De zooeven bedoelde tegenstrooming had ten gevolge, dat het aantal

Belgische vluchtelingen na enkele weken tot 200 à 300.000 terugliep en

daarna geregeld afnam, zoodat een jaar later hun aantal op 50 à 100.000

was te schatten. Onder de achtergebleven Belgen is een groot deel

welgestelden, die geheel in staat zijn in eigen onderhoud te voorzien.

De tijdelijke toevluchtsoorden in de steden liepen het spoedigst leeg.

Zij die niet op eigen kosten konden leven of niet bij particulieren

onderkomen hadden gevonden, werden bij voorkeur opgenomen in de

vluchtelingenkampen. Toen het mogelijk was geworden een schifting te

maken, werd zooveel eenigszins mogelijk was geindividualiseerd en werden

de fatsoenlijke lieden van het minderwaardige deel der vluchtelingen

gescheiden. De gevaarlijke elementen, die uit tuchthuis of

werkinrichting waren gekomen, werden in Veenhuizen ondergebracht.

De kampen, die eerst onder militair toezicht hadden gestaan, werden

spoedig onder het Departement van Binnenlandsche Zaken gebracht, waar

zij ook veel meer thuis hoorden. Eerst werd een deel der vluchtelingen

in een kamp te Oldeberkoop ondergebracht, maar toen na den val van

Antwerpen geïnterneerden daar gehuisvest moesten worden, was dat kamp

niet langer voor hen beschikbaar. Hals over kop werd er toen te Nunspeet

een voor hen in gereedheid gebracht. Dat daarbij niet alles terstond

geheel in orde was, spreekt van zelf. Men breekt nu eenmaal geen ijzer

met handen en men bouwt niet in enkele dagen een kamp voor meer dan

10.000 vluchtelingen, zonder dat er gegronde aanmerkingen op zijn te

maken. Aanvankelijk waren er zeker groote leemten, maar Dr. Hendrik

Muller, die zich aanstonds bij het uitbreken van de oorlogscrisis ter

beschikking van den lande had gesteld en aan wien door den Minister van

Binnenlandsche Zaken het beheer van het kamp te Nunspeet als

Regeeringscommissaris was toevertrouwd, was den toestand spoedig

meester.

Op uitnoodiging van den heer Muller heb ik dat kamp, met medeweten en

goedvinden van mijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken, in den zomer

van 1915 als particulier bezocht. De indruk dien dat bezoek bij mij

heeft achtergelaten, is zeer gunstig. De geest onder de kampbewoners was

klaarblijkelijk zeer goed; het trof mij ook dat het afgeschoten

gedeelte, dat door militairen werd bewaakt en waar vrouwen met

venerische ziekten afgezonderd werden gehouden, in het geheel niet den

indruk van een gevangenis maakte en dat de stemming onder de vrouwen,

die er vertoefden, veel minder somber was, dan ik had verwacht. Het

geheel was goed ingericht en er heerschte een prettige stemming, die

opviel zoowel bij het bezoek der scholen, waar de kinderen onder leiding

van geestelijke of wereldlijke onderwijskrachten uit hun eigen land

bijeen waren, als in de verschillende werkplaatsen waar de volwassenen

zich met allerlei werk onledig hielden. Die goede geest was zeker voor

een niet gering deel te danken aan de omstandigheid dat de heer Muller

zich de medewerking had weten te verschaffen van een tweetal beschaafde

jonge vrouwen, die met grooten tact met de kampbewoners omgingen en

klaarblijkelijk een grooten invloed ten goede op hen hadden. Als

Minister van Financiën heb ik ook zeer het streven van Dr. Muller

gewaardeerd, om bij het beheer van het kamp de uitgaven niet te doen

stijgen boven het strikt noodzakelijke. Als over het algemeen

bij de verschillende leiders van onderdeelen der wijdvertakte

oorlogscrisis-organisatie, zoowel onder de militaire als onder de

burgerlijke autoriteiten, dat streven even sterk ontwikkeld was geweest,

zou de oorlogstoestand aan het land op heel wat minder millioenen zijn

te staan gekomen, ook al hadden slechts weinigen den heer Muller kunnen

navolgen in zijn vaderlandschlievende daad van terugstorting in ’s Rijks

schatkist der hem als Regeerings-Commissaris toekomende vergoeding.

