dat hiertegen in elk geval

maatregelen zullen worden beraamd zoo noodig met Regeeringshulp”. De

heer Oudegeest nam als vertegenwoordiger van het Nederlandsch Vakverbond

in den Werkloosheidsraad de gelegenheid te baat, den Voorzitter van dien

Raad, Prof. de Vooys, uit te noodigen deze zoo urgente aangelegenheid in

den Werkloosheidsraad ter tafel te brengen. In overleg met mij gaf de

heer de Vooys daaraan zóó spoedig gehoor, dat die vergadering reeds den

volgenden dag kon worden gehouden. Daar werd een subcommissie benoemd

onder voorzitterschap van Mr. Dr. Hudig, destijds directeur van het

Centraal Bureau voor Sociale Adviezen, om het vraagstuk met den meesten

spoed te onderzoeken en een voorstel daaromtrent aan den Minister van

Landbouw, Nijverheid en Handel te doen. Wegens de dringende urgentie van

de zaak werd door mij in de volgende dagen, toen ik bijna dagelijks met

den heer de Vooys confereerde, nog enkele malen bij hem er op

aangedrongen, dat hij de subcommissie tot den meest mogelijken spoed zou

aanmanen. Den 21en Augustus kwam het rapport van den Werkloosheidsraad

als resultaat van den arbeid der subcommissie in. Daar de materie mij,

na hetgeen ik er als voorzitter van de Staatscommissie over de

Werkloosheid over had moeten nadenken, niet vreemd was, behoefde ik niet

veel tijd om te beslissen, dat het ingekomen rapport in hoofdzaak kon

worden gevolgd en op welke ondergeschikte punten het wijziging noodig

had. Dientengevolge kon reeds den 22en Augustus aan de besturen der

gemeenten waar een werkloosheidsfonds bestond, een circulaire worden

gericht, waarin de noodregeling ter instandhouding en bevordering der

werkloosheidsverzekering werd uiteengezet en die gemeentebesturen tot

medewerking werden aangezocht. Den 26en Augustus volgde een aansluitende

circulaire aan een aantal gemeenten, die zich nog niet op het gebied der

werkloosheidsverzekering bewogen hadden. De in die circulaires

uiteengezette regeling is in de kringen der verzekeringsfondsleiders en

der besturen van vakvereenigingen bekend geworden als de

noodregeling-Treub.

Eigenaardig genoeg is zoodoende mijn naam toevallig verbonden geworden

aan een der noodmaatregelen, waartoe ik persoonlijk het minst heb

bijgedragen. Mijn aandeel heeft, wat deze noodregeling betreft, zich zoo

goed als geheel bepaald tot aandrang op spoed bij de voorbereiding

daarvan en tot het betrachten van spoed bij haar inwerkingstelling. Ik

erken zelf, dat ook hierin eenige verdienste stak, maar toch niet genoeg

om met voorbijgang der werkelijke ontwerpers daarvan de noodregeling met

mijn naam te doopen. Intusschen is dit wel niet het eenige geval, waarin

de paarden, die de haver verdienen, haar niet krijgen of waarin een

Minister pronkt met andermans veeren.

De hoofdtrekken der noodregeling werden door den heer Folmer in zijn

artikel „De verzekering tegen de werkloosheid tijdens de crisis” in

aflevering 3, jaargang 4 van het _Tijdschrift der Nationale Vereeniging

tegen de Werkloosheid_ in de volgende woorden weergegeven:

„Haar hoofddoel was de instandhouding der verzekering, die op den datum,

waarop de crisis geacht werd in te gaan, bestond. Dientengevolge omvatte

zij uitsluitend die werkloozenkassen, welke op gemelden datum reeds in

werking waren, hetzij afzonderlijk, hetzij als onderdeel eener andere

kas (in welk laatste geval zij thans moesten worden afgezonderd).

„Deze werkloozenkassen zouden zelf zoo lang mogelijk blijven uitkeeren,

met dien verstande, dat zij de uitkeeringen zouden staken, zoodra haar

vermogen was gedaald tot op een vierde deel van haar bezit op 1 Augustus

1914, welke datum als beginpunt der crisis werd aangenomen. Met het

vierde deel, dat in kas moest blijven, zouden zij na afloop der

noodregeling hare normale taak kunnen hervatten, terwijl aldus voor

uitkeeringen tijdens de crisis beschikbaar was 75% van het bezit van 1

Augustus 1914, benevens de opbrengst der contributiën, die voortdurend

in de werkloozenkas bleven vloeien.

