in geld en in natura. Zooals uit mijn rede, uitgesproken in de
constitueerende vergadering blijkt, was ik op dat oogenblik, toen het
buitenlandsch verkeer geheel en het binnenlandsch verkeer grootendeels
stilstond, van meening dat de verstrekking van steun in natura, dus in
den vorm van levensmiddelen, hoofdzaak, de giften in geld bijzaak zouden
zijn. Het is echter anders uitgekomen. Het buitenlandsch verkeer, zoowel
te land als ter zee, herstelde zich spoediger dan het zich in het begin
van Augustus 1914 liet aanzien. Dit bracht een totalen omkeer te weeg in
den toestand, zooals hij in de eerste weken na het uitbreken van den
oorlog zich vertoonde. Scheen het toen een oogenblik dat verschillende
levensmiddelen, inzonderheid tuinbouwproducten, gevaar zouden loopen van
op het veld te blijven staan, omdat zij het oogstloon niet waard waren,
en dat bij het wegvallen van den gewonen afzet een buitengewone
oorlogsorganisatie zou moeten worden geschapen, om het nutteloos
bederven dier levensmiddelen tegen te gaan, de aan bederf onderhevige
producten op te koopen en onder de bevolking te distribueeren;--spoedig
bleek het verloop van zaken een geheel ander te zijn. Het tijdelijk
wegvallen van de buitenlandsche vraag, mede veroorzaakt doordat men in
de eerste dagen van den oorlogstijd met het stellen van uitvoerverboden,
voorzichtigheidshalve wat verder was gegaan dan strikt noodzakelijk was,
maakte al heel spoedig plaats voor een zoodanig verhoogde buitenlandsche
vraag, met name uit Duitschland, dat--gelijk in hoofdstuk II meer
uitvoerig werd besproken--beperking van den uitvoer ter voorkoming van
schaarschte en van prijsverhooging allengs meer noodig werd.
Onder dien fundamenteel gewijzigden toestand was er toch reden voor het
maken van voorraden van verduurzaamde levensmiddelen, om bij de te
verwachten prijsstijging die waren tegen billijken prijs aan de
plaatselijke steuncomités ter verstrekking aan de ondersteunde gezinnen
te kunnen afgeven. Nog in Augustus 1914 werd door het Kon. Nat.
Steuncomité een circulaire aan alle plaatselijke steuncomités gericht
met de vraag, of deze zich van ingemaakte groenten zouden wenschen te
voorzien. Daarin werd er op gewezen, dat men door spoedig opgaaf te
doen, het nationaal comité in staat zou stellen tot het doen van groote
bestellingen, waarbij van de toen lage prijzen dier groenten zou worden
geprofiteerd en tevens een welkome werkgelegenheid zou worden verschaft
aan de inmakerijen en fabrieken van verduurzaamde levensmiddelen. Het
resultaat was echter bedroevend. De plaatselijke comités zagen het
belang der zaak niet in, of wel zij zagen op tegen de moeite verbonden
aan de distributie der ingemaakte groenten, welke hun zouden worden
toegezonden. De aanvragen waren zoo luttel, dat het Kon. Nat.
Steuncomité zich gedwongen zag den verkoop van verduurzaamde groenten
veel meer in te perken dan het aanvankelijk voornemens was. Het legde
ongeveer ƒ 80.000 ten koste aan den inslag van omstreeks 2000 vaten
ingemaakte boonen en omstreeks 1500 vaten zuurkool, alsmede van ongeveer
700 H.L. groene erwten en 1400 H.L. bruine boonen. In het laatst van
1914 had het daarvan nog zooveel over, dat in de publicatie van December
van dat jaar door het steuncomité moest worden medegedeeld, dat als de
plaatselijke comités in het begin van 1915 den heelen voorraad nog niet
hadden gekocht, het overblijvende ook aan armbesturen ter beschikking
zou worden gesteld.
Deze proefneming was weinig aanmoedigend. De medewerking der
plaatselijke comités bleef ver beneden hetgeen men had mogen verwachten.
Bij velen was het eerste élan spoedig verslapt en over het algemeen
bleek men te weinig vooruit en tegen het maken eener locale
distributie-regeling op te zien. Ware bij de plaatselijke steuncomités
het inzicht van den aanvang af wat ruimer geweest en het organiseerend
talent voor locale levensmiddelendistributie wat grooter, dan zou het
mogelijk zijn geweest, dat zich de kern van een distributie-organisatie
had gevormd, die had kunnen zijn ontwikkeld en verbeterd, toen de
Regeering zelve levensmiddelen moest distribueeren niet slechts onder
hen, die binnen het bereik der steuncomités vielen.