Naast het kamp te Nunspeet werden nog enkele kleinere opgericht.

Daarover kan ik niet oordeelen. Dat ik van Nunspeet een eigen indruk heb

gekregen, is vrijwel toeval. De geheele zorg voor de vluchtelingen is,

na de eerste weken, toen ook de militaire autoriteiten veel daartoe

hebben bijgedragen, geleid door het Departement van Binnenlandsche

Zaken. De heer Cort van der Linden is daarbij krachtig bijgestaan door

Jhr. Mr. Ch. J. M. Ruys de Beerenbrouck, die enkele dagen na den grooten

toevloed uit Antwerpen en omgeving tot Regeerings-commissaris werd

benoemd en veel er toe heeft bijgedragen, dat met grooten spoed orde en

regelmaat werd gebracht. Officieel heb ik zelf met de vluchtelingenzorg

heel weinig te maken gehad. Alleen herinner ik mij uit de allereerste

dagen van den binnenvallenden stroom, een telegrafisch verzoek van den

burgemeester eener grensgemeente uit Noord-Brabant tot het vaststellen

van maximum-prijzen voor koppen koffie en voor broodjes, daar er

herbergiers en bakkers in zijn gemeente waren, die van den toestand

misbruik maakten. Aan dat verzoek werd telegrafisch door mij voldaan.

Wat er van particuliere zijde voor de vluchtelingen werd gedaan, is

moeielijk onder cijfers te brengen. De omvang van ’s Rijks werkzaamheid

ten behoeve der Belgen, die hier te lande een goed heenkomen zochten,

kan hieruit eenigszins worden nagegaan, dat de uitgaven te hunnen

behoeve in het jaar 1914 bijna ƒ 3½ millioen en in 1915 ruim ƒ 9

millioen bedroegen, dus samen tot het begin van het loopende jaar

ongeveer ƒ 12½ millioen.

Naast de eigenlijk gezegde vluchtelingenzorg hebben ook de Nederlandsche

Bank en de Rijkspostspaarbank aan de naar Nederland uitgeweken Belgen de

behulpzame hand geboden. De Nederlandsche Bank, die ook aan andere

vreemdelingen de inwisseling van hun geld vergemakkelijkte, moest ten

behoeve der gevluchte en geïnterneerde Belgen daarvoor een bijzonderen

dienst organiseeren. Het verslag van de Bank over 1914/15 zegt hiervan:

„Nadat wij aanvankelijk de verwisselingen van Belgisch geld voor eigen

rekening hadden aangevangen, liet de Banque Nationale de Belgique ons

later daarvoor middelen verschaffen. Tijdens den grooten stroom van

Belgische vluchtelingen naar ons land moesten wij de verwisseling bij

een groot aantal kantoren openstellen, en werd over het geheele land

door honderdduizenden hiervan gebruik gemaakt. Later zijn de

gelegenheden tot verwisseling van Belgisch geld aanmerkelijk

ingekrompen, omdat de Banque Nationale geen aanleiding kon vinden voor

de verwisseling op eene zoo uitgebreide wijze gelden ter beschikking te

stellen. Bovendien werd veelal misbruik gemaakt van den gunstigen koers.

Wij hebben al deze werkzaamheden (dit geldt niet alleen voor

inwisselingen ten behoeve van Belgen, maar ook ten behoeve van

Engelschen, Duitschers en Amerikanen) zonder eenige vergoeding, in

welken vorm dan ook op ons genomen, uitsluitend als een vriendendienst

voor de vreemde nationaliteiten, met welke wij sedert jaren in goede

vriendschap hebben verkeerd, terwijl ook de inwoners van ons land door

de mogelijkheid dier inwisseling werden gebaat.”