„Zoolang nu de kassen zelf konden uitkeeren, zouden de gemeentebesturen,

door middel hunner organen voor de werkloosheidsverzekering--n.l. de

gemeentelijke werkloozenfondsen--de uitkeeringen aanvullen, door daarop

een toeslag van 100% te geven, in aansluiting aan de tot nu toe gevolgde

practijk. De steun bij werkloosheid zoude op deze wijze aanvankelijk

voor de helft voor rekening der kassen, voor de wederhelft voor rekening

der gemeenten komen.

„Hierbij werd echter een bepaling gevoegd, die aanstonds ook aan het

Rijk een blijvend aandeel der kosten oplegde. De uitkeeringen uit de

kassen der arbeiders en de bijslag uit de gemeentelijke fondsen waren

n.l., voordat in zake werkloosheidsverzekering eene noodregeling in het

leven trad, door statuten en reglementen aan bepalingen gebonden. Zoo

moesten de arbeiders gedurende een bepaalden termijn contributie hebben

betaald, alvorens recht op uitkeering te bezitten; voorts moesten zij

doorgaans een bepaalden tijd in de gemeente hebben gewoond, alvorens

bijslag kon worden verkregen. Aan de andere zijde bezaten de verzekerden

het recht op uitkeering of bijslag slechts voor een beperkten duur der

werkloosheid, waarna zij zoogenaamd „uitgetrokken” waren. Deze

beperkende bepalingen, die uitkeering en bijslag aan onderling nog al

afwijkende termijnen bonden, zouden tijdens de noodregeling vervallen

(behoudens dat een termijn van drie maanden voor de contributiebetaling

werd gesteld). Daardoor nu werden uitgaven veroorzaakt, die nu eens de

kassen, dan weer de fondsen in normale tijden niet zouden hebben gedaan,

en in deze buitengewone uitgaven zou het Rijk van meet af minstens de

helft bijdragen.

„Zoodra echter door de uitkeeringen het vermogen van eene kas was

gedaald beneden de grens van 25%, zouden hare uitkeeringen en daarmede

haar aandeel in den steun, in het algemeen genomen, ophouden. De

steunverleening zou dan in haar geheel door de gemeenten worden

overgenomen, die voortaan dus èn uitkeering èn bijslag betaalden.

„Ook ten aanzien der gemeentelijke fondsen was een speciale regeling

noodig. Voor haar gold ongeveer hetzelfde als voor de werkloozenkassen;

ook zij beschikten n.l., toen de noodregeling intrad, slechts over een

bepaald bedrag. De gemeenten stellen doorgaans elk jaar een bepaald

crediet ter beschikking harer gemeentelijke fondsen, om daaruit den

bijslag te betalen, van welk crediet de omvang natuurlijk op de behoefte

in normale tijden is berekend. Dit crediet zou door de thans sterk

verhoogde eischen zeer spoedig zijn uitgeput; daarom werd bepaald, dat

van alle uitkeeringen welke een gemeentelijk fonds zou hebben te doen

boven 75% van het voor 1914 toegestane bedrag, het Rijk de helft zou

restitueeren, terwijl de wederhelft voor rekening der gemeente bleef en

als extra-crediet door haar zou worden beschikbaar gesteld. Op deze

wijze zou ook het fonds een vierde deel van het crediet voor 1914 kunnen

reserveeren voor de hervatting der taak in normale tijden, en droeg in

het algemeen het Rijk voor de helft in den steun bij.

„Inschrijving der kassen bij een gemeentelijk fonds was voor haar een

der eerste voorwaarden, om onder deze noodregeling te kunnen vallen;

niet alleen echter zouden daarvoor in aanmerking komen die

werkloozenkassen, welke reeds in gewone tijden bij de gemeentelijke

fondsen ingeschreven waren, doch bovendien zouden voor den duur der

noodregeling alle zoodanige kassen kunnen worden ingeschreven, die tot

nu toe, om welke reden dan ook, zich niet hadden aangesloten.

