hetgeen in verband met de werkloosheid in het havenbedrijf gepoogd werd
bij de lossing van het regeeringsgraan, dat van overzee werd aangevoerd.
De Eerste Economische Nota zegt hieromtrent: „voor zooveel mogelijk
wordt er voor gezorgd, dat bij de lossing van het Regeeringsgraan--in
verband met de groote werkloosheid in het havenbedrijf--van handenarbeid
wordt gebruik gemaakt. Maatregelen zijn voorts getroffen, dat voor het
binnenlandsch vervoer te water de binnenschippers zooveel mogelijk bij
beurte bedacht worden.” Wat het eerste gedeelte van deze tweeledige
mededeeling betreft, is het grootendeels bij het goede voornemen moeten
blijven. Bij het spoedig intredende gebrek aan scheepsruimte, waardoor
het noodzakelijk werd bij de lossing den grootst mogelijken spoed in
acht te nemen, werd het voorbijgaan der machinale lossing, afgezien nog
van het financieele nadeel van niet strikt noodzakelijke ligdagen,
spoedig grootendeels onmogelijk.
Door den Nederlandschen Bond voor Werkverschaffing, die in April 1914
was opgericht en evenals de Werkloosheidsraad als een der kinderen van
de Staatscommissie over de Werkloosheid is te beschouwen, werd spoedig
na het uitbreken van den oorlog de aandacht der besturen van provinciën,
waterschappen en gemeenten gewezen op de mogelijkheid, aan den strijd
tegen de plotseling opgetreden werkloosheid door oordeelkundige
werkverschaffing mede te doen. De bond zelf nam geen werkverschaffing
ter hand. Dit is zijn doel niet. Hij bepaalde zich tot het geven van
advies en heeft zeker nuttig werk verricht, niet slechts door hetgeen
hij op het gebied der werkverschaffing heeft aangemoedigd en bevorderd,
doch niet minder door zijn waarschuwingen tegen fouten, die vroeger bij
het verschaffen van werk maar al te dikwijls werden begaan. De adviezen
van den bond bevatten enkele hoofdpunten van groote beteekenis. Nadruk
werd daarin gelegd op:
1º. het streng afgescheiden houden van valide werkwilligen eenerzijds en
invaliden en arbeidsschuwen aan den anderen kant; de aandacht werd er op
gevestigd, dat een werkverschaffing, waarbij de eerste categorie, de
eigenlijke werkloozen, aan werk wordt geholpen tegelijk met lieden uit
de eerste en meer nog uit de tweede categorie, voor de valide
werkwillige arbeiders vernederend is en hun groote moreele schade doen
kan;
2º. de ervaring dat van werkverschaffing aan valide arbeiders alleen dan
iets goeds kan worden verwacht, wanneer zij zoodanig wordt uitgevoerd,
dat allen die er aan medewerken, het gevoel hebben dat zij nuttigen
arbeid verrichten;
3º. het te vermijden gevaar, dat de werkverschaffing den loonstandaard
drukken zou; om dit te voorkomen werd aanbevolen geen lager loon uit te
keeren dan het plaatselijk standaardloon, maar liever het aantal
werkuren laag te houden, om den prikkel tot het verkrijgen van arbeid
los van de Werkverschaffing niet te doen verslappen;
4º. het zooveel mogelijk eveneens te ontloopen gevaar, dat de
werkverschaffing in werkverschuiving ontaarde, m. a. w. dat zij aan
bedrijven, die nog aan den gang zijn, een deel van hun afzetgebied
ontneemt; in verband hiermede werd er ten aanzien van werkverschaffing
aan vakarbeiders bijv. op gewezen, dat de werkloozen zelf niet alleen
behoefte hebben aan voedsel, maar ook aan allerlei gebruiksvoorwerpen,
als schoenen, kleeren, huisraad enz. en aan bij die voorwerpen
noodzakelijke reparaties.
„Bij een doelmatige organisatie der werkverschaffing nu, zal men het
maken en repareeren van deze gebruiksvoorwerpen voor de werkloozen
kunnen laten verrichten door dezelfde werkloozen. De voordeelen van dit
systeem zijn drieledig. Ten eerste verrichten de werkloozen nuttigen en
hun bekenden vakarbeid; ten tweede wordt in eene noodzakelijke behoefte
der werkloozen voorzien en ten derde wordt, door het wegschenken der
vervaardigde of gerepareerde voorwerpen aan op dat oogenblik weinig
koopkrachtige personen, concurrentie met het gewone bedrijf voorkomen.”