Ook de Rijkspostspaarbank was in de gelegenheid te hulp te komen. Er

bestaat een overeenkomst tusschen de Rijkspostspaarbank en de Belgische

„Algemeene Spaar- en Pensioenkas”, dat na afgifte van een betalingsorder

door de instelling, welke een spaarbankboekje heeft uitgegeven, daarop

door de zusterinstelling wordt uitbetaald, natuurlijk behoudens latere

verrekening. Toen nu onder de vluchtelingen er een zeker aantal waren

die Belgische spaarbankboekjes bij zich hadden, sprak het wel van zelf

dat deze gaarne hun tegoed terugnamen; zij hadden hun geld zoo hoog

noodig. De officieele aanvragen om orders van betaling, welke door de

Rijkspostspaarbank naar hare Belgische zusterinstelling werden

verzonden, bleven echter als gevolg van den ontredderden toestand in

België, onbeantwoord. De Minister van Waterstaat heeft toen, met volle

instemming van den Ministerraad, den Directeur van de Rijkspostspaarbank

gemachtigd op de boekjes van de Belgische Algemeene Spaar- en

Pensioenkas door middel van de postkantoren uitbetalingen te doen, met

voorbijgang van de betalingsorders dezer spaarbank. Daarbij werd den

directeuren der postkantoren op het hart gebonden, goed toe te zien, dat

van den vrijgevigen uitzonderingsmaatregel alleen zouden profiteeren de

Belgen, die als vluchteling hier te lande vertoefden en in behoeftige

omstandigheden verkeerden, en dat daarvan geen misbruik zou worden

gemaakt door personen, die even over de grens zouden komen ter

verkrijging van betaling op hun Belgisch boekje, om daarna terstond weer

naar België terug te keeren. Aan dezen maatregel was een risico

verbonden, dat de Regeering geen oogenblik geaarzeld heeft, op zich te

nemen.

De Regeering, de Nederlandsche Bank, de Rijkspostspaarbank, particuliere

comités en het heele publiek hebben voor de gevluchte Belgen alles

gedaan, wat zij konden. Niet altijd werd die hulp besteed aan personen

die haar verdienden; zooals ik reeds opmerkte was de toegestroomde

Belgische bevolking zeer gemengd. Zij die slechte ervaringen opdeden met

personen, die zij onder hun bescherming hadden genomen, generaliseerden

in den regel te veel en verweten aan „_de_” Belgen, wat enkele Belgische

individuen tegenover hen op hun kerfstok hadden. Omgekeerd werd ook door

Belgen, als zij terecht ontevreden waren over een behandeling die zij

hadden ondervonden, niet alleen niet altijd rekening gehouden met de

groote moeilijkheid voor de Nederlandsche Regeering en het Nederlandsche

publiek hen zoo onverwachts te ontvangen en te herbergen, noch met de

onmogelijkheid daarbij aanstonds het kaf van het koren te scheiden; ook

zij konden, als zij ergens een minder aangename ervaring hadden

opgedaan, zich van te veel generaliseeren evenmin terughouden als de

zooeven door mij bedoelde Nederlanders. Dit heeft over en weer soms

kwaad bloed gezet, waar een nauwere innerlijke aansluiting als gevolg

van de ramp, die België had getroffen en van de wijze waarop Nederland

daarop had gereageerd, had mogen worden verwacht. In bijzondere

gevallen heeft het gevoel van elkander beter te hebben leeren begrijpen

en waardeeren, zeker wel wortel geschoten. Dat het zich algemeen zou

hebben ontwikkeld, moet ik helaas betwijfelen.