„Eindelijk zouden--om het terrein der noodregeling nog verder uit te

breiden--de gemeentelijke werkloozenfondsen ook uitkeering kunnen

verstrekken aan werklooze, verzekerde arbeiders, wonende in gemeenten,

die in de onmiddellijke nabijheid liggen van (onmiddellijk grenzen aan)

gemeenten, waar een werkloozenfonds reeds bestond--of zou worden

opgericht--voor zoover namelijk die omliggende gemeenten niet zelf voor

de oprichting van een fonds in aanmerking kwamen, en de arbeiders leden

waren van werkloozenkassen, die in de hoofdgemeente bij het fonds aldaar

waren ingeschreven. De bijslag, dien de fondsen aan deze arbeiders

verleenden, zou evenwel _geheel_ voor rekening van het Rijk komen, omdat

hierbij niet het onmiddellijk belang der gemeente zelf betrokken was.

Nam het gemeentefonds de uitkeering zelf over, dan kwam ook deze geheel

voor rekening van het Rijk.

„Ten slotte zou de uitkeering niet alleen worden verleend bij _geheele_

werkloosheid, doch ook bij _gedeeltelijke_, b.v. als een arbeider

slechts enkele dagen per week of minder dan het normale aantal uren per

dag werkte, of wel het volle aantal uren en dagen werkte, doch tegen

verminderd loon. Dit was een belangrijke uitbreiding der bestaande

verzekering, die tot nu toe in slechts zeer enkele gevallen bij zulke

werkloosheid uitkeerde.”

De uitkeeringen werden bepaald op het peil, waarop zij door de

werkloozenkassen zelf, met inbegrip van den bijslag van het

werkloozenfonds, voor gewone tijden gemiddeld waren gesteld. Bij

gedeeltelijke werkloosheid moesten verdienste en uitkeering beneden het

normale loon blijven. De werklooze verzekerden waren verplicht, indien

hun passend werk werd aangeboden, dit te aanvaarden, ook al lag het

buiten hun woonplaats. Zij behoefden echter geen werk aan te nemen

beneden het standaardloon ter plaatse. Bij werkloosheid werd gedurende

de eerste week geen uitkeering gedaan. Voor het geval over de toepassing

van de noodregeling verschil ontstond tusschen een werkloozenkas en een

gemeentelijk werkloozenfonds, kon men zich wenden tot den Minister.

Indien geen overeenstemming was te verkrijgen, wees deze een

scheidsrechter aan, wiens uitspraak voor beide partijen bindend was. Van

deze laatste bepaling behoefde slechts enkele malen te worden gebruik

gemaakt.

De uitvoering van de noodregeling werd opgedragen aan het Centraal

Bureau voor Werkloosheidsverzekering, dat in verband daarmede werd

opgericht en eerst aan het Departement van Landbouw, later aan dat van

Financiën verbonden was. (Na mijn aftreden als minister ging het met de

geheele arbeidersverzekering naar het Departement van Waterstaat over.)

Aan het hoofd van dit bureau werd gesteld de heer Folmer, die in October

1914 ook belast was geworden met het directeurschap van de Centrale

Arbeidsbeurs. Hierin lag een eerste uitwerking van de gedachte, welke de

geheele noodregeling op het gebied der werkloosheid heeft beheerscht,

dat voor de goede werking der werkloosheidsverzekering nauwe

samenwerking met de georganiseerde arbeidsbemiddeling een eerste eisch

is. Die band tusschen de noodregeling en de arbeidsbeurzen sprak ook uit

de verplichting voor de verzekerde werkloozen, zich geregeld bij de

arbeidsbeurs hunner woonplaats aan te melden.

De noodregeling bracht met zich, dat de werkloozenkassen, die aanvroegen

onder de noodregeling te vallen, alvorens op de aanvraag kon worden

beslist, aan eene administratieve en financieele contrôle moesten worden

onderworpen, een contrôle die ook na de aansluiting nu en dan moest

worden herhaald. Tot het uitoefenen daarvan werd aan den heer Folmer

toegevoegd de heer I. G. Keesing, die bij den Algemeenen Nederlandschen

Diamantbewerkersbond groote ervaring omtrent de administratie van

werkloozenkassen had opgedaan en die van zijn kennis en ervaring op dit

gebied als lid van de Staatscommissie over de Werkloosheid de meest

doorslaande bewijzen had gegeven. De door hem uitgeoefende contrôle

heeft zeer nuttig gewerkt. Helaas bleek daarbij ook een enkele maal van

pogingen tot frauduleuze verdraaiing van feiten om onder de noodregeling

te kunnen vallen of wel om de financieele uitkomst daarvan voor de kas

gunstiger te maken. Gelukkig echter bleef dat tot zeer weinige

uitzonderingsgevallen beperkt. Herhaaldelijk daarentegen bleek dat de

administratie van een werkloozenkas te wenschen overliet, ook zonder dat

daarbij eenige kwade trouw in het spel was. In die gevallen hebben de

wenken van den controleur van het Centraal Bureau, wenken die nu en dan

den vorm van eischen moesten aannemen, er veel toe bijgedragen de

administratie te verbeteren. Op deze wijze is de noodregeling, ook voor

de toekomst, aan een behoorlijke administratieve regeling der

werkloozenkassen zeer ten goede gekomen.