Werkverschaffing blijft echter altijd een uiterst moeilijk in practijk
te brengen middel tot bestrijding van werkloosheid, zoodra het verder
gaat dan het concentreeren op den crisistijd van werk, dat toch noodig
is en toch zou zijn geschied, maar anders tot later zou zijn uitgesteld.
Tot aanmoediging van deze bij uitstek gezonde wijze van werkverschaffing
ten bate van grond- en bouwarbeiders werd bij een wet van 27 Maart 1915
voor den oorlogstijd afgeweken van de noodzakelijkheid bij elke
onteigening ten algemeenen nutte de gewone wettelijke formaliteiten te
vervullen. Ter wille van bespoediging van de uitvoering van werken
waarvoor gemeentebesturen onteigening behoeven en die tevens ten doel
hebben werkloosheid tegen te gaan, werden bij die crisiswet de
wettelijke onteigeningsformaliteiten aanmerkelijk vereenvoudigd en
verkort. Aanleiding daartoe was een verzoek van het gemeentebestuur van
Rotterdam, dat--zooals de Memorie van Toelichting vermeldt--”onder
herinnering aan den aanleg van de Nieuwe Plantage daar ter stede in de
jaren 1844-1848--een aanleg, welke nog steeds voor de burgerij een
duurzaam genot oplevert en destijds tevens als middel van
werkverschaffing werd gebezigd--er op aandrong, nu tijdelijk en voor
bepaalde werken, de omslachtige wijze van behandeling van aanvragen tot
onteigening ter zijde te stellen.”
De wet beperkt zich tot gemeentebesturen, eenerzijds omdat die voor een
werkverschaffing als hier wordt bedoeld, het eerst in aanmerking komen
en voorts omdat anders een eenvoudige tijdelijke regeling der zaak niet
wel mogelijk zou zijn geweest. De wijze van werkverschaffing welke langs
dezen weg bevorderd werd, behoort tot de meest aanbevelenswaardige
voorzieningen in schaarschte van arbeidsgelegenheid voor arbeiders, die
gewoon zijn in dergelijk werk hun brood te verdienen. Hoe meer de
werkverschaffing een kunstmatig karakter krijgt, hoe grooter de kansen
van mislukking en teleurstelling. Dit heeft o.a. de gemeente Amsterdam
opnieuw ervaren bij zijn tijdelijk optreden op het gebied van de
kleermakerij en den lompenhandel.
In de Memorie van Toelichting bij de zooeven besproken wet, wordt den
gemeentebesturen gewezen op „parkaanleg, ontginning van heidegronden,
uitbreiding van het wegennet, aanleg van kinderspeelplaatsen”, als
voorbeelden van werken, die voor vervroegde uitvoering in aanmerking
kunnen komen. In verschillende plattelandsgemeenten werd met goed
resultaat in dien geest opgetreden. In een der publicaties van den
Nederlandschen Bond voor Werkverschaffing werd een overzicht gegeven van
hetgeen in 1914 en 1915 op zijn gebied in het geheele land plaats had.
Daaruit blijkt wel, dat er over het algemeen geen reden was tot
juichen en dat de goede wenken van den Bond vaak in den wind werden
geslagen. Toch heeft de werkverschaffing,--waarin zij die het
werkloosheidsvraagstuk hebben bestudeerd, zoodra zij verder gaat dan de
zooeven bedoelde concentratie van toch noodig werk op den crisistijd, in
het algemeen slechts een zeer bescheiden en bijkomstig wapen in den
strijd tegen de werkloosheid zien,--in de mate waarin zij daartoe in
staat is, er toe bijgedragen dat de arbeidersbevolking zonder te veel
ellende door de eerste en voor haar gevaarlijkste maanden van de
oorlogscrisis is heengekomen.