* * * * *
Naast uitkeeringen in geld, huurbons en levensmiddelen werden door
tusschenkomst van de plaatselijke comité’s ook kleedingstukken en
schoeisel aan gesteunden verstrekt. De met dezen vorm van hulp verkregen
ervaring was bevredigender dan die met de verstrekking van
levensmiddelen. Vooral door de distributie der groote partijen kleederen
in de eerste maanden van de crisis uit Nederlandsch Indië en
Noord-Amerika ontvangen, is veel nut gesticht. Voorts kon vaak op zeer
practische wijze indirect voor kleeding worden gezorgd door het lossen
van kleederen, die aan een bank van leening waren verpand. In dit
voorjaar werd den plaatselijken steuncomité’s nog eens in overweging
gegeven, na te gaan of er geen aanleiding was in hun gemeente op
eenigszins ruime schaal kleederen te verstrekken. Wel is waar konden
toen de meeste steuncomité’s wegens de verbetering van den toestand haar
werkzaamheid in het algemeen reeds schorsen. Het Kon. Nat. Steuncomité
overwoog echter, dat ook in verband met de stijging der levensmiddelen
in vele gezinnen van arbeiders met kleine loonen, voor aankoop van
kleederen wel weinig of niets zou zijn overgeschoten en dat er dus in
die gezinnen vrij algemeen behoefte zou zijn aan kleederen of aan geld
tot aankoop daarvan. De circulaire had evenwel niet het effect, dat
ervan verwacht worden mocht. Slechts betrekkelijk weinige plaatselijke
comité’s getroostten zich de moeite van een onderzoek. Men leide hieruit
intusschen niet af, dat er voor deze speciale hulp geen aanleiding was.
De steunverleening in geld is verreweg de hoofdzaak gebleken. Afgezien
van tal van bijzondere uitkeeringen bedroeg zij op het eind van het jaar
1915 meer dan ƒ 2.200.000 tegenover ruim ƒ 830.000 aan huurbons en
ongeveer ƒ 115.000 aan kleeding en dekking.
* * * * *
Onder den steun in bijzondere gevallen neemt een eerste plaats in,
hetgeen het Kon. Nat. Steuncomité deed ten bate van onder de wapenen
zijnde kleine neringdoenden, wier zaakje door de vervulling van hun
militie- of landweerplicht dreigde te verloopen. Met dezen bijzonderen
vorm van hulp belastte het comité zich op verzoek van den Minister van
Oorlog. Toen deze bewindsman aan de compagniescommandanten in het laatst
van December 1914 berichtte, dat het Kon. Nat. Steuncomité deze taak
had aanvaard, stroomden de aanvragen spoedig toe. Zij werden steeds
zoowel plaatselijk als door vakdeskundigen onderzocht. Nadat de in het
volgend hoofdstuk te bespreken Regeeringscommissie voor het
Middenstandscrediet haar werkzaamheid was begonnen, werden alle
aanvragers die met een voorschot geholpen konden worden, daarheen
verwezen. Op 31 December 1915 was aan giften voor dienstplichtige kleine
neringdoenden omstreeks ƒ 156.000 besteed. Onder die kleine
neringdoenden werden ook de binnenschippers begrepen.
Tot den steun in bijzondere gevallen behoort ook hetgeen gedaan werd ten
bate van liefdadige stichtingen, die voor de vervulling van haar
liefdewerk afhankelijk zijn van vrijwillige bijdragen en die, als gevolg
van den oorlogstoestand, haar inkomsten zagen verminderen. Het
steuncomité stelde een subcommissie in om te onderzoeken, welke van deze
instellingen door den oorlogstoestand dreigden in nood te geraken en
sprong die, welke gevaar liepen haar menschlievend werk niet te kunnen
voortzetten, zoover bij, als bleek noodig te zijn. Tot 31 December 1915
was aan liefdadige instellingen ruim ƒ 34.000 verstrekt.