Ook de Belgische grensgemeenten, die onder den oorlogstoestand het zwaar

te verantwoorden hadden, werden intusschen niet vergeten. Men bevond

zich met zijn hulpverleening daar op zeer delicaat terrein. Men had te

rekenen met de gevoeligheden zoowel van de Duitschers als van de

geallieerden, en men mocht ook niet vergeten, dat het medelijden met de

beklagenswaardige zuidelijke naburen niet mocht leiden tot het verleenen

van hulp op eene wijze, waardoor de eigen bevolking zou kunnen tekort

komen. Toch wilde de Regeering evenmin als het Nederlandsche volk, dat

het alleen aan de Amerikaansche „Relief Commission” zou worden

overgelaten, de Belgen te hulp te komen, voor zoover dit binnen de

zooeven uitgestippelde grenzen mogelijk was. Daartoe werd bij Koninklijk

besluit van 5 December 1914 een commissie in het leven geroepen tot

regeling van de voorziening in noodzakelijke levensbehoeften in

Belgische grensgemeenten. Zij ressorteerde onder het Departement van

Landbouw; als haar voorzitter werd benoemd de heer A. N. Fleskens, lid

van de Tweede Kamer en burgemeester van de gemeente Geldrop, die in zijn

laatstgenoemde kwaliteit de nooden en behoeften der Belgische

grensgemeenten uit eigen aanschouwing kende. Die commissie heeft haar

taak met grooten tact vervuld. Vaak was haar kunnen echter heel wat

beperkter dan haar willen; maar toch heeft zij veel ellende gelenigd of

verzacht. De eer daarvan komt in de allereerste plaats toe aan haar

president, wien geen moeite te veel was en die ook onvermoeid in de weer

was tot het tegengaan van knoeierij, waartoe gewetenlooze smokkelaars de

commissie als onschuldig tusschenpersoon meer dan eenmaal poogden te

misbruiken. Het werk der menschelijkheid dat aan de andere zijde van de

zuidelijke grens door Nederland werd verricht, mag de heer Fleskens voor

een goed deel op zijn rekening schrijven.

Bij hetgeen voor berooide vluchtelingen en noodlijdende grensbewoners

werd gedaan, zijn fouten zeker evenmin achterwege gebleven als bij het

vervullen der andere buitengewone opgaven, die door den oorlogstoestand

werden opgelegd. Maar ook al wil men die tekortkomingen breed uitmeten,

blijft toch de hoofdindruk onverzwakt, dat Nederland hier naar de mate

zijner krachten zijn plicht heeft gedaan.

§ 3. _Voorkoming van werkloosheid; arbeidsbemiddeling._

Een der moeilijkste problemen bij de vluchtelingenzorg was hoe men hen

aan het werk zou kunnen houden, zonder dat zij in mededinging kwamen met

de Nederlandsche arbeiders, onder wie de werkloosheid in de eerste

oorlogsmaanden toch reeds zoo buitengewoon groot was, dat alles moest

worden gedaan om deze maatschappelijke crisisziekte zooveel mogelijk in

te perken en, voor zoover men daartoe niet bij machte was, de gevolgen

ervan zooveel mogelijk te verzachten. Wat tot leniging van nood als

gevolg van werkloosheid door de steunbeweging, met het Kon. Nat.

Steuncomité aan het hoofd, werd gedaan in den vorm van giften in geld,

in huurbons, in levensmiddelen en in kleeding, werd reeds in § 1 van dit

hoofdstuk besproken. Wat met medewerking van dat comité geschiedde om de

bedrijven op gang te brengen en te houden en zoodoende indirect de

werkloosheid te bestrijden, bespreek ik hieronder in hoofdstuk V. Hier

vinde zijn plaats wat rechtstreeks ter inkrimping van de werkloosheid

werd gedaan.