Onder de werkverschaffingen die voldeden aan de eischen, welke daaraan
mogen worden gesteld, is er eene welke verdient met name te worden
vermeld, niet alleen wegens de persoonlijke bemoeiïng, die de Koningin
daarmede heeft gehad. In het najaar van 1914 stelde de Minister van
Oorlog het bestuur van den Bond voor Werkverschaffing in de gelegenheid
de plaatselijke steuncomités aan te schrijven over de mogelijkheid van
werkverschaffing door het laten breien van wollen handschoenen en
handmoffen voor de soldaten. Verschillende steuncomités gingen hierop in
en door hun tusschenkomst werden een aantal breisters aan het werk
gezet. In December 1914 begon dit echter te verslappen ten gevolge van
de stijging van de wolprijzen, waardoor de meeste comités werden
afgeschrikt de benoodigde wol in te slaan. Nadat de Koningin zich er van
op de hoogte had doen stellen, aan welke gebreide wollen goederen het
legerbestuur nog inzonderheid behoefte had, kocht Hare Majesteit een
hoeveelheid wol in, voldoende voor het vervaardigen van 10.000 paar
handschoenen, 10.000 paar polsmoffen en 10.000 paar sokken. De wol werd
ter verdeeling afgestaan aan den Bond voor Werkverschaffing, die
daarbij, gevolg gevende aan de bedoelingen der Koningin, in overleg trad
met de steuncomités, welke bereid waren uit die wol door werklooze en
behoeftige vrouwen en meisjes tegen eene behoorlijke vergoeding
handschoenen, polsmoffen en sokken te laten vervaardigen en die goederen
kosteloos te doen toekomen aan de Centrale Magazijnen van het
legerbestuur. Zelfs deze werkverschaffing, die toch op zich zelf
volkomen gezond was gedacht en met de noodige kennis van zaken werd
uitgevoerd, had niet het resultaat dat ervan werd verwacht. Tot
herhaling heeft deze proefneming, waarbij het moeilijk bleek de ter
beschikking gestelde wol aan de vrouw te brengen, niet uitgelokt.
Alles bijeengenomen, heeft de oorlogscrisis nog eens bevestigd, dat men
van werkverschaffing, mits zij met de noodige omzichtigheid en met de
noodige kennis van zaken wordt toegepast, wel iets verwachten kan, maar
dat men zijn verwachtingen van de resultaten van dit verweermiddel niet
te hoog moet spannen.
* * * * *
Veel meer dan de werkverschaffing heeft de arbeidsbemiddeling kunnen
bijdragen om de werkloosheid zooveel mogelijk te beperken. Vóór den
oorlog was zij hier te lande uitsluitend plaatselijk georganiseerd en
hadden slechts een klein getal grootere gemeenten onpartijdige
arbeidsbeurzen. De onderlinge band tusschen deze gemeentelijke
instellingen was uiterst los; hij werd alleen gevormd door het
lidmaatschap van de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen,
waartoe die instellingen vrijwillig waren toegetreden. Deze vereeniging
had natuurlijk niet de minste zeggingskracht; toch heeft zij ertoe
bijgedragen, dat in de inrichting der verschillende gemeentelijke
arbeidsbeurzen op de hoofdpunten allengs meer eenheid kwam. Ook strooide
zij het eerste zaad van intercommunale arbeidsbemiddeling uit, door de
arbeidsbeurs te ’s Gravenhage er toe te bewegen, als centrale beurs voor
de verschillende bij de vereeniging aangesloten beurzen te fungeeren.
Veel heeft de intercommunale arbeidsbemiddeling in dien vorm vóór den
oorlog niet opgeleverd en kon zij ook niet opleveren; daartoe was de
organisatie te weinig uitgebouwd en de geheele instelling bij de
belanghebbende werkgevers en arbeiders te weinig bekend.
Met het uitbreken van de oorlogscrisis werd de behoefte aan
intercommunale arbeidsbemiddeling plotseling zeer levendig. De groote
schok dien zij te weeg bracht, de ernstige ontwrichting van het
economisch leven, welke zij met zich voerde, hadden ten gevolge dat
rekening gehouden moest worden met verschuivingen, waardoor in bepaalde
takken van bedrijf overvloed van arbeidskrachten in de eene plaats
gepaard zou gaan met een tekort in een andere gemeente of een andere
streek. De Staatscommissie had ook het vraagstuk der intercommunale
arbeidsbemiddeling in haar verslag onder de oogen gezien en een plan van
organisatie daarvan aangegeven. Dat plan in het leven te roepen was in
enkele dagen niet mogelijk, maar er werd aanstonds gedaan wat gedaan kon
worden. Met den voorzitter van de Vereeniging van Nederlandsche
Arbeidsbeurzen, Prof. de Vooys, werd door mij overleg gepleegd, met het
resultaat dat toen deze even voortvarende als ter zake kundige man zich
bereid had verklaard, de leiding op zich te nemen, reeds den 3den
Augustus 1914 een Centrale Arbeidsbeurs van Regeeringswege werd
opgericht, welke de taak overnam, die tot dusver door de Haagsche
arbeidsbeurs was vervuld.