Voorts zij hier nog vermeld, wat in aansluiting aan hetgeen door de
beeldende kunstenaren voor het Kon. Nat. Steuncomité werd gedaan, door
het comité wederkeerig voor diegenen onder hen geschiedde, die onder den
druk van den oorlogstoestand gebukt gingen. Bij de organisatie van de
boven vermelde tentoonstelling met loterij was tusschen de commissie van
uitvoering daarvan en het Kon. Nat. Steuncomité overeengekomen, dat een
zeker percentage van de opbrengst daarvan ten goede zou komen aan het
Nederlandsch Steuncomité voor Beeldende Kunstenaren en aan de
Vereeniging voor Ambachts- en Kunstnijverheid. In verband met deze
regeling werd ten behoeve van noodlijdende beeldende kunstenaars en
beoefenaars der kunstnijverheid tot het eind van het jaar 1915 een
bedrag van rond ƒ 42.000 uitgegeven.
Eveneens valt hieronder, wat gedaan werd ten bate van Nederlanders in
den vreemde. Dit beperkte zich hoofdzakelijk tot de Nederlanders in
België en tot die in Duitschland, inzonderheid in Westphalen en in de
Rijnprovincie. Voor de Nederlanders in Brussel werd tusschen het Kon.
Nat. Steuncomité en de Nederlandsche Vereeniging van Weldadigheid aldaar
een regeling getroffen, waarbij deze vereeniging de rol vervulde van de
plaatselijke steuncomités hier te lande. Voor de behartiging der
belangen van de Nederlanders in België werd voorts door den Minister van
Buitenlandsche Zaken eene bijzondere commissie ingesteld, onder leiding
van Mr. Dr. J. van Best, lid van de Tweede Kamer. De hulp aan
Nederlanders in Duitschland werd voornamelijk verleend door
tusschenkomst van de Nederlandsche consuls in Westphalen en in de
Rijnprovincie. Aanvankelijk bepaalde zij zich in hoofdzaak tot
vergoeding van huishuur op overeenkomstige wijze als hier met de
huurbons geschiedde. Later, bij het schaarscher worden der
levensbehoeften, werden ook wel levensmiddelen verstrekt. Hierbij moest
echter met de grootste omzichtigheid worden te werk gegaan. Niet alleen
moest worden voorkomen, dat de verstrekte levensmiddelen in plaats van
aan het gezin ten goede te komen, zouden worden verkocht, maar ook mocht
de steunverleening niet ontaarden in indirecte subsidieering van
buitenlandsche werkgevers. Hier diende men dus overwegingen te laten
medespreken, die in Nederland, waar de steun tot werkloozen en hunne
gezinnen beperkt was, niet behoefden te gelden. De medewerking van de
Nederlandsche arbeidsbeurs te Oberhausen is bij de steunverleening aan
de gezinnen van Nederlanders in West-Duitschland van groote waarde
geweest. Die arbeidsbeurs heeft ook haar tusschenkomst verleend om
aldaar vertoevende Nederlanders hier aan werk te helpen. Dit geldt
vooral voor mijnwerkers. Later, toen de nood in Duitschland steeds
klemmender werd, moest ook de terugkomst van gezinnen, die het niet
langer konden uithouden, bevorderd worden. Sommige van die gezinnen zijn
toen in een der vluchtelingenkampen ondergebracht, die hun ontstaan aan
de invasie der Belgen na den val van Antwerpen te danken hebben.
Tot 31 December 1915 gaf het Kon. Nat. Steuncomité uit: voor
Nederlanders in België ruim ƒ 175.000; voor Nederlanders elders
(hoofdzakelijk in Duitschland) ruim ƒ 46.000 en voor Nederlanders die
uit het buitenland waren gevlucht ruim ƒ 26.000.
§ 2. _Hulp aan vreemdelingen._
Als tegenhanger van wat voor Nederlanders in den vreemde werd gedaan,
moet ook worden gedacht aan hetgeen voor vreemdelingen, in de eerste
plaats voor Belgen, hier te lande geschiedde. Toen het Duitsche leger
met schending van België’s neutraliteit naar Frankrijk oprukte en de
Belgische bevolking het verdedigen van hun verkracht grondgebied niet
uitsluitend aan het leger overliet, maar in de algemeene
verontwaardiging ook franc-tireurs de indringers trachtten tegen te
houden, gaf dit aanleiding tot represaille-maatregelen en tooneelen,
welke aan de bevolking den schrik om het hart deed slaan. Naar mate het
Duitsche leger oprukte, vluchtten beangste Belgen eerst uit Visé en Luik
en omstreken naar Nederlandsch Limburg. Later kwam, onder den indruk van
wat in Leuven was geschied, Noord-Brabant aan de beurt. Het was geen
wonder dat na die gebeurtenis, waarvoor de verantwoordelijkheid nog niet
onomstootelijk is vastgesteld, zoowel ontzetting als heftige
verbittering tegen den schender van recht en grondgebied zich van de
Belgische bevolking meester maakte. Dit leidde er toe, dat het aan velen
onder de Duitsche inwoners van België en vooral van Antwerpen aldaar te
benauwd werd, en dat deze uit vrees van slachtoffers te zullen worden
van de verontwaardiging, welke hun landgenooten hadden gewekt, naar hier
de wijk namen. Zij waren slechts voorloopers. Toen het Duitsche leger
allengs verder in België doordrong, beving de Antwerpsche bevolking de
angst, dat het hun vergaan zou gelijk het den Leuvenaren vergaan was.