Voor zoover de vakvereenigingen wel reeds vóór 1 Augustus 1914

werkloosheidsverzekering hadden in toepassing gebracht, maar de

werkloozenkas niet afgezonderd hadden gehouden van de centrale kas van

de vereeniging of den bond, moest ook een cijfer worden bepaald dat

geacht werd op 1 Augustus 1914 voor de werkloozenverzekering te zijn

bestemd, en dat tot maatstaf had te dienen voor den duur der bijdrage

van de vakvereeniging zelve. Voor den A. N. D. B. werd dit bepaald op ƒ

500.000, zoodat deze bond aan de verzekering zijner leden zelf bijdroeg,

totdat het voor dit doel afgezonderde bedrag verminderd was tot ƒ

125.000. Voor de andere vereenigingen en bonden, die geen afzonderlijke

werkloozenkas hadden, waren de bedragen welke voor dit doel naar

billijkheid volgens den toestand op 1 Augustus 1914 werden afgezonderd,

aanmerkelijk lager. Bij die andere was het aantal verzekerde leden dan

ook zeer veel minder.

Bij de vaststelling dezer bedragen was het natuurlijk niet mogelijk

met een goudschaaltje te wegen, er werd daarbij telkens zoo goed

mogelijk en met inachtneming der billijkheid beslist. Dit knoopen

doorhakken is trouwens gedurende den oorlogstijd, niet alleen bij de

werkloosheidsverzekering, herhaaldelijk noodzakelijk geweest. Voor

zoover ik mij daarmede bezig heb gehouden, en dat kwam nog al eens voor,

heb ik gemeend dat mijne staatsrechtelijke en ook mijne moreele

verantwoordelijkheid ten volle gedekt waren, als ik daarbij steunde op

deskundig advies, maar er mij tevens rekenschap van gaf, hoe zulk een

advies soms onwillekeurig niet geheel van partijdigheid was ontbloot.

Deskundige voorlichting strekte daarbij dus steeds tot richtsnoer;

slaafs gevolgd werd zij evenwel niet en mocht zij niet worden.

Zooals in de uiteenzetting van de hoofdpunten der noodregeling werd

gezegd, was de financieele kant daarvan zoodanig geregeld, dat Rijk en

gemeente de kosten daarvan ongeveer bij helfte deelden. Hierop is

slechts één uitzondering van beteekenis gemaakt ten aanzien van de

verzekering der diamantbewerkers. Met het uitbreken van den oorlog kwam

de diamantnijverheid zoozeer in den druk, dat er een bijna algeheele

werkloosheid in het vak ontstond. De financieele gevolgen van de

noodregeling wat dit vak betreft, waren derhalve bijzonder zwaar voor

Rijk en gemeente te zamen genomen. Het gemeentebestuur van Amsterdam nu

voerde aan, dat vooral nu de gemeente door de oorlogscrisis toch reeds

met zoo groote buitengewone lasten moest rekenen, het niet

gerechtvaardigd zou zijn, indien het Rijk haar bovendien de helft der

zeer groote kosten van de werkloosheidsverzekering der diamantbewerkers

wilde doen dragen. Het was toch bekend dat de kosten daarvan, na aftrek

van het deel dat door den diamantbewerkersbond zelf daarin werd betaald,

voor zoover het Rijk die niet voor zijn rekening nam, zoo goed als

uitsluitend op de gemeente Amsterdam zouden drukken. De gegrondheid

dezer opmerking werd door mij ingezien. Er werd derhalve over de kosten

der verzekering der diamantbewerkers met het gemeentebestuur van

Amsterdam een speciale regeling getroffen, waarvan de bedoeling en het

gevolg was, dat het Rijk het leeuwenaandeel dier kosten voor zijn

rekening nam. De noodregeling is voor de diamantbewerkers aan het Rijk

op bijna ƒ 2 millioen te staan gekomen; aan de gemeente Amsterdam op

ongeveer ƒ 300.000. Voor alle andere vakken te zamen heeft zij aan het

Rijk en de gemeenten elk ongeveer ƒ 900.000 gekost. Alles bij elkaar

genomen, hebben de uitgaven uit dezen hoofde voor Rijk en gemeente meer

dan ƒ 3.600.000 bedragen. Daarvan is het grootste deel aan de werklooze

diamantbewerkers ten goede gekomen.