Het was zaak het dreigende werkloosheidsgevaar te gelijkertijd van alle

kanten onder de oogen te zien en onverwijld alle maatregelen te nemen,

die genomen konden worden deels om het te keeren, deels om de gevolgen

der werkloosheid die niet af te wenden waren, zooveel mogelijk te

verzachten. Dat dit mogelijk was, zonder dat te groote fouten werden

begaan en dat men als het ware van den eersten dag af met zijn

mobilisatie van strijdkrachten tegen dit gevaar gereed was, is te danken

aan het gelukkige toeval, dat de Staatscommissie over de Werkloosheid,

welke de werkloosheid alsmede de middelen tot bestrijding en tot

leniging daarvan in alle richtingen had onderzocht, enkele maanden vóór

den oorlog was gereed gekomen en haar eindverslag had uitgebracht. Aan

het slot van haar verslag had zij een organisch geheel van instellingen

en maatregelen tot het voeren van den strijd tegen deze kwaal onzer

moderne maatschappij aanbevolen, waarbij zij, met gebruikmaking van de

ervaringen in binnen- en buitenland opgedaan, zich had aangesloten aan

regelingen en instellingen, die ten deele reeds bestonden toen zij haar

werkzaamheden begon, deels gedurende haar onderzoek en onder haar

invloed waren tot stand gekomen. Het voorzitterschap van die commissie

was in mijne handen geweest, het secretariaat in dat van Prof. de Vooys;

verschillende hoofdambtenaren van het Departement van Landbouw,

Nijverheid en Handel, met name de Directeur-Generaal van den Arbeid en

de Inspecteur van den Landbouw, de heer F. B. Löhnis, hadden deel van de

commissie uitgemaakt. Men stond dus, toen de crisis uitbrak, niet

onvoorbereid en greep onwillekeurig naar de voorstellen, welke zoo kort

te voren waren onderzocht en aanbevolen. Dientengevolge was er geen

gevaar van het in practijk brengen van onberaden plannen en kon met

kennis van zaken worden opgetreden, niet alleen bij het nemen en

aanmoedigen van maatregelen, maar ook bij het ontraden van goed bedoelde

pogingen tot werkverschaffing, zooals reeds zoo herhaaldelijk in tijden

van buitengewone werkloosheid waren gedaan en die, indien zij niet op

een gezonde economische basis rustten, steeds op mislukking en

teleurstelling zijn uitgeloopen.

Als centraal orgaan, dat bestemd was de verschillende vereenigingen op

het gebied der arbeidsbemiddeling, der werkloosheidsverzekering, der

landverhuizing, der werkverschaffing en der algemeene bestudeering en

bestrijding van werkloosheid met elkaar en met de centrale organen van

de vakbeweging der arbeiders, voor zoover deze zich met het

werkloosheidsvraagstuk bezig houden, in aanraking te brengen, en

samenwerking tusschen die verschillende lichamen te bevorderen, was als

gevolg van de onderzoekingen der Staatscommissie eenige maanden vóór het

uitbreken van den oorlog de Werkloosheidsraad gesticht. Hij was

samengesteld uit vertegenwoordigers der bedoelde lichamen. Terstond na

het uitbreken van de oorlogscrisis werd aan den Werkloosheidsraad door

mij advies gevraagd over hetgeen zou kunnen geschieden om de

werkloozenkassen der vakvereenigingen en de gemeentelijke

werkloozenfondsen, die tegen een toestand als zich in Augustus 1914

plotseling voordeed, niet bestand waren, in staat te stellen de crisis

door te komen. Ook het probleem der instandhouding van de

werkloosheidsverzekering in tijden van zware crisis had in de

Staatscommissie over de werkloosheid een punt van overweging uitgemaakt,

maar een concreet en uitgewerkt voorstel daaromtrent had die commissie

niet gegeven. Ik bewaar echter de werkloosheidsverzekering tot de

volgende paragraaf en bespreek eerst eenige maatregelen die aan de hand

van het verslag der Staatscommissie werden genomen of aanbevolen ter

voorkoming of inkrimping van werkloosheid.