De nieuwe Centrale Arbeidsbeurs stelde zich aanstonds met de
verschillende plaatselijke beurzen in verbinding; zij kon de taak der
intercommunale arbeidsbemiddeling ook hierdoor terstond met grooter
intensiteit aanvatten, omdat in verschillende gemeenten, die tot
dusver geen blijk hadden gegeven van het nut der onpartijdige
arbeidsbemiddeling te zijn doordrongen, onder den drang der
omstandigheden tijdelijke arbeidsbeurzen werden opgericht, met welke de
centrale beurs aanstonds in verbinding trad.
Op den heer de Vooys werd spoedig, in zijn kwaliteit van voorzitter van
de Uitvoerende Commissie van het Kon. Nat. Steuncomité en van
nijverheidscommissies die uit het Steuncomité voortsproten, zooveel
beslag gelegd, dat hij de functie van directeur van de Centrale
Arbeidsbeurs niet langer kon blijven waarnemen. Gelukkig was het
mogelijk hem te vervangen door iemand, die eveneens aan het werk der
Staatscommissie over de Werkloosheid een belangrijk aandeel had gehad en
van hetgeen op het gebied der arbeidsbemiddeling werd verlangd, geheel
op de hoogte was. De heer Ant. Folmer, oud-ambtenaar bij den dienst der
arbeidsinspectie en gewezen adjunct-secretaris van de Staatscommissie
over de Werkloosheid, die bij de inwerkingtreding der nieuwe Armenwet
secretaris was geworden van den armenraad in Den Haag, werd door mij
aangezocht, als leider op te treden van de afdeeling welke aan het
Departement van Landbouw tijdelijk moest worden ingericht voor hetgeen
op het gebied der bestrijding van de werkloosheid en van haar gevolgen
gedurende den oorlogstoestand van Regeeringswege had te geschieden. Toen
de heer Folmer die taak aanvaard had, werd het directeurschap van de
Centrale Rijksarbeidsbeurs aan hem toevertrouwd. Daarmede verloor echter
deze instelling haar tijdelijk karakter nog niet. Het werd nu echter
mogelijk aan deze door den drang der omstandigheden voorloopig
opgerichte Rijksinstelling niet alleen, behoudens de onmisbare
medewerking van de Staten-Generaal, een blijvend karakter te verzekeren,
maar ook haar plaats te bepalen in een aaneensluitende organisatie van
plaatselijke, interlocale en nationale arbeidsbemiddeling. Daartoe werd
door mij (de werkloosheidszorg was mij bij mijn overgang naar het
Departement van Financiën gevolgd) de hulp ingeroepen van de Vereeniging
van Nederlandsche Arbeidsbeurzen. Ook in verband met de mobilisatie was
het dringend noodig met de organisatie der arbeidsbemiddeling spoed te
maken, opdat men bij de demobilisatie zou gereed zijn.
Op dit punt moest ook samenwerking worden gezocht met de Nationale
Vereeniging tot Steun van Miliciens. Ook deze vereeniging stelt zich
namelijk tot taak miliciens weer aan werk te helpen, nadat zij met
verlof zijn gegaan of uit den dienst zijn ontslagen. Zij beperkt haar
werkzaamheid echter tot die soldaten, op wier gedrag in dienst niets
valt aan te merken. Indien nu niet onderling voeling werd gehouden
tusschen deze vereeniging en de georganiseerde arbeidsbemiddeling,
zouden verwikkelingen, welke aan de zaak schade zouden hebben berokkend,
niet te vermijden zijn geweest. De besprekingen tusschen de besturen der
Nationale Vereeniging tot Steun van Miliciens en der Vereeniging van
Nationale Arbeidsbeurzen, in tegenwoordigheid van den Directeur-Generaal
van den Arbeid en den Directeur van de Centrale Arbeidsbeurs gehouden,
wilden in het eerst niet recht vlotten. Men begreep elkaar niet goed,
hetgeen ook hieruit te verklaren is, dat de Vereeniging tot Steun van
Miliciens, van wie niet te verlangen en te verwachten was, dat zij een
diepgaande studie van het vraagstuk der arbeidsbemiddeling had gemaakt,
niet ten volle doordrongen was van de moeilijkheden der taak, welke zij
op dit gebied op zich wilde nemen. In een bijeenkomst, waarin ook de
voorzitter van de in het volgende hoofdstuk te bespreken
Regeeringscommissie in zake het middenstandscrediet tegenwoordig was en
welke op verzoek der heeren door mij werd geleid, werd na eenige
gedachtenwisseling overeenstemming verkregen en de grondslag voor
samenwerking gelegd.