Toen begon de uittocht eerst recht; de een stak bovendien den ander aan,
en wat aanvankelijk een klein beekje was, werd spoedig een
overweldigende stroom. Het was een ware volksverhuizing. Half Antwerpen
liep leeg. Goeden en kwaden, zooals er in elke groote stad zijn,
fatsoenlijke burgers, naast boeven en lichtekooien overschreden, onder
den indruk van het ééne groote gevaar, dat allen zonder onderscheid
bedreigde en dat allen in hun schrik nog grooter zagen dan het reeds
was, de grens van Staats-Vlaanderen en van westelijk Noord-Brabant. Zóó
plotseling en zóó onverwachts kwam die stroom opzetten, dat maatregelen
van voorbereiding tot ontvangst en tot het onder dak brengen van een zóó
overweldigende menschenmassa niet hadden kunnen worden genomen.
Natuurlijk zijn er toen dingen gebeurd, die niet hadden moeten zijn
geschied, natuurlijk hebben de arme vluchtelingen, die niet slechts het
gevoel hadden van berooid te zijn van huis en hof, maar die bovendien
door angst werden voortgedreven, niet overal de medelijdende
gastvrijheid gevonden, waarop zij in hun deerniswaardigen toestand
aanspraak mochten maken. Men brengt zulk een menschenmassa niet in een
of twee dagen onder, zonder dat het hier en daar verkeerd gaat. Maar de
donkere vlekjes die er bij de invasie aan onze Zuidgrens door, de
opgeschrikte Belgische bevolking zonder twijfel zijn geweest, en die het
dwaasheid zijn zou, te willen verbloemen of vergoelijken, vallen toch
Goddank geheel in het niet tegenover den geest van gastvrijheid en
offervaardigheid, welke over de gansche bevolking van ons land vaardig
werd. Overal was men bereid om te helpen. Het was daarbij een groot
geluk, dat de weersgesteldheid in het laatst van September en het begin
van October 1914 niet al te slecht was, want met den besten wil was het
niet mogelijk die toegestroomde menschenmassa terstond geheel onder dak
te brengen. Een groot deel moest de eerste nachten onder den blooten
hemel slapen; daartegen was trots alle inspanning van militaire en
burgerlijke autoriteiten en trots de groote medewerking en toewijding
der bevolking tot verzachting van het hartverscheurende leed, dat zij
onder hun oogen zagen, niets te verhelpen. Het was al een praestatie,
welke eerbied afdwingt, dat door die honderdduizenden, waaronder
kinderen en grijsaards, zieken en gebrekkigen, zoowel als gezonden van
lijf en van geest, geen dag honger werd geleden, dat aan die allen
binnen 24 uur althans het hoogst noodige voedsel werd verstrekt. Wat er
in die dagen voor de vluchtelingen werd gedaan en gedaan moest worden,
kan ik het best weergeven in de woorden, door den heer Cort van der
Linden in de vergadering van de Tweede Kamer van 17 December 1914
gesproken:
„Toen de Duitschers in België kwamen en men de gevechten heeft gehad bij
Visé, zijn er dadelijk een aantal vluchtelingen gekomen in Limburg,
eenige duizenden. Zij hebben een onderdak gekregen en voedsel; daarvoor
is, mag ik zeggen, door den Commissaris van Limburg op voortreffelijke
wijze gezorgd. Toen langzamerhand het Duitsche leger voorttrok in
België, heeft de Regeering voorzien--dit in antwoord aan den heer
Hugenholtz, die vroeg of de Regeering niets had voorzien--dat het
aantal vluchtelingen dat in ons land zou komen zou vermeerderen. In dien
tusschentijd waren er ook door de bevolking verschillende steuncomités
opgericht voor de vluchtelingen, die zich in Limburg bevonden, en toen
heeft de Regeering een organisatie in het leven geroepen: ik heb toen
aan de Commissarissen der Koningin verzocht om provinciale comités te
vormen, die samenwerking zouden bevorderen van die steuncomité’s, die
zich in het land hadden gevormd en die dikwijls tegen elkander inwerkten
en veel noodeloos werk deden. Ook heb ik in het leven geroepen een
centraal comité, dat in verband kwam met een comité dat reeds te
Amsterdam bestond, maar geen officieel karakter had, en dat over een
zeker kapitaal kon beschikken. Men had dus een organisatie van de
steuncomité’s over het geheele land.
„Maar wat ik niet voorzien had, en wat ik geloof niemand heeft voorzien,
dat was de enorme massa, die ons land overstroomd heeft, en waarvoor die
organisatie ten eenenmale is bezweken. Tegen een dergelijken aandrang
was zij niet bestand. Maar zulk een aandrang kon ook inderdaad niemand
voorzien. Dat heeft de Regeering niet voorzien, dat heeft de Belgische
Regeering niet voorzien en niemand.
„Ik zeg: een enorme overstrooming. Men moet niet vergeten dat er op een
zeker oogenblik hier in het land 8 à 900.000 Belgische vluchtelingen
waren, en men moet zich eens een oogenblik voorstellen wat dat
beteekent. Dat is meer dan dubbel de bevolking van den Haag die zich in
enkele dagen over ons land verspreidde.
„Wat was nu de taak van de Regeering op dat oogenblik? Die kon dit niet
anders behandelen dan als een zuiver massaverschijnsel; die kon geen
onderscheid maken. In enkele dagen of in een dag moest voor die
ontzaglijke massa voedsel verschaft worden. Dat voedsel is verschaft. Ik
geloof niet dat de vluchtelingen 24 uur hebben doorgebracht zonder dat
er gelegenheid was om eten te krijgen. Dat is verschaft, met groote
inspanning en dank zij de inderdaad uitstekende organisatie van onze
intendance.
„Er moest ook zooveel mogelijk gezorgd worden voor onderdak. Die
menschen konden niet blijven daar in de bosschen waar zij waren,
mannetje aan mannetje, zooals de heer Schaper het zelf heeft bijgewoond,
op de wegen, op de markt, in de straten. Van alle kanten heeft men
getracht tenten bijeen te brengen, maar dat was niet voldoende. Ik had
trouwens reeds vóór den val van Antwerpen begrepen, dat de toestand
onhoudbaar zou worden als men die massa niet althans ten deele over het
land kon verspreiden. Door tusschenkomst van de Commissarissen der
Koningin is daarom overleg gepleegd met de verschillende burgemeesters.
Wanneer men de streek eenigszins wilde verlichten en althans eenige
mogelijkheid van organisatie wilde krijgen, moest men de menschen ergens
anders onder dak brengen. Men moest er zich dus van verzekeren, waar
gelegenheid was om ze althans tijdelijk te bergen. Dat is door het heele
land heen gebeurd in nog geen twee dagen. In nog geen twee dagen wist ik
precies over het heele land waar vluchtelingen konden worden geborgen.
Men kan dus niet zeggen dat er in deze eenig verzuim is geweest. Dat is
alles ook weer per telegraaf gegaan, en dat is inderdaad geweest een
zeer groot stuk werk, dat in korten tijd moest worden volbracht.
„Vervolgens moest het vervoer geregeld worden, en indien men weet wat
het zeggen wil duizenden en duizenden menschen te vervoeren en dat
vervoer geregeld te doen plaats hebben, dan zal men toch ook beseffen
dat het een prachtig stuk werk is geweest--ik zeg dat niet om mij zelf
te verheffen, want het is hoofdzakelijk ook weer geschied door
ambtenaren, door de stafofficieren en door de spoorwegen--dat men
dadelijk die treinen heeft kunnen organiseeren, de vluchtelingen heeft
kunnen concentreeren op de hoofdplaatsen en van de hoofdplaatsen van de
provincies verder heeft kunnen verspreiden, zoodat althans een groot
gedeelte van die menschen onderdak had en er voor gezorgd werd dat zij
verder eten en drinken hadden.
„Dat was des te moeilijker, omdat ter zelfder tijd meer dan 30.000
soldaten over de grenzen kwamen die geïnterneerd moesten worden, die
vóór moesten gaan en die dus dwars door die regeling heen, gebracht
moesten worden naar de kazernes en kampen.
„In den tijd dat de treinen naar het noorden werden gedirigeerd, moest
het voedsel, brood en ander, worden verdeeld onder de menschen en dat is
een werk geweest waarbij de particulieren groote diensten hebben
bewezen. Zonder dat de particulieren zich daarmede hadden bemoeid,
zouden de autoriteiten, die daar waren, en de steuncomité’s eenvoudig
niet in staat zijn geweest het werk te doen. Op allerhande wijzen, ook
bij het vervoer van vluchtelingen naar het noorden, heeft het
particulier initiatief groote diensten bewezen aan de Regeering.”
Dat, zooals de heer Cort van der Linden verder opmerkte, de
particulieren met de beste bedoeling de autoriteiten, die bezig waren
orde te brengen in den chaos, ook wel eens hebben in den weg geloopen,
spreekt van zelf. Maar over het algemeen was, daar allen werden geleid
door hetzelfde gevoel van meewarigheid en menschelijkheid, de
samenwerking groot. Het was hoog noodig, dat onverwijld voor
verspreiding van die opgehoopte menschenmassa werd gezorgd, niet alleen
omdat anders een behoorlijke verzorging onmogelijk zou zijn geweest,
maar ook omdat die bij de grens verzamelde menigte de militairen zoozeer
in beslag nam en ook indirect voor de taak der landsverdediging zóó
belemmerend was, dat verspreiding dier menigte met het oog op
gebeurlijkheden, waarop men voorbereid moest blijven, in het belang van
’s lands veiligheid geboden was. Bovendien gaf die menschenmassa, als
zij niet werd verspreid en geschift, nog aanleiding tot andere gevaren.
Niet alleen was met gezeten burgers, ook het schuim, dat in elke groote
stad is te vinden, meegekomen, maar aangezien in de paniek zelfs de
poorten der gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen waren geopend, had
men ook te rekenen met de aanwezigheid van gewezen bewoners daarvan,
zeer ongewenschte gasten. En daarnaast zieken en zelfs krankzinnigen
die, gedeeltelijk met hun verplegers, den stroom hadden gevolgd! Van
allerlei gevaren van maatschappelijken en hygienischen aard werd met de
invasie der Belgen de kiem hierheen gedragen. Dit is geen bedekt verwijt
aan het Belgische volk. Als bijv. de Rotterdamsche of Amsterdamsche
bevolking naar België had moeten vluchten, zou het niet anders zijn
geweest. Ik wijs er alleen op, omdat men het niet vergeten mag bij het
beoordeelen der maatregelen, die genomen werden.
Nadat de eerste weken van paniek voorbij waren, begon bij een deel der
vluchtelingen het gevoel op te komen, dat zij beter gedaan hadden zich
niet door den algemeenen stroom te laten medesleepen en, met
achterlating van alles wat zij hadden, de vlucht te nemen. Er kwam
daardoor spoedig een terugstrooming van ons land naar België, met name
naar Antwerpen. Zij werd aangemoedigd door eenige invloedrijke Belgische
persoonlijkheden, onder wie in de eerste plaats de heer Louis Franck is
te noemen, die voor de bevolking van Antwerpen en zijn omgeving een ware
schutspatroon is geweest. Ook de heer Huysmans stak aan de gevluchten
een hart onder den riem en raadde hen tot terugkeer. Van hier uit werden
die pogingen ondersteund, voor zoover dit mogelijk was zonder den
valschen schijn te wekken, als zou men zich de vluchtelingen, wier
verzorging men op zich had genomen, weer van den hals willen schuiven.
Sommige burgemeesters zijn, uit vrees dat die gemengde menigte
aanleiding zou kunnen geven tot epidemieën of andere gevaren voor de
bevolking, wel eens te ver gegaan. Zoo dikwijls hiervan iets bleek,
heeft de Minister van Binnenlandsche Zaken zich gehaast zulke
overzorgzame burgervaders duidelijk te maken, dat hun overmaat van ijver
niet met de bedoelingen der Regeering strookte. Deze was zoozeer
doordrongen van hetgeen de plicht der menschelijkheid aan ons land
oplegde, dat toen van Engelsche zijde werd aangeboden een deel der
vluchtelingen op kosten der Britsche regeering naar ginds over te
brengen, dezerzijds beleefd maar beslist werd geantwoord, dat wij geen
hulp van elders verlangden voor de verzorging van vluchtelingen, die een
beroep op onze gastvrijheid hadden gedaan. Natuurlijk werd aan die
vluchtelingen, die zelven verkozen naar Engeland over te steken, met het
boven in hoofdstuk I gemaakte voorbehoud[11] geen beletsel daartoe in
den weg gelegd.
[11] Zie bl. 25.