Door de Staatscommissie was met klem er op aangedrongen, dat zooveel

maar eenigszins mogelijk was, door openbare lichamen voor crisistijden

werk in reserve zou worden gehouden, opdat door het uitgeven daarvan in

den crisistijd van overheidswege de verminderde vraag naar

arbeidskrachten zoo goed mogelijk zou worden gecompenseerd. In

overeenstemming daarmede werd door het Departement van Landbouw

aanstonds bij de verschillende hoofden der Ministerieele Departementen

aangedrongen op het uitgeven van al het werk, dat daarvoor gereed was en

dat er toe kon bijdragen de heerschende werkloosheid te verminderen.

In de Eerste Economische Nota werd medegedeeld, dat dit tot gelukkig

resultaat had, „dat inderdaad niet onbelangrijke opdrachten gegeven

werden, die steeds plaats hadden in overleg met den Directeur-Generaal

van den Arbeid, zoodat er gezorgd kon worden, dat de bestellingen zoo

goed mogelijk verdeeld werden over de werkbehoevende fabrieken.

„Zulks geschiedde o.a. voor leveringen van meubelen, weefgoederen en

papier. In het bijzonder kon de zwaar getroffen kleedingindustrie

eenigermate geholpen worden met leveranties voor het leger. Ter

voorziening in de plotselinge behoefte bij de mobilisatie was van enkele

soorten kleedingstukken, speciaal uniformjassen en -broeken en

ondergoed, spoedige levering noodzakelijk, zoodat toen de eisch van

spoed alles beheerschend was. Daarna kon echter de verdeeling zoodanig

plaats hebben dat over het geheele land de meest geteisterde bedrijven

opdrachten ontvingen. De aanmaak van uniformen werd zelfs onafhankelijk

van de onmiddellijke behoefte zoo hoog mogelijk opgevoerd. In de steden,

waar de Centrale Magazijnen gevestigd zijn--Amsterdam, Delft,

Woerden--en in de nabijgelegen groote steden--Rotterdam, ’s Gravenhage

en Utrecht--werd het werk, behalve over de aan de magazijnen verbonden

buitenwerkers, verdeeld over werklooze kleermakers. Aan deze laatsten

werd slechts een zeer beperkte hoeveelheid gegeven, opdat een zoo groot

mogelijk aantal een, zij het ook matig, weekloon zou kunnen verdienen.

„Wollen-, tricot-, linnen- en katoenen ondergoed, benevens kousen en

later ook handschoenen werden, nadat in de eerste dringende behoefte met

spoed was voorzien, besteld bij een groot aantal over het geheele land

verspreide fabrieken. Gestreefd werd daarvan een zoo groot mogelijk

aantal arbeiders en arbeidsters te doen profiteeren, o.a. door geen

overwerk toe te staan, tenzij het legerbelang zulks dringend eischte.

Aan het breien van kousen en handschoenen verdienen ook vele

thuiswerkende vrouwen door tusschenkomst van comités en van den Bond

voor Werkverschaffing een matig loon.

„Ook de schoenen voor het leger zijn, nadat in de eerste behoefte door

aankoop uit voorraden terstond was voorzien, besteld bij verschillende

fabrikanten in alle deelen van het land.

„Gedurende de crisis is er bovendien door de Regeering naar gestreefd om

zooveel mogelijk de bouwwerken, die in uitvoering of voorbereiding

waren, door te zetten of te doen beginnen.

„Het Departement van Waterstaat verleende daartoe zijn krachtige

medewerking door de indiening der wet, bij welke voor het uitvoeren van

tal van werken een som van ƒ 8.500.000 werd gevoteerd, waarvan ƒ

7.000.000 als voorschot van de spoorwegmaatschappijen.

„Het Departement van Binnenlandsche Zaken ging voort met het verleenen

van bouwkredieten aan Vereenigingen in het belang der Volkshuisvesting.