Het is duidelijk dat bij de demobilisatie arbeidsbemiddeling dubbel
noodig zijn zal. Er komen dan plotseling een aantal arbeidskrachten
beschikbaar, wier plaatsen gedurende den tijd, dat zij onder dienst
waren, door anderen werden ingenomen, of die bij herplaatsing in hun
vorigen werkkring andere, tijdelijk aangenomen, krachten zullen
verdringen. Hoe het dan met de vraag naar arbeidskrachten zijn zal, is
bovendien hoogst onzeker. Te verwachten is, dat als de vrede in het
vooruitzicht zijn zal, er spoedig een groote vraag zal ontstaan naar
artikelen, welker voortbrenging gedurende den oorlog moest worden
verwaarloosd en dat daartegenover bedrijven die oorlogsbenoodigdheden
produceeren of waren, welke met de oorlogsbehoefte verband houden, tot
stilstand zullen komen of hunne productie zullen moeten inkrimpen. Als
gevolg van een en ander is niet te voorzien hoe het er, als er eindelijk
vrede zijn zal, met vraag en aanbod op de arbeidsmarkt zal uitzien.
Alleen dit is wel zeker, dat de verhouding van vraag en aanbod in
verschillende bedrijfstakken heel anders zijn zal dan vóór of gedurende
den oorlog het geval was en dat, ten gevolge daarvan, zoowel
verschuivingen van arbeidskrachten tusschen aanverwante bedrijven als
verplaatsingen tusschen verschillende deelen van het land noodig zullen
zijn. Men behoeft dus nog niet eens te denken aan de algemeene crisis,
die als gevolg van de economische uitputting van Europa ten gevolge van
den oorlog na het sluiten van den vrede wel niet lang op zich zal laten
wachten, om te beseffen, hoe groot de behoefte in een nabije toekomst
aan een goed georganiseerde, over heel het land vertakte
arbeidsbemiddeling zijn zal.
Deze overwegingen hebben mij er toe geleid om de totstandkoming van die
organisatie zooveel mogelijk te bevorderen. Toen de Vereeniging van
Nederlandsche Arbeidsbeurzen mij een plan daartoe aanbood, dat zich in
hoofdzaak aansloot bij de voorstellen der Staatscommissie over de
Werkloosheid omtrent dit onderwerp, heb ik met volle overtuiging omtrent
de hooge noodzakelijkheid en de groote sociale beteekenis van dezen
maatregel, aan de Staten-Generaal gelden aangevraagd voor de
verwezenlijking daarvan. De Tweede Kamer heeft erkend, dat het hier een
zaak gold van algemeen nationaal belang en de daartoe noodige gelden
reeds gevoteerd. Op het oogenblik dat ik dit schrijf, moet de Eerste
Kamer haar oordeel nog uitspreken, maar het is weinig twijfelachtig dat
zij haar medewerking niet zal onthouden. Zoodra deze zal vaststaan, zal
de Rijks Centrale Arbeidsbeurs haar tijdelijk karakter definitief hebben
verloren. Feitelijk is zij reeds sedert het begin van het jaar niet
alleen een blijvende Rijksinstelling geworden, maar het knooppunt van
een over het geheele land verspreid netwerk van plaatselijke,
intercommunale en nationale arbeidsbemiddeling. Ik moet aan de
verleiding weerstand bieden op de inrichting daarvan hier in te gaan.
Dit zou mij te ver voeren. Genoeg dat, terwijl bij het uitbreken van den
oorlog de arbeidsbemiddeling zoo goed als uitsluitend plaatselijk
georganiseerd was en zich bepaalde tot ruim 30 arbeidsbeurzen in de
grootere steden, thans het aantal stedelijke arbeidsbeurzen meer dan
verdubbeld is, en bovendien in zoo goed als alle gemeenten, waar geen
beurs bestaat, correspondenten van de Centrale Arbeidsbeurs zijn, zoodat
de georganiseerde arbeidsbemiddeling nu bijna 1000 gemeenten bestrijkt
en dat een 24 tal der plaatselijke arbeidsbeurzen tevens op Rijkskosten
dienst doen als districtsbeurzen voor de arbeidsbemiddeling ten platten
lande en voor de intercommunale en nationale arbeidsbemiddeling, welke
in de Rijks Centrale Arbeidsbeurs te ’s Gravenhage haar hoofdleiding en
haar vereenigingspunt vindt. Op den duur zal de noodzakelijkheid eener
wettelijke regeling van dit onder den drang der omstandigheden tot stand
gekomen geheel, zich zoo goed als zeker doen gevoelen, maar als de
wetgever daartoe overgaat, zal hij niet iets nieuws hebben te scheppen,
maar zich er toe kunnen bepalen, aan het reeds bestaande en uit het
vrije initiatief met aanmoediging van het Rijk gewordene, wettelijke
sanctie te verleenen, met wegneming hier van een uitwas en met oplegging
elders van een wettelijken dwang, waar moreele en sociale drang niet
voldoende bleken.
* * * * *
Reeds vóór de arbeidsbemiddeling als over het geheele land verspreide
instelling haar beslag kreeg, verleende de Centrale Arbeidsbeurs goede
diensten aan de landweerplichtigen, die telkens, bij het opkomen van een
lichting oorspronkelijk van dienst vrijgestelde landstormplichtigen, met
klein verlof naar huis gezonden werden. Daardoor is de centrale
arbeidsbemiddeling reeds in staat geweest, haar recht van bestaan en
het nut dat zij kan afwerpen, practisch te bewijzen. Het vertrouwen in
de openbare arbeidsbemiddeling is daardoor zoowel bij werkzoekenden als
bij werkgevers versterkt.
Bij de gedeeltelijke demobilisatie heeft zich de vraag voorgedaan, wat
zou moeten gebeuren met arbeiders, die, indien zij van het klein verlof
dat zij konden krijgen, gebruik maakten; werkloos zouden zijn. Het Kon.
Nat. Steuncomité heeft zich, na overleg met zijne beide algemeene
voorzitters, op het standpunt gesteld, dat zulke werkloozen geen hulp
moesten ontvangen, aangezien zij niet verplicht werden den werkelijken
dienst tijdelijk te verlaten, maar daartoe alleen een verlof kregen,
waarvan zij geen gebruik behoefden te maken. Door zulke personen, die
buiten het leger geen werk konden vinden, te helpen in de
burger-maatschappij leeg te loopen, zou men lieden ondersteunen, die in
het leger zeer nuttige diensten konden bewijzen en er de voorkeur aan
gaven, niet te werken. Tegen de circulaire aan de plaatselijke comités
van 21 Mei 1915, waarin dit standpunt werd uiteengezet en zij werden
uitgenoodigd aan de bedoelde gedemobiliseerden geen ondersteuning te
geven, kwam groot verzet uit arbeiderskringen. Dat verzet ging van een
principieel verkeerd standpunt uit en er kon dus ook niet aan worden
toegegeven. De protesteerende arbeidersorganisaties hadden echter in
zoover gelijk, dat het beginsel waarvan de circulaire uitging, daarin
tot een te krasse consequentie had gevoerd. Het was billijk en redelijk
dat men den gedemobiliseerden arbeider, die op het oogenblik zijner
demobilisatie nog geen werk had, gelegenheid gaf gedurende korten tijd
naar werk te zoeken. Vandaar dat in het begin van Juni 1915 de
circulaire in dien zin werd verzacht. Aan personen die redelijke kans
hadden, spoedig werk te zullen vinden, zouden de plaatselijke comités
gedurende zeer korten tijd ondersteuning kunnen geven.
Ook de organisatie der intercommunale arbeidsbemiddeling, al had zij in
het midden van het jaar 1915 nog slechts ten deele haar beslag gekregen,
droeg er toe bij, dat het Kon. Nat. Steuncomité zonder onbillijk te
zijn, dit standpunt kon innemen. Men vergete bij de beoordeeling dezer
zaak voorts niet, dat--gelijk door dit comité terecht wordt
opgemerkt--als er van de oudste landweerlichting werkloozen naar huis
gaan, „de plaatsen, die zij ledig laten, moeten vervuld blijven worden
door hen, voor wie de terugkeer in het maatschappelijk leven inderdaad
dringend noodig mag heeten.”