* * * * *

Naast het hoofddoel der noodregeling, de bescherming en instandhouding

van het in opkomst zijnde instituut der werkloosheidsverzekering, heeft

bij mij zwaar gewogen, dat het van groote maatschappelijke beteekenis

was, die arbeiders die zich in tijden dat zij werkten en loon trokken,

in den vorm van premiebetaling eenige opoffering hadden getroost om bij

werkloosheid niet geheel van inkomen verstoken te zijn, een voorsprong

te geven boven hen, die dezen voorzorgsmaatregel hadden verzuimd. Ik

behoor tot degenen die nog zoo achterlijk zijn, dat zij hooge

maatschappelijke waarde hechten aan de aankweeking van het gevoel van

„self help” ook en vooral bij de arbeidende klasse, ter bestrijding van

sociale gevaren, welke deze klasse onder bijzondere maatschappelijke of

persoonlijke omstandigheden kunnen bedreigen. Gelukkig heeft de politiek

haar vangarmen nog niet tot de zoo jeugdige werkloosheidsverzekering

uitgestrekt en is ook in arbeiderskringen, wanneer ik de weinige

volgelingen der anarchistische arbeidersbeweging ter zijde laat, nog

algemeen het besef aanwezig, ook al laat het aan levendigheid soms wel

wat te wenschen over, dat het den arbeider siert, als hij in de tijden

dat het hem goed gaat, wat terzijde legt om zichzelven en zijn

vakgenooten tegen totaal gebrek bij werkloosheid te behoeden. De

arbeider komt trouwens gemakkelijk genoeg tot het inzicht, dat een goede

werkloosheidsverzekering voor de vakbeweging van groote beteekenis is in

den georganiseerden maatschappelijken strijd der werklieden. Die

stemming ten aanzien der werkloosheidsverzekering bij de arbeiders

zelven, inzonderheid bij de leiders der verschillende schakeeringen in

hun vakbeweging, is aan dit cardinale punt van de noodregeling ten goede

gekomen. Zij trok met volle bewustheid den verzekerden arbeider boven

den niet verzekerden voor, den laatste verwijzende naar het steuncomité.

De instemming welke dit van de zijde der arbeidersorganisaties heeft

gevonden, is voor een goed deel hieraan toe te schrijven, dat al dekte

de aldus gemaakte onderscheiding zich niet geheel met die tusschen de

georganiseerde en de ongeorganiseerde arbeiders, beide onderscheidingen

toch nauw aan elkander verwant waren.

Het onderscheid tusschen de verzekerde en de niet verzekerde werklieden

mocht echter niet verder gaan, dan dat men de eerste categorie in staat

stelde door hun eigen verzekeringsorganen, met bijstand van Rijk en

gemeente, gedurende de zoo onverwachts opgekomen en zoo buitengewoon

heftige crisis te blijven ontvangen, wat zij bij normale werkloosheid in

gewone tijden daaruit wekelijks zouden hebben getrokken. Geen enkel

steekhoudend motief was er aan te voeren, om gedurende de crisis op den

grondslag van werkloosheidsverzekering meer te geven, dan het bedrag

waarvoor zij zich zelven verzekerd hadden. Dit kon alweer niet op een

goudschaaltje worden gewogen. Er moest eenvormigheid in de regeling zijn

en daarom werd het gemiddelde der uitkeeringsbedragen tot algemeenen

regel genomen. Had de Regeering zich hieraan niet gehouden, dan zou zij

den geheelen grondslag der noodregeling hebben ondermijnd en een niet

langer te rechtvaardigen onderscheid hebben gemaakt tusschen werkloozen,

die wèl en werkloozen die niet onder de noodregeling vielen. Ik heb mij

daarom dan ook stelselmatig tegen den herhaaldelijk op mij uitgeoefenden

aandrang tot verhooging der uitkeeringen krachtens de noodregeling

verzet.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 17 / 40 段