Op de begrooting van het fonds van tot het Departement van

Binnenlandsche Zaken behoorende bouwwerken werd, mede in het belang der

werkverschaffing, ƒ 3.023.475 aangevraagd, waarin begrepen een bedrag

van ƒ 365.855 uitsluitend voor nieuwe werken.

„Verschillende gemeentebesturen volgden het door de Regeering gegeven

voorbeeld en aarzelden niet, om niettegenstaande de interest der te

sluiten leeningen thans hoog is, nieuwe werken te doen uitvoeren.”

Ter aanvulling van het hier uit de Eerste Economische Nota overgenomene

zij nog medegedeeld, dat na de verschijning daarvan door de

verschillende Departementen van Algemeen Bestuur niet alleen in dezelfde

richting werd doorgegaan, maar daartoe ook de noodige wijzigingen in

wetten of algemeene maatregelen van bestuur werden voorgesteld of

bevorderd. Als resultaat van een gehouden overleg tusschen mijn

ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken en mij werd het bij Koninklijk

besluit van 6 Maart 1915 mogelijk gemaakt, krachtens de Woningwet in den

oorlogstijd voorschotten te blijven verleenen tegen een rente van 3⅞%.

Waar het Rijk zelf als gevolg van de crisis 5% rente over zijn

leeningsgeld betalen moest, ontging het ons natuurlijk niet, dat bij die

renteberekening in het voorschot ook een bedekte subsidie werd

verstrekt. Daar het echter zoowel ter bestrijding van werkloosheid als

ter voorkoming van stilstand in den bouw van volkswoningen noodig was,

mocht men zich niet te angstvallig vastklampen aan de oorspronkelijke

bedoeling der Woningwet, dat voorschot en bijdrage voor den bouw van

volkswoningen gescheiden zouden blijven. In denzelfden geest was de

wijziging dier wet, welke 16 April 1915 haar beslag kreeg, waardoor

voorschotten voor woningbouw ook met een aflossingstermijn van 75 jaar

zouden kunnen gegeven worden.

Krachtens de Woningwet werden verschillende voorschotten voor den bouw

van volkswoningen verleend. Het meest belangrijke daaronder was wel dat

ter verwezenlijking van het groote woningbouwplan van de gemeente

Amsterdam, dat door den heer Tellegen reeds was voorbereid, toen hij het

directeurschap van het bouw- en woningtoezicht aldaar nog niet met den

burgemeesterszetel had verwisseld. Ter verzekering dat dit goedkoope

voorschot mede aan het doel der bestrijding van werkloosheid in de

bouwvakken zou ten goede komen, werd daaraan als voorwaarde verbonden,

dat met den bouw ook van het laatste blok der geprojecteerde woningen

binnen twee jaar na de verleening van het voorschot moest zijn begonnen.

Ook aan het particuliere bouwbedrijf is wel gedacht; door den

Directeur-Generaal van den Arbeid werd een plan van hulpverleening aan

eigenbouwers gedurende de oorlogscrisis uitgewerkt. Over dit plan, dat

de medewerking van drie Ministerieele Departementen behoefde, had een

voorloopige bespreking tusschen den Minister van Landbouw, den

Directeur-Generaal van den Arbeid en mij plaats. Het kon echter niet de

instemming van alle daarbij betrokken autoriteiten krijgen en was ook

minder noodig, toen met de algemeene opleving der bedrijven ook de

werkloosheid in het bouwbedrijf afnam. Toch betwijfel ik, of men het

over enkele jaren, in verband met den woningnood, die zich nu reeds in

verschillende plaatsen begint te openbaren en waarvan verergering te

verwachten is, niet zal betreuren, dat in de oorlogscrisis niet ook

maatregelen werden getroffen, om het doorwerken van de particuliere

bouwnijverheid te bevorderen.

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken · 第 15 / 